De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz.

Part 59

Chapter 594,106 wordsPublic domain

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Heeft het nieuws van den overvallenden dag des oordeels u bereikt. 2. Die sommigen de aangezichten zal doen buigen? 3. Werkende en afgemat van vermoeienis. 4. Zullen zij in het gloeiende vuur geworpen worden, om geroosterd te worden. 5. Men zal hun uit eene kokende fontein geven te drinken. 6. Zij zullen geen voedsel hebben, dan droge doornen en distels (al Dari). 7. Dat voeden, noch den honger stillen zal. 8. Maar de aangezichten van anderen zullen op dien dag vroolijk zijn. 9. Voldaan over hetgeen zij vroeger zullen hebben verricht. 10. Zij zullen in een sierlijken tuin worden geplaatst. 11. Waar zij geene ijdele gesprekken zullen hooren. 12. Daar zal eene springende fontein wezen; 13. Daar zullen verheven zetels opgericht wezen. 14. En bekers zullen voor hen geplaatst zijn, 15. En kussens in orde gelegd, 16. En tapijten geheel uitgespreid. 17. Overwegen zij niet hoe de kameelen geschapen zijn 18. En hoe de hemel verheven is; 19. En hoe de bergen zijn bevestigd. 20. En hoe de aarde is uitgespreid? 21. Daarom, waarschuw uw volk, want gij zijt slechts een waarschuwer, 22. Eene onbepaalde macht is u niet over hen opgedragen. 23. Maar wie zich afwenden, en niet gelooven zal, 24. Dien zal God met de groote straf van het volgende leven straffen. 25. Waarlijk, tot ons zullen zij terugkeeren. 26. En dan is het mijne taak, hun rekenschap af te vragen.

NEGEN EN TACHTIGSTE HOOFDSTUK.

DE MORGENSCHEMERING.

Geopenbaard te Mekka [2264].--30 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ik zweer bij het aanbreken van den dag en de tien nachten [2265]; 2. Bij datgene wat dubbel, en dat wat enkel is [2266], 3. Bij den nacht als die aanbreekt. 4. Is dit niet een begrijpelijk samengestelde eed? 5. Hebt gij niet overwogen, hoe uw Heer met Ad heeft gehandeld. 6. Het volk van Irem, versierd met schoone gebouwen [2267], 7. Waarvan de wedergade nog niet in het land werd opgericht? 8. En met Thamoed, die in de rotsen der vallei huizen uithieuw. 9. En met Pharao, den uitvinder van de straf der staken [2268]. 10. Die zich onbeschaamd hadden gedragen. 11. En het verderf op de aarde vermeerderden? 12. Daarom stortte de Heer verschillende soorten van kastijdingen over hen uit; 13. Want, waarlijk, uw Heer is op een wachttoren, als hij de daden der menschen beschouwt. 14. Daarom als zijn Heer hem (door voorspoed) beproeft, en hem eert en goed voor hem is. 15. Zegt de mensch: Mijn Heer eert mij. 16. Maar als hij hem met rampen bezoekt, en hem zijne weldaden terughoudt, 17. Zegt hij: Mijn Heer versmaadt mij. 18. Volstrekt niet [2269], maar gij eert den wees niet. 19. Noch noodigt gij elkander uit, den arme te voeden. 20. Gij verzwelgt de erfenis der zwakken [2270] met eene blinde begeerigheid. 21. En gij bemint de rijkdommen op onbegrensde wijze. (Gij zult volstrekt niet zoo handelen). 22. Als de aarde tot stof zal vermorzeld worden; 23. Als uw Heer zal komen, en de engelen in gelederen geschaard zullen zijn; 24. Als de hel op dien dag naderbij gebracht zal worden: op dien dag zal de mensch zich zijne slechte daden herinneren; maar hoe zou die herinnering hem kunnen baten? 25. Hij zal zeggen: Gave God, dat ik vroeger gedurende mijn leeftijd goede daden had verricht! Op dien dag zal niemand zooals God kunnen straffen. 26. Noch iemand in staat zijn te binden zoo als God [2271]. 27. O gij, ziel die rust! 28. Keer, voldaan met uwe belooning, en voldaan met God, tot uwen Heer terug. 29. Treed bij het aantal mijner dienaren binnen. 30. En betreed mijn paradijs.

