De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz.

Part 62

Chapter 624,018 wordsPublic domain

Mahomets bevel bij de droefheid van zijn gezin, XX, 132, n. --Beweldadigden, I, 6. --Edelmoedigheid omtrent gevangenen, IX, 27. --Familie, goede daad door deze verricht, LXXVI, 7, n. --Gebed, XVII, 82 en volg. --Gevoelen, omtrent het dooden van den Egyptenaar door Mozes, XXVIII, 14, n. --Gezegde omtrent de voortbrenging van een mirakel, VI, 109, n. --Keuzen zijner vrouwen, XXXIII, 6. --Lezing van den Koran, XXII, 51. --Lijfwacht, V, 71, n. --Manschappen roepen Gods ondersteuning in, VIII, 9. --Macht, VI, 57, n. --Offer, XXII, 33, n. --Oom Hamza gedood, XVI, 127, n. --Ouderdom toen hij de zending van profeet aannam X, 17. --Reis naar den hemel, XVII, 1, n., 57. --Terugkeer van de expeditie van Al Hodeibya, XLVIII, 1, n. --Verblijf te Medina, IX, 75, n. --Verbond met de lieden van den stam Koreidha, XXXIII, 26, n. --Zijne vrouwen vragen om rijkere kleeding, 28, n. --Vloek, XVII, 12, n. --Voorrechten omtrent vrouwen, XXXIII, 51. --Aantal vrouwen dat hij mocht nemen, 52, n. --Vroegste metgezellen, II, 12, n. --Vijanden, VI, 123, n. --Vijand, zie Aboe Jahl. --Godsdienst, zie Armen.

Majoej, XVIII, 93.

Makkers van de spelonk, XVIII, 8.

Malek Ebn Dhor, vermoedelijk de persoon die Jozef uit de put trok, XII, 19.

Malek, engel die bij de folteringen voorzit, XLIII, 77. --Volgens de Mahomedanen, engel die met het opzicht der hel is belast, XLIII, 77, n.

MaliÎnkolders, zie David.

Manna (De) en de kwakels, II, 54; VII, 160; XX, 82. --Zie God.

Manslag (De) IV, 94.

Marracci, zie Al Beid‚wi.

Maria of Mirjam, moeder van Jezus, III, 31, n., 37-42; IV, 169; V, 79; XIX, bl. 336, n.; 16 en volg.; XXI, 91. --Zij wordt door de IsraÎlieten belasterd, IV, 155, n. --Maakte nooit aanspraak moeder Gods te zijn, V, 79, n. --En haar zoon zijn aan dezelfde behoeften en gebreken als de overige menschen onderworpen, V, 79, n. --Zie God. --Zie Twist, Zie Zacharias.

Marias vlucht naar een palmboom, XIX, 23, n. --Broeder XIX, 29.

Maroet, booze engel, II, 96, zie Haroet.

Martelaren, XXXIII, 23, n., zie Zielen.

Maten en gewichten (Valsche) verboden, XI, 69, n.

Medina, VIII, bl. 211, n.--XXXIII, 13.--XLVII, bl. 530, n.--LVIII, bl. 565, n. --Zie Mekka. --Zie vlucht. --Zie Vluchtelingen. --Zie Yathreb.

Meester der trappen, waar langs de engelen ten hemel stijgen, LXX 3, n. --Des heelals, I 1, n.

Meesters van de kuil, LXXXV, 4.

Meisjes kunnen geen priesterlijken dienst verrichten, III, 31, n.

Mekka of Bekka, III, 90; VI, bl. 171, n.; VII, bl. 189, n.; XII, bl. 260, n.; XIII. bl. 276, n.; XVI, bl. 294; XVII, bl. 309, n.; XIX, bl. 336, n.; XXII, bl. 365, n.; XXVI, bl. 400, n.; XXVIII 419, n.; XXIX, bl. 429, n.; XXXIX, bl. 491, n.; XLII, bl. 510, n.; XLIII, bl. 515, n.; XLIV, bl. 520, n.; XLVIII, 24; LV bl. 555, n.; LVII, bl. 562, n.; LXI, bl. 574, n.; LXIV, bl. 578, n.; LXXIII, bl. 596, n.; LXXVI, bl. 601, n.; LXXXIV, bl. 612, n.; LXXXIX, bl. 617, n.; XCVI, bl. 622, n.; CVIII, bl. 622, n.; CVIII, bl. 629, n. --Zie Medina.

