De Koran Voorafgegaan Door Het Leven Van Mahomed Eene Inleiding
Chapter 96
[1881] Sommigen zijn van meening, dat hier meer bijzonder worden bedoeld, zij die door Pharao werden gezonden om den waren geloovige, zijn bloedverwant, te vatten. Zij verhalen ons namelijk, dat de genoemde geloovige naar een berg vluchtte, waar zij hem biddende vonden, door wilde dieren bewaakt, die zich rondom hem in orde schaarden, en dat zijne vervolgers daarop in grooten angst tot den vorst terugkeerden, die hen ter dood bracht, omdat zij zijn bevel niet hadden uitgevoerd (Al Beid‚wi).
[1882] Sommigen stellen deze woorden voor, als betrekking hebbende op de voorafgaande straf, welke zij gedoemd zijn te ondergaan, overeenkomstig eene overlevering van Ebn Masoed, die ons mede deelt, dat hunne zielen zich in de kroppen van meerlen bevinden, die tot den dag des oordeels iederen ochtend en avond aan het hellevuur worden blootgesteld (Al Beid‚wi).
[1883] Zie Hoofdstuk LXXIV, vers 31.
[1884] Door te onachtzaam en te zorgeloos te zijn, in het voortplanten van den waren godsdienst, uit vrees voor de ongeloovigen. (Al Beid‚wi).
[1885] Zie Hoofdstuk XVII, vers 15.
[1886] Ziende, dat een afgodsbeeld niets in de wereld is (Al Beid‚wi).
[1887] Zie Hoofdstuk XVI, vers 5.
[1888] Vooringenomen zijnde met hunne eigene dwaalbegrippen, en de onderrichtingen van den profeet verwerpende.
[1889] Sommigen betitelen dit hoofdstuk "de vereering of aanbidding," aangezien daarin den ongeloovigen wordt bevolen, hunne vereering van afgoden te laten varen en God te aanbidden. Daar echter Hoofdstuk XXXII denzelfden titel draagt, wordt de naam, dien wij boven dit hoofdstuk hebben geplaatst, algemeen gebruikt om het van de eerstvermelde Soera te onderscheiden.