Part 50
1. Ha. Mim. Bij het duidelijke boek, 2. Waarlijk, wij hebben dit als een Arabischen Koran bevolen, opdat gij dien zoudt begrijpen. 3. En het is zekerlijk in het oorspronkelijke boek [1919] geschreven, dat door ons bewaard, heerlijk en vol van wijsheid is. 4. Zullen wij dus de vermaning van u afwenden en u daarvan berooven, omdat gij een volk van overtreders zijt? 5. Hoeveel profeten hebben wij tot de vroegere volkeren gezonden? 6. En er kwam geen profeet tot hen, of zij lachten verachtelijk, 7. Daarom vernietigden wij volkeren die machtiger dan deze in sterkte waren, en het voorbeeld der vroegere volkeren is voor hen geplaatst. 8. Indien gij hun vraagt wie de hemelen, en de aarde schiep, zullen zij zekerlijk antwoorden: De machtige, de wijze God schiep die. 9. Wie heeft de aarde als een bed voor u uitgespreid, en heeft daarop paden voor u gemaakt, opdat gij geleid zoudt worden? 10. En wie zendt den regen bij mate neder waardoor wij een dood land verkwikken? (Zoo zult gij uit uwe graven worden opgewekt). 11. En wie heeft al de verschillende dingen geschapen, en u schepen en vee gegeven? 12. Waardoor gij vervoerd wordt, opdat gij stevig op hunne ruggen zoudt zitten, en de gunst van uwen Heer zoudt gedenken, als gij daarop zit, en zeggen zoudt: Geloofd zij hij, die deze schepen en dieren aan onzen dienst heeft onderworpen! want wij zouden die door eigene macht niet hebben kunnen bemeesteren. 13. En tot onzen Heer zullen wij zekerlijk terugkeeren. 14. Toch hebben zij sommige zijner dienaren als zijne kinderen gehouden; waarlijk de mensch is klaarblijkelijk ondankbaar. 15. Heeft God dochters genomen uit de wezens, die hij heeft geschapen, en heeft hij zonen uit u gekozen? 16. Maar als aan een van hen het bericht wordt gebracht der geboorte van een kind dier kunne, welke zij den Barmhartige als hem gelijk toeschrijven, dan wordt zijn aangezicht zwart en hij is met spijt vervuld [1920]. 17. Schrijven zij daarom aan God eene vrouwelijke nakomelingschap toe, uit de wezens die onder versierselen worden opgevoed en zonder reden twisten? 18. En maken zij de engelen, die de dienaren des Barmhartigen zijn vrouwelijk? Waren zij bij hunne schepping tegenwoordig? Hunne getuigenis zal nedergeschreven worden, en zij zullen daaromtrent op den dag des oordeels ondervraagd worden. 19. En zij zeggen: Indien het Gode had behaagd, zouden wij hen niet hebben vereerd. Zij hebben geene kennis daarvan, zij spreken slechts eene ijdele leugen uit. 20. Hebben wij hun ooit te voren een boek met openbaringen vÛÛr dit gegeven, en houden zij dat in hunne bewaring? 21. Neen! Maar zij zeggen: Waarlijk, wij bevonden dat onze vaderen dezen godsdienst uitoefenden, en wij richten ons naar hunne voetstappen. 22. Wij zouden geen prediker voor u, naar geene stad, of de bewoners daarvan, die in overvloed leefden, zeiden: Waarlijk, wij bevonden dat onze vaderen eenen godsdienst uitoefenden, en wij traden in hunne voetstappen. 23. En de prediker antwoordde: Wat! niettegenstaande ik u eenen meer waren godsdienst breng, dan die welken gij bevondt dat door uwe vaderen werd gevolgd? En zij hernamen: Waarlijk, wij gelooven datgene niet, wat gij gezonden zijt te prediken. 24. Daarom namen wij wraak op hen; en aanschouw wat het einde was van hen, die onze gezanten van bedrog beschuldigden. 25. Herdenk toen Abraham tot zijn vader en tot zijn volk zeide: Waarlijk ik ben rein van de goden welke gij vereert. 