De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz.

Part 53

Chapter 533,637 wordsPublic domain

1. Ik zweer bij den berg SinaÔ. 2. En bij het boek, geschreven 3. Op eene afgewikkelde rol [2037]. 4. En bij het bezochte huis [2038], 5. En bij het verheven dak des hemels. 6. En bij den zwellenden oceaan. 7. Waarlijk de straf van uwen Heer zal zekerlijk nederdalen. 8. Niemand zal haar kunnen terughouden. 9. Op dien dag zullen de hemelen schudden en waggelen. 10. En de bergen zullen wandelen en weggaan. 11. En wee op dien dag over hen, die Gods gezanten van bedrog beschuldigen. 12. Die zich vermaken door zich in ijdele twisten te mengen. 13. Op dien dag zullen zij naar het hellevuur gedreven en er in geworpen worden. 14. En men zal tot hen zeggen: Dit is het vuur, dat gij als een verdichtsel hebt geloochend. 15. Is dit eene beguichelende verbeelding? Of ziet gij niet? 16. Treedt er binnen, om verschroeid te worden. Hetzij gij uwe marteling geduldig of ongeduldig verdraagt, het zal voor u gelijk wezen: gij zult zekerlijk de vergelding ontvangen, van hetgeen gij hebt verricht. 17. Maar de vromen zullen te midden van tuinen en vermaken wonen. 18. Zich verlustigende, in hetgeen hun Heer hun zal hebben gegeven; en hun Heer zal hen van de pijnen der hel bevrijden. 19. En men zal tot hen zeggen: Verzadigt u met de zegeningen, welke u zijn aangeboden, wegens hetgeen gij hebt verricht. 20. Leunende op in orde geschikte zetels. Wij zullen hen maagden met groote, zwarte oogen doen huwen. 21. En bij hen, die gelooven, en wier nakomelingschap hen in het geloof volgt, zullen wij hunne nakomelingschap in het paradijs voegen. Wij zullen niets van de verdienste hunner werken verminderen. (Ieder mensch strekt tot gijzelaar, voor hetgeen hij zal hebben verricht) [2039]. 22. En wij zullen hun vruchten in overvloed geven, en vleesch van de soorten welke zij zullen begeeren. 23. Daar zulllen zij elkander een beker aanbieden, waardoor geen ijdel gesprek, of zonde zal worden uitgelokt. 24. En kinderen, aangewezen om hem te bedienen, zullen rondgaan, schoon als paarlen in hare schelpen verborgen. 25. En zij zullen elkander naderen en wederkeerig vragen doen. 26. En zij zullen zeggen: Waarlijk wij verkeerden vroeger, te midden van ons gezin, in groote vrees, nopens onzen staat na den dood. 27. Maar God is ons genadig geweest, en heeft ons van de pijn van het brandende vuur verlost. 28. Wij riepen hem vroeger aan, en hij is goed en barmhartig. 29. Derhalve, o profeet! vermaan gij uw volk. Gij zijt door de genade van uwen Heer noch een waarzegger, noch een bezetene. 30. Zeggen zij: Hij is een dichter; wij verwachten, dat hij door een of anderen tegenspoed zal worden getroffen. 31. Zeg: Wacht gij mijn ongeluk? Waarlijk, ik wacht, met u, den tijd uwer verdelging [2040]. 32. Doet hun onontwikkeld verstand hun dit zeggen, of zijn zij verdorven zondaren? 33. Zeggen zij: Hij heeft den Koran verzonnen? Waarlijk, zij gelooven niet. 34. Laat hen een gesprek toonen gelijk dit, indien zij de waarheid spreken. 35. Werden zij door niets geschapen, of waren zij hunne eigene scheppers? 36. Schiepen zij de hemelen en de aarde? Waarlijk, zij zijn niet vast overtuigd, dat God hen heeft geschapen [2041]. 37. Zijn de schatten van hunnen Heer in hunne handen? Zijn zij de opperste uitdeelers van alle dingen? 38. Hebben zij eene ladder, waardoor zij naar den hemel kunnen opstijgen, en de gesprekken der engelen hooren? Laat dus een, die deze heeft gehoord, een duidelijk bewijs daarvoor aanwijzen. 39. Heeft God dochters en hebt gij zonen [2042]? 40. Vraagt gij hun eene belooning voor uwe prediking? Maar zij zijn met schulden beladen. 41. Zijn de geheimen der toekomst hun bekend, en schrijven zij die van de tafel van Gods besluiten over? 42. Trachten zij u een valstrik te spannen? Maar de ongeloovigen zijn het, die verschalkt zullen worden [2043]. 43. Hebben zij een god buiten God? God zij verre verheven boven de afgoden, welke zij met Hem vereenigen! 44. Indien zij een deel van den hemel op zich zagen nedervallen. Zouden zij zeggen: het is slechts eene dikke wolk [2044]. 45. Daarom verlaat hen, tot zij aan hunnen dag zullen zijn gekomen, waarop zij, uit vrees, in zwijm zullen vallen [2045]. 46. Een dag, waarop hunne doortrapte verzinsels hun volstrekt niet zullen baten en zij niet ondersteund zullen worden. 47. En zij, die onrechtvaardig handelen, zullen zekerlijk eene andere straf buiten deze ondergaan [2046]; maar het meerendeel hunner begrijpt niet. 48. Wacht geduldig het oordeel van uwen Heer nopens hen af; want gij zijt onder onze oogen. Verkondig den lof van uwen Heer als gij opstaat. 49. En prijs hem des nachts en als de sterren beginnen te verdwijnen.