NEGENTIGSTE HOOFDSTUK.

HET GRONDGEBIED.

Geopenbaard te Mekka.--20 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ik zweer bij dit grondgebied [2272], 2. En gij, o profeet! houd verblijf in dit grondgebied; 3. En bij den vader, en bij het kind [2273]; 4. Waarlijk, wij hebben den mensch in ellende geschapen. 5. Denkt hij, dat niemand sterker is dan hij [2274]. 6. Hij zegt: ik heb groote rijkdommen verteerd! 7. Denkt hij, dat hem niemand ziet. 8. Hebben wij hem niet twee oogen gegeven. 9. En eene tong en twee lippen. 10. En hebben wij hem niet de twee groote wegen, des goeds en des kwaads vertoond? 11. En nog is hij de helling niet afgedaald. 12. Wat zal u doen begrijpen wat de helling is? 13. Het is: den balling te bevrijden. 14. Of te voeden in de dagen van hongersnood. 15. Den wees, die ons verwant is. 16. Of den armen man, die op den grond ligt. 17 Wie dit doet en tot hen behoort die gelooven, en ieder ander volharding en mededoogen aanbevelen, 18. Dezen zullen de makkers der rechterhand wezen [2275]. 19. Maar zij, die omtrent onze teekenen ongeloovig zullen zijn, dezen zullen de makkers der linkerhand wezen. 20. Boven hen zal zich het vuur uitstrekken.

EEN EN NEGENTIGSTE HOOFDSTUK.

DE ZON.

Geopenbaard te Mekka.--15 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ik zweer bij de zon en haren opgaanden glans, 2. Bij de maan, als zij deze volgt, 3. Bij den dag, als hij zijn glans vertoont, 4. Bij den nacht, als die alles met duisternis bedekt; 5. Bij den hemel en bij Hem, die dien heeft gebouwd, 6. Bij de aarde en bij Hem die haar uitspreidde, 7. Bij de ziel en bij Hem die haar volkomen vormde, 8. En haar het vermogen van onderscheiding ingaf, en de macht, tusschen zonde en godsvrucht te kiezen. 9. Hij die haar zuiver bewaart, is gelukkig: 10. Maar hij die haar heeft verdorven, is ellendig. 11. Thamoed beschuldigde hunnen profeet Saleh van bedrog, door de groote mate hunner zonden. 12. Toen de meest verdorvene [2276] onder hen werd gezonden, om den wijfjes-kameel te dooden. 13. En Gods gezant tot hen zeide: Laat Gods (wijfjes-) kameel met vrede en verhindert haar niet te drinken. 14. Maar zij beschuldigden hem van bedrog, en doodden het dier. Daarom verdelgde hun Heer hen, om hunne misdaad, en hij maakte hunne straf voor hen allen gelijk, 15. En hij vreest daarvan de gevolgen niet.

TWEE EN NEGENTIGSTE HOOFDSTUK.

DE NACHT.

Geopenbaard te Mekka.--21 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ik zweer bij den nacht, als die alle dingen met duisternis bedekt. 2. Bij den dag als die met glans schittert; 3. Bij Hem, die het mannelijke en het vrouwelijke schepsel heeft geschapen. 4. Waarlijk, uwe pogingen hebben verschillende doeleinden. 5. Maar hem, die gehoorzaam is en God vreest, 6. En de waarheid van het geloof belijdt, dat het uitnemendst is. 7. Dien zullen wij den weg des geluks gemakkelijk maken. 8. Maar hem, die gierig zal wezen, en zich om niets dan deze wereld bekommert, 9. En de waarheid zal loochenen van datgene, wat het uitnemendst is. 10. Dien zulle wij den weg tot de ellende vergemakkelijken. 11. En zijne rijkdommen zullen hem niet baten, als hij, het onderst boven, in de hel zal vallen. 12. Waarlijk, ons behoort de leiding van den mensch. 13. Ons is het tegenwoordige en het volgende leven. 14. Daarom bedreig ik u met het vreeselijk brandend vuur. 15. Waarin niemand zal worden geworpen om verbrand te worden, behalve de meest verdorvenen. 16. Die niet geloofd en zich afgewend zullen hebben. 17. Maar hij die zich gestreng (voor afgoderij en weÍrspannigheid) in acht neemt, dien zullen wij ver van daar voeren: 18. Die zijn vermogen aan aalmoezen besteedt, om zich meer te zuiveren, 19. En niet opdat hem zijne weldaden zullen worden beloond. 20. Maar die zijn vermogen voor de zaak van zijn Heer, den Verhevenste besteedt. 21. En hierna zal hij gewis voldaan zijn met zijne belooning.

