Part 64
Reeds lang vÛÛr het einde der dertiende eeuw had het groote rijk van Salah-ed-Din zijne voornaamste rol uitgespeeld. Zijne opvolgers behielden op den duur alleen Egypte en een deel van SyriÎ. In het Oosten hadden ook zij te lijden gehad van de beweging der Mongolen. Als afzonderlijke natie beginnen dezen van zich te doen spreken in de elfde en twaalfde eeuw. Onder hun grooten aanvoerder Temoedsjin, die den titel van Dzjengis-Khan aannam, hadden zij China veroverd en zich daarop naar het Westen gekeerd, ook daar alles neerwerpende, wat hun tegenstand wilde bieden. Na Temoedsjin's dood drongen ze door in Europa, kwamen door Rusland in Hongarije, Polen, Boheme, SileziÎ, MoraviÎ, IllyriÎ, maar keerden toen terug, onoverwonnen. Alleen Rusland bleef langen tijd onderworpen aan het rijk van Kiptschak, ook wel het rijk der Gouden Horde genoemd, ÈÈn der Mongoolsche rijken, die sedert de dertiende eeuw in AziÎ bestonden. Voor-AziÎ heeft den minsten last van hen gehad. Wel werd PerziÎ veroverd, wel maakte Hoelagoe, broeder van den keizer van China, een einde aan het kalifaat van Bagdad door deze stad in te nemen en den laatsten kalief te vermoorden (1258), maar noch in het Westen van SyriÎ noch in Klein-Azie vestigden zij hunne macht.
Door al de veranderingen, die in de twaalfde en dertiende eeuw plaats vonden, was het rijk der Seldsjoeksche Turken verdwenen behalve in een deel van Klein-Azie. Daar vinden we in het begin der veertiende eeuw nog een Seldsjoeksch rijk, verdeeld in tien emiraten, die sedert 1307 allen geheel zelfstandig waren. EÈn van die tien vereischt in het bijzonder onze aandacht, want daar heerschte toen Osman, naar wien de door hem geregeerde stam de Osmanli of Osmanen heet. Zijn grootvader SuleÔman, zoo luidt de overlevering, kwam uit Khorassan met een groot aantal Turken naar het Westen getogen, maar verdronk in de Eufraat. Zijn dood deed zijne volgelingen uiteengaan. Twee zoons met een vierhonderd families trokken naar Klein-Azie. Daar dichtbij komende, aanschouwden ze in de verte een veldslag. Zij besloten de zwakste partij te hulp te komen en bezorgden daardoor dezen de overwinning. De verslagenen waren Mongolen, de overwinnaars Seldsjoeken. Dier sultan Ala-ed-Din gaf uit dankbaarheid aan Erthogroel, den zoon van SuleÔman, en de zijnen woonplaatsen in het Noorden van Klein-AziÎ. Erthogroel's zoon was Osman, die, evenals de andere emirs, in 1307 zelfstandig vorst werd van zijn rijkje, Sultan-Oeni geheeten. Hij was de eerste der Osmanen, die tot den Islam overging; zijne onderdanen volgden hem hierin even trouw als in den krijg.
Het bescheiden gebied van het Osmanische rijk werd spoedig vergroot, want de Osmanen waren strijdvaardig en in hunne buurt lagen de overblijfselen van de Grieksche macht in Klein-AziÎ, voornamelijk enkele steden als Nicaea, Broessa, Nicomedia, Philadelphia en verschillende sterke kasteelen. De Seldsjoeken, sedert lang sedentair, hadden hunne krijgersgewoonten afgelegd; hun Islam verdroeg zich met het Grieksche Christendom. Met den Islam der Osmanen was dit niet het geval. Spoedig begonnen hunne aanvallen eerst op de Grieksche bezittingen in Klein-AziÎ, toen op het Grieksche rijk in Europa zelf.