Mekka's bewoners willen een engel zien, VI, 111, n.

Menat, zie El-Lat.

Mensch (De), zijne schepping, II, 28, n.; VI, 98; XXII, 5; XXIII, 12 en volg.; XXXII, 6 en volg.; XXXVI, 77, 78; XL, 69; LXXX, 18 en volg.; LXXXVI, 6 en volg. --Zijn natuur, XVII, 12: XXI, 38; LXX, 19. --Hij is zwak geschapen. IV, 32. --Hij is geschapen van klei, X, 23 en volg.; XV, 26. --Hij is onstandvastig, XXII, 11. --Hij is ondankbaar, II, 28, n.; XVII, 69, 85; XXIX, 65; XXX 35; LVI, 61 en volg. --Hij is haastig van aard, XVII, 12.

Menschen (De) zijn allen uit een eenling gesproten, IV, I. --Zij belasten zich met de bewaring van het geloof, XXXIII, 72. --In het begin baden zij slechts ÈÈn God aan, X, 20. --Zij vormden slechts een enkel volk, II, 209. --In verzoeking brengen VI, 128, n.

Menschelijk geslacht (Het) heeft reeds vÛÛr de schepping God leeren gehoorzamen, VII, 171.

Merwa, berg bij Mekka, II, 153, zie Safa.

Messias (De) IV, 156, 170; V, 76 en volg. --God zou hem kunnen vernietigen als het diens wil was, V, 20.

Mestab, neef van Aboe Bekr, XXIV, 22, n.

Met den mantel bedekte, LXXIV, bl. 598, n.

MichaÎl (De engel), II, 92.

Middengebed, II, 239.

Midian, zie Madian.

Midianieten of Aleikaieten; straffen op hen nedergezonden, XXVI, 175 en volg.

Mier (De), XXVII, bl. 410, n., 18.

Mieren, zie Vallei.

Min (De), II, 233.

Min Douni-'illahi, beteekenis daarvan, II, 21, n.

Mina, een vallei, II, 199.

Minister van Pharao, zie Haman.

Minnelijke schikking tusschen een man en eene vrouw, IV, 127.

Mirakel, zie Mahomet.

Mirakelen, XIII, 30, n.

Miriam, zie Maria.

Misdaad, V, 35 --In het openbaar IV, 23. --Van twee personen, Sodomie of Pederastie, IV, 20, n. --Van vrouwen; overspel, IV, 19, n.

Misdaden, bestraffing daarvan, V, 37.

Moawiyah wil iemand in de spelonk zenden, XVIII, 17, n.

Moeder Gods, zie Maria.

Moedverlies van twee der heerscharen, III, 118.

Mohajerin (De), IX, 101; buitverdeeling, LIX, 8.

Mohammed, zie Mahomet.

Mohsinat, vrouwen van onberispelijk gedrag; straf van hare beschuldigers, XXIV, 4.

MonotheÔsme, zie Islam.

Moord, IV, 95; V, 35 en volg.

Moordaanslag op Mahomet, V, 14, n.

Moordenaar, zie Ontdekking.

Moslem, VI, 163, n. --Aantal vrouwen, die hij wettelijk kan huwen, XXXIII, 49. Zie Saad.

Moslems moeten in de openbare vergaderingen plaats maken voor den profeet en de meer aanzienlijken hunner makkers, LVIII, 12. --Woorden gericht tot hen, die zich bij den slag van Ohod omkeerden, LXI, 2, n. --Zie Saad, zie Zingende.

Motofikat. Zie Pentapolis.

