Part 2
De stad _Mekka_ is niet vroeger dan in de vijfde eeuw onzer jaartelling gesticht; maar de vallei van _Mekka_ strekte sedert de vroegste tijden tot verblijf der Arabische stammen, die zich in den omtrek der overblijfsels van den _Caaba_-tempel nedersloegen, waarvan zij de bewaking en het bestuur als eene eer en als gevende aanspraak op den eersten rang, elkander onafgebroken betwistten. Omstreeks het jaar 200 der gewone jaartelling, werd een der afstammelingen van Adnan, Firh geheeten en El KoreÔsh bijgenaamd, de stamvader van den vermaarden stad der KoreÔshieten, die in het vervolg een' grooten invloed te _Mekka_ verkreeg. KossaÔ, een van zijn afstammelingen in het vijfde geslacht, slaagde er niet alleen in, de _Khozzaas_, een andere Arabischen stam, als beheerders van _Mekka_ uit den zadel te lichten, maar ten einde die belangrijke betrekking ten eeuwigen dage aan zijn geslacht te verzekeren, wist hij de KoreÔshieten te belezen, rondom den _Caaba_-tempel eene stad te bouwen, waarvan de verschillende gedeelten door de leden van den uitgestrekten stam der KoreÔshieten bewoond zouden worden. Voor zich zelven bouwde KossaÔ een huis, dat aanzienlijker dan de andere was, en vestigde er den zetel van den raad (_nadwa_), waarin al de KoreÔshieten toegang hadden en waarin alle zaken in het openbaar werden behandeld. In dat Raadhuis (_Dar-ennadwa_) ontvingen de KoreÔshieten, als zij een' anderen stam gingen bevechten, de banier uit handen van KossaÔ. Op KossaÔs raad gaven de KoreÔshieten hunne toestemming om zich aan eene belasting te onderwerpen, _rifada_ (hulp) genaamd, welke zij, in het tijdvak van den pelgrimstocht, aan KossaÔ betaalden, en die door dezen werd besteed om aan de behoeftige pelgrims, gedurende drie dagen dat zij te _Mina_, op eenigen afstand van _Mekka_, verbleven, kosteloos levensmiddelen te verschaffen. KossaÔs gezag vermeerderde nog, toen hij op zijnen persoon eenige andere posten wist te vereenigen, die met den dienst in den _Caaba_-tempel in verband stonden. Die ambten waren de volgenden: _sikaÔa_, bestuurder van het water en de uitreiking daarvan, _hidjaba_, wachter van den _Caaba_-tempel en van den dienst in dezen. Bij dezen ambten dient men die te voegen van _rifada_, de ontvangst van de belasting der hulpverstrekking, van _liwa_, die het recht gaf eene kap van witte stof aan den standaard der KoreÔshieten te hechten, als deze ten strijde gingen, en van _nadwa_, raad, zijnde het voorzitterschap van de vergadering Eenige mindere betrekkingen werden door KossaÔ aan andere Arabische stammen overgelaten. Door het vorenstaande ziet men, dat de KoreÔshieten, omstreeks twee honderd jaren voor Mahomet (tegen het jaar 440 na Chr.) niet alleen te _Mekka_ in het bezit waren van een regelmatig gevestigd gezag, maar ook dat hun invloed en aanzien zich naar buiten verbreidden, en eindelijk dat de naam der KoreÔshieten, door den toevloed van pelgrims naar de alouden tempel van _Caaba_, in al de gedeelten van ArabiÎ bekend was. Door den handel dien zij met voortbrengsels van _Gelukkig ArabiÎ_ (_Yemen_) in _SyriÎ_, _MesopotamiÎ_ en _Egypte_ dreven, en van waar zij, in ruiling, stoffen, graan en andere voorwerpen [5] terugbrachten, hadden zij een zekere gegoedheid, ja zelfs aanmerkelijke rijkdommen verkregen.
KossaÔ of KoesseÔ had vier zonen. Abdeddar, Abdelozza, Abd en Abdmenaf. Wij zullen alleen over dezen laatsten tijd spreken, omdat hij in de rechte lijn de voorzaat van Mahomet is. Abdmenaf werd evenzeer vader van vier zonen, zijnde: Abdchams, Nowfal, Hachim, en Mottalib. Hachim, die de rijkste der broeders en, bijgevolg, het best in staat was, in de behoefte der pelgrims te voorzien en de zaken van _Mekka_ te besturen, werd met de gewichtigste betrekking der vereeniging bekleed.
