Part 5
Mahomet bleef omstreeks veertien dagen te _Mekka_. Gedurende dien tijd deed hij, in den omtrek, de afgodsbeelden en de tempels der afgodendienaars vernielen, en zond detachementen ruiterij uit, om de bewoners der omgelegen streken tot den Islam te roepen. Hoezeer hij zijne troepen had bevolen, hunne wapenen niet anders dan alleen in den uitersten nood te gebruiken, volgden eenige hoofden deze orders niet op en richtten moordtooneelen aan, welke Mahomet zich verplicht achtte, openlijk te ontkennen als op zijn bevel geschied te zijn, en die te veroordeelen. Een enkele machtige stam, die sedert lang naijverig op de KoreÔshieten was, weigerde zich te onderwerpen, en trok tegen _Mekka_ op. Mahomet trok die stad binnen aan het hoofd van een indrukwekkend leger, en het gezicht van die strijdmacht boezemde de Muzelmannen een zoodanig vertrouwen in, dat zij zich onverwinbaar achtten. Dat vertrouwen wordt echter in den Koran (IX:25) gegispt; inderdaad toen dan ook, de Muzelmannen eene enge vallei binnentrokken en te _HonaÔn_ aankwamen, dat op tien mijlen afstands van _Mekka_ is gelegen, werden zij door de _Hawazin_, en wel met zulke hevigheid aangevallen, dat er wanorde in hunne gelederen ontstond, en dat het Mahomet eerst na de uiterste pogingen gelukte, de vluchtenden tot staan te brengen en hen te hereenigen. Hij beval zijn' witten muilezel _Doldol_ te gaan liggen, en wierp toen, even als te _Bedr_, eene handvol zand naar den vijand, en door dit wonderwerk, zeggen de geschiedschrijvers verschafte hij zich de overwinning. De vijand werd op de vlucht gedreven en trok af naar _Taif_, eene stad ten westen van _Mekka_ gelegen, en omringd door eene zeer vruchtbare streek, welke stad door den handel rijk geworden en door muren omringd was. Toen nu de belegering der stad lang begon te duren, wilde Mahomet eerst al de wijngaarden in den omtrek verwoesten, maar zag, op de aanhoudende verzoeken van de Arabieren uit den omtrek, daarvan af; terzelfder tijd deed hij echter afkondigen, dat iedere slaaf die uit _Taif_ naar het leger der Muzelmannen overliep, vrij zoude zijn. In weÍrwil nochtans dat daarop een aanmerkelijk getal overloopers aankwamen, hield de stad hare verdediging vol, en Mahomet achtte het raadzaam het beleg op te breken, nadat hij twintig dagen lang vergeefsche pogingen had aangewend om de stad te onderwerpen. Het mislukken van dien tocht werd echter door de onderwerping van andere stammen vergoed.
Toen Mahomet te _Medina_ terugkwam, liet hij te _Mekka_ een' onderbevelhebber achter, die belast was met het bestuur over de feesten en plechtigheden der pelgrimstochten. Wat hierbij opmerking verdient, is, dat de afgodendienaars onder de Arabieren, die er aankwamen, van die plechtigheden niet uitgesloten waren. Het volgende jaar echter deed Mahomet dit gebruik eindigen en gebood, dat de afgodendienaars volstrektelijk zouden uitgesloten wezen, waarbij hij hun een' termijn van vier maanden liet, om zich te bekeeren.