26. Ik aanbid slechts hem die mij heeft geschapen: voor hem zal ik mij op den waren weg richten. 27. En hij (Abraham) beval, dat dit een vaste leer voor zijn nakomelingschap zou wezen, opdat zij van den afgodendienst zouden worden afgewend, naar de vereering van den eenigen, waren God. 28. Waarlijk, ik heb dezen bewoners van Mekka en hunnen vaderen veroorloofd in voorspoed te leven, tot de waarheid tot hen zou komen en een duidelijke gezant. 29. Maar nu de waarheid tot hen is gekomen, zeggen zij: Dit is een goochelstuk, en wij gelooven niet daaraan. 30. En zij zeggen: Indien deze Koran aan sommige voorname menschen van elke der beide steden [1921] ware nedergezonden, zouden wij dien hebben ontvangen. 31. Deelen zij dan de genade van uwen Heer uit [1922]. Wij verdeelen den noodigen voorraad onder hen, in dit tegenwoordige leven, en wij verheffen sommigen van hen, eenige graden boven de anderen, opdat de een van hen zich door den ander van hen doe dienen, en de genade van uwen Heer is meer waard dan de rijkdommen welke zij bijeenverzamelen. 32. Indien het niet ware, geheel het menschelijk geslacht ongeloovigen te zien worden, waarlijk, dan hadden wij aan hen, die niet in den Barmhartige gelooven, zilveren daken op hunne huizen gegeven, en zilveren trappen, waardoor zij daarin hadden kunnen opklimmen; 33. En zilveren zetels om er op te leunen. 34. En gouden versiersels; want dit alles is de voorraad van dit leven; maar het volgende leven met uwen Heer zal voor degenen wezen, die hem vreezen. 35. Wie van de vermaning van den Barmhartige zal afdwalen, zullen wij aan een duivel vastketenen, en hij zal zijn onafscheidelijke makker wezen. 36. De duivels zullen de menschen van het pad der waarheid afwenden, en zij zullen zich verbeelden, op den waren weg te zijn geleid. 37. Totdat, wanneer de mensch op den jongsten dag voor ons zal verschijnen, hij tot den duivel zal zeggen [1923]: Had God gegeven, dat er tusschen ons een afstand ware geweest, als van het Oosten tot het Westen! O welk een vreeselijke makker zijt gij! 38. Maar geene wenschen zullen u op dien dag baten; want gij zult deelgenooten derzelfde straf zijn. 39. Kunt gij, o profeet! den doove hoorend maken, of den blinde richten, en hem, die in eene duidelijke dwaling verkeert? 40. Hetzij wij u uit hun midden wegnemen, wij zullen zekerlijk wraak op hen nemen. 41. Of hetzij wij u de uitvoering der straf doen zien, waarmede wij hen hebben bedreigd, wij zullen zekerlijk de overmacht over hen hebben. 42. Houdt dus de leer vast, die u werd geopenbaard; want gij bewandelt den waren weg. 43. Zij is een gedenkteeken voor u en uw volk, en hierna zult gij ondervraagd worden, nopens de inachtneming daarvan. 44. Ondervraag onze gezanten, welke wij vÛÛr u hebben gezonden [1924], of wij godheden, buiten den Barmhartige, ter vereering hebben aangewezen. 45. Wij zonden vroeger Mozes met zijn teekenen tot Pharao en diens vorsten, en hij zeide: Waarlijk, ik ben de gezant van den Heer van alle schepselen. 46. En toen hij met onze teekenen tot hen kwam, ziet, toen lachten zij verachtelijk om hem. 47. Wij toonden hun echter teekenen waarvan het eene grooter dan het andere was, en wij legden hun eene straf op [1925], opdat zij wellicht zouden worden bekeerd. 48. En zij zeiden tot Mozes: O toovenaar! bid uwen Heer voor ons, overeenkomstig het verbond, dat hij met u heeft gesloten; want wij zullen zekerlijk goed geleid worden. 