DRIE EN NEGENTIGSTE HOOFDSTUK.

DE OCHTENDGLANS.

Geopenbaard te Mekka.--11 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ik zweer bij den glans van den ochtend [2277]. 2. En bij den nacht als die duister wordt. 3. Uw Heer heeft u niet vergeten, en haat u niet [2278]. 4. Waarlijk het volgende leven zal beter dan dit tegenwoordige leven voor u wezen. 5. Uw Heer zal u eene belooning geven, waarover gij wel voldaan zult zijn. 6. Vond hij u niet als een wees, en heeft hij geene zorg voor u gedragen? 7. En vond hij u niet dolende in dwaling, en heeft hij u niet de waarheid binnengeleid? 8. En vond hij u niet nooddruftig, en heeft hij u niet verrijkt? 9. Verdruk daarom den wees niet. 10. Noch verdrijf den bedelaar; 11. Maar verklaar Gods goedheid.

VIER EN NEGENTIGSTE HOOFDSTUK.

HEBBEN WIJ NIET GEOPEND?

Gegeven te Mekka.--8 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Hebben wij uwe borst niet geopend [2279]. 2. En u van uwen last bevrijd [2280]. 3. Die uwe schouders nederdrukte? 4. Hebben wij uwen naam niet verheven? 5. Maar naast den tegenspoed is het geluk. 6. Waarlijk, naast den tegenspoed is het geluk. 7. Als gij uwe prediking zult geÎindigd hebben, arbeidt dan om God voor zijne gunsten te dienen. 8. En richt uwe smeekingen tot uwen Heer.

VIJF EN NEGENTIGSTE HOOFDSTUK.

DE VIJG.

Gegeven te Mekka of Medina.--8 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ik zweer bij de vijgen den olijf [2281], 2. En bij den berg SinaÔ, 3. En bij dit grondgebied der zekerheid [2282]. 4. Waarlijk, wij hebben den mensch in den schoonsten vorm geschapen; 5. Daarna hebben wij hem tot den laagste der laagsten gemaakt [2283]. 6. Behalve degenen die gelooven en het goede doen; want deze zullen eene eindelooze belooning ontvangen. 7. Wat zal u dus hierna den dag des oordeels doen loochenen? 8. Is God niet de wijste rechter.

ZES EN NEGENTIGSTE HOOFDSTUK.

HET GESTOLDE BLOED.

Geopenbaard te Mekka [2284].--19 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Lees in naam van uwen Heer, die alle dingen heeft geschapen. 2. Die den mensch van gestold bloed schiep [2285]. 3. Lees; want uw Heer is de weldadigste; 4. Die (den mensch) het gebruik van de pen leerde; 5. Die den mensch leerde, wat hij niet kende. 6. Waarlijk. Maar de mensch wordt weÍrspannig. 7. Omdat hij ziet, dat hij overvloedige rijkdommen heeft [2286]. 8. Waarlijk, tot uw Heer zal de terugkeer van alles zijn. 9. Wat denkt gij van hem, die verbiedt. 10. Onzen dienaar als hij bidt [2287]? 11. Wat denkt gij, indien hij de ware richting zou volgen. 12. Of vroomheid bevelen? 13. Wat denkt gij, indien hij de goddelijke openbaringen van valschheid beschuldigt, en zijn rug toewendt? 14. Weet hij niet, dat God het ziet? 15. Ja, waarlijk indien hij niet ophoudt, zullen wij hem bij de haren van zijn voorhoofd grijpen [2288], 16. Van zijn leugenachtig en zondig voorhoofd. 17. En laat hem zijn raad [2289] te zijner hulpe roepen. 18. Ook wij zullen de helsche wachten roepen, om hem in de hel te werpen. 19. Waarlijk, gehoorzaam hem niet, maar ga voort God te aanbidden, en tracht hem te naderen.