Deze voerde onder de KoreÔshieten 't gebruik in, jaarlijks twee karavanen uit te zenden: de eene des winters, naar _Yemen_ en de andere, 's zomers, naar _SyriÎ_, ook was hij het, die het eerst aan de behoeftige KoreÔshieten eene soort soep uitdeelde, welke _tharid_ genoemd werd en samengesteld was uit vleeschnat en tot kruim gewreven brood, hetgeen oorzaak was, dat zijn oorspronkelijke naam Amr in dien van Hachim--den kruimelaar--veranderd werd. En den naam van Hachmieten wordt aan den geheelen opgaanden zijtak van Mahomet gegeven.
CheÔba, de zoon van Hachim, werd ook Abdelmottalib genaamd, omdat hij door zijn oom Mottalib als zoon werd aangenomen. Hij volgde zijn vader te _Mekka_ in diens gewichtigste ambten op, te weten in die van _sikaÔa_ en _rifada_. Zijne edelmoedigheid en zijn braaf gedrag hadden hem de algemeene achting doen winnen. Deze hoedanigheden scheen echter in de oogen zijner landgenooten het middel niet, te vergoeden, dat hij maar een' eenigen zoon had; want evenals de IsraÎlieten, stelden de Arabieren den hoogsten prijs op een groot aantal mannelijke nakomelingen. Dat denkbeeld was bij de Arabieren zÛÛ vast geworteld, dat Abdelmottalib op zekeren dag van een' zijner landgenooten beleedigingen moest ondergaan, omdat hij maar ÈÈn' zoon had. In zijne ergernis zwoer hij, dat indien God hem tien mannelijke kinderen gaf, hij hem er ÈÈn' voor den _Caaba_ van zou offeren. Abdelmottalibs wensch werd verhoord. Na de geboorte van zijn' eersten zoon (528 na Chr.) tot het jaar 569 kreeg hij twaalf zonen en zes dochters. Op zekeren dag verzamelde hij, vast besloten zijn eed te vervullen, de tien oudste van zijne zonen; hij deelde hun den eertijds door hem gedane eed mede; een ieder van deze wilde er zich aan onderwerpen, het slachtoffer te worden, en allen begaven zich naar den _Caaba_ voor den afgod _Hobal_ om te loten. Het lot viel op Abdallah, die door zijn' vader het meest werd bemind. Het offer stond op het punt volbracht te worden, op eene plaats die gewoonlijk bestemd was voor het slachten der offers, toen de KoreÔshieten toesnelden, den arm van Abdelmottalib tegenhielden en hem rieden, eene waarzegster te raadplegen die zich te _KaÔbar_ bevond, dat eene versterkte en door IsraÎlieten bewoonde Stad was. De waarzegster vroeg, wat de boete was, die voor een' manslag werd betaald, en toen men haar antwoordde, dat de boete tien kameelen bedroeg, ried zij, Abdallah aan de eene zijde, en aan de andere tien kameelen te plaatsen; dat men daarna het lot zou raadplegen, en verklaarde zich dit tegen Abdallah, dat men wederom tien kameelen bij de eerste voegen en daarmede telkens voortgaan zou, tot het lot op de kameelen viel. Abdelmottalib onderwierp zich aan de uitspraak der waarzegster, en nademaal het lot tienmalen achtereen ten nadeel van Abdallah uitviel, kocht de vader zijn' eed eerst tegen honderd kameelen los. Sedert dien tijd werd de bloedprijs onder de Arabieren op honderd kameelen bepaald. Dadelijk na deze gebeurtenis huwde Abdelbottalib zijnen zoon Abdallah uit aan Amina, de dochter van Wahb, een' der afstammelingen van Abdmenaf. Uit dit huwelijk werd Mahomet geboren. [6]