49. Maar toen wij de plaag van hen afnamen, ziet, toen braken zij hunne belofte. 50. En Pharao richtte eene bekendmaking tot zijn volk, zeggende: O mijn volk! is het koninkrijk Egypte niet mijn, en deze rivieren [1926], die onder mij stroomen? Ziet gij niet? 51. Ben ik niet beter dan deze Mozes, die een verachtelijk persoon is, 52. En zich slechts zelden verstaanbaar kan uitdrukken [1927]. 53. Zijn hem dan gouden armbanden gegeven [1928], of volgen de engelen hem in geregelden optocht? 54. En Pharao haalde zijn volk tot een lichtvaardig gedrag over, en het gehoorzaamde hem; want zij waren zondaren. 55. En toen zij onze woede hadden uitgelokt, namen wij wraak op hen en wij verdronken hen allen. 56. Wij maakten hen tot een voorbeeld, en eene waarschuwing voor anderen. 57. Toen de zoon van Maria als een voorbeeld werd gesteld, ziet, toen schreeuwde uw volk het, door overmaat van vreugde, uit [1929]. 58. Zij zeiden: Zijn onze goden beter dan hij, of is Maria's zoon beter dan onze goden? Zij hebben u deze vraag slechts voorgesteld, als eene aanleiding tot twist. Ja, zij zijn twistgierige menschen. 59. Jezus is slechts een dienaar (een mensch), dien wij met onze gunsten overlaadden, en wij wezen hem als een voorbeeld voor de kinderen IsraÎls aan, 60. (Indien het ons behaagde, ja, waarlijk, dan konden wij uit u zelven engelen voortbrengen, om u op de aarde op te volgen). 61. En hij zal een teeken zijn van de nadering van het jongste uur [1930]; twijfelt er dus niet aan; volgt mij; dit is de ware weg. 62. Laat Satan er u niet van afwenden; want hij is uw openlijke vijand. 63. En toen Jezus met duidelijke wonderen kwam, zeide hij: Thans ben ik met wijsheid tot u gekomen, en om u een deel te verklaren van de dingen, nopens welke gij verschilt. Vreest dus God en gehoorzaamt mij. 64. Waarlijk God is mijn Heer, en uw Heer; vereert hem dus; dit is de ware weg. 65. En de verschillende partijen onder hen geraakten in twist met elkander [1931]. Maar wee over hen, die onrechtvaardig hebben gehandeld, om de straf van een droevigen dag. 66. Verwachten de ongeloovigen iets anders dan het uur des oordeels; dat het plotseling tot hen moge komen, terwijl zij het niet voorzien? 67. De vertrouwdste vrienden zullen op dien dag elkanders vijanden zijn, behalve de godvruchtigen. 68. O mijne dienaren! er zal op dien dag geene vrees tot u komen, en gij zult niet bedroefd worden. 69. Wie in onze teekenen hebben geloofd en aan mijn wil onderworpen (Moslems) zijn geweest, tot hen zal men zeggen: 70. Treedt gij het paradijs binnen, gij en uwe vrouwen, met groote vreugde. 71. Gouden schotels zullen onder hen worden rondgedragen en bekers, en daaruit zullen zij genieten, wat hunne zielen zullen begeeren, en waarin hunne oogen vermaak zullen scheppen, en eeuwig zult gij daarin verblijven. 72. Dit is het paradijs, dat gij geÎrfd hebt, als eene belooning voor hetgeen gij hebt verricht. 73. Gij hebt daar vruchten in overvloed, voedt u daarmede. 74. Maar de zondaren zullen voor eeuwig in de marteling der hel verblijven. 75. Zij zal voor hen niet verlicht worden, en zij zullen daarin vertwijfelen. 76. Wij handelden niet onrechtvaardig met hunne eigene zielen, maar zij zelven. 77. Zij zullen luid roepen, zeggende: O Malek! [1932] treedt voor ons tusschen beiden, opdat uw Heer onze marteling door vernietiging doe eindigen. Hij zal antwoorden [1933]: Waarlijk, gij zult voor eeuwig hierin verblijven. 