De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz.

Part 60

Chapter 603,574 wordsPublic domain

Abrahams beproeving, II, 118. --Gasten, LI, 24 en volg. --Gebed XIV, 38 en volg. --Gebed na den dood zijns vaders, XXVI, 86, n. --Huis, II, 119. --Of Noachs afstammelingen, VI, 84. --Offer van zijn zoon, zie Bevel. --Vlucht naar Harran en Palestina, XIX, 50, n. --Vraag omtrent de opwekking, II, 262, n.

Abtar, (kinderloos) zie Mahomet.

Achterblijvers, IX, 119. Zie Regen.

Ad, een Arabische stam, VI, 6, n.--XXIX, 39, n. --Of de Adieten, volk van ArabiÎ, dat door Gods toorn verslagen is, VII, 63; IX, 71; XI, 52; XXII, 43; XXV, 40; XXVI, 123 en volg XXIX, 37; XXXVIII, 11; XL, 32; XLVI, 20 en volg; L, 12; LI, 41; LIII, 51, LIV, 18; LXXXIX, 5. --Hunne stad door droogte geteisterd, XI, 54. zie Irem.

Adam, VII, 10. --Vader van het menschelijk geslacht, II, 28-35; III, 30-52; XVII, 63, 72; XIX, 59; XX, 114-120. --Ontvangt een bevel, VII, 18. --Hij ontvangt de aanbidding der engelen, XVIII, 48. --Vergeet het verbod, van de verboden vrucht te eten, XX, 114. --Zie straf.

Adams zonen, V, 30.

Adi Ebn Rabia, zie Aboe-Jahl.

Afdeeling der hel, zie Ha'wiyet.

Afdwalen van Gods voorschriften, V, 54, n.

Afgewikkelde rol, LII, 3.

Afgezanten van God, engelen, XXII, 74.

Afgod der oude Arabieren, zie El Lat. --Afgod, zie Djibt.

Afgoden, IV, 40, n. --V, 92, n. --VI, 74, 94, n., 137, n. --VII, 124. --XVI, 58, 77. --Door de Arabieren aangebeden, IV, 54.

Afgodendienaar, LIII, 35, n.

Afgodendienaars, VI, 22, n., 24. --XI, 7, n. --XIII, 31, n.

Afgodendienaars (De), die andere goden naast God stellen, II, 107 en volg.; XXV, 3; XXVIII, 62-74; LII, 34-49. --Zij zijn onrein, IX, 28. --Zekere gebruiken der veroordeelde afgodendienaars, VI, 137 en volg. --Men zal hunne voorspraak niet zijn bij God, IX, 114, 115. --Men moet hen allen bestrijden, IX, 36.

Afgodendienende Arabieren, II, 107, n.

Afgodendienst, XVI, 76.

Afgoderij (De) II, 187, 214, 220; VII, 193, 194; X, 19. --Zij zal nooit vergeven worden, IV, 51, 116; VI, 64, n., 82; X, 29, n.; XXII, 32.

Afgodsbeelden, II, 12, n.; VII, 69, n.

Afscheiding tusschen hel en paradijs, zie Al Araf.

Afsnijden van handen en voeten, VII, 121, n.

Afstammelingen van Al Sameri, XX, 97, n.

Afstammelingen, zie Abraham.

Afvalligheid, XVI, 108.

Afwending van eene vrouw, IV, 128.

Afzondering der verleiden, II, 161.

Afzonderlijke opsluiting van vrouwen, IV, 38.

Ahmed, een der namen van Mahomet, LXI, 6.

AiË, mirakel, II, 37, n.

Ailah, eene stad aan de Roode zee, VII, 163, n.

AÔsha, Mahomets vrouw, belasterd, XXIV, 11.

Ak Aldr, XCVII, bl. 623, n.

Akhnas Ebn Shoraik. zie Huichelarij.

Alahkaf, XLVI, bl. 526, n.

Al-‚kherat, II, 3, n.