Mahomets geboortejaar kan niet gemakkelijk worden vastgesteld. Er zijn echter drie gegevens, die dienen kunnen om het ten minste bij benadering te bepalen. Volgens de overlevering zou Mahomet gezegd hebben: "Ik ben geboren onder de regeering van den rechtvaardigen koning." Die rechtvaardige koning was Kesra Anoechirvan (KosroÎs _de Groote_), die zevenenveertig jaren en acht maanden heeft geregeerd. Neemt men nu met een' Arabischen geschiedschrijver (Ibn El-athir) aan, dat Mahomet zeven jaren en acht maanden voor Anoechirvans dood ter wereld kwam, dan zou zijn geboortejaar in het jaar 570 n. Chr. vallen. Ten andere valt Mahomets geboorte, volgens de overlevering, in het jaar van den krijgstocht van den ∆thiopischen koning Abraha tegen _Mekka_ (zie de noot op hoofdstuk CV van den Koran). Deze krijgstocht eindigde door de volkomene vernieling van Abrahas leger; maar de Arabische geschiedschrijvers stemmen zoo weinig ten aanzien van dien krijgstocht overeen, dat Mahomets geboorte in het 34e of in het 40e of in het 41e, of in het 42e jaar der regeering van Kesra Anoechirvan zou vallen. Ook is algemeen de meening aangenomen, dat Mahomet, in 632, in den ouderdom van drie en zestig jaren gestorven zij, waardoor zijne geboorte in het jaar 569 zou vallen. Hierdoor ontstaat een nieuw vraagpunt, en wel dat, of het cijfer van die drie en zestig jaren, bij benadering, is opgegeven in maanjaren, gelijk die bij de Arabieren in gebruik zijn, of dat daarbij gerekend zij op de tusschenvoeging welke in 413 geschied is [7].
De Muzelmansche godvruchtigheid bleef niet ten achter bij de ingeschapen neiging, die de wieg van buitengewone menschen door den glans van mirakelen en merkwaardige natuurverschijnsels doet omringen. Die godvruchtigheid is oorzaak, dat de verhalen daarvan volgaarne worden aangenomen, zonder bron of grondslag te onderzoeken; door diezelfde beweegoorzaak worden zij voortgeplant en als geloofspunt vastgesteld. Volgens die verhalen, welke wij niet met stilzwijgen zouden kunnen voorbijgaan, omdat zij den Muzelman altijd voor den geest zijn, zoude, op het oogenblik waarop de toekomstige profeet der Arabieren geboren werd, de geheele wereld in beweging geweest zijn. Het paleis van CosroÎ te _Clesiphon_ schudde, en veertien van zijne torens stortten in: het heilige vuur der _pyreen_ ging uit, in weerwil van het onafgebroken toezicht der _magiÎrs_; het meer van _Sawa_ droogde uit, de groot-_moubed_ der Perzianen droomde, dat _PerziÎ_ door de Arabische kameelen en paarden bezet zou worden, en Amina verhaalde haren schoonvader, dat zij gedurende hare zwangerschap had gedroomd, dat een buitengewoon licht zich uit haren boezem verspreidde om de wereld te verlichten; Abdelmottalib, eindelijk, die op zekeren dag zijn kleinzoon was komen zien, bemerkte tot zijne verwondering, dat hij besneden geboren was. Het kind, dat door zijnen grootvader Mahomet genaamd werd (en hij was de eerste die dezen naam onder de Arabieren droeg), werd door zijne moeder toevertrouwd aan eene Bedouinsche min, die Halima heette, en welke het naar heuren stam in de woestijn medenam. Na twee jaren werd hij gespeend, maar zijne aanwezigheid in Halimas gezin, had daar zoo veel geluk en overvloed in schijnen te brengen, dat zij Amina verzocht haar het kind te laten opvoeden. De overlevering verhaalt, dat het kind aan eene ziekte onderhevig was, waarvan men zich geene rekenschap wist te geven, maar welke men aan de werking des duivels toeschreef [8]. Toen Mahomet later een voorval verhaalde, dat grooten schrik aan zijne min had gebaard, zeide hij, dat, in zijne kinderjaren, toen hij met zijne jeugdige makkers in de vlakte speelde, twee in het wit gekleede mannen, dat engelen waren, hem op den grond geworpen, de borst geopend en het hart er uitgenomen hadden, om het te wasschen en te zuiveren.