78. Wij brachten u vroeger de waarheid, maar het meerendeel uwer hadden er afschuw van. 79. Hebben de ongeloovigen een stelsel opgemaakt, om onzen profeet te verschalken? 80. Verbeelden zij zich, dat wij hunne geheimen en hunne gesprekken niet hooren? Ja, en onze gezanten, die hen volgen [1934], schrijven die neder. 81. Zeg: Indien de Barmhartige een zoon had, zou ik de eerste zijn, die hem vereerde. 82. Verre zij het van den Heer van hemel en aarde, den Heer des troons, datgene wat zij van hem betuigen! 83. Laat hen dus door ijdelheid waden, en zich vermaken, tot zij aan hunnen dag komen, waarmede zij werden bedreigd. 84. Hij, die de God in den hemel is, is ook God op aarde, en hij is de Wijze, de Alwetende. 85. Gezegend zij hij, wien het koninkrijk van hemel en aarde behoort en alles wat daartusschen is, met wien de kennis van het laatste uur is, en voor wien gij zult worden verzameld. 86. Degenen, welke zij nevens God aanroepen, hebben het voorrecht niet, anderen tot voorspraak te strekken, behalve zij, die getuigenis der waarheid afleggen en haar kennen [1935]. 87. Indien gij hun vraagt, wie hen heeft geschapen, zullen zij zekerlijk antwoorden: God. Waarom zijn zij dus tot de vereering van anderen afgewend? 88. God hoorde ook, toen de profeet zeide: O Heer! waarlijk, deze zijn ongeloovigen, en hij antwoordde: 89. Wend dus van hen af en zeg: Vrede [1936]!--Hierna zullen zij hunne dwaling kennen.
VIER EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
DE ROOK [1937].
Geopenbaard te Mekka. [1938]--59 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Ha. Mim. Bij het doorzichtige boek van den Koran. 2. Waarlijk wij hebben dit in eenen gezegenden nacht [1939] nedergezonden: want wij hadden ons verbonden zoo te handelen. 3. In den nacht waarin, gij duidelijke wijze, het besluit van ieder bepaald ding is nedergezonden [1940]. 4. Als een bevel van ons. Waarlijk wij waren immer gewoon, gezanten met openbaringen, met zeker tusschenpoozen te zenden. 5. Als bewijs der genade van uwen Heer; want hij is het die alles hoort en ziet. 6. De Heer van hemel en aarde en van alles wat daar tusschen is; indien gij menschen van vast geloof zijt. 7. Er is geen God buiten hem: hij geeft leven en hij doet sterven; hij is uw Heer en de Heer uwer voorvaderen. 8. Thans vermaken zij zich door te twijfelen. 9. Maar sla hen gade, op den dag dat de hemel een zichtbaren rook zal voortbrengen. 10. Die den mensch zal bedekken [1941]. Dit zal eene martelende plaag wezen. 11. Zij zullen zeggen: O Heer! neem deze plaag van ons af; waarlijk wij zullen ware geloovigen worden. 12. Wat heeft onze vermaning hen in dezen toestand gebaat, toen een duidelijke gezant tot hen kwam. 13. En zij zich van hem verwijderden, zeggende: Deze man is door anderen onderricht [1942], of hij is een uitzinnig mensch. 14. Indien wij de plaag eenigermate van u afnemen, zult gij zekerlijk tot uwe ongetrouwheid terugkeeren. 15. Op den dag waarop wij hen fel en met groote macht zullen aanvallen [1943], waarlijk, dan zullen wij wraak op hen nemen. 16. Wij beproefden het volk van Pharao vÛÛr hen, en een achtingswaardige gezant kwam tot hen. 17. Zeggende: Zendt de dienaren van God tot mij [1944], waarlijk, ik ben een verzoenend zendeling voor u. 18. En staat niet op tegen God, want ik kom met eene duidelijke macht tot u. 19. Ik zoek eene schuilplaats bij mijn Heer en uw Heer, opdat gij mij niet steenigt [1945]. 