Al Araf, VII, bl. 189, n. --Naam van een muur of afscheiding tusschen de hel en het paradijs, VII, 44, n. 46.

Al Arem, wallen of dammen, XXXIV, 15.

Al As Ebn Wayel, XIX, 80, n.

Al Beid‚wi, een der voornaamste commentarissen, van wien men onderscheiden verklaringen in dit werk vindt.

Alexander de Groote, zie Dhoe'l Karnein, XVIII, 82.

Al F‚tehat, I, bl. 69, n.

Al Forkan, een der namen van den Koran, XXV, bl. 393, n. 1.

Al Hakkat, een der namen van den dag des oordeels, LXIX, 1. n.

Al Hodeibiya, zie Mahomet.

Al Hotama, een der namen van de hel. CIV, 4, n.

Al Jessasa, dier, volgens de Mahomedanen, voor den dag des oordeels verschijnende, XXVII, 84, n.

Al K‚rir‚t, zie Al Hakkat.

Al Khedr, XVIII, 64, n., 70, n. --Zie Elias.

Allah XX, 7, 14. --En Ilah, onderscheid tusschen deze twee woorden XIX, 7, n.

Almasher, Alharem (berg), II, 194, n.

Al Motafiat, zie Pentapolis.

Al Nodar Ebn Al Hareth beweert dat de engelen Gods dochters zijn XXII, 3, n.

Al Nodar, zie Zingende.

Al-Ozza, zie El lat.

Al Rakim, berg, XVIII, 8.

Al Rass, bron, verschil van meening omtrent hare plaats, XXV, 40, n.

Al Sameri, XX, 87 en volg. --Zie afstammelingen. --Zie Samaritaan.

Als het God behaagt, XVIII, 23; LXVIII, 17 en volg.

Al Syil, engel, die der menschen daden nederschrijft, XXI, 104.

Al Walid Ebn Al Mogheira, een voornaam man onder de KoreÔshieten, LXXIV, 11, n, --Beteekenis van dien naam, 14, n.

Al Walid Ebn Okba haalt aalmoezen op, XLIX, 6, n.

Alwetendheid, zie God.

Al Zakkoem (boom), XVII, 62, n.; XXXVII, 60, n.

Al Zamakhshari, zie Al Beid‚wi.

Al Zehir, een berg, VII, 139, n.

Ammar Ebn Yasa, XVI, 108, n.

Amulet. Hoofdstukken van den Koran, bij wijze van amuletten gedragen, CXIII, geheel. --Zie Honderd.

Angaria, II, 159, n.

Ansars (De), IX, 101.

AntiochiÎ, zie Inwoners.

Antwoord aan de Joden, die zeiden, dat God op den zevenden dag van zijn werk rustte, L, 37. --der ongeloovigen aan Mahomet, VI, 105, n.

Apen en varkens (Zondaren door God veranderd in), V, 65, n.

Apen, zie Sabbathschenders.

Apostel, zie Profeet, Zendeling.

Arabieren, die de afgoden dienen, beschouwen de geboorte van eene dochter als een ongeluk, LXXXI, 9, n. --Hunne veronderstellingen omtrent waarzeggers en toovenaars, 24, n. --Gewoonte om de beelden hunner goden met honing en reukwater te bestrijken, XXII, 72, n. --Kweeken hunne taal met veel zorg, XXVI, 225, n. --Rekenen bij nachten en niet bij dagen, VII, 138. --Wijze, waarop zij van hunne vrouwen scheiden. XXXIII, 4, n. --Gaan de achterzijde der huizen in, II, 185. --Uit de woestijn zijn het hardnekkigst, IX, 98 en volg. --Zijn een bemiddelende natie van het menschelijk geslacht, II, 137. --VÛÛr Mahomet hebben zij geen anderen gezant gehad, XXVIII, 46. --Zij gaan niet ten strijde, XLVIII, 11. Zie Afgodendienenden. --Zie Ongeloovigen. --Zie onwetenden.