Mozes, II, 48-58, 81, 86, 249; IV, 152; V, 23 en volg.; VI, 84, 91, 155; X, 76 en volg., 83; XI, 99; XVII, 103; XIX, 5; XXI, 49; XXII, 43; XXIII, 47; XXV, 37; XXIX, 38; XXXII, 23; XXXIII, 69; XXXVII, 114; XL, 24 en volg.; XLI, 45; LI, 38; LIII; 37; LXI, 5; LXXXVII, 19. --Hij verkrijgt water uit de rots, VII, 160. --Zijn onderhoud met Pharao, VII, 101; met God, 139; XXVI, 9 en volg.; XXVIII, 30 en volg.; --Hij verschijnt voor Pharao, XX, 60 en volg.; XXVII, 12. --Zijne geschiedenis, XX, 8 en volg.; 39 en volg. --Zijne opvoeding en avonturen, XXVIII, 2 en volg. --Hij gaat tot de samenvloeiing der beide zeeÎn, XVIII, 59, 60. --Zijne reis met zijn dienaar, XVIII, 60 en volg. --Zijne berisping van A‰ron, XX, 94; zie IsraÎlieten, Gouden kalf. --Hij is gezant en profeet, XIX, 52. --Door Pharao beschuldigd, XXVIII, 38. --Aan Mahomet als voorbeeld getoond, XX, 8, n. --Diens wedervaren met een brandend bosch, 10, n. --Zijne staf in eene slang veranderd, 18 en volg. Hij vat de slang bij de kinnebakken, 22, n. --Zijn spraakgebrek, ontstaan daarvan, 29, n. --Hij wordt door zijne moeder te vondeling gelegd, 39, n. --Zijne moeder wordt zijne zoogster, 41, n. --Hij doodt een Egyptenaar, 41, n. --Zijn broeder, 44. n. --Verdeeling der zee, 79. --Volk aanbidt den waren God gedurende de eerste twintig dagen van zijne afwezigheid, 87. --Hij keert bedroefd tot zijn volk terug, 88. --Belasterd, XXXIII, 69. --Beveelt de Joden 's vrijdags God te aanbidden, XVI, 25, n. --De eerste der ware geloovigen, VII, 140. --Drenkt schapen voor vrouwen, XXVIII, 24. --Zijn staf, 30 en volg. --En Mahomet, door de ongeloovigen, bedriegers genoemd, XXVIII, 48. --En Pharao, II, 47, n. --Licht bij zijne geboorte tusschen zijne oogen verschenen, XXVIII, 6, n. --Zijne schoonheid, 8. --Macht om teekens te toonen, XVII, 103. --Met zeventig mannen bestijgen den berg, VII, 154. --Ontvangt het bericht dat men omtrent zijn doodvonnis beraadslaagt, XXVIII, 19. --Prediking, XVIII, 59, n. --Verblijf in Egypte, voor hij zijne zending openbaarde, X, 89, n. --Verblijf onder de Egyptenaren, XXVI, 17. --Zijn behuwdvader, zie ShoaÔb. --Zijn broeder, zie A‰ron. --Zijn dood, XL, 27.

Muurbouw, XVIII, 96, n.

Muzelman, II, 122, n.

Muzelmannen (De), lofrede op hen, III, 106; XLVIII, 29.

MysteriÎn, II, 2.

N

Naam der hel, zie Al Hotama.

Naasten, ouders, plichten omtrent hen, XVII, 28.

Naburen, IV, 40, n.

Nacht, waarin, volgens de Mahomedanen, jaarlijks de gebeurtenissen voor het daarop volgende jaar worden geschikt, XLIV, 3, n.

Nachtgebed, zie Uur.

Nakomelingschap van Abrahams zonen, VII, 171.

Nalatenschap van ouders en bloedverwanten, IV, 8. --Voor een knaap, IV, 12. --Voor eene vrouw, IV, 12, n. --Voor den vader van een kinderlooze, IV, 12, n. --Voor de moeder van een kinderlooze, IV, 12. --Voor een vriend, IV, 37, n.

Nalatenschappen, IV, 8, 9, 12-16, 175.

Namen door afgodendienaars aan sommige kameelen en schapen gegeven, V, 102. --Van Mahomet, zie Mahomet.

Namiddag, CIII, 1, n,

Namiddag-gebed, V, 105.

Navolging der Kebla, II, 140, n.

Nederbuigingen na het avondgebed, L, 39.

Nederknielen, XLV, bl. 523, n., 27. --Voor God, III, 38.

Nederwerpen, II, 119.

Nederzending, zie Koran.

Nimrod, diens strijd met Abraham over God, II, 260.

Nimrods straf, XXI, 70, n.