Hoe was toen de toestand hiervan? Het is noodig ons dien duidelijk voor te stellen om te kunnen begrijpen, hoe de aanvallen der Turken betrekkelijk zonder veel moeite slaagden. Er is geen rijk, dat na de groote volksverhuizing in West-Europa meer te lijden gehad heeft van allerlei volkeren dan het Grieksche, dat letterlijk van alle kanten bestormd geworden is: door de Mohammedanen in AziÎ en Afrika, door verschillende Slavische en Oeralo-AltaÔsche volkeren in Europa. In AziÎ en Afrika verloor het, zooals we reeds opmerkten, bijna alle grondgebied. Enkele van de invallen doende volkeren vestigden zich in het Noorden van het rijk in Europa: zoo de Boelgaren, van Oeralo-AltaÔschen oorsprong, maar op den duur geslavoniseerd, ten Zuid-Oosten van de Donau, in het Noorden van MacedoniÎ en ThraciÎ, vanwaar ze soms zelfs Constantinopel bedreigden; zoo verschillende Slavische stammen. Dezen verspreidden zich, soms met, soms tegen den wil des keizers, zoo wat door alle deelen van het Balkan-schiereiland; men vindt ze in ThraciÎ, MacedoniÎ, Epirus, ThessaliÎ en zelfs hier en daar in Midden-Griekenland en in den Peloponnesus, maar in compacte massa vooral in het Noord-Westen. De Slaven daar vormden een uitlooper van de Slavische opmarsch naar de Elbe, die een gevolg van de groote verhuizing van Germaansche stammen naar het Westen was. Verschillende streken, sedert door Slavische volksstammen bewoond, als KroatiÎ, SlavoniÎ, KarinthiÎ, de Krain, Stiermarken, werden van het Grieksche rijk losgerukt en maakten later deel uit van Oostenrijk of Hongarije, het laatste bewoond door een volk van Oeralo-AltaÔschen oorsprong, dat zich in de negende eeuw in de Donau-vlakte had neergezet. Zuidelijker, waar zich vooral ServiÎrs vestigden in 't tegenwoordige BosniÎ, Herzegowina, Montenegro, ServiÎ, bleef de Grieksche heerschappij eenigermate bestaan, wanneer ten minste de keizers krachtig waren. Zoo was het ook bij de Boelgaren, die in de tiende eeuw geheel zelfstandig waren, totdat ze in het begin der elfde ten tijde van de krachtige keizers uit het Macedonische geslacht weÍr werden bedwongen.
Al die nieuwe volkeren in het Balkan-schiereiland werden weldra Christenen en wel meest allen bekeerd van Constantinopel uit. Zij behoorden dus na de scheiding van de Katholieke kerk in een Grieksche en een Roomsche tot de eerste, evenals hunne Slavische stamgenooten in Oost-Europa, de Russen, terwijl daarentegen andere Slaven als de Polen, de Czechen, de in Hongarije en Oostenrijk wonende Slaven en ook een minderheid van ServiÎrs tot de Roomsch-Katholieke kerk behoorden. Grieksch-Katholiek was ook een volk van twijfelachtige afkomst, de Walachen, die zich tegenwoordig meestal Roemenen noemen. Het is onnoodig hier in te gaan op de vraag, of de Roemenen werkelijk afstammen van in de dagen van keizer Trajanus in de Romeinsche provincie DaciÎ (Oostelijk Hongarije) geplante Romeinsche kolonisten dan wel of zij een volk van Slavischen oorsprong zijn, dat een in hoofdzaak Romaansche taal aangenomen heeft. Dit volk vinden we in de twaalfde eeuw behalve op hunne oude woonplaatsen, namelijk vooral in Zevenburgen, ook in de zoogenoemde Donauvorstendommen MoldaviÎ en Walachije (het tegenwoordige koninkrijk RoemeniÎ) en verder verspreid door bijna het geheele Grieksche rijk: van Boelgarije tot in den Peloponnesus komen hunne nederzettingen voor evenals die der Slaven.
Het laat zich alleen denken, welk een schrikbarende veranderingen al deze vestigingen van vreemde volken in het Balkanschiereiland onder de daar wonende bevolking van Hellenen en gehelleniseerden hebben teweeggebracht. Toch blijft het Grieksche rijk te midden dezer stormen in zijn kern, d.w.z. het oude Griekenland met AlbaniÎ, MacedoniÎ en ThraciÎ, bestaan. Dit is niet een gevolg van krachtige keizersregeeringen, want die waren te tellen, maar van het feit, dat er in den kern van het rijk een beschaving was, het Hellenisme genoemd, sterk genoeg om vele schokken te verdragen en ook om de zich verspreid vestigende Slaven en Roemenen in zich op te nemen. Daarentegen behielden de volkeren, die zich in het Noorden in compacte massa vestigden, hunne nationaliteit, al waren ze niet altijd staatkundig van de Grieksche keizers onafhankelijk.