DRIE EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

DE STER.

Geopenbaard te Mekka.--62 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ik zweer bij de ster [2047] als zij ondergaat. 2. Uw makker Mahomet dwaalt niet, en hij is niet afgeleid. 3. Evenmin als hij door zijn eigen wil spreekt. 4. Het is niets anders dan eene openbaring die hem gedaan werd. 5. Een die machtig is in macht, een met verstand begaafd. 6. Leerde het hem [2048] en hij verscheen [2049]. 7. In het hoogste gedeelte van den gezichteinder. 8. Daarna naderde hij den profeet en kwam immer nader tot hem [2050]. 9. Tot hij op twee ellebogen afstands van hem, of nog nader was. 10. En hij openbaarde zijn dienaar, wat deze openbaarde. 11. Het hart van Mahomet stelde datgene wat hij gezien had, niet valschelijk voor [2051]. 12. Wilt gij dus met hem twisten, nopens hetgeen hij zag? 13. Hij zag hem ook op een anderen tijd. 14. Bij den lotus-boom, naast welken geen doorgang is [2052]. 15. Het is nabij den tuin van eeuwig verblijf. 16. Toen de lotus-boom bedekte, datgene wat bedekt is [2053]. 17. Wendde zijn oog zich niet af, en dwaalde evenmin. 18. En hij aanschouwde werkelijk sommige der grootste teekenen van zijn Heer [2054]. 19. Wat denkt gij van El-Lat, en al Ozza. 20. En Menat, die andere, derde godin? [2055]. 21. Hebt gij mannelijke kinderen, en God vrouwelijke? [2056]. 22. Dit is dan eene onrechtvaardige verdeeling. 23. Het zijn slechts ijdele namen, welke gij en uwe vaderen godheden hebt genoemd. God heeft nopens hen niets geopenbaard, wat hunne vereering wettigt. Zij volgen slechts eene ijdele meening en wat hunne zielen begeeren; en toch is de ware richting van hunnen Heer tot hen gekomen. 24. Zal de mensch alles hebben, waarnaar hij wenscht [2057]? 25. Dit en het volgende leven zijn Gods eigendom. 26. En hoeveel engelen er ook in den hemel mogen zijn, hunne tusschenkomst zal niets baten. 27. Tot God verlof zal hebben verleend, aan wien hem zal behagen, en zich zijner zal aannemen. 28. Waarlijk, zij die niet in het volgende leven gelooven, beweren dat de engelen vrouwen zijn. 29. Doch zij hebben geene kennis daarvan; zij volgen slechts eene bloote meening; en eene bloote meening vervangt geen ding van waarheid. 30. Wend u dus van hem af, die zich van onze vermaningen afwendt, en alleen naar het tegenwoordige leven haakt. 31. Dit is hunne hoogste trap van kennis. Waarlijk, uw Heer kent hem wel, die van zijnen weg afdwaalt, en hij kent dengeen wel, die op den rechten weg is geleid. 