Arafat, een berg, II. 194.

Arkbewoners, zie Redding.

Ark, waarin de Godheid woont, II 249.

Armbanden, insigniÎn der koninklijke waardigheid, XLIII, 53, n.

Armen onder de ongeloovigen, VII, 47, n. --Kenteekenen daarvan, II, 274. --Willen Mahomets godsdienst omhelzen, VI, 52, n.

A‰ron, broeder van Mozes, IV, 161; VI, 84; VII, 138; X, 76; XIX, 29, n.; XX, 31, 73, 92; XXI, 49; XXIII, 47; XXV, 37; XXVI, 12; XXVIII, 34; XXXVII, 114.

Asaf, de kenner der schriften, XXVII, 40, n.

Asia, vrouw van Pharao, LXVI, 12, n.

Asram, XVIII, 81, n.

Atoom, IV, 44.

A¸oub, zie Job.

Avond en ochtend, voornaamste uren van het gebed, XX, 130, n.

Avondgebed der Mahomedanen, XI, 116, n.

Azer, naam door de Mahomedanen aan Abrahams Vader gegeven VI, 74, n.

B

Babel (De beide engelen van), Haroet en Maroet, II, 96.

Bahr, zee bij de Arabieren, niet alleen op zout water toegepast, maar ook op groote stroomen, XXXV, 13, n.

Balans door Noach, uit den hemel ontvangen, LVII, 25.

Balkis, koningin van Saba, XXVII, 23, n. --Haar troon, afd. --Zij ontvangt een brief van Salomo, 29. --Haar geschenk aan Salomo, 36 n. --Zij onderwerpt zich aan Salomo, 42, n. --Hare voeten en beenen waren met haren bedekt, 44, n.

Barmhartige (De), XXV, 60. --Schenkt liefde, XIX, 96. --Zie God.

Barmhartigheid. VIII, 68, n. --Van God, men moet daar nooit aan wanhopen, XXXIX, 54.

Barzakh, hek, XXIII, 102, n.; XXV, 55, n.

Bashirs verschillen met een Jood, XXIV, 49, n.

Becca of Mekka III 90, n.

Bedevaart Elhadjdj (Tijdstip van), II, 192, n., 193, n. --Zie CeremoniÎn. --Zie Koophandel.

Bedr (Veldslag van), III, II, 118-120; VIII, 5 en volg. --42, 43. --Zie Veldslag.

Bedrag van legaten, II, 176, n.

Bedriegelijk geluk der ongeloovigen, VII, 181, n.

Bedrieger (De) moet met zijn bedrog verschijnen, III, 155.

Bedriegers, zie Mozes en Mahomet. --Die valsche maten en gewichten bezigen, LXXXIII, 1 en volg.

Bedwelmende dranken, II, 216, n.

Beelden van engelen en profeten, XXXIV, 12, n.

Been-ontblooting, uitdrukking bij de Arabieren, om eene vreeselijke ramp aan te duiden. LXVIII, 42, n.

Begeerte XV, 88. --Een tuin te hebben, II, 268.

Begeerten, VII, 175.

Bekeering, II, 17, n.

Bekka, zie Mekka.

Belastering van deugdzame vrouwen, XXIV, 23.

Beleediging van zielen, IV, 67.

Beleefdheid (Voorschriften der), XXIV, 27-29, 57, 61-63; XXXI, 18; XXXIII, 53; LVIII, 12; LXIX, 2, 3.

Belooning, II, 138. Voor de gehoorzamen, XXXIII, 31, n.

Belooningen (De) der rechtvaardigen overtreffen de kastijdingen der verdoemden, VI, 161. --Der geloovigen, LVII, 12. Zie Gelukzaligen en Paradijs.

Bemiddelend volk, II, 137.

Benjamin, XII, 8, n.

Beproeving aan de rivier. II, 250.