ZEVEN EN NEGENTIGSTE HOOFDSTUK.

AL KADR [2290].

Geopenbaard te Mekka of te Medina.--5 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Waarlijk, wij hebben den Koran in den nacht van al Kadr nedergezonden. 2. En wat zal u doen begrijpen, hoe uitstekend de nacht van al Kadr is? 3. Beter dan duizend maanden. 4. In dien nacht dalen de engelen en de geest GabriÎls door Gods bevel neder, met Zijne besluiten omtrent alles [2291]. 5. Het is vrede, tot het rijzen van den dageraad.

ACHT EN NEGENTIGSTE HOOFDSTUK.

HET DUIDELIJKE TEEKEN.

Geopenbaard te Mekka of te Medina.--8 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. De ongeloovigen onder hen, aan wie de schriften werden gegeven en onder de afgodendienaars wankelden niet, dan nadat het duidelijke teeken tot hen was gekomen; 2. Een zendeling van God, die hun zuivere boeken der openbaring voorlas, waarin rechtvaardige gesprekken zijn bevat. 3. Nimmer waren zij, aan welke de schriften werden gegeven, onder elkander verdeeld, dan nadat het duidelijke teeken tot hen was gekomen. 4. En in de schriften werd hun niets anders bevolen dan God te aanbidden, Hem den zuiveren godsdienst te wijden en vroom te zijn, en standvastig in het gebed te wezen en aalmoezen te geven; en dit is de ware godsdienst. 5. Waarlijk, zij die niet gelooven, onder hen die de schriften hebben ontvangen en onder de afgodendienaars, zullen in het vuur der hel geworpen worden, om daarin voor eeuwig te verblijven. Deze zijn de slechtste van alle schepselen, 6. Maar zij die gelooven en goede werken doen, dit zijn de beste van alle schepselen. 7. Hunne belooning met hunnen Heer bestaat in tuinen van eeuwig verblijf met rivieren doorsneden [2292]. Eeuwig zullen zij daarin verblijven. 8. God zal voldaan over hen wezen, en zij zullen voldaan zijn over Hem. Dit is gereed gemaakt voor hem, die zijn Heer vreest.

NEGEN EN NEGENTIGSTE HOOFDSTUK.

DE AARDBEVING.

Geopenbaard te Mekka, of te Medina--8 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Als de aarde door een aardbeving [2293] zal geschud worden, 2. En de aarde haren last zal wegwerpen. 3. En de mensch zal zeggen: Wat schort haar? 4. Op dien dag zal zij hare tijdingen verklaren. 5. Volgens hetgeen uw Heer haar zal ingeven [2294]. 6. Op dien dag zullen de menschen in onderscheiden klassen voorwaarts gaan, om hunne werken te aanschouwen. 7. En wie slechts goed zal gedaan hebben, ter zwaarte van een atoom [2295], zal dat aanschouwen. 8. En wie slechts kwaad zal gedaan hebben ter zwaarte van een atoom, zal dat aanschouwen.

HONDERDSTE HOOFDSTUK.

DE OORLOGSPAARDEN.

Geopenbaard te Mekka of te Medina.--11 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ik zweer bij de oorlogspaarden, die snel en hoorbaar hijgend ten strijd draven. 2. En bij de oorlogspaarden die vuur slaan door het aanraken (der steenen met hunne hoeven); 3. Bij hen die plotseling en vroeg in den ochtend, een inval bij den vijand doen, 4. Daar het stof doen oprijzen, 5. En zich door het midden der vijandelijke troepen een weg banen [2296]; 6. Waarlijk, de mensch is ondankbaar jegens zijn Heer; 7. En hij is getuige daarvan; 8. En hij is ontembaar in zijne liefde voor het wereldsche goed. 9. Weet hij dan niet dat hetgene zich in de graven bevindt, weder zal oprijzen, 10. En dat hetgene zich in de borst der menschen bevindt, aan het licht gebracht zal worden, 11. En dat hun Heer volkomen onderricht omtrent hem zal zijn?