32. Aan God behoort alles, wat zich in den hemel en op de aarde bevindt; hij zal hen vergelden die kwaad verrichten, overeenkomstig datgene wat zij zullen hebben bedreven, en hij zal hen beloonen die goed doen, met de uitmuntendste belooning. 33. Wat hen betreft, die groote misdaden en hatelijke zonden vermijden en alleen lichtere feilen begaan, waarlijk, hun Heer zal hun ruime genade verleenen. Hij kende u wel, toen hij u uit de aarde voortbracht, en toen gij vruchten in uw moeders schoot waart. Rechtvaardigt u zelven dus niet; hij kent het best den mensch die hem vreest. 34. Wat denkt gij van hem, die zich van den weg der waarheid afwendt. 35. En weinig geeft en begeerlijk zijne hand ophoudt [2058]? 36. Is de kennis der toekomst met hem, zoodra hij die ziet [2059]? 37. Is hij niet onderricht van datgene, wat in de boeken van Mozes is bevat. 38. En van Abraham, die zijn verbintenissen godvruchtig volbracht? 39. Te weten: dat eene belaste ziel niet den last van eene andere zal dragen. 40. En dat den mensch, die rechtvaardig is, niets zal worden opgelegd, behalve zijn eigen arbeid. 41. Dat zijn arbeid hiernamaals zekerlijk naar waarde zal worden geschat. 42. En dat hij daarvoor met de meest overvloedige belooning zal worden beschonken. 43. Dat het einde van alle dingen bij den Heer zal wezen. 44. Dat hij doet lachen en doet weenen. 45. Dat hij dood en leven geeft. 46. Dat hij de beide kunnen: de mannelijke en de vrouwelijke, schiep. 47. Van zaad als het uitgeworpen is. 48. Dat hem eene andere voortbrenging behoort, namelijk de wederopwekking hiernamaals, van den dood ten leven. 49. En dat hij verrijkt, en bezittingen doet verkrijgen. 50. Dat hij den Heer van het hondsgesternte is [2060]. 51. Dat hij den ouden stam van Ad verwoestte. 52. En Thamoed; en niet een van hen liet leven. 53. Als ook het volk van Noach, vÛÛr hen: want zij waren ten hoogste onrechtvaardig en zondig. 54. En de straf des hemels bedekte haar. 55. En de omvergeworpen steden, heeft hij ten onderst boven gekeerd. [2061] 56. Welke der voordeelen van uwen Heer, o mensch! zult gij in twijfel trekken? 57. Deze gezant is een prediker, evenals de predikers, die hem voorafgingen. 58. De dag des oordeels komt nader; er is niemand, die daarvan den juisten tijd kan bepalen, behalve God. 59. Verwondert gij u dus over deze nieuwe openbaring? 60. En lacht gij, in plaats van te weenen? 61. Terwijl gij uw tijd in ijdele uitspanningen doorbrengt. 62. Vereert veeleer God en dient hem.

VIER EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

DE MAAN.