Noach (Profeet), III, 30; IV, 161; VI, 84; VII, 57; IX, 71; X, 72; XI 27; XIV, 9; XVII, 3, 18; XXI, 76; XXII, 43; XXIII, 23 en volg.; XXV, 39; XXVI, 105; XXIX, 13; XXXVII, 73; XXXVIII, 11; XLII, 11; L, 12 en volg.; LI, 46; LIII, 53; LIV, 9; LVII, 26; LXXI, geheel. --Bespot, XI, 40. --Brengt zijn gezin en een paar dieren van iedere soort in de ark, XI, 42. --Verzoekt den Heer hem te wreken, LIV, 10. --Noachs bloedverwanten, LXXI, 29. --Diens huis, aldaar. --Ouderdom, toen hij gezonden werd om te prediken, XXIX, 13, n. --Overeenkomst met Abraham in het geloof en de handelingen, XXXVII, 81, n. --Vader, zie Lamech; Moeder, zie Shemkha. --Vrouw, zie WaÔla.

Noen, beteekenis daarvan, LXVIII, 1, n.

O

Obba Ebn Khalf, XIX, 67 n.; XXV, 29, n., 30, n. --Diens vraag over de opstanding, XVI, 4, n.

Ochtendgebed, zie Uur.

Ochtendglans, XCIII, 1, n.

Offeranden te Mekka, V, 2, n.

Offeringen, II, 192.

Offers, V, 2. Van Adams zonen, V, 30.

Offers, zie Salomo.

Okba Ebn Abi Moait, XXV, 29, n.

Oliphant, CV, bl. 627, n.

Olijfboom op den berg SinaÔ, XXIII, 20.

Omars bekeering, zie KoreÔshieten.

Omkooping der rechters, II, 184. --Zie Rechters.

Ommat, volk dat ÈÈn godsdienst belijdt, XLV, 27, n.

Ommeya Ebn Khalf, XVIII, 27, n.

Omvergeworpen steden, zijnde Sodom en Gomorrah, LXIX, 9. --Zie Pentapolis.

Omwending in de spelonk, XVIII, 17.

Omwikkelde profeet, LXXIII, 1.

Onbesneden harten beteekenis daarvan, II, 82, n.

Ondankbaarheid van den mensch, XLI, 49-51.

Onderlinge dooden, IV, 33.

Onderpanden, vertrouwde goederen, II, 283, n.

Onderscheiding, III, 2. --Van huichelaars, zie Openbaring.

Onderscheid tusschen de profeten, II, 285.

Ondervraging der dooden in het graf, VII, 35.

Onderwijs III, 158.

Onderzoek van het graf, VIII, 52, n.

Ondhorna, zie RaÔna.

Ongehoorzaamheid, II, 87. --Aan den profeet, III, 159, n.

Ongeletterde gezant (Mahomet), VII, 156.

Ongeloof, IV, 142.

Ongeloovige (Eblis), II, 32.

Ongeloovige Arabieren, II, 18, n.

Ongeloovigen (De), II, 166; V, 45, 75; VI, 20 en volg.; XVIII, 84, n.; XXXII, 30, 40 en volg; LXXIII, 11-13; LXXIV, 40 en volg; CIX, geheel: zie Afgodendienaars. --Zij betwijfelen het toekomstige leven, VI, 29 en volg.; XIX, 67. --Hun lot, III, 8, 112 en volg. --Hunne verstoktheid, VI, 109-111; XIII, 30 en volg.; --Hunne gevoelens omtrent de geloovigen, III, 114 en volg. --Zij hebben slechts meeningen, geene kennis, LIII, 29. --Hoe men hen moet behandelen, III, 187; VIII, 40; IX, 5 en volg.; XLVII, 4. --Zij die ongeloovig sterven, III, 85. --Zij die dien naam verdienen, V, 77. --Er blijft hun niets over, dan zich op te hangen, XXII, 15. --Hun uitroep omtrent Jezus, XLIII, 57, n. --Uitgedaagd tien, ja zelfs ÈÈn hoofdstuk des Korans samen te stellen, XI, 16. --Versperren Gods weg, VIII, 36. --Zie Huichelaars.

Ongeloovige vrouwen, LXVI, 10, n.

Ongelijkheid onder de menschen, XLIII, 31.

Ontdekking van een moordenaar, II, 63, n.

Ontheffing van zware lasten, VII, 156.

Onthouding van den oorlog, IV, 79. --Van goede dingen, V, 89, n.

Ontstaan van den afgodendienst onder Salomo's dak, XXXVIII, 33, n.

Ontvangenis, XIX, 22.

Ontwijders van den Sabbath, II, 61.

Onwetenden, VI, 35, 37. --Of Heidensche Arabieren, III, 19, n.

Onwetendheid, V, 55, n.

Onzichtbaarheid van den duivel, VII, 26, n.