Bergen (De) verdwijnen, XVIII, 45. --Wat zij zullen worden op den dag des oordeels, XX, 105 en volg. Zie Laatst oordeel.

Berg SinaÔ, VII, 170, --Zie Al Masher. --Zie Arafat. --Zie SinaÔ.

Berouw (Het), IV, 20-23. --Der ongeloovigen op den dag der verklaring van het boek, VII, 51.

Berouwhebbende, V, 43. --Zie vergiffenis.

Bescherming van God, IX, 26.

Beschuldiging der Joden van het vervalschen der gewijde schriften, II, 73, n.

Besnijden (Het), daarvan wordt in den Koran niet gesproken.

Bespotting, V, 63.

Bestemming, Ieder mensch heeft zijne bestemming. Zie Vogel. --Zie Boek.

Betreding der kamers door slaven, zie Uren.

Bevel aan Abraham zijn zoon te offeren, XXXVII, 101. --Oogenblik, waarop dit offer verhinderd werd, 103, n.

Bevelen van God. VI, 152; VII, 31; LX, 9 en volg. LXXIV, 2 en volg. --Zie Zedeleer.

Bevrijding, VI, 63.

Bewakers der schending van Gods Boek, V. 48, n.

Bewoners van Mekka gestraft, XXXIX, 52. --Van Sodom, XI, 79. --Hunne misdrijven, XXIX. 28.

Bezieling der dichters, zie Dichters.

Bezittingen dezer wereld, IV, 96. --Verteren 33.

Bezoek der heilige plaatsen, IX, 18.

Bidden tot God, IV, 1, n.

Biduur, zie Avond en Gebed.

Bileam vloekt Mozes en de kinderen IsraÎls, VII, 174, n.

Binnentreden, zie Groet.

Binnentrekken der IsraÎlieten van Jericho, II, 56, n.

Bloedprijs aan de familie van een verslagene, IV, 94.

Bloedvergieten, V, 35.

Bloedverwanten (De), vader en moeder; plichten hen betreffende, XVII, 24, 25; XXIX, 7; XXXI, 13; XLVI, 14 en volg.

Bloed, zie Verboden spijze.

Boek der besluiten, II, 41, n. --Zie Fatalismus, voorbeschikking Gods, Theodicea. --III, 139; XI, 8; XXXIV, 3. --Waarin de daden van elk mensch zijn opgeteekend. XVII, 73; XVIII, 47; LXXXIII, 7 en volg. LXXXIV, en volg. --Zie Daden. --Zie oorspronkelijk.

Boom, zie verboden.

Bondgenootschap tegen Mahomet, XIII, 35.

Boomen, enz. door menschen geplant, VI, 142, n.

Broeder, II, 173, n.

Broeders erfdeel eener kinderlooze zuster, IV, 175.

Bron, zie Al Rass. --Zie Selsebil.

Bruidschat, XXXIII, 48, n. --Voor geloovige vrouwen, LX, 10 en volg.

Bruidschatbepaling, IV, 28, n.

Buigen, II, 40.

Buit, VIII, bl. 211, n. --VIII, 1, 42; XLVIII, 19 en volg. LIX, 7.

Buren, zie Naburen.

Bij, wat God hem heeft geopenbaard, XVI, bl. 294, n.

Bijgeloof, II, 185. --VI, 138, n., 139, n. --XXXVII, 86 en volg.

Bijnaam van een Arabisch vorst, zie Tobba.

Bijstaan, IV, 140.

C

Caaba-tempel, VIII, 35, n.

Caaba, zie Ka'ba.

Cafoer, fontein in het paradijs, LXXVI, 5.

CaÔn, zie Kabil.

Caleb, V, 26, n.

Caroen, zie Karoen.

CeremonieÎn bij de bedevaart van Mekka, V, 2, n.

CheÔtan, II, 13, n.

Cherubijnen, XL, 7, n.