Geopenbaard te Mekka.--55 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Het uur des oordeels nadert en de maan is gespleten [2062]. 2. Maar als de ongeloovigen een teeken zien, wenden zij zich af, zeggende: dit is eene machtige betoovering. 3. En zij beschuldigen u, o Mahomet! van bedrog, en volgen hunne eigene lusten: maar ieder ding zal onveranderlijk bepaald wezen. 4. En nu is eene zending tot hen gekomen, waarin eene afschrikking voor hardnekkig ongeloof ligt opgesloten. 5. Deze wijsheid is volkomen; maar waarschuwers helpen bij hen niet. 6. Wend u dus van hen af! Den dag waarop de dagvaardende engel den mensch tot eene verschrikkelijke zaak zal oproepen [2063]. 7. Zullen zij met nedergeslagen blikken uit hunne graven komen, talrijk, als verspreide sprinkhanen. 8. Zich met schrik naar den dagvaarder spoedende. De ongeloovigen zullen zeggen: Dit is een dag van droefheid. 9. Het volk van Noach beschuldigde dien profeet, alvorens uw volk u verwierp, het beschuldigde onzen dienaar van bedrog; zeggende: Hij is een bezetene, en hij werd met verwijtingen verworpen. 10. Hij riep daarom zijn Heer aan, zeggende: Waarlijk, ik ben overweldigd: wreek mij dus [2064]. 11. Daarop openden wij de poorten des hemels, waaruit het water stroomde. 12. Wij deden de aarde waterstralen uitwerpen, zoodat het water van hemel en aarde zich vereenigde, overeenkomstig het vastgestelde besluit. 13. Wij droegen hem, op een schip, uit planken en spijkers samengesteld. 14. Dat zich voor onze oogen voortbewoog, als eene belooning voor hem, die ondankbaar was verworpen. 15. Wij lieten dat schip tot een teeken dienen. Maar is iemand daardoor gewaarschuwd? 16. En hoe gestreng was mijne wraak en mijne bedreiging! 17, Nu hebben wij den Koran gemakkelijk tot eene waarschuwing gemaakt; maar is iemand daardoor gewaarschuwd? 18. De stam van Ad beschuldigde hunnen profeet van bedrog; maar hoe ernstig was mijne wraak en mijne bedreiging! 19. Waarlijk, wij zonden, op een dag van voortdurend ongeluk [2065] een brullenden [2066] wind tegen hen. 20. Die de menschen wegvoerde, als waren zij met kracht uitgescheurde wortels van palmboomen [2067]. 21. En hoe ernstig was mijne wraak en mijne bedreiging! 22. Thans hebben wij den Koran gemakkelijk ter waarschuwing gemaakt; maar is iemand daardoor gewaarschuwd? 23. Die van Thamoed beschuldigden de vermaningen van hunnen profeet van valschheid. 24. En zij zeiden: Zullen wij een enkel man als wij, onder ons volgen? Waarlijk, wij zouden aan dwaling en ongerijmde dwaasheid schuldig zijn. 25. Zou de taak van waarschuwing hem, boven het overige gedeelte van ons, opgedragen zijn? Neen, hij is een leugenaar en een onbeschaamde bedrieger. 26. Maar God zeide tot Saleh [2068]: Morgen zullen zij weten wie een leugenaar en een onbeschaamde is; 27. Want wij zullen zekerlijk de wijfjes-kameel zenden, om hen te beproeven [2069]; en gij, sla hen gade, en verdraag hunne beleedigingen met geduld. 