Oogst, VI, 142.

Oom van Mahomet, zie Aboe Lahab.

Oor aan leugens leenen, V, 45.

Oordeel, IV, 63; VI, 153. Men spreekt het uit, volgens de heilige boeken van ieder volk, V, 48 en volg. --Het laatste. De teekenen die het zullen voorafgaan, en wat er zal gebeuren, XXII, 1 en volg.; XXIII, 103 en volg.; XXXVII, 19 en volg.; XXXIX, 67 en volg.; XLIV, 9 en volg.; L, 16 en volg.; LIV, 6 en volg.; LV, 35 en volg.; LXVIII, 42; LXIX, 13 en volg.; LXX, 8 en volg.; LXXVII, 7 en volg.; LXXX, 33; LXXXI, 1 en volg.; LXXXII, 1 en volg.; LXXXIV, 1 en volg.; LXXXVIII, geheel; XCIX, geheel; C, 9 en volg.; CI, 3 en volg. --Der menschen, XVII, 73 en volg. --Uitspreken, V, 100, n.

Ooren van het vee afsnijden, IV, 118.

Oorlog (De), IV, 103; VIII, 59 en volg.; IX, 123, 124; XLVII, 4, 5, 37; XLVIII, 16, 17. --Wie er van verschoond is, IX, 92; XLVIII, 17. --Tusschen twee muzelmansche volken, XLIX, 9. --Zie Onthouding.

Oorlogsbijdrage, IX, 92.

Oorlogskamp voor de geloovigen, III, 117.

Oorlogsvuur, zie God.

Oorlog voor Gods zaak, II, 186, n.

Oorspronkelijk boek, XLIII, 3.

Oostersche vrouwen bedekken het aangezicht, XIX, 17, n.

Oostersch spreekwoord, zie Spreekwoord.

Openbaring, II, 93, n. --(Ontvangst van een gedeelte daarvan), III, 22. --(De), VI, 91, 93; VIII, 65, n.; XLIII, 52. --(Het dier der), XXVII, 84. --Aan de bij, zie Bij. --Aan Jozef, XII, 15. --Des Korans, zie Duur. --Gods, II, 84. --In het boek, IV, 139. --Tot onderscheiding van huichelaars, XXIX, 1, n.

Openbaringen, II, 3. --Zie God.

Opening der spelonk, XVIII, 16.

Open weg, V, 52.

Opgevouwen zon, naam welken men in 't Arabisch een tulband geeft, LXXXI, 1, n.

Opheldering van plaatsen, V, 18.

Opperhoofd, zie Imam.

Oproeping der Joden om den Koran te ontvangen, II, 38, n. --Door den profeet, III, 147.

Opsluiting van vrouwen, zie Afzonderlijk.

Opstand, IX, 48.

Opstanding, XXXVI, 51, n. --(De) der dooden in den Koran duidelijk verklaard, II, 261-263; III, 102 en volg.; VII, 55; XIII 5; XVI, 40; XVII, 52, 100, 101; XIX, 69, n.; XXII, 5; XXIII, 37, 82; XXVII, 65 en volg.; XXX, 49; XXXII, 9 en volg.; XXXIV, 7, 8; XXXV, 10; XXXVI, 77 en volg.; XXXVII, 16 en volg.; XLI, 39; XLIII, 10; XLV, 24 en volg.; L, 3 en volg.; 14; LVI, 46 en volg.; LXIV, 7; LXXV 3, 4, 37-40; XCIX, geheel. --Zie Obba Ebn Khalf.

Opstandingsdag, V, 108.

Optooien bij het gebed, zie God.

Opwekking van dooden, II, 244, n.

Othman Ebn Matun, diens bekeering, XVI, 92. n.

Ouderdom van Sara en Abraham bij Izaaks geboorte, XI, 75, n. --Zie Zacharias.

Overspel, IV, 19, 30; XVII, 34; XXIV, 2-10; XXXIII, 30.

Overspeligen, zie Eed. --Zie Straf.

Overtreding der kinderen IsraÎls, XVII, 4.

Overvallende (De), een der namen van den jongsten dag, LXXXVIII, bl. 616, n.

Overweging, XLII, bl. 510, n.

Overwinning te Bedr, XXIII, 66, n.

OzaÔr, dezelfde als Ezra of Esdras; diens lotgevallen, II, 261, n.; IX, 30.

P

Paarden, III, 12.