20. Indien gij mij niet gelooft, scheidt dan voor het minst van mij [1946]. 21. En toen zij hem van bedrog beschuldigden, riep hij zijn Heer aan, zeggende: Dit is een zondig volk. 22. En God zeide tot hem: Trek des nachts met mijne dienaren voort; want gij zult vervolgd worden, en laat de zee gespleten achter u, opdat de Egyptenaren er in gaan. 23. Want zij vormen eene schaar, gedoemd om verdronken te worden. 24. Hoe vele tuinen en fonteinen. 25. En bezaaide korenvelden en schoone woningen. 26. En voordeelen welke gij geniet, lieten zij niet achter zich? 27. Zoo ontnamen wij hun het bezit daarvan, en wij gaven het, als eene erfenis, aan een ander volk [1947]. 28. Hemel noch aarde hebben om hen geweend [1948]; en zij verkregen geen uitstel. 29. Wij bevrijdden de kinderen IsraÎls van eene schandelijke mishandeling. 30. Van Pharao; want hij was hoovaardig en een zondaar. 31. Wij kozen hen, voorbedachtelijk, boven alle volkeren. 32. Wij toonden hun verschillende teekenen, waarin een duidelijke proef was gelegen. 33. Waarlijk deze bewoners van Mekka (ongeloovigen) zeggen: 34. Zekerlijk zal ons bepaald einde geen ander dan onze eerste, natuurlijke dood wezen; nimmer zullen wij weder worden opgewekt. 35. Breng dan onze voorvaderen tot het leven terug, indien gij de waarheid spreekt. 36. Zijn zij beter of het volk van Tobba [1949]. 37. En zij die vÛÛr hen bestonden? Wij verdelgden hen, omdat zij zonden bedreven. 38. Wij hebben de hemelen en de aarde, en alles wat daar tusschen is, niet geschapen, bij wijze van uitspanning. 39. Wij hebben die in waarheid (ernst) geschapen [1950]; maar het grootste deel hunner begrijpt het niet. 40. Waarlijk, de dag der scheiding zal de bepaalde tijd van hen allen wezen. 41. Een dag, waarop de meester en de dienaren elkander niet van voordeel zullen wezen, en niet geholpen zullen worden. 42. Uitgezonderd zij, aan welke God genade zal verleend hebben: want hij is de Machtige, de Genadige. 43. Waarlijk, de vrucht van den boom van al Zakkoem. 44. Zal het voedsel van den goddelooze wezen [1951]. 45. Als de droesem van olie, zal het in de buiken der verdoemde koken (als gesmolten metaal). 46. Zooals het koken, van het heetste water. 47. Men zal tot de volvoerders van Gods wil zeggen: Grijpt den snoodaard en sleept hem naar het midden der hel. 48. En werpt op zijn hoofd de marteling van heet water; 49. Zeggende: Proef dit; want gij zijt de machtige en eerbiedwaardige persoon. 50. Waarlijk, dit is de straf waaraan gij twijfeldet. 51. Maar de vromen zullen op eene plaats van zekerheid worden gehuisvest. 52. Tusschen tuinen en fonteinen. 53. Zij zullen gekleed worden in fijne zijde en satijn, en zij zullen met de aangezichten tegenover elkander zitten. 54. Zoo zal het wezen, en zij zullen huwen, met schoone meisjes, die groote, zwarte oogen hebben. 55. Op die plaats zullen zij, in volle zekerheid, zich alle soorten van vruchten doen toedienen. 56. Zij zullen daar den dood niet proeven na den eersten dood, en God zal hen van de hellepijnen bevrijden. 57. Het is door den genadige goedheid van uwen Heer. Dit zal eene groote gelukzaligheid wezen. 58. Daarenboven hebben wij den Koran gemakkelijk gemaakt, door dien in uwe eigen taal te openbaren, opdat gij tot het einde vermaand zoudt wezen. 59. Daarom, o Mahomet! wacht den uitslag af; want ook zij wachten slechts, u door een of ander onheil te zien overvallen.