28. Voorspel hun, dat het water der putten tusschen hen zal worden verdeeld [2070], en ieder deel zal beurtelings nedergezet worden. 29. Zij riepen hunnen makker [2071], en hij nam een zwaard en doodde haar, 30. Maar hoe ernstig was mijne wraak en mijne bedreiging! 31. Want wij zonden hun een enkelen kreet van den engel GabriÎl te gemoet, en zij werden als de droge stokken, die gebruikt worden door dengeen, welke een kooi voor het vee bouwt [2072]. 32. En thans hebben wij den Koran gemakkelijk ter waarschuwing gemaakt; maar is iemand daardoor gewaarschuwd? 33. Het volk van Lot beschuldigde zijne prediking van valschheid. 34. Maar wij zonden een wind tegen hen, die eene regenbui van steenen voortdreef, welke hen allen verdelgde, behalve het gezin van Lot, dat wij vroeg in den ochtend bevrijdden. 35. Dit was door onze gunst. Zoo beloonen wij hen, die dankbaar zijn. 36. En Lot had hen gewaarschuwd voor onze gestrenge kastijding; maar zij twijfelden aan die waarschuwing. 37. Zij eischten zijne gasten, opdat zij hen zouden misbruiken; maar wij staken hunne oogen uit [2073], zeggende: Proeft mijne wraak en mijne bedreiging. 38. En vroeg in den ochtend verraste hen eene zware straf [2074]. 39. Proeft dus mijne wraak en mijne bedreiging. 40. Thans hebben wij den Koran gemakkelijk ter waarschuwing, gemaakt; maar is iemand daardoor gewaarschuwd? 41. De vermaning van Mozes kwam mede tot het volk van Pharao, 42. Maar zij beschuldigden al onze teekenen van bedrog; daarom kastijdden wij hem met eene machtige en onwederstaanbare kastijding. 43. O bewoners van Mekka! zijn uwe ongeloovigen beter dan deze? Is u in de schriften vrijstelling van straf beloofd? 44. Zeggen zij: wij vormen een lichaam van menschen, die in staat zijn onze vijanden te bemeesteren? 45. De menigte zal zekerlijk op de vlucht worden gejaagd en zij zullen hunne ruggen omkeeren [2075]. 46. Maar het uur des oordeels is hun bedreigde straftijd, en dat uur zal droeviger en bitterder zijn, dan hunne droefheden in dit leven. 47. Waarlijk, de zondaar doolt in dwaling rond, en zal hier namaals in brandende vlammen worden gemarteld. 48. Op dien dag zullen zij met hunne aangezichten in het vuur worden geworpen, en men zal hun zeggen: Proeft de aanraking der hel. 49. Alle dingen hebben wij geschapen, aan een bepaald besluit gebonden. 50. En ons bevel bestaat slechts in een enkel woord [2076], aan een oogwenk gelijk. 51. Wij hebben vroeger volken verdelgd, die u gelijk waren; maar is iemand uwer door hun voorbeeld gewaarschuwd? 52. Alles wat gij doet, is in het boek vermeld, dat door de wakende engelen wordt bewaard. 53. Elke daad, klein of groot, is op de welbewaarde tafel nedergeschreven. 54. De vromen zullen echter te midden van tuinen en meren wonen. 55. In de vergadering der waarheid, in tegenwoordigheid van den machtigsten koning.