De doodsteek voor het Grieksche rijk kwam niet uit het Oosten en ook niet uit het Noorden, vanwaar het steeds het meest bedreigd geworden was, maar uit het Westen. Zuid- Oost- en West-Europa stonden sedert lang op staatkundig en op godsdienstig gebied tegenover elkander: de Duitsche keizers maakten, als de gelegenheid zich voordeed, aanspraak op het vroegere Oost-Romeinsche rijk en de Grieksche keizers hadden hunne aanspraken op het Westen niet geheel vergeten; de pausen te Rome wilden niets liever dan hereeniging der Grieksche met de Roomsche kerk. Dit waren de oorzaken, dat de zoogenaamde Latijnsche kruistocht zich tegen Constantinopel richtte; de aanleiding was, dat de handelsbelangen van VenetiÎ, toen de groote handelsmogendheid in het Oostelijk bekken der Middellandsche Zee, bij een revolutie te Constantinopel, op een schromelijke wijze benadeeld waren. In 1204 namen kruisvaarders Constantinopel in en het Grieksche rijk maakte plaats voor een Latijnsch keizerrijk.
Dit nieuwe rijk is voortdurend krachteloos geweest. Vooral VenetiÎ had er veel invloed: het bewerkte een verdeeling van het Zuidelijk Balkanschiereiland in een aantal leenstaatjes, in naam afhankelijk van den Latijnschen keizer, in werkelijkheid veelal van de stad van St. Marcus. Zelf annexeerde deze een deel van de kuststreek aan Adriatische en Ionische Zee, de Ionische eilanden, Creta en verschillende eilanden in de AegeÔsche Zee. Zoo werd VenetiÎ ook een politieke macht van groote beteekenis in het Oosten. De verdeeldheid werd te grooter, omdat hier en daar een overblijfsel van Grieksche macht bleef bestaan; zoo handhaafde zich in Epirus een bastaard uit het laatste keizersgeslacht der Angeli; in Trebizonde, aan de Zuidkust der Zwarte Zee, hield zich een lid van het voorlaatste keizersgeslacht, dat der Comnenen, staande, met den weidschen titel van keizer, terwijl in Nicaea Theodorus Lascaris zich ook een miniatuur-keizerrijk stichtte.
De lijdensgeschiedenis van het Latijnsche rijk, vol van inwendige twisten over godsdienstige en politieke vraagstukken, vol van strijd tegen Walachen en Boelgaren, tegen het keizerrijk Nicaea en den despoot van Epirus, eindigde in 1261. Theodorus Lascaris en zijne opvolgers in Nicaea hadden door een handige diplomatie en een flinke krijgvoering hunne positie veel weten te versterken: zij hadden een goede verstandhouding onderhouden met de Seldsjoeksche Turken--de Osmanen waren er toen nog niet--en zich aan die zijde rust verschaft; stap voor stap verwierven ze eenige steunpunten voor hunne macht in Europa, en nadat een paleisrevolutie in 1259 het geslacht van Lascaris vervangen had door dat der Paleologen, wist ÈÈn der veldheeren van MichaÎl VIII, den eersten keizer uit het nieuwe geslacht, twee jaar later Constantinopel bij verrassing te heroveren.