Christenen (De) die gelooven, zullen beloond worden, II, 59, 107, 129. --Zeggen Christus is Gods Zoon, IX, 30, 31. --Zij hebben de Schriften ook vervalscht, V, 18. --Zij zijn de Muzelmannen minder vijandig dan de IsraÎlieten en de afgoden dienaars, 85.

Christus, Gods Zoon, IX, 30, n., zie Jezus.

Coba', zie Tempel.

D

Daden (De) der menschen zijn bij God opgeteekend, IX, 122.

Dag der beslissing, XXXII, 29. --Des oordeels, XL, 34. --Zie Personen. --Zie Al Hakkat. --Der opstanding, VII, 57. --Van waarschuwing, XL, 15. --Waarin de engelen tot God opstijgen, en welke vijfduizend jaren duurt, LXX, 4. --Waarop God zijne vonnissen op een zondig volk nederzendt, XLI, 15, n.

Dagen waarin de aarde werd geschapen, XLI, 8, n.

David, IV, 161; V, 82; VI, 84; XXI, 78; XXVII, 15. --Vervaardigt maliÎnkolders, XXXIV, 10. --Zingt Gods lof, XXXIV, 10. --Was daarom met sterkte begaafd, XXXVIII, 16. --Zijn oordeel, XXXVIII, 20, n. --Verdeeling van diens tijd, 21, n. --Diens misdaad, 23, n. --Heeft maliÎnkolders uitgevonden, XXI, 80, n. --Wordt toegestaan Goliath te dooden, II, 252. --Ontvangt de Psalmen XVII, 57.

Davids erfgenaam, zie Salomo.

Deel der koe, II, 68.

Deuren, zie Hemeldeuren.

Dhafar, zie Zonen.

Dhoe'lkarnein, 82 en volg.

Dhu'lkefl, profeet, XXI, 85; XXXVIII, 48.

Dhu'lnun, bijnaam van Jonas, XXI, 87, n. --Zie verder Jonas.

Dichters, XXVI, bl. 400, n.

Diefstal, V, 42.

Dienaren afgevaardigd, XVII, 5.

Dienstboden, zie Huwelijk.

Dier der openbaring, zie Djessasa. --Verschijnende voor den dag des oordeels, zie Al Jessasa. --Zie openbaring.

Dichtzegeling der harten, II, 6; XXX, 59; XLII, 23; XLV, 22.

Djennet, zie Paradijs.

Djessasa, of het dier der openbaring, XXVII, 84, n.

Djibt, naam van een afgod, IV, 54, n.

Dochter (De geboorte van eene) wordt als een ongeluk beschouwd, XVI, 59-64 XLIII, 16. --Men begroef haar levend, LXXXI, 8.

Doeken waarmede de Oostersche vrouwen zich, bij het uitgaan, bedekken, XXXIII, 59.

Donder, XIII, bl. 276, 14.

Dood (De). XL, 11. --Zal den mensch overal bereiken, IV, 80. --Van een profeet, XXI, 14, n. --Zie verlangen.

Dooden van dieren, V, 4. --Voor eene rechtvaardige zaak, VI, 152.

Doodvonnis, zie Mozes.

Doop, II, 132.

Douni-'Llahi, zie Min.

Dranken, zie bedwelmende.

DrieÎenheid, leer der Christenen, IV, 169, n.; V, 77.

Drinken, II, 87. --Zie Eten.

Dronkenschap (De), IV, 46.

Dubbele en enkele dingen, beteekenis daarvan, LXXXIX, 2, n.

Duidelijk boek, VI, 59. --(De) uitgelegden, XLI, bl. 505, n.

Duivel (De). XVII, 29, 55 en volg, XXIV, 21; XXV, 31; XXXV, 6; XXXVI, 60 en volg.; XLVII, 27; LVIII, 11, 20; LIX, 16. --Zijne onverzoenlijke haat tegen den mensch, IV, 118; VII, 10 en volg. --Hij verleidt Adam, XX, 118. --Op den dag des oordeels zal hij blind verschijnen, 124. Zie verder Eblis. --Over wien hij wel en geen macht heeft, XVI, 100 en volg. --Zie Straf. --Zie Verschijnen.