HONDERD EN EERSTE HOOFDSTUK.

DE SLAG.

Geopenbaard te Mekka.--8 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. De slag [2297]. Wat is de slag? 2. En wat zal u doen begrijpen, hoe vreeselijk de slag zal wezen? 3. Op dien dag zullen de menschen als kapellen verspreid zijn, 4. En de bergen zullen als gekamde wol van verschillende kleuren worden, die door den wind is voortgedreven; 5, Maar hij, wiens weegschaal met goede werken zal bezwaard wezen, zal een behagelijk leven leiden. 6. Doch hij wiens weegschaal licht zal zijn, diens woning zal de kuil der hel wezen [2298]. 7. Wat zal u doen begrijpen, hoe vreeselijk de kuil der hel is? 8. Het is een brandend vuur.

HONDERD EN TWEEDE HOOFDSTUK.

DE BEGEERTE OM ZICH TE VERRIJKEN.

Geopenbaard te Mekka of te Medina.--8 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. De naijverige begeerte, rijkdommen en kinderen te vermeerderen, houdt u bezig 2. Tot gij in het graf nederdaalt. 3. (Gij zult uwen tijd) volstrekt niet (aldus gebruiken); Hiernamaals zult gij uwe dwaasheid kennen. 4. Nogmaals, volstrekt niet: hiernamaals zult gij uwe dwaasheid kennen. 5. Volstrekt niet. Indien gij het gevolg hiervan met zekerheid kendet, zoudt gij niet aldus handelen. 6. Waarlijk, gij zult de hel zien. 7. Nogmaals; gij zult die zekerlijk met het oog der zekerheid zien. 8. Dan zult gij op dien dag ondervraagd worden, nopens de uitspanningen waarmede gij u in dit leven hebt vermaakt.

HONDERD EN DERDE HOOFDSTUK.

DE NAMIDDAG.

Geopenbaard te Mekka,--3 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ik zweer bij den namiddag [2299]. 2. Waarlijk, de mensch bewerkt zijn verderf. 3. Behalve zij die gelooven en doen wat rechtvaardig is, en wederkeerig de waarheid aanbevelen en elkander wederkeerig tot volharding aansporen.

HONDERD EN VIERDE HOOFDSTUK.

DE LASTERAAR.

Geopenbaard te Mekka--9 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Wee over iederen lasteraar en leugenaar [2300], 2. Die rijkdommen opstapelt, en deze voor de toekomst bewaart. 3. Hij denkt dat zijne rijkdommen hem onsterfelijk maken. 4. Volstrekt niet. Hij zal zekerlijk in Al-Hotama [2301] geworpen worden. 5. En wie zal u doen begrijpen wat Al-Hotama is? 6. Het is het aangestoken vuur van God, 7. Dat boven de harten zal opstijgen van hen (die er in geworpen zullen worden). 8. Waarlijk, het zal als een gewelfd dak wezen. 9. Dat, gesteund door groote kolommen, boven hen zal zijn.

HONDERD EN VIJFDE HOOFDSTUK.

DE OLIFANT. [2302]

Geopenbaard te Mekka.--5 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Hebt gij gezien, hoe uw Heer met de meesters van den olifant handelt? 2. Heeft hij hunne verraderlijke plannen niet doen strekken om hen in dwaling te leiden, 3. En troepen vogels (Ababils) tegen hen te zenden, 4. Die steenen van gebakken klei op hen nederwierpen, 5. En hen het aanzien gaven van de bladeren van het koren, dat door het vee was afgegeten?

HONDERD EN ZESDE HOOFDSTUK.

DE KOREœSHIETEN.

Geopenbaard te Mekka.--4 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ter vereeniging van den stam der KoreÔshieten [2303]; 2. Te hunner vereeniging, om de karavaan van kooplieden in den winter en den zomer weg te zenden! 3. Laten zij den Heer van dit huis dienen, die hen van voedsel tegen den honger voorziet. 4. En hen tegen vrees heeft verzekerd [2304].

HONDERD EN ZEVENDE HOOFDSTUK.

DE AALMOES.