Er was weÍr een Grieksch rijk, maar de kracht bleef er uit. De verdeeldheid in den ouden kern kon niet meer worden opgeheven. De heerschappij der Paleologen heeft zich nooit verder uitgestrekt dan over het vroegere keizerrijk Nicaea, over Constantinopel, ThraciÎ, MacedoniÎ, een deel van ThessaliÎ en van den Peloponnesus, enkele eilanden in de AegeÔsche en de Ionische Zee. Verder was er een wanhopig groot aantal kleine staatjes: Epirus, waartoe ook het Westelijk deel van Midden-Griekenland behoorde, onder de Angeli, en sedert het begin der 14e eeuw onder vorsten uit andere geslachten; een hertogdom Athene, overblijfsel uit den tijd van het Latijnsche rijk, omvattende het Oostelijk deel van Midden-Griekenland; een hertogdom Achaie, omvattende een groot deel van den Peloponnesus; de Venetiaansche bezittingen, waarvan verschillende als leenstaten door aanzienlijke Venetiaansche geslachten geregeerd werden; enkele geheel autonome steden als Pellena en Tritaea in den Peloponnesus; de bezittingen van de Johanniter ridderorde, bepaaldelijk het eiland Rhodus. In het Noorden waren de daar wonende volken nu geheel onafhankelijk: Montenegro reeds sedert het midden der elfde eeuw; ServiÎ sedert de tweede helft der twaalfde, terwijl toen ook in BosniÎ zelfstandige vorsten voorkwamen; evenzoo de Boelgaren en Walachen, in het begin der dertiende eeuw een tijdlang vereenigd onder den bekenden czaar Johannitza, maar na diens dood elk op zich zelf staande: Walachije en MoldaviÎ vormden toen afzonderlijke vorstendommen onder voÔvodes, maar MoldaviÎ was dikwijls afhankelijk van Hongarije en had veel te lijden van zijn Noordelijke buren, de Polen. Aan de kust van de Adriatische Zee vinden we behalve het Venetiaansche gebied nog enkele zelfstandige steden als Ragusa, terwijl de koningen van Napels regeeren over Durazzo en het eiland Corfu. Herinneren we ons verder het nog steeds voortbestaande keizerrijk Trebizonde, vermelden we het in Zuid-Oostelijk Klein-AziÎ sedert het optreden der Muzelmannen ontstane Christelijke koninkrijk ArmeniÎ en de bezittingen van Genua, de groote mededingster van VenetiÎ op handelsgebied, vooral aan de zee van Azof, dan hebben we een overzicht van den politieken toestand der streken, waarin de Osmanen gaan optreden.
In het Balkan-schiereiland heerschte dus een zeldzame anarchie. Wie zou aan het land zijn staatkundige eenheid teruggeven? In het midden der veertiende eeuw kon men dit in Europa zelf verwachten van ServiÎrs en Boelgaren, toen nauw verbonden tijdens den Servischen koning Stephanus Doughan, die zijne heerschappij zelfs over het grootste deel van MacedoniÎ uitgebreid had, daardoor het Grieksche keizerrijk als met een wig in twee deelen scheidend, en tevens over bijna alle westelijke provinciÎn van het keizerrijk behalve over den Peloponnesus, [2321] die ook stellig gestreefd heeft naar een Servisch rijk over heel den Balkan. Maar hij stierf in 1355, en met hem viel zijn rijk in stukken uiteen. En in dienzelfden tijd verschenen de Osmanen in Europa.
II. De Opkomst en Bloei der Turksche macht in Europa.
Van Sultan-Oeni uit breidde zich de macht der Osmanen langzaam, maar zeker uit over het Grieksche deel van Klein-AziÎ. Langzaam, want hun aantal, hoewel spoedig vergroot door verschillende vechtlievende elementen uit de Seldsjoeken, uit de Mongolen en zelfs uit de Grieken, bleef voorloopig gering. Toch volgden de veroveringen elkander regelmatig op: na een aantal kleinere Grieksche kasteelen werd in 1317 Broessa genomen door Osman's zoon Ourkhan; toen kwamen Nicomedia (1326), Nicaea (1330) aan de beurt onder de regeering van Ourkhan zelf, die tevens Broessa tot zijn hoofdstad maakte. Groote gematigdheid kenteekende het optreden der Osmanen in den beginne: de Grieksche bevolking van de veroverde steden kreeg vrijen aftocht met haar hebben en houden; velen maakten van deze vergunning geen gebruik, maar namen den Islam aan.