Duivels (De), luisteren af, wat in den hemel gezegd wordt, XV, 17 en 18; XXXVII, 6 en volg, LXVII, 5; --op den dag des Oordeels, XIX, 69. --Zie Geniussen.

Duur der helsche marteling, doet de afgelegde levensbaan kort schijnen, XXIII, 115, n --Van de openbaring des Korans, XXV, 34, n. --Van het verblijf in de spelonk, XVIII, 24.

Dwalenden. I, 7.

Dwaling, III, 23. --Der ongeloovigen omtrent den barmhartige, XVII, 110, n.

E

Eblis, verklaring van dat woord, II, 32, n. --Of Satan, VII, 10; XV, 31 en volg. XVII, 63 en volg; XVIII, 48; XX, 115; XXVI, 95; XXXIV, 19; XXXVIII, 74. --Meening omtrent de SabbeÔsten, XXXIV, 19. n.

Echtgenooten en moeders, XXXIII, 4.

Echtscheiding, II, 230, n. --IV, 24; XXXIII, 48; LVIII, 4; LXV, 1 en volg, --zie Verstooting.

Edelmoedigheid (De) aanbevolen. II, 271.

Eden. IX, 73; XIII, 23; XVIII, 30; XXXV, 30; LXI, 12. --Zie ook Paradijs.

Edris (Profeet), XXI, 85; XIX, 56. --Diens verheffing, 58.

Eed der vrouwen, LX, 12. --Van overspeligen, XXIV, 6 en volg.

Eeden, V, 58, n., 91; LXVIII, 17, 18.

Eendracht verlangen, IV, 65.

Eenheid (De) van den godsdienst dagteekent van Abraham, II, 124 en volg. XLII, 11.

Eerste hoofdstuk, zie Fatihat.

Egypte. Zie Pharao, Mozes, Toovenaars.

Egyptenaren, zie Slagen.

Eigen volk bestrijden, IV, 92.

Einde der menschen, IV, 79.

Eindpaal, VI, 128.

Elath, zie Ailah.

El Djessasa, zie Al Jessasa.

Elfettah, die alles opent, 34, 25, n.

El-forkan, eigenlijk de verlossing, II, 50, n.

Elhadjdj, zie Bedevaart.

Elias, VI, 85. --Naar veronderstelling der Mahomedanen Al Khedr, XXXVII, 123, n.

Elisa (De profeet), VI, 86; XXXVIII, 48.

El-Lat, afgod der oude Arabieren, LIII, 19 en volg.

Engelen (De beide) van Babel, Haroet en Maroet, II, 96.

Engelen (De), II, 28, 156, 172, 206, 249; XXI, 26 en volg.; XXII, 74. --Zij zijn Gods boodschappers, en hebben verscheiden paren vleugels, XXXV, 1. --Zij dragen Gods troon, LXIX, 17. --Zij zijn den menschen tot voorspraak, XL, 7; XLII, 3. --Vier zullen ook vÛÛr den jongsten dag sterven, XXXIX, 68, n. --Zij worden soms der geloovigen ter hulp gezonden, III, 120; VIII, 9. --Zij aanbidden Adam. VII, 10; XVIII, 48; XX, 115; XXXVIII, 71. --Zij moeten niet aangebeden worden, III, 74. --Zij zullen de afgodendienaars verloochenen, XXXIV, 39 en volg. --Zij worden door de afgodendienaars voor Gods dochteren gehouden, XVI, 59; XVII, 42; XXXVII, 150; XLIII, 18; LIII, 28.--XXXV, bl. 468, n. --Het aantal hunner vleugels, 1, n. --Zij, die zich in orde scharen, XXXVII, 1. --Woorden door hen gesproken, 166, n. --Worden slechts bij voegzame gelegenheden nedergezonden, XV, 8. --Zij alleen zijn bewaarders der hel (negentien in getal), LXXIV, 30 en volg. --Ieder mensch strekken zij tot wachters, VI, 61; XIII, 12. --Over den dood, VI, 61; VII, 35; VIII, 52; XVI, 30, 34, 35; XXXII, 11; XLVII, 29. --Vragen rekenschap van der menschen gedrag, L, 16. --Over de straf, zie Malek. --Wederstrevende, XV, 28 en volg.; XVII, 63. --Gods gezanten, XXII, 74. --Dood daarvan, LXIX, 17, n. --Zie God. --Zie Haroet, Maroet en Malek.