Het 9e jaar der _hedjira_ (631) was getuige van de bekeering en onderwerping van eenige andere, zoowel heidensche als christenstammen. De bekeering der laatsten had plaats na eene redetwist, die door Mahomet zelven werd gehouden met bisschoppen en Christenen van _Nedjram_, in welken redetwist de Christenen, volgens het zeggen van de Muzelmansche geschiedschrijvers, zich overwonnen verklaarden. Op het einde van hetzelfde jaar richtte Mahomet, die vernomen had, dat er een Romeinsch leger tegen de Muzelmannen in aantocht was, eene algemeene oproeping aan al de ongeloovigen, en vereenigde een leger van dertigduizend man, dat hij naar _Taboek_ op de grenzen van _SyriÎ_ voerde. Men zag toen, dat de tijding van het aanrukken der Romeinen valsch was, maar de aanwezigheid van zulk een aanmerkelijk leger had de onderwerping van _AÔla_ tengevolge, dat eene handeldrijvende stad aan de _Roode zee_ was, en ook van eenige plaatsen in de nabijheid van _Taboek_ gelegen. De stad _TaÔf_, die, ten vorige jare de aanvallen van Mahomet had wederstaan, onderwierp zich in dit jaar evenzeer. Dit jaar werd dan ook _het jaar der gezantschappen_ genoemd, uithoofde van het aantal deputatiÎn die elkander onophoudelijk opvolgden, om aan Mahomet de onderwerping van steden en stammen te komen betuigen.
Het volgende jaar, zijnde het 10e der _hedjira_ (632), groeide het aantal bekeeringen en onderwerpingen nog altijd aan. Tot hiertoe zich hebbende bepaald bij _Hedjaz_ en de noordelijke streken van _ArabiÎ_, breidden zij zich, van toen, naar de zuidelijke en oostelijke gedeelten uit. Nu huldigden de streken, welke bekend zijn onder de namen _Hadramaut_, _Yemen_ en _Nedjd_ den eeredienst onder een eenig God en tegelijk ook de profetenzending van Mahomet. Het dient daarbij opgemerkt te worden, dat de profeet der Arabieren zich niet tevreden hield met de belijdenis van den eeredienst des eenigen Gods, als die niet het erkennen zijner zending tot gevolg had. "Er is geen andere God dan God (_Allah_) en Mahomet is Gods gezant", was de vastgestelde formule: dit waren de twee onmisbare getuigenissen (_ChehadeteÔn_), om aangezien te worden als Muzelman (_Moeslim_), of als man die aan Gods wil onderworpen is.
Het werk van Mahomet was dan nu, na twintigjarige, volhardende pogingen, verricht, de eerste helft van welk tijdverloop hem niet anders dan teleurstelling scheen te bereiden, en hem niets anders dan bespotting, beleedigingen en haat had opgeleverd. Om den gelukkigen uitslag zijns arbeids plechtig te vieren, maakte Mahomet, in het 10e jaar der _hedjira_, zijn voornemen kenbaar, eene plechtige bedevaart naar _Mekka_ te doen, en dadelijk stroomde van alle zijden van _ArabiÎ_ eene groote menigte toe, om hem in dat herkomstige godsdienstgebruik te vergezellen. Volgens eenigen bestond de stoet uit negentig duizend, volgens anderen uit honderdveertigduizend man. Toen de karavaan te _Mekka_ was aangekomen, verrichtte Mahomet al de plechtigheden, welke door het gebruik waren vastgesteld; zeide de gebeden op en begaf zich den volgenden dag naar den berg _Arafat_, waar hij eene toespraak hield, welke vervolgens werd herhaald door een' KoreÔshiet, die eene doordringende stem bezat, ten einde de menigte, die langs de helling van den berg bijeen was, hem zouden kunnen hooren. Die toespraak, welke door de overlevering is bewaard gebleven, bevatte een beknopt overzicht van de voornaamste voorschriften, die in den Koran vervat zijn. De aanspraak prentte rechtvaardigheid, menschelijkheid, welwillendheid, broederschap tusschen de Muzelmannen, goede behandeling der vrouwen en rechtschapenheid bij alle betrekkingen van het maatschappelijk verkeer in; zij verbood ook het invoegen van dagen, om de maanmaanden te verbeteren. Mahomet eindigde met de woorden: "Ik laat u eene wet achter, die u voor dwaling zal behoeden; eene wet, die duidelijk en stellig is; een boek eindelijk, dat van boven is neÍrgezonden." Hij besloot met uit te roepen: "O! mijn God! heb ik mijne zending vervuld?" waarop aller stem antwoordde: "Ja, gij hebt haar vervuld!"