VIJF EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
DE NEDERKNIELING. [1952]
Geopenbaard te Mekka.--36 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Ha. Mim. De openbaring van dit boek is van den machtigen, den wijzen God. 2. Waarlijk, zoo wel in den hemel als op de aarde zijn teekenen van de goddelijke macht voor de ware geloovigen. 3. En in de schepping van u zelven, en de dieren, over de aarde verspreid, zijn teekenen voor hen, die juist oordeelen. 4. In de wisselvalligheid van nacht en dag, en den regen, dien God van den hemel nederzendt, waarmede hij de aarde verkwikt, nadat die dood was, en in de verandering der winden zijn mede teekenen voor hen die begrijpen. 5. Dit zijn de teekenen van God; wij herinneren u daaraan met waarheid. In welke openbaring zult gij dus gelooven, nadat gij God en zijne teekenen hebt verworpen? 6. Wee over iederen leugenachtigen en goddeloozen persoon. 7. Die de teekens van God hoort, welke hem worden voorgelezen, en daarna trotsch in zijne ongetrouwdheid blijft volharden, al hoorde hij die niet! Bedreig hem met eene pijnlijke straf. 8. En degeen, welke, als hij tot de kennis van een onzer teekenen komt, die met spot ontvangt; voor dezen is eene schandelijke straf gereed gemaakt. 9. VÛÛr hen ligt de hel, en wat zij ook zullen gewonnen hebben, zal hun volstrekt niet baten; noch de afgoden welke zij, naast God, tot hunne schutsgeesten hebben genomen; en zij zullen eene pijnlijke straf ondergaan. 10. Dit is de ware leiding; en voor hen, die niet aan de teekenen van God gelooven, is de straf eener pijnlijke marteling gereed gemaakt. 11. Het is God, die de zee aan u heeft onderworpen, ten einde de schepen daarop zouden mogen zeilen, op zijn bevel, en dat gij door den handel voordeelen zoudt trachten te behalen van zijne mildheid, en dat gij dankbaar zoudt zijn. 12. Hij verplicht alles wat in den hemel en op aarde is, u te dienen; het geheel behoort hem. Waarlijk, hierin zijn teekenen voor hen die overwegen. 13. Zeg tot de ware geloovigen, dat zij degenen vergiffenis schenken, die niet hopen op de dagen van God [1953], ingesteld, opdat hij de menschen beloone, overeenkomstig hetgeen zij zullen verricht hebben. 14. Hij, die doet wat recht is, doet dat ten voordeele van zijne eigene ziel, en wie kwaad doet, doet het daartegen; hierna zult gij tot uwen Heer terugkeeren. 15. Wij gaven den kinderen IsraÎls het boek der wet, de wijsheid en de profetie, en wij voedden hen met goede dingen en verkozen hen boven alle natiÎn. 16. Wij gaven hun volkomene bevelen nopens de zaak van den godsdienst; en zij vervielen niet tot verschil, dan nadat de kennis tot hen was gekomen, en wel door wederzijdsche afgunst. Maar op den dag der opstanding zal God hunnen twist beslechten, nopens datgene, waaromtrent zij verschillen. 17. Later wezen wij u, o Mahomet! aan, om eene wet te verkondigen, nopens de zaak van den godsdienst; volg die dus, en volg niet de begeerten van hen, die onwetend zijn [1954]. 18. Waarlijk, zij zullen u volstrekt niet baten tegen God. De onrechtvaardigen zijn elkanders beschermers, maar God is de beschermer der godvruchtigen. 19. Deze Koran geeft den mensch duidelijke voorschriften, en is eene leiding en eene genade voor hen, die rechtvaardig oordeelen. 