Engel (De) GabriÎl, Heilige Geest, XVI, 104; LXVI, 4; LXXXI, 19. --Hij is de vijand der IsraÎlieten, II, 91, 92. --Hij is de boodschapper der openbaring, LIII, 5, 6;--II, 91 en 92. --Diens kennis van Goddelijke openbaring, XXVI, 193, n. --Verschijnt slechts aan Mahomet in zijn natuurlijken vorm, LIII, 6, n.

Engel in menschenvorm, VI, 9. --Zie Al Syil. --Zie Malek. --Zie MichaÎl.

Enoch, zie Edris.

Erfdeel van een kinderlooze, zie Zusters.

Erfenis, VIII, 73, n. --De zwakken, LXXXIX, 20.

Erfenissen, XXXIII, 6, n.

Erven van land door de kinderen IsraÎls, VII, 133.

Erving door een verwijderden bloedverwant, IV, 15. --Broeder of zuster van een man of vrouw, IV, 15.

Esdras, IX, 30. --Zie OzaÔr.

Eten, VII, 29, n. --Van vee, V, 1. --Van mannetjes of wijfjes der dieren, VI, 145.

EthiopiÎ, zie Vluchtelingen.

Evangelie (Het), III, 2, 43, 58; V, 50, 70, 110; VII, 156; IX, 112; XLVIII, 29; LVII, 27.

ExpeditiÎn van den profeet, XLVIII, 15, n.

Ezra, zie OzaÔr.

F

Fatihat, of het eerste Hoofdstuk van den Koran, bl. 69.

Fatalismus, III, 139; XIII, 30; XIV, 4; XLII, 6. --Zie Voorbeschikking.

Firdous, zie Paradijs.

Fontein, zie Cafoer. --Zie Tasnim.

Formule der scheiding, zie Scheiding.

Formulier het huldigen van een vorst, V, 10.

G

GabriÎl, zie Engel.

Gadeslaan, Ra'ina, IV, 49, n.

Gebed (Het) X, 89. --II, 109, 136 en volg. 239; IV, 46; V. 8; VII, 204; XI, 116; XVII, 80 en volg.; XXIX, 44; L, 39. --In den oorlog, IV, 102-104. --Verzen, die daartoe kunnen dienen, II, 286; III, 181-192. --Der Mahomedanen, IV, 103, n. --Der Joden, 286, n. --zie Namiddag.

Gebod aan de vrouwen, XXIV, 31. --Hare kleeding, ald.

Geboorte van eene dochter door de Arabieren als een ongeval beschouwd. XVI, 59, n.

Gedachte aan God, IV, 141.

Gedeelte der hel, zie Al Hotama.

Gedrag der vrouwen tijdens de afwezigheid harer mannen, IV, 38. --Omtrent de vrouwen van den profeet, XXXIII, 53.

Geest (De) is op Gods bevel geschapen, door het woord Kun, XVII, 87. --God bracht dien met zijn woord in Maria over, IV, 169. --Heiligheid of de Heilige Geest, II, 81. --Wat hij is, volgens den Koran, II, 254; XVI, 104. --Zie Heilige.

Geldstukken, zie Twist.

Geld terugnemen van vrouwen, IV, 24.

Geleide, IX, 6, n.