Den volgenden dag, zijnde voor de slachtoffers bestemd, offerde Mahomet, met eigen hand, drieÎnzestig kameelen en schonk aan drieÎnzestig slaven de vrijheid, welk getal juist gelijk was aan zijnen ouderdom, in maanjaren geteld, welker behoud hij pas had aanbevolen. Vervolgens deed hij zich het hoofd kaal scheren; want gedurende den pelgrimstocht is het niet geoorloofd, het hoofd te scheren of de nagels te knippen. De personen die het dichtst bij hem waren, verdeelden toen de afgesneden haren onder elka‚r. De bedevaartstocht, waarvan wij zoo even hebben gesproken, wordt de afscheidspelgrimage genoemd. In Mahomets aanspraak op den berg _Arafat_ had hij doen doorschemeren, dat het hem wellicht niet zoude vergund zijn, _Mekka_ weÍr te zien. Inderdaad werd hij eenigen tijd na zijn' terugkeer te _Medina_ ziek. Hoezeer die krankte zijne lichaamskrachten verzwakte, werden zijne geestvermogens er niet door benadeeld. Gedurende die ongesteldheid vormde hij het plan voor eenen nieuwen tocht tegen de Romeinsche provinciÎn, en wees zelfs Oekama, den zoon van zijn vrijgemaakten slaaf SeÔd, aan, als het hoofd der troepen, die dezen krijgstocht zou aanvoeren. Omstreeks dat tijdsgewricht brak er een storm in _ArabiÎ_ zelf uit. In drie verschillende provinciÎn, noemden drie onderscheidene personen zich profeet der Arabieren. Een van dezen was TolaÔka, de tweede was MossaÔlama, en de derde AÔhama (die ook el-Aswad of _de zwarte_ werd genaamd) van den stam der _Ans_ of der _el Ansia_. Deze profeten, welke door de Muzelmannen niet anders dan als valsche profeten konden worden beschouwd, hadden onder de kortelings bekeerde, maar van _Medina_ verwijderde stammen eenige vorderingen gemaakt; en MossaÔlama richtte zelfs een schrijven aan Mahomet, waarin hij hem voorsloeg, de macht met hem te deelen, aangezien zij beiden gelijkelijk profeten en Godsgezanten waren. Op deze boodschap antwoordde Mahomet door de volgende woorden: "Mahomet, gezant van God, aan MossaÔlama, den bedrieger. Heil, hun die den rechten weg volgen [21]. De aarde behoort aan God en Hij geeft haar bezit aan wien het hem behaagt. Zij alleen die den Heer vreezen, hebben voorspoed." De uitdrukkingen van dat antwoord gaven te kennen, dat Mahomet niet van de beslissing der wapenen zoude laten afhangen, aan wien de macht zou behooren; in afwachting daarvan zond hij aan zijne legerhoofden bevelen, om de vorderingen der bedriegers te beletten. Hem werd echter alleen de nederlaag van el-Aswad bekend, welke door een' van zijne eigene bevelhebbers werd gedood. Meer vernam hij niet; want de koorts die hem verlaten had, keerde na weinig tijds terug en deed al zijne krachten zinken. Toen hij gevoelde, dat hij al zwakker en zwakker werd, vestigde hij zich in het verblijf zijner vrouw AÔsha, en bepaalde zeer nauwkeurig de wijze waarop hij begraven wilde worden.
"Zoodra gij mij gewasschen en in de doodskleederen zult hebben gehuld," zeide hij tot zijne verwanten, "zult gij mij, op dit bed, aan den rand van mijn graf plaatsen, dat in ditzelfde vertrek gegraven moet worden, op de plaats waar ik mij nu bevind; daarna zult ge mij alleen laten en wachten tot de engel GabriÎl en al de engelen des hemels voor mij gebeden hebben. Vervolgens zult gij binnen komen, namelijk eerst mijn gezin en hierna al de Muzelmannen, om bij mij te bidden."