Een hoofdstuk van de Koran (hoofdstuk XCIV) begint inderdaad met woorden die aldus vertaald kunnen worden; _Openen wij niet den boezem_, of _zetten wij de borst niet uit_, of wel; _hebben wij_ de _borst niet geopend_. Terwijl nu zekere uitleggers daarin slechts een figuurlijke uitdrukking zien, voor een hart, dat door God geschikt is gemaakt om de wijsheid en de openbaring er in op te nemen, willen andere er eene toespeling in vinden op het voorval, dat door de overlevering vermeld wordt, en volgens hetwelk Mahomets hart werkelijk door de engelen gewasschen en gereinigd, en zoodoende sedert zijne kindsheid een uitverkoren vat zou zijn geworden. Overigens is dat niet het eenige gedeelte van den Koran, waarin een figuurlijke of overdrachtelijke uitdrukking, ingevolge de overlevering, eene gewrongen uitlegging en een' bovennatuurlijken en wonderbaarlijken zin hebbe verkregen (zie Hoofdst. XVII, LIV). Op den ouderdom van zes jaren verloor Mahomet zijne moeder en werd door zijn' grootvader Abdelmottalib opgenomen, die hem eene vaderlijke genegenheid toedroeg. Drie jaren later ontviel Mahomet ook die steun, daar Abdelmottalib in den ouderdom van meer dan tachtig jaren stierf. Toen belastte Aboe-Talib, zijn oom, zich met hem en nam hem later met zich naar _Syrie_, waarheen de karavaan der KoreÔshieten Arabische voortbrengselen ging voeren. Toen zij te _Bosra_ waren gekomen, ontmoetten zij een' Arabischen christen monnik, welken de Arabieren Bahira en de Christenen Bjirdjis (George) of Serdjis (Sergius) noemden. Er wordt verhaald, dat Bahira door Mahomets uiterlijk getroffen zou zijn geweest en in diens gelaat zijne toekomstige bestemming hebben weten te lezen, en dat hij, bij het afscheid nemen van de Arabische karavaan, Aboe Talib aanbevolen zou hebben over Mahomet te waken en hem te bewaren voor de kunstenarijen der Joden, die het op zijn leven zouden toeleggen, indien zij tot de ontdekking kwamen, dat hij, Bahira, in dien knaap _het zegelmerk der profetie_ had ontdekt. Dit zegelmerk van profetie was, naar men zegt, een teeken, dat Mahomet tusschen de schouders had, even als dit het geval met al de andere profeten en met al zijne voorzaten uit den stam IsmaÎl was, maar op eene veel duidelijker wijze dan bij deze allen.
Bij den terugkeer van dien tocht nam Mahomet, veertien jaren oud zijnde, aan den tweeden der oorlogen deel, die bij de Arabieren bekend zijn onder den naam der oorlogen van _el-fidjar_, of der schending van de heilige maand, of ook van de misdaad, welke oorlogen de KoreÔshieten tegen den stam der _Benou-Hawasin_ voerden. Volgens het verhaal echter van Mahomet zelven, dat door de overlevering bewaard is gebleven, bepaalde zich het aandeel, dat hij in dien tweeden oorlog nam, bij het oprapen der pijlen, die door de vijanden afgeschoten waren, en deze aan zijn ooms ter hand te stellen, welke een werkdadiger deel in den strijd namen. De overlevering heeft geen enkel belangrijk feit van Mahomets leven bewaard, gedurende de tien jaren, die na deze gebeurtenis verliepen. Alles wat men weet is, dat de jeugdige KoreÔshiet, door zijn gedrag en manier van handelen, zijne snedigheid en ernstig karakter, dat tot gepeinzen en eenzaamheid neigde, de achting en eerbied zijner medeburgers wist te winnen.