Chalcedon (Skoetari) en Philadelphia bleven nu de eenige bezittingen der Grieken in Klein-AziÎ. VÛÛrdat deze genomen werden, staken de Osmanen reeds naar Europa over. Dit werd te beter mogelijk, doordat onder hen een staand leger georganiseerd was door Ala-ed-Din, den eersten Turkschen vizier, den broeder van Ourkhan. Het was een leger gedeeltelijk bestaande uit wat men zou kunnen noemen leensoldaten, zij namelijk, die tegen verplichting van militairen dienst land ten gebruike kregen, en gedeeltelijk uit huurlingen. Onder de infanterie was spoedig het meest beroemde corps dat der Janitsaren (Yeni-Cheri, nieuwe troepen), gevormd uit van onderworpen Christenen afgenomen jonge kinderen, jaarlijks ongeveer duizend, die in den Islam opgevoed werden en van hun jeugd af op de wijze der Spartanen geheel voor den krijgsdienst gehard; de inrichting, eigenlijk een schepping van Kara-Khalil-Tcherendeli, een oom van Ourkhan, berustte op de uitspraak van den Koran, dat alle kinderen bij hunne geboorte neiging tot den Islam vertoonen; het corps kreeg groote privileges, hooge soldij, terwijl dapperheid in hooge mate beloond werd. Onder de ruiterij namen de Sipahi een eerste plaats in. Naast deze en andere geregelde troepen stonden verschillende ongeregelde, lichtbewapende, met wie een gevecht gewoonlijk begonnen werd. Dit vaste, geoefende leger gaf den Turken een grooten voorsprong boven de legers van welk land van Europa dan ook, waarmede ze eerst te kampen zouden krijgen; nergens vond men in het midden der veertiende eeuw een dergelijke instelling.
De Turksche geschiedschrijvers verklaren het oversteken van de Osmanen over den Bosporus uit een droom van SuleÔman, gouverneur van Nicaea, ÈÈn der zonen van Ourkhan. Een ander verhaal zegt, dat keizer Johannes †VI SuleÔman te hulp riep in binnenlandsche moeilijkheden, zooals die in den laatsten tijd van het bestaan van het Grieksche rijk meermalen voorkwamen. SuleÔman bezette op zijn tocht naar Europa in 1353 het kasteel Tsympe bij Gallipoli en drie jaar later Gallipoli zelf, toen de muren van die stad ten gevolge van een aardbeving ingestort waren: dit was goddelijke voorbeschikking, verklaarden de Osmanen aan den protesteerenden Johannes†VI, en zij behielden de stad. Nu volgden de veroveringen in ThraciÎ elkander snel op. Moerad†I, zoon en opvolger van Ourkhan (Ü 1359), nam de belangrijke stad Adrianopel (1361) en vestigde daar den hoofdzetel van zijne macht in Europa (1365).
De machtsontwikkeling der Osmanen wekte naijver zoowel bij de Oostelijke als bij de Noordelijke naburen. De eersten, de Seldsjoeken, waren het minst te duchten; Moerad heeft in een eersten oorlog tegen hen een paar der Seldsjoeksche rijkjes veroverd (1388). Gevaarlijker was het verzet, dat uit het Noorden kwam, vooral van de ServiÎrs en Bulgaren, die zich bedreigd achtten. Verder reeds werkte de Turkenvrees: de pausen, uit wier politiek het hervatten van de kruistochtbeweging nooit geheel geschrapt was, gingen trachten een kruistocht tegen de Muzelmannen in Europa te organiseeren. Het eerst deed dit paus Urbanus†V, maar in het Westen bestond voor de zaak nog geen genoegzame belangstelling. Het waren voorloopig alleen de onmiddellijk bedreigden, die zich ernstig inspanden de Turken uit Europa te verjagen. Verbindingen werden daartoe aangeknoopt door de Hongaren onder hun koning Lodewijk den Grooten, de ServiÎrs onder Voukachine en Ougliecha, twee broeders, die regeerden in het onder Stephanus Doughan veroverde deel van MacedoniÎ, de BosniÎrs onder hun ban Tvertko, de Boelgaren onder hun czaar Sischman, de Walachen onder hun voÔvode Mircea. Nog vÛÛrdat alle bondgenooten hunne troepen gezonden hadden, overviel een bevelhebber van Moerad†I een voornamelijk uit ServiÎrs bestaand leger bij Tschirmen [2322] aan de rivier de Maritza en behaalde een glansrijke overwinning. MacedoniÎ werd leenplichtig aan de Turken; de zoon van Voukachine, Marko Kralievitch, een nationale held der ServiÎrs, werd vasal van den sultan.