VIJF EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

DE BARMHARTIGE.

Geopenbaard te Mekka. [2077]--78 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. De Barmhartige heeft zijn dienaar in den Koran onderwezen. 2. Hij schiep den mensch. 3. Hij heeft hem eene duidelijke spraak geleerd. 4. De zon en de maan leggen haren loop af, overeenkomstig eene zekere wet. 5. En de planten, die over den grond kruipen, en de boomen zijn aan zijne beschikking onderworpen. 6. Hij verhief den hemel, en stelde de weegschaal vast. 7. Opdat gij niet zoudt zondigen tegen het gewicht. 8. Weeg dus juist, en verminder het gewicht niet. 9. En hij heeft de aarde voor levende schepselen ingericht. 10. Daarop zijn verschillende vruchten en palmboomen, die bloemtrossen dragen. 11. En graan dat kaf en bladeren heeft. 12. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen [2078]? 13. Hij schiep den mensch van gedroogde klei, als een aarden vaatwerk. 14. Maar hij schiep de geniussen van vuur, dat rein van rook was. 15. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 16. Hij is de Heer van het Oosten; 17. En de Heer van het Westen [2079]. 18. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 19. Hij heeft de beide zeeÎn gescheiden [2080]. 20. Opdat zij elkander zouden ontmoeten; tusschen haar is eene afscheiding geplaatst, welke zij niet kunnen overschrijden. 21. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 22. Zij beide leveren paarlen en koraal op. 23. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 24. Hem behooren ook de schepen, die, als bergen, de zee doorklieven. 25. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 26. Ieder schepsel dat op de aarde leeft, is aan de vergankelijkheid onderworpen. 27. Maar het glorierijke en heerlijke aangezicht van uwen Heer zal eeuwig blijven. 28. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 29. Aan hem richten alle schepselen, die in den hemel en op aarde zijn, verzoeken; iederen dag is hij met een nieuw werk bezig [2081]. 30. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 31. Wij zullen u zekerlijk op den jongsten dag wachten, om u te richten, o geniussen en menschen! 32. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 33. O gij, vereeniging van geniussen en menschen! indien gij in staat zijt, de grenzen van den hemel en de aarde te overschrijden [2082], doe het; maar gij zult het niet, dan door eene volstrekte macht doen. 34. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 35. Een vuurvlam zonder rook, en een rook zonder vlam zullen op u worden nedergezonden, en gij zult niet in staat zijn, u daartegen te beschutten. 36. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 37. En als de hemel gespleten wordt, en zich rood als eene roos of als eene roodgeverfde huid zal vertoonen. 38. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 39. Op dien dag zal mensch noch genius nopens zijne zonde worden ondervraagd [2083]. 40. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 41. De zondaren zullen door hunne werken worden herkend, en zij zullen van voren bij hunne lokken en bij hunne voeten gegrepen, en in de hel geworpen worden. 42. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 43. Dit is de hel, welke de zondaren als eene valschheid loochenen. 44. Zij zullen daar, tusschen vlammen en kokend water, op- en nedergaan [2084]. 45. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 46. Maar voor hem, die de rechtbank zijns Heeren vreest, zijn twee tuinen gemaakt [2085]. 47. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 48. Met schaduwrijke boomen beplant. 49. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 50. In elken daarvan zullen twee fonteinen stroomen. 51. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 52. In elken van hen zullen twee soorten van elke vrucht zijn [2086]. 53. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 54. Zij zullen op zetels rusten, waarvan de leuningen zullen gevormd zijn van zijde met goud doorweven, en de vrucht zal dicht bij de hand zijn, om verzameld te worden. 55. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 56. Daar zullen zij door schoone maagden worden ontvangen, die hare oogen van ieder, behalve van hare echtgenooten, zullen afwenden; die nimmer vÛÛr hen, door een man of een genius zijn aangeraakt. 57. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 58. Hebbende huiden als robijnen en paarlen. 59. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 60. Waardoor zou het goede anders dan door het goede beloond worden? 61. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 62. En naast deze, zullen twee anderen tuinen zijn. 63. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 64. Van donker groen. 65. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 66. In elken daarvan zullen twee fonteinen een overvloed van water doen uitstroomen. 67. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 68. In elken van dezen zullen vruchten, palmboomen en granaatappelen zijn. 69. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 70. Daarin zullen liefelijke en schoone maagden zijn. 71. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 72. Hebbende schoone, zwarte oogen, en door pavilloenen voor het oog verborgen. 73. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 74. Welke vÛÛr de haar bestemde echtgenooten, door man noch genius, zijn aangeraakt. 75. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 76. Daar zullen zij zich vermaken, liggende op groene kussens en prachtige tapijten. 77. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 78. Geloofd zij de naam van uwen Heer, die met glans en eer is omgeven.

ZES EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

DE ONVERMIJDELIJKE.

Geopenbaard te Mekka.--96 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.