Op den ouderdom van vijfentwintig jaren belastte hij zich met het doen eener handelreize naar _SyriÎ_ voor eene rijke weduwe, Khadidja genaamd, dochter van KhowaÔlid, even als Mahomet gesproten uit KossaÔ, over wien boven gesproken is. Mahomet kweet zich met zulk een goed gevolg van zijne taak, dat Khadidja een gunstige meening voor hem opvatte. Dit gunstige denkbeeld nam nog toe, toen Khadidjas' slaaf, die Mahomet naar _SyriÎ_ had vergezeld, haar verhaalde, dat hij onderweg Mahomet eens door twee engelen met hunne vleugels tegen de hitte der zonnestralen had zien beschutten. Khadidja bood Mahomet derhalve hare hand aan en alhoewel zij op dat tijdstip tusschen de dertig en veertig telde, dat een meer dan rijpe leeftijd voor eene Arabische vrouw is, nam Mahomet den voorslag spoedig aan. Naar het gebruik der Arabieren, biedt de man, aan de door hem te huwen vrouw eene huwelijksgift aan, welke _sadak_ wordt genoemd: Mahomet bood dan ook Khadidja, als zoodanige gift, twintig kameelen aan. Het huwelijksmaal, waaraan de verwanten van man en vrouw deel namen, was schitterend en vroolijk en werd door dans en muziek begeleid, en voor de talrijke gasten werden twee kameelen geslacht. Bij Khadidja kreeg Mahomet weldra een zoon, dien hij El-kachim noemde en sedert dien tijd werd hij Aboelkachim (vader van El-kachim) genoemd. Khadidja schonk hem nog twee zonen, die echter op zeer jeugdigen leeftijd stierven, en vier dochters. In het jaar van zijn huwelijk met Khadidja, werd Mahomet lid van eene vereeniging, die zich onder de KoreÔshieten had gevormd tot bescherming der vreemdelingen, of der zwakke burgers van _Mekka_ tegen de onrechtvaardigheden der machtige KoreÔshieten, en hij stelde er altijd eene eer in, tot deze vereeniging te hebben behoord, welke zelfs nog na de vestiging van het Islamisme bleef bestaan. Sedert zijn huwelijk hield Mahomet zich weinig meer met handelszaken bezig, maar wijdde zich meer aan godsdienstige bespiegelingen. In die neiging werd hij vooral versterkt door een' neef zijner vrouw, Waraka Ibn Raufa genaamd, welke reeds te voren den afgodendienst had verworpen, die in _Arabie_ heerschte, en zoowel den MozaÔschen als den Christelijken godsdienst had leeren kennen. Door dezen Waraka, die niet ongeletterd was, had hij waarschijnlijk het IsraÎlietische MonotheÔsme leeren kennen, en Mozes en Christus als Godsgezanten aanzien; maar beide godsdiensten schenen hem de oorspronkelijke zuiverheid verloren te hebben. Alleen Abraham, die menschenmin met het geloof aan een eenig God verbond, scheen hem in den Bijbel, dien hij ten deele vervalscht achtte, de beste verpersoonlijking van een' Godsgezant. Bovendien kon hij, bij die keuze en het voorstellen van Abraham als toonbeeld, op te meer sympathie rekenen, nademaal diens herinnering niet slechts in geheel _Arabie_ nog levendig was, maar de overlevering hem daar, als stamvader, in eerbiedig aandenken gehouden had en hem was blijven vereeren als den grondvester des heiligen tempels, naar welken men sedert onheugelijke tijden in bedevaart optrok.