Daarmede was de oorlog niet uit. Dan weer op grootere, dan weer op kleinere schaal werd het vechten eigenlijk steeds voortgezet. De Turken veroverden in 1382 Sofia in Boelgarije, dat toen schatplichtig werd, Monastir en andere plaatsen in MacedoniÎ. En toen Moerad†I moest oorlogen tegen de Seldsjoeken (zie boven), toen verbonden zich opnieuw de ServiÎrs, nu vooral die uit het eigenlijke ServiÎ onder hun czaar Lazarus, met Boelgaren en BosniÎrs en Walachen en Hongaren en Polen. In haast kwam Moerad†I uit Klein-AziÎ terug en ontmoette een leger der verbondenen bij Kossowo (1389). Miloch, een ServiÎr van hooge geboorte, doodde Moerad†I na den slag, maar de overwinning bleef aan de Turken. Een groot aantal gevangenen, waaronder Lazarus, werden onthoofd: hij en Miloch en Kossowo bleven nationale herinneringen voor de ServiÎrs.
Het begon er voor Constantinopel bedenkelijk uit te zien. Keizer Johannes†V betaalde sedert 1372, nadat hij een vruchtelooze reis naar Rome ondernomen had om daar steun te zoeken, schatting aan de Turken; spoedig daarna werd hij verplicht hun militairen steun te verleenen en ÈÈn van zijne zoons als gijzelaar te stellen. Daardoor kreeg reeds Moerad†I grooten invloed op de regeering te Constantinopel en, toen Johannes†V in twist geraakte met zijn oudsten zoon Andronicus, hing het van het partij kiezen van Moerad af, wie de baas was. Na Kossowo kwam Bayezid†I, bijgenaamd de Bliksem, en van hem had Constantinopel niet minder te vreezen dan van zijn vader.
Het is ondoenlijk al de Turksche sultans, die tot nog toe de revue hebben gepasseerd, scherp in beeld te brengen. Allen maken den indruk van groote krijgslieden met zin voor militaire organisatie. Hoe meer vijanden overwonnen en gedood werden, hoe grooter lof. Daarnaast hebben zij een zekeren ijver voor den Islam, zonder dat dit hen tot fanatisme voert; soms komt een treffende, edelmoedige trek te voorschijn, een medelijdende opwelling van den sterkere als overwinnaar tegenover den overwonnene, soms treft daartegenover een groote wreedheid. De laatste zien ze het eerst duidelijk bij Bayezid†I, die na den slag van Kossowo een aantal dappere vijanden liet afmaken,--en tegelijkertijd zijn jongeren broeder Jacoeb, niet, omdat Jacoeb hem tegengewerkt had, maar alleen, omdat er kans op zou kunnen zijn, dat hij een mededinger naar den troon werd. Het was de eerste broedermoord in het huis van Osman, later meermalen toegepast, verdedigd zelfs met een beroep op den Koran, die zegt, dat de opstand erger zou zijn dan de terdoodbrenging.
Bayezid†I, hoewel wreed en in het bezit van andere bij despoten zoo dikwijls voorkomende eigenschappen als grilligheid, laatdunkendheid, verslaafdheid aan de ergste ondeugden, was een dapper krijgsman en een uitstekend aanvoerder als zijne voorgangers. Hij was de machtigste heerscher op het Balkan-schiereiland. Na Kossowo was ServiÎ evenals Walachije schatplichtig; Boelgarije, waar Sischman een dubbelzinnige rol gespeeld had, werd geheel onderworpen en onder Turksch bestuur gebracht. Te Constantinopel nam Bayezid's invloed toe: Manuel, de tweede zoon van Johannes†V, gijzelaar in Turksche handen, moest voor Bayezid Philadelphia innemen en hij deed het! Aan Johannes†V werd verboden Constantinopel te versterken. En toen Manuel†II in 1391 zijn vader opgevolgd was, begon Bayezid er ernstig over te denken Constantinopel te veroveren; reeds in 1391 viel Chalcedon en daarmede de laatste bezitting der Grieken in Klein-AziÎ.
De omstandigheden hebben hem niet veroorloofd zijn plan te voltooien. De Turkenvrees was nu verder ingeslagen dan alleen bij de onmiddellijk bedreigden. Reeds hadden de Turken een inval gedaan in BosniÎ, reeds hadden ze, voorloopig zonder succes, Hongarije aangevallen (1391). Dit laatste land had zich, tot zijne schade, tot nog toe weinig om de Turken bekommerd. De koning uit het huis van Anjou, Lodewijk de Groote, die tegelijk over Napels en Polen regeerde, had zich meer met de Italiaansche zaken ingelaten.