Geopenbaard te Mekka of te Medina.--7 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Wat dunkt u van hem, die het toekomstige oordeel als eene valschheid loochent? 2. Het is degeen, die den wees verstoot [2305]. 3. En anderen niet aanspoort den arme te voeden. 4. Wee over hen, die bidden, 5. Maar die achteloos in hun gebed zijn; 6. Die de huichelaars spelen. 7. En (den behoeftige) de noodige aalmoes (gereedschappen) onthouden.

HONDERD EN ACHTSTE HOOFDSTUK.

AL KAUTHER.

Gegeven te Mekka [2306].--3 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Waarlijk, wij hebben u al Kauther [2307] gegeven. 2. Bid tot uwen Heer, en dood de slachtoffers [2308]. 3. Waarlijk, hij die u haat, zal kinderloos wezen [2309].

HONDERD EN NEGENDE HOOFDSTUK.

DE ONGELOOVIGEN.

Geopenbaard te Mekka.--6 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Zeg: O ongeloovigen [2310]! 2. Ik zal niet aanbidden wat gij aanbidt, 3. Noch zult gij aanbidden wat ik aanbid. 4. Ik aanbid geenzins wat gij aanbidt. 5. Gij aanbidt niet wat ik aanbid. 6. Gij hebt uw Godsdienst, en ik heb mijn godsdienst.

HONDERD EN TIENDE HOOFDSTUK.

DE HULP.

Geopenbaard te Mekka.--3 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Als de hulp van God zal komen en de overwinning [2311], 2. En gij het volk tot Gods eeredienst bij scharen zult zien binnengaan [2312]. Verkondig den lof van uwen Heer en vraag vergiffenis van hem; want hij is vergevensgezind.

HONDERD EN ELFDE HOOFDSTUK.

ABOE LAHAB.

Geopenbaard te Mekka--5 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. De handen van Aboe Lahab [2313] zullen ten verderve gaan, en hij zelf verdorven worden. 2. Zijne rijkdommen zullen hem van geen voordeel zijn, noch datgene wat hij heeft gewonnen. 3. Hij zal heengaan om in het vuur verbrand te worden. 4. Als ook zijne vrouw, die hout draagt [2314]. 5. Terwijl zij om haren hals eene koord van geweven vezelen van den palmboom heeft.

HONDERD EN TWAALFDE HOOFDSTUK.

GODS EENHEID [2315].

Geopenbaard te Mekka of te Medina--4 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Zeg: God is een eenig God. 2. De eeuwige God. 3. Hij baarde niet, en werd niet gebaard. 4. En niemand is Hem in eenig opzicht gelijk.

HONDERD EN DERTIENDE HOOFDSTUK. [2316]

DE DAGERAAD.

Geopenbaard te Mekka of te Medina--5 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Zeg: Ik zoek mijn toevlucht bij den Heer van den dageraad, 2. Opdat hij mij moge bevrijden van de boosheid der schepselen, welke hij heeft geschapen. 3. En van het kwaad des nachts, als die invalt. 4. En van het kwaad der vrouwen die op knoopen blazen [2317], 5. En van het kwaad van den benijder, als hij ons benijdt.

HONDERD EN VEERTIENDE HOOFDSTUK.

DE MENSCHEN.

Geopenbaard te Mekka of te Medina--6 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Zeg: Ik zoek mijne toevlucht bij den Heer der menschen, 2. Den Koning der menschen, 3. Den God der menschen; 4. Dat hij mij bevrijde van de boosheid van den luisteraar, die snoode gedachten inblaast en zich dan verborgen terugtrekt [2318]. 5. Die kwaade ingevingen der menschen aan de harten toefluistert. 6. Tegen de geniussen en de menschen.

EINDE VAN DEN KORAN.

V

ALGEMEEN REGISTER DER VOORNAAMSTE ONDERWERPEN. IN DEZEN KORAN BEHANDELDE, EN DE NOTEN DES BETREFFENDE.

De Romeinsche cijfers wijzen de Hoofdstukken aan; de Verzen zijn door Arabische cijfers aangewezen. N duidt de Noot aan.

A

Aalmoes (De) II, 211, 255, 265-269, 273-275; III, 86, 128; V, 15; IX, 60, 68, 99, n. 100; XXX, 38; LVII, 7, 10, 17; LVIII, 13, 14; LXIII, 10; LXIV, 16, 17.