Wij hebben reeds gezegd, dat Mahomet in zijne jeugd de algemeene achting had weten te winnen; zijne erkende eerlijkheid had hem El-Emin, de rechtschapene, de vertrouwen verdienende, de getrouwe doen noemen. Eene toevallige gebeurtenis, die er plaats had toen hij vijfendertig jaren oud was, schonk hem in de oogen zijner medeburgers nog meer aanzien. In 605 besloten de KoreÔshieten den _Caaba_-tempel te herbouwen, die eenige jaren te voren door brand vernield was. De eerbied voor dat overblijfsel uit de IsmaÎlitiesche oudheid boezemde aan alle takken van den stam der KoreÔshieten een' buitengewonen ijver in: tegelijkertijd werd echter daardoor een wederkeerige naijver opgewekt. Toen de werkzaamheden van den bouw gevorderd waren tot de hoogte waar de zwarte steen geplaatst moest worden, die het voorwerp van bijzondere vereering was, betwistten al de takken der KoreÔshieten elkander de eer van die taak. De mannen van twee takken des stams, die besloten hadden hunne aanspraken tegen al de anderen staande te houden, dompelden hunne handen in een vat dat met bloed gevuld was, en zwoeren veeleer te sterven dan toe te geven. De werken werden geschorst, en men riep eene vergadering in het binnenste van den tempel zelven bijeen, om over de middelen te beraadslagen, ten einde den burgeroorlog af te wenden, die dreigde uit te barsten. Een oude KoreÔshiet deed nu eensklaps den voorslag, den eerste, die de ruimte zou binnentreden waar de vergadering werd gehouden, tot scheidsman te nemen. Men kwam dit overeen, en toen nu aller blikken op den ingang gevestigd waren, verscheen El-Emin (Mahomet) en werd tot scheidsrechter genomen. Hij doet een' mantel op den grond uitspreiden, kiest de vier aanzienlijkste personen uit de vier voornaamste takken van den stam, en laat elk van hen eene slip van den mantel vasthouden, waarop de steen rust. Zoodra de steen door dit middel op voegzame hoogte is geheven, vat Mahomet hem met zijne eigene handen, om hem in den muur te bevestigen, en bevredigt dusdoende de aanspraken der mededingers, terwijl hij bovendien een aanzienlijk deel in die verrichting neemt. Weinig tijds daarna verloor Mahomet al de mannelijke kinderen, die Khadidja hem had gebaard; derhalve ook omdat de schaarschte van levensmiddelen, die toen zich te _Mekka_, voornamelijk bij de mingegoede en met een talrijk gezin bezwaarde personen deed gevoelen, nam hij den jongen Ali, zoon van zijnen oom Aboe-Talib tot zich. Sedert dien tijd was Ali zijn onafscheidelijke, trouwe gezel en zijn verkleefdste volgeling. Dikwijls vervulde hij de betrekking van secretaris bij hem, huwde later Mahomets dochter Fatima en werd eindelijk tot _Khalif_ verheven.
Eerst op veertigjarigen ouderdom voelde Mahomet zich geroepen, een nieuwe godsdienst aan de Arabieren te prediken. Te zijnen tijde vormde het Arabische ras niet een enkel volk: de Perzen en Romeinen oefenden op de Arabische stammen, die het dichtste bij de provinciÎn der Perzen en van het Romeinsche keizerrijk woonden, een zekere heerschappij uit, ofschoon die ten deele in naam bestond. De Arabieren der woestijn daarentegen leefden in volslagen onafhankelijkheid en zonder dat zij eenig middenpunt van nationaal gezag bezaten. Zij beleden ook niet allen denzelfden godsdienst: onder de Arabieren in de steden had zich de Christelijke godsdienst verspreid; eenige stammen, die evenzeer in steden gevestigd waren, beleden den MozaÔschen godsdienst, zooals de stammen der _KoraÔza_, _Nadhir_, die _Yathrib_ (_Medina_) en _Khaibar_ bewoonden; maar de overgroote meerderheid der Arabieren was aan den afgodendienst overgegeven. De _Caaba_-tempel, die, gelijk wij hebben gezien, werd aangemerkt als de vroegere verblijfplaats van Abraham en de zetel van den dienst aan een eenig God, was het middenpunt geworden van al de Arabieren, die den afgodendienst volgden. Elke stam had eene godheid, een' bijzonderen afgod dien hij aanbad; maar even als het Romeinsche heidendom, in zijn pantheon of afgodentempel, aan alle eerediensten eene plaats inruimde en zelfs geneigd was er Christus in toe te laten, zoo waren ook de Arabieren zeer verdraagzaam ten aanzien der godheden, van welken oorsprong die ook waren, als men maar den eeredienst van de hunne eerbiedigde, en niet aan de gebruiken en bijgeloovigheden raakte, die in de zeden waren overgegaan. Bij een zwervend volk, dat door zijne geographische ligging van het overige der wereld afgescheiden en bijna in den toestand van wilden was, konden de wetenschappen en kunsten der andere staten, die in beschaving meer vooruit waren, zich alleen met moeite en door middel der handelsbetrekkingen met het Romeinsche Keizerrijk en _PerziÎ_ verspreiden, welke betrekkingen zeer beperkt waren, even als dit het geval was met de voortbrengselen, welke dat volk kon aanbieden en met de behoeften die het had te voldoen.