20. Verbeelden de bedrijvers van onrechtvaardigheid zich, dat wij met hen zullen handelen, zooals met degenen, die gelooven en goede werken doen; zoodat hun leven en hun dood gelijk zullen wezen? Zij oordeelen slecht. 21. God heeft de hemelen en de aarde in waarheid geschapen; hij zal iedereen beloonen, overeenkomstig hetgene hij zal verricht hebben; en zij zullen niet onrechtvaardig behandeld worden. 22. Wat denkt gij? Hij, die zijne eigene lust boven God verkiest, en dien God voorbedachtelijk heeft doen dwalen, en wiens ooren en wiens hart hij heeft dichtgezegeld, en over wiens oogen hij een sluier heeft geworpen, wie zal dien richten, nadat God hem aan zijn lot zal hebben overgelaten? 23. Zij zeggen: er is geen ander leven, buiten ons tegenwoordig leven. Wij sterven en wij leven, en niets dan de tijd vernietigt ons. Maar zij hebben geene kennis van deze zaak; zij volgen slechts eene ijdele meening. 24. En als hun onze duidelijke teekenen worden herinnerd, kunnen zij geen ander bewijsmiddel daartegen aanvoeren, dan dat zij zeggen: Breng onze vaders, die dood zijn, tot het leven terug, indien gij de waarheid spreekt. 25. Zeg: God gaf u leven en deed u daarna sterven; hierna zal hij u op den dag der opstanding bijeenverzamelen; daaraan is geen twijfel; maar het meerendeel der menschen begrijpt het niet. 26. Aan God behoort het koninkrijk van hemel en aarde; en den dag waarop het uur zal worden bepaald, zullen degenen te gronde gaan, die den Koran van ijdelheid beschuldigen. 27. En gij zult ieder volk geknield zien [1955]. Ieder volk zal voor zijn boek van rekenschap worden geroepen, en men zal tot hem zeggen: Dezen dag zult gij beloond worden, overeenkomstig datgene wat gij hebt verricht. 28. Dit ons boek zal met waarheid nopens u spreken; daarin hebben wij alles nedergeschreven, wat gij hebt gedaan. 29. Wat hen betreft, die geloofd en goede werken verricht zullen hebben, hun Heer zal hen in zijne genade omvatten: dit zal duidelijke gelukzaligheid zijn. 30. Wat echter de ongeloovigen betreft, tot hen zal gezegd worden: Werden u niet mijne teekenen herinnerd? maar gij verwierpt die trotsch en werdt zondaren! 31. En toen tot u werd gezegd: Waarlijk, de belofte van God was waar; en wat het uur des oordeels betreft, dit is ontwijfelbaar, antwoorddet gij: Wij weten niet wat het uur des oordeels is; wij hebben slechts eene onzekere meening, en wij hebben daaromtrent geene zekerheid. 32. Maar op dien dag zal het kwade van hetgeen zij zullen hebben verricht, voor hen verschijnen, en datgene, waarom zij hebben gespot, zal hen overal omringen. 33. Er zal dan tot hen worden gezegd: Dezen dag zullen wij u vergeten, gelijk gij de ontmoeting van dezen uwen dag hebt vergeten; het hellevuur zal het verblijf zijn, en gij zult niemand hebben om u te bevrijden. 34. Dit zult gij ondergaan, dewijl gij de teekenen van God tot onderwerp van uwen spot hebt gemaakt, en het leven der wereld heeft u misleid. Daarom zullen zij op dien dag niet worden weggenomen om weder op aarde te verschijnen, en er zal hun niets meer gevraagd worden, waardoor zij Gods welbehagen op zich zouden kunnen vestigen. 35. Geloofd zij dus God, de Heer der hemelen, en de Heer der aarde, de Heer van alle schepselen. 36. En glorie aan hem in den hemel en op aarde; want hij is de machtige, de wijze God.
ZES EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
ALAHKAF [1956].
Geopenbaard te Mekka.--35 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.