Geloof, XLIX, 14, n. --Aan afgoden, IV, 54. --Aan den jongsten dag, IX, 29. --Aan Gods teekens. VI, 118. --En goede werken, XIV, 28; XVI, 99; XVIII, 29. --En loochening van het boek den geloovigen gezonden, III, 65.

Geloofsgeschillen, zie Twisten.

Geloovigen, zie Mozes. --Zie Oorlogskamp.

Geloovigen, II, 269 en volg. III, 106. --V, 73, n. --XI, 31. --IX, 72; XXXII, 15 en volg.; XXXIII, 21, 36; XLIX, 14. --Bevrijden, IV, 94. --Dooden, IV, 94. --Moeten slechts voor de hunnen vriendschap koesteren, III, 124.

Geluk der ongeloovigen, zie Bedriegelijk.

Gelukspel, Al Meizer. II, 216.

Gelukzaligen (De), III, 103 en volg.; VII, 40-42; X, 26, 27; XI, 110; XV, 45 en volg.; XVIII, 107, 103; XXI, 101 en volg. XXII, 23, 24; XXV, 27; XXXI, 7, 8; XXXII, 15, 16; XXXV, 29 en volg.; XXXVI, 54 en volg.; XXXIX, 70, 73 en volg.; XLIV, 51 en volg.; XLVII, 8, 13, 16 en volg.; LII, 17 en volg.; LV, 46 en volg.; LXIX, 19 en volg.; LXXVI, 5 en volg.; LXXVII, 41 en volg.; LXXVIII, 31 en volg.; LXXXIII, 21 en volg.; LXXXVIII, 8 en volg.

Gelukzaligheid, zie Thojeba.

Gelijkenissen, vergelijkingen, die men in den Koran ontmoet, II, 16, 18 en volg. 166, 263, 266-268; III, 113; VII, 38; X, 25; XI, 26; XIII, 18; XIV, 20 en volg.; 29 en volg.; XVI, 76 en volg.; 94; XVIII (die der beide tuinen), 31-42; XXII, 72; XXIV, 34 (die van Gods licht), 35, 39 en volg.; XXX, 27; XXXIX, 30; LVII, 19; LIX, 21; LXIII, 4; LXVII, 22; LXVIII, 17 en volg.

Gember, zie Zendjebil.

Gemengde huwelijken, V, 7, n.

Geniussen (De), VI, 100, 128, 130; XVIII, 48; XLI, 24, 29; --Zij zijn van vuur geschapen, XV, 27; LV, 14. --Zij zijn aan de bevelen van Salomo onderworpen, XXVII, 39; XXXVIII, 36. --Zij luisteren naar den Koran en bewonderen dien, XLVI, 28 en volg. LXXII, 1 en volg. --Zij luisteren naar hetgeen in den hemel voorvalt, XV, 17 en 18; XXVI, 212. Zie verder Duivels.

Genius, zie Ifrit.

Genoegens genieten, V 70.

Genot, zie IJdel.

Gepaste taalvoering, IV, 10, n.

Geschenken aan het volk van Mozes, V, 23.

Geschiedenis, XXVIII, bl. 419, n.

Geschillen beslechten, V, 46. n.

Geschil voor God brengen, IV, 62.

Gesprek met de afgodendienaars, XVII, 56.

Getrouwheid aan de overeenkomsten, IX, 5.

Getuigenis, II, 282; IV, 134: V, 11.--V, 105.--LXXXV, 3. --Afleggen, VI, 19. --Van een lid van Potiphars gezin XII, 26.

Getuigen tegen Joden en Christenen op den dag der opstanding IV, 157.

Gevangenen te Bedr, VIII, 69.

Gezanten, VI, 61.--X, 75.--XI, 72.

Gezichtseinder, zie Zon.

Gierigaards (De), hunne straffen in de hel, IX, 34, 35; LVII, 24. --God bemint hen niet, IV, 40, 41.

Gierigheid (De) veroordeeld, XLVII, 40.