In weÍrwil zijner zeer groote zwakte, begaf hij zich nog, door zijn beide neven ondersteund, naar de moskee of Mahomedaansche kerk, en toen hij er het gestoelte (_minber_) had bestegen, hield hij de volgende toespraak aan de Muzelmannen.
"O! Muzelmannen, heb ik iemand onder u geslagen, zie hier dan mijn rug; laat hij mij terugslaan. Is er iemand door mij beleedigd geworden, laat hij mij dan beleediging met beleediging vergelden; heb ik iemand zijn goed ontroofd, laat hij het dan terug nemen. Men vreeze niet, daardoor mijn' haat op te wekken; de haat ligt niet in mijne natuur [22]." Een persoon kwam toen drie dirhems [23] van hem terug vorderen. Mahomet gaf hem die dadelijk terug, met de woorden; "Het is beter schande in deze wereld, dan in de andere te hebben." Toen hij, eenige dagen daarna, zich te zwak gevoelde om het bed te verlaten, zeide hij eensklaps, in een oogenblik waarin hij schier aan het ijlen was geraakt, tot de omstanders: "Laat men mij inkt en papier brengen; ik zal u een geschrift geven, dat u altijd voor dwaling zal behoeden." Maar Omar belette het uitvoeren van dat bevel. "De profeet is aan 't ijlen," zeide hij. "Hebben wij niet den Koran om ons te leiden?" Onderwijl men aan't twisten was over de vraag, of men de bevelen moest uitvoeren van iemand die reeds stervende was, zeide Mahomet tot de omstanders:
"Gaat heen! het is niet voegzaam in tegenwoordigheid van den gezant Gods aldus te twisten."
Hij verscheen nog eens in de moskee, waartoe men uit zijne kamer toegang had, en dezen keer gaf hij de aanbeveling, den Koran te volgen, als eene onfeilbare gids te midden der beproevingen, die de Muzelmannen stonden te wachten. Deze raadgevingen werden uitgesproken met eene krachtige en helderklinkende stem die scheen aan te duiden, dat de krachten terugkeerden. Dit was echter niet meer dan het laatste opflikkeren van een licht, dat weldra uit zoude gaan. Toen hij in zijn vertrek was teruggekeerd, bleef hij eenige uren ineengezakt zitten, nadat hij eenige afgebroken woorden had uitgesproken, als: "Mijn God ... ja... met den gezel van boven (de engel GabriÎl)." Hij stierf op de knieÎn van AÔsha, den 13den dag der maand _Rabi_ van het tiende jaar der hedjira (8 Juni 632), hetgeen Maandag was. Zijn graf is derhalve te _Medina_, welke stad, uit dien hoofde den bijnaam _monewwereh_, de verlichte, heeft verkregen. De tijding van zijnen dood verspreidde zich weldra te _Medina,_ en veroorzaakte er eene algemeene verslagenheid. Eenigen wilden het niet gelooven, anderen waren geneigd om weder tot den afgodendienst terug te keeren; maar Aboe Bekrs besluit, dat met spoed genomen werd, verstikte de wanorde in de kiem en vestigde voor altijd de toekomst van den Islam. Door hetgeen hier gezegd is, ziet men, dat Mahomet volstrekt geen opvolger had aangewezen [24]. Bij zijn afsterven liet hij geen enkel kind van het mannelijk geslacht na. Hij had in alles vijftien vrouwen gehuwd en met twaalf van haar echtelijke gemeenschap gehad. Met uitzondering van Israhim, een zoon, welken hij bij de Kophtische Maria had, die eerst zijn bijwijf en naderhand zijne vrouw was geweest, en welke zoon vÛÛr hem stierf, waren ook al de andere kinderen hem door zijne eerste vrouw, Khadidja, gebaard, en de zonen der overige vrouwen vÛÛr hem gestorven. Dit waren vier zonen: Kacim, Taiib, Tahir, Abdallah, en vier dochters: Fatima, die gehuwd was met Ali, RokaÔa en Omm Kolthoem, beiden gehuwd met Othman, die later Khalif was, en eindelijk ZeÔnab (Zenobia). Onder diegene zijner vrouwen, welke eenige vermaardheid hebben verkregen, behooren: Khadidja, dochter van KwowaÔlid; AÔsha, dochter van Aboe Bekr; Hafsa, dochter van Omar; Omm Habiba, dochter van Aboe Sofian, een der machtige KoreÔshieten; Safia eene IsraÎlietin en ZeÔnab, dochter van Djahch, die eerst gehuwd was aan zijn vrijgemaakten slaaf SeÔd (zie Hoofdstuk XXXIII ten aanzien van dat huwelijk). Negen van zijne vrouwen overleefden Mahomet; maar aangezien hij de Muzelmannen had verboden, haar na zijn dood te huwen (XXXIII : 53), hertrouwde geene van haar. Dat aantal vrouwen is lijnrecht in strijd met het voorschrift van den Koran, waarbij aan de Muzelmannen verboden wordt, te gelijk meer dan vier wettig gehuwde vrouwen te hebben, (Hoofdst. IV) maar het was een voorrecht, dat Mahomet, in zijne hoedanigheid van geestelijk opperhoofd en profeet, voor zich zelven had ingeroepen.
Mahomet had, zegt men, in tegenwoordigheid van Aboe Bekr verklaard, dat al wat een profeet bij diens dood bezat, weer aan het volk, dat is aan den Staat, terug moest komen. Bij zijnen dood ging men waarschijnlijk van deze woorden uit, om aan zijne vrouwen een jaargeld op de schatkist aan te wijzen, en, anderdeels, om zijner dochter Fatima de eigendom te ontnemen van _Fadak_, een vlek, dat op de joden veroverd was. Krachtens de voorschriften van den Koran, had het hoofd van den Staat, die ook het geestelijke hoofd, of de opperpriester was, aanspraak op het vijfde gedeelte van den buit welke op den vijand was veroverd. Nadat Mahomet zijn vijfde gedeelte, na elken gelukkigen tocht had genomen, besteedde hij een groot gedeelte aan ondersteuning van armen, weduwen en weezen. Zijne matige en eenvoudige levenswijze, zijne onafgebroken werkzaamheid brachten hem niet tot bovenmatige uitgaven; maar het onderhouden van een groot aantal vrouwen, waarvan elkeen een afzonderlijk huis of verblijf bewoonde, verzwolg zijn vermogen.
Hij bezat tweeÎntwintig paarden, twee ezels _Ofair_ en _Ya'foer_; vijf muilezels, vijf wijfjes kameelen, welke hij bereed, waartoe ook die behoorde, welke bekend was onder den naam van _Koswa_ (met afgesneden ooren); voorts nog twintig melkkameelen, honderd schapen en eenige geiten. Van negen sabels was diegene de beroemdste, welke naderhand in het bezit van Ali overging en _dhoelfikar_ heette; zijnde een sabel die bestond uit twee klingen, welke naar de punt uiteenliepen; voorts had hij drie lansen, drie bogen, zeven harnassen, drie schilden, een standaard (_liwa_) van een witte kleur, en een andere, die zwart was en _okuk_ (zwarte adelaar), genoemd werd, en welke, naar men zegt, nog dezelfde is, dien men tot op onze dagen, onder den naam van _sandjak sherif_ (doorluchtige vaan) te Konstantinopel bewaard heeft. Vervolgens liet hij na: een mantel (_borda_) thans nog in de laatstgenoemde stad bewaard, onder den naam van _kherkaÔ sherifsh_ en, naar men zegt, dezelfde welken Mahomet aan den dichter Ca'b gaf, die zijne lofrede had geschreven. De groene tulband werd later het onderscheidingsteeken van de afstammelingen, die uit zijne dochter Fatima waren voortgesproten, terwijl de zwarte dat van den zijtak werd, die uit Abbas, den stamvader des Abbassiden, voortgesproten waren.