Paradijs of tuin; verblijf der zaligen en zijne geneugten, II, 23; III, 13; IV, 60; X, 9; XIII, 22-24; XIX, 61-64; XXXV, 30; XXXVI, 55 en volg.; XXXVII, 39 en volg.; XXXVIII, 48 en volg.; XXXIX, 21; XLI, 30; XLIII, 70 en volg.; XLVII, 16 en volg.; LV, 46-78; LVI, 10-39; LVII, 21; LXXVI, 11-22.

Passie van Jezus door Mahomet verworpen, zie Mahomet.

Pelgrimstocht, IX, 3; XXII, bl. 365, n.

Pelgrimstocht naar Mekka, II, 153, 192, 193; III, 91; V, 2, 95, 96, 97; XXII, 35.

Pentapolis (De); de omvergeworpen steden (Al Motakifat), IX, 71, LIII, 54; LXIX, 9.

Pentateuchus, II, 85, n.

Personen welke op den dag des oordeels niet met schrik zullen worden getroffen, XXVII, 89.

Persoon die Jozef uit den put trok, zie Malek Ebn Dhor.

Pharao, II, 46; III, 9; VIII, 54; X, 76-92; XI, 99; XIV, 6; XVII, 103 en volg.; XX, 25 en volg.; XXVI, 9 en volg.; XXVII, 12; XXVIII, 2 en volg.; XXIX, 38. XXXVIII, 11 en volg.; XL, 25 en volg.; XLIII, 45 en volg.; XLIV, 16 en volg.; L, 12; LI, 38 en volg.; LIV, 41 en volg.; LXIX, 9 en volg.; LXXIII, 15 en volg.; LXXIX, 17 en volg.; LXXXV, 17, 18. --Hij wil den hemel bereiken, XL, 38 en volg. --Bezitter der staken, XXXVIII, 11. --Doet een hoogen toren bouwen, om den God van Mozes aan te vallen, VII, 133, n. --Door wilde dieren bewaakt, XL, 48, n. --Er was een geloovige in zijn gezin, XL, 29. --Zijne vrouw zie Asia.

Pharaos onrechtvaardige handeling, VII, 101. --Ontevredenheid over Mozes' antwoorden, XXVI, 26, n. --Hij eischte, door zijne onderdanen aangebeden te worden, 28. --Volk, III, 9. --Woorden bij zijn uiteinde, X, 90.

Plaats bij Gods troon, zie Illioen. --Der oproeping, L, 40.

Plaatsing der ark, XI, 46.

Plaatsen in de schrift voorbijgaan, V, 18.

Plagen, XLIII, 47, n. --Over de Egyptenaren, VII, 130.

Plant, zie Jaktin.

Pleegkinderen, het huwelijk daarvan, XXXIII, 4, 5, 37.

Plek waar Saleh en zij die in hem geloofden, vergaderden om te bidden, XXVII, 52. n.

Plichtbetrachting, VI, 135.

Plichten der mannen omtrent de vrouwen na de echtscheiding XXXIII, 48. --Jegens bloedverwanten, zie Bloedverwanten.

Poort biddende binnengaan, IV, 153.

Potiphar, XII, 21, n. --Diens vrouw, zie Zoleikha. --Wil Jozef tot zoon aannemen, XII, 21.

Prediker: woorden die hij gebruikt, II, 19, n.

Propheet Mahomet (De), zie Mahomet. --Zijne voorrechten en plichten der geloovigen jegens hem, XXIV, 63: XXXIII, 49 en volg.; XLVIII, 8, 9.

Profeet (De) bedriegt niet, III, 155. --Uit Mekka verdreven, IX, 40. --Hij ontvangt den buit eener expeditie naar Al Nadir, LIX, 6, n. --Zie Ahmed. Zie Dhu' Lkefl, Elisa en Elias. --Zie Edris, Hoed, Lot, Noach, ShoaÔb. --Zie Omwikkeld. --Zie Vermaningen.

Profeten en zendelingen of apostels, XIX, 42, n. --Wat zij zijn, XXI. 7 en volg. --Zij hebben alleen de openbaring van een eenigen God ontvangen, XXI, 25. --Er zijn van verschillende graden, II, 254; XVII, 57. --De geloovigen maken geen onderscheid tusschen hen, II, 285. --Men moet in hen gelooven, III, 74. --(De oude), XXXIII, 38 en volg. --(De valsche), VI, 93. --XXI, bl. 355, n. --Zie God. --Zie Onderscheid.