Aalmoezen, zie Al Walid Ebn Okba. --Zie straf.

Aanbidders van het kalf, zie God.

Aanbidding, XXXII, bl. 445, n. --Der Arabieren van godheden naar hun inzien, Gods dochteren, IV, 117, n. --Der sterren, zie Sterren. --Van God, vooral 's Vrijdags, zie Mozes. --Zie Adam.

Aanbiddingsplaats, X, 87.

Aangezicht tot God wenden, II, 106, n. Zie wenden.

Aanleiding tot het maken van het gouden kalf, VII, 134, n.

Aanroeping van Gods naam bij het eten van dieren, enz. II, 168, n.

Aanslag op Mahomet, XIII, 14, n. --Zie KoreÔshieten.

Aanspreken (Voornaamwoord bij het), dikwijls gebruikt in den Koran, V, 15, n.

Aantal der vrouwen, IV, 3. --Zie Moslem.

Aanvangletters, II, 1, VII, 1.--XIII, 1.--XIX, 1. XXX, 1.

Aanvoerders der ongeloovigen, VII, 46.

Aardbeving XXII, 1, n. --Op den jongsten dag, XCIX, 1.

Aarde, aardbol, gevoelen der Mahomedanen, daaromtrent, XVI, 15, n. --In twee dagen geschapen, XLI, 8. --Hemel, enz. zijn in een bepaald tijdperk geschapen, XLVI, 2. --Zij zullen niet eeuwig bestaan, ald.

Aardsch paradijs, II, 33, n.

Abd' Alrahman, zoon van Aboe Bekr, diens gezegde tegen zijne ouders, XLVI, 16.

Abd' Allah Ebn Obba, XXIV, 34, n.

Abd' Allah Ebn Salam, XLVI, 3, n.

Abel en KaÔn, V, 30.

Aboe Bekr, XXIV, 22, n. --Die den Islam op zijn veertigste jaar beleed, XLVI, 14, n. --Zie Abd' Alrahman.

Aboe Jahl. LXXV, 31, n. XCVI 7, n. en 10, n. --Mahomets vijand, XXII, 8, n. Verstoot een wees, CVII, 2, n.

Aboe Kobeis, zie Abraham.

Aboe Lahab, Mahomets oom en vijand, CXI, 1. --Diens vrouw strooit des nachts doornen en distels op den weg des profeets, CXI, 4, n.

Abraha, Ethiopisch prins, zijne expeditie naar Mekka, CV, bl. 627, n.

Abraham, II, 120, 124-130, 134; III, 30; IV, 57, 161; VI, 162; IX, 71; XI, 72: XIV, bl. 282, n.; XV, 51; XVI, 121; XXIX, 15, 23 en volg; XXXVIII, 45; XLIII, 25; LIII, 38; LVII, 26; LX, 4; LXXXVII, 19. --Hij wordt tot Imam of priester der volken benoemd, II, 118, 119. --Wat hem met Nimrod gebeurde, 260. --Hij dient den eenigen God; hij is muzelman, III, 60. --Zijn verblijf te Mekka, 91. --Hij is Gods vriend, IV, 124. --Hij bidt slechts God aan, VI 74-84. --Hij tracht zijnen vader te bekeeren, IX, 115; XIX, 43. --Hij bidt voor zijn geslacht, XIV, 38-42. --Hij verbrijzelt de afgoden van zijn gezin, XXI, 59; XXXVII, 81 en volg. --Hij bestrijdt den afgodendienst van zijn gezin, XXVI, 69 en volg. --Hij wordt ten vure gedoemd, maar gered, XXI, 68, 69. --Hij bouwt het heilige huis te Mekka, XXII, 27. --Hij is gereed zijnen zoon te offeren, XXXVII, 101 en volg. --De engelen komen hem bezoeken, XI, 72 en volg. --Bestijgt den berg Aboe Kobeis, nabij Mekka, XXII, 28, n. --Hij wordt in het midden van den Kalkoven gebracht, XXI, 69, n. --Wil voor zijn vader vergiffenis vragen, LX, 4. --Zie Noach. --Zijn vader, zie Azer.