Mahomet was, wat zijn uiterlijk voorkomen betreft, van middelbare gestalte en had een stevig gebouwd en welgevormd lichaam. Hij had zwarte oogen, zwart, sluik haar, een' arendsneus, gladde en blozende wangen, en zijne tanden stonden een weinig van een. In weÍrwil van zijn gevorderden ouderdom, bemerkte men nauwelijks eenige grijze haren aan hem. Overigens had hij, naar het gebruik der Arabieren, de gewoonte, die zwart te verven, en zijne nagels door middel der _henna_ te kleuren, en _collyre_ op zijn oogleden te doen. Hij was er op gesteld, een spiegel te gebruiken, of zich in een met water gevuld vat te spiegelen, om zijn tulband in orde te schikken. Wat zijne neigingen betreft, vermeldt men van hem de woorden: "waar ik ter wereld het meest op gesteld ben, zijn de vrouwen en de reukwerken, maar wat mij de ziel verstrekt, is het gebed." Het innemende van zijn uiterlijk voorkomen werd overigens door eene sterke uitdrukking van goedheid en minzaamheid verhoogd. Hij verliet nimmer het eerst dengeen die hem aansprak, en trok zijne hand nooit terug, vÛÛr de hand van dengeen die haar drukte, werd teruggetrokken. In Hoofdstuk LXXX doet hij zich een streng verwijt, omdat hij een armen man op onvriendelijke wijze had ontvangen. Hij gebruikte nochtans de voorzorg, zich van de lostigheden en de onbeschoftheid zijner medeburgers te vrijwaren, door gedeelten van den Koran, waarin de regelen der wellevendheid worden onderwezen. Hij, die zich bovenal met zijn voornamen doel bezig hield, wist scheldwoorden en beleedigingen met geduld te verdragen, en vond niet het minste behagen in het voldoen zijner persoonlijke wraak, als het goede gevolg zijner zaak die nutteloos maakte. Na het innemen van _Mekka_, voerde men een zijner hardnekkigste vijanden voor hem; hij zweeg geruimen tijd en eindigde met hem vergiffenis te schenken. "Ik heb gezwegen," zeide hij tot zijne aanhangers "in afwachting, dat er een opstaan en dien man dooden zou." Zij antwoorden daarop: "wij hebben een teeken van u, o profeet, afgewacht," Hij hernam: "Teekens van verstandhouding geven, die een verraad zouden zijn, voegt den profeet niet." Daarmede scheen hij eenigermate kenbaar te maken, hoedanig men het zwijgen van den profeet tegenover een vijand had uit te leggen. De overlevering heeft onderscheidene trekken uit Mahomets leven bewaard, die hem als een zeer zachtaardig, zeer menschelijk en zeer welwillend man schetsen, ten aanzien van allen die aan hem verknocht waren. Hij had echter een diep gevoel van de hekeldichten, door sommige dichters der afgodendienaars geschreven, en belastte eenigen van hem, die zijne partij hadden omhelsd, hun te antwoorden. De vermaardste dier aan Mahomet verknochte dichters zijn Hassan, zoon van Thabit en Ca'b, zoon van ZohaÔr. Wat hemzelven betreft, was poÎzie hem zÛÛ vreemd, dat men voorbeelden van hem aanvoert, waarin hij, bij het herhalen van het vers eens dichters, de woorden derwijze verplaatste, dat maat en rijm er geheel door verloren gingen. Het oordeel, dat hij in den Koran (hoofdstuk XXVI), over de dichters in het algemeen velt, mag doen aannemen, dat hij evenzeer geneigd was, zich, in zijn' Muzelmanschen staat, zonder hen te behelpen, als Plato het was, om hen uit zijne republiek te verjagen. Terzelfder tijd dient men te erkennen, dat de godsdienstige overspanning, welke het medeslepen door den nieuwen eerdienst voorbracht, de poÎtische verheffingen van het heidendom eenklaps heeft onderdrukt. Een beroemd Arabisch dichter, Lebid genaamd, schreef geene verzen meer, van het oogenblik dat hij Muzelman was geworden, en Mahomets lofdichters kunnen niet wedijveren met AmrilkaÔs, Chanfara, Tarafa enz.
Het laat zich moeilijk beslissen, of Mahomet lezen en schrijven kon. Het gedeelte van den Koran, waarin de engel GabriÎl hem zegt: "Lees!" en zijn antwoord: "wat zal ik lezen?" zoude doen aannemen, dat hij kon lezen, terwijl de omstandigheid, dat hij weinige dagen voor zijnen dood, pen en inkt vroeg, om zijne meeste beschikkingen op te schrijven, grond schijnt te leveren tot het veronderstellen, dat hij schrijven kon. In allen gevalle en hoe het daarmee gelegen zij, bediende hij zich gaarne van zijne secretarissen, welke nederschreven wat hij hun voorzegde. Die geheimschrijvers waren Ali, Othman, SeÔd, ObaÔ, Moawia. Wat nu eenige letterkennis betreft, gelijk die, op dat tijdstip, onder de IsraÎlieten en Christenen kon bestaan, zoo bezat hij deze niet, en kende van de heilige schriften dier beide godsdiensten alleen brokstukken, gelijk men ze in gesprekken of van hooren zeggen opdoet. Dit is dan ook oorzaak, dat eenige bijbelsche verhalen, welke door den Koran worden aangevoerd, verminkt en verward zijn, en dat het valsche en twijfelachtige er, bijna doorgaans, naast het ware en echte ligt. Overigens erkent Mahomet zelf, dat hij een ongeletterd profeet (_ommi_) is, die tot de ongeletterden gezonden was, hetgeen waarschijnlijk geschiedde om zijn karakter, als man die door den hemel bezield was, des te beter te doen uitkomen. Eenige Muzelmansche schrijvers wenden nochtans voor, dat het woord _ommi_ (moederlijk, of gelijk men is als men uit het moederlijf komt, te weten: onwetend, ongeletterd), als het op Mahomet toegepast wordt, niets anders beteekent, dan dat hij geboortig was van _Mekka_, welke stad _Ommoel-Koera_ of _moeder der steden_, genoemd wordt [25]. De eigen bekentenis, welke Mahomet bij herhaling van zijne gebrekkige kunde aflegt en van zijne onbekendheid ten aanzien der toekomst, zijn voor zijne metgezellen, en nog veel meer voor de latere geslachten, geen beletsel geweest, om hem de gaaf toe te schrijven, in de toekomst te lezen en mirakelen te doen. De godsdienstige overspanning, de ijver voor het uitbreiden van eenen godsdienst, die reeds grond had gewonnen, en ook het godsdienstbedrog--al welke oorzaken aanleiding geven tot zoodanige wonderwerken, welke in geene enkele der verkondigde godsdiensten ontbreken--hebben zich tot de onwetenden en lichtgeloovigen gewend en Mahomet als den bewerker van duizende mirakels doen voorkomen [26]. Daarbij bleef men echter zelfs niet staan. Toen, op de natuurlijke helling van eenen eeredienst in de ontwikkelingsperiode, de godsdienstige redetwisten over de leerstukken geopend werden; toen de Muzelmansche eerdienst met het joden- en christendom in aanraking kwam, werd men tot de verzekering gebracht, dat de Koran, die voor eene rechtstreeksche openbaring van God en zijn woord werd verklaard, eene zaak even eeuwig als God, en niet geschapen was.