Psalmen (De), XVII, 57; XXI, 105.

Put, XII, 15. n.

R

Raad van Mekka's voornaamste bewoners, XCVI, 17, n.

Rabb, meester of heer, III, 74, n.

Rail, zie Zoleikha.

RaÔna, II, 98.

Rakin (Al), XVIII, 8.

Ramadan (De), maand, waarin de Koran werd geopenbaard II, 181.

Rass (Al), XXV, 40; L, 12.

Rawasiya, grondslag of basis, XXXI, 9, n.

Redding der Arkbewoners, VII, 62.

Regen (De); God zendt dien, XXX, 47. --De oude Arabieren waren van gevoelen, dat zij dien aan sommige sterren verschuldigd waren, XXV, 52, n. --Van steenen op de achterblijvers, VII, 82.

Rechter, zie Scheidsrechters.

Rechters omkoopen, IV, 159, n.

Rechten weg verlaten, V, 81.

Rechtschapen, III, 109.

Rechtvaardigen, IV, 52.

Reinheid, II, 232.

Reinigingen, zuiveringen, IV, 46. --Met zand, bij gebrek aan water, V, 8 en 9.

Reis der IsraÎlieten door de woestijn, V, 29, n. --Gedurende vier maanden, IX, 2. --Naar den hemel, zie Mahomet.

Reita Bint Saad Ebn Teijm, die des nachts haar dagwerk vernietigde, XVI, 94, n.

Reizen op zee, XVII, 68 en volg.

Reizigers (De) XVII, 28.

Rekeningen (Het opmaken daarvan), II, 198.

Ressoel, bode of profeet, II, 9, n.

Reuzen, V, 25.

Richting bij het gebed, XIX, 16, n. --Des lichaams bij het gebed, zie Kebla.

Rivier, zie Beproeving. --Zie Kauther.

Romeinen, zie Grieken.

Rondtrekken van de Caaba bij een pelgrimstocht, XXII, 30.

Roode zee, het verdrinken daarin, VII, 132.

Rook, XLIV, bl. 520, n. --Verschillende meeningen daaromtrent, 10, n.

Ruben, XII, 10 en volg., 80, n.

Rubil, zie Ruben.

Rug toekeeren, II, 138.

Rustplaats, zie God.

Rijkdommen; gebruik daarvan, V, 16, n. --Zie IsraÎlieten.

S

S, XXXVIII, 1, n.

Saba, land, XXVII, 22 en volg.; XXXIV, bl. 461, n. --De koningin van dat land, XXVII, 23.

Saad wordt, op aanraden van Aboe-Bekr, een Moslem, XXXI, 14, n.

Sabbath (Viering van den), II, 61, n.; VII, 163.

Sabbathschenders in apen en varkens veranderd, V, 82, n.

Sabbathschending IV, 50.

SabbeÔsten (De) die gelooven, zullen beloond worden, II, 59; V, 73; XXII, 17. --Zie Eblis.

Safa, een berg, II, 153.

Safiya Bint Hoyai, een der vrouwen van den profeet, XLIX, 11, n.

Sakhar, een demon, XXXVIII, 33, n.

Saleh, profeet, VII, 71; XI, 64; XXVI, 142 en volg.; XXVII, 46; LIV, 26 en volg. --Zie Plek.

Salomon, II, 96; VI, 84. --Zijn oordeel, zijne wijsheid en zijne macht, XXI, 78 en 79. --Gebiedt de geniussen en de winden, XXI, 81, 82; XXVII, 17 en volg.; XXXIV, 11; XXXVIII, 38, n. --Waarom dit geschiedde, XXXVIII, 30, n.

Salomo, Davids erfgenaam, XXVII, 16. --Hij vertrekt als pelgrim naar Mekka, 20, n.

Salomo's offer van paarden, XXXVIII, 30, n. --Zijn verlies van den troon, 33. --Paleis, XXVII, 44. --Zijn besluit de koningin van Saba tot vrouw te nemen, 45, n. --Rechtspraak, XXI, 79, n. --Dood, XXXIV, 13, n.

Samaritaan (De) (Al Sameri) maakt het gouden kalf voor de IsraÎlieten, XX, 87, n. 96.

Samenzwering der ongeloovigen, VIII, 30.

Sarim, XVIII, 81, n.

Satan, als schutspatroon kiezen, IV, 118. --Bereidt de daden, VI, 43. --(Gesteenigde), III, 31. --Zie Eblis. --Zie verleiding.

Satans bedrog, II, 271.

Saul, zie Thaloet.

Schaduw (De), XXV, 47.

Scharen, XXXIX, bl. 491, n.

Schatting, betaling daarvan, IX, 29.

Scheiding; formule uitgesproken door sommigen, welke het voornemen daartoe hebben. Aanmerking daarop, LVIII, 2, n. --Zoenprijs bij het niet houden dier gelofte, 4. --Tijdstip van het wegzenden der vrouwen, LXV, 1. --In den godsdienst, VI, 160.

Scheidsrechter, IV, 39.

Schending van het verbond, IV, 154.

Schepen, XVII, 68 en volg; XXXI, 30 volg.

Schepper, zie Engelen.

Schepping (De) der wereld, XVI, 67 en volg.; L, 37 en volg. --Verscheidenheid daarvan, XIII, 3, 4; XXXV, 25. --Der hemelen en der aarde, XLI, 8-11. --Hoe God den mensch heeft geschapen, XVI, 4. --Wat God voor den mensch heeft geschapen, XVI, 5 en volg. 81, 82, 83. --Des menschen, XX, 5; XCVI, 2, zie Mensch. --Der aarde, zie Dagen.

Scheren van baarden en hoofden der pelgrims, XXII, 30, n.

Schikking der gebeurtenissen, zie Nacht. --Van eene zaak, zie Minnelijk.

Schimpnamen, het is verboden die te geven, XLIX, 11.

Schrift, II, 123, n. --Verklaarders, zie Al Beid‚wi.

Schriften, zie Vervalsching.

Schriftvervalsching, zie Beschuldiging.

Schriften (De Heilige) door de Joden en de Christenen vervalscht, II, 73; V, 18. --De menschen der Heilige Schrift zijn Joden en Christenen, XXIX, 45; zij zijn allen niet even slecht, III, 109, 110.

Schudding des hemels, VII, 79.

Schulden, zie Schuldvorderingen.

Schuldenaars; hoe men die moet behandelen, II, 280.

Schuldvordering en Schulden, II, 282.

Schutspatroon, zie Satan.

Schijn, zie Ser‚b.

Selsebil, fontein of bron in het paradijs, LXXVI, 18.

Ser‚b, bedriegelijke schijn dikwijls, in het oosten, in zandige vlakten gezien, XXIV, 39, n.

Sheddab, doet tuinen aanleggen, die het denkbeeld van het paradijs moeten geven, LXXXIX, 6, n.

Shemkha, moeder van Noach, LXXI, 29, n.

ShoaÔb, profeet der Madianieten, behuwdvader van Mozes, VII, 83, n.; XI: 85 en volg.; XV, 78, n.; XXVI, 176 en volg; XXIX, 35 en volg.

Sidjin, LXXXIII, 7 en volg.

SinaÔ, berg, II, 60, 87; IV, 153; VII, 170; XX, 82; XXVIII, 44-46; LII, 1. Zie Berg.

Slaaf, zie Vrijmaking.

Slaan met een deel der koe, II, 68.

Slaap en ontwaken der spelonkbewoners, XVIII, 20.

Slag; een der namen van den jongsten dag, CI, 1 en volg.

Slag (De) van Honein, IX, 25.

Slachten van dieren, VI, 139.

Slachting te Bedr, XXIII, 72, n.

Slang, VII, 104, zie Straf.

Slaven, XXIV, 32, 33, zie Vrijmaking.

Slavinnen, IV, 3.

Slechte daden, II, 75.

Snappende vogels, die het leger van Abraha Ebn al Sabah verdelgen, CV, 3.

Sobhanahoe; beteekenis daarvan, II, 110, n.

Sodom door een wind vernield, XXIX, 39. --Zie Bewoners.

Soera, beteekenis daarvan, IX, 87, n.

Sohaib, zie ShoaÔb.

Soheib (Vlucht van), II, 203, n.

Spelen, V, 93.

Spelonk, XVIII, bl. 322, n. --Der zeven slapers, XVIII, 8.

Spelonkbewoners zenden iemand naar de stad, XVIII, 88. --Zie slaap.

Spin (De), XXIX, bl. 429, n. 40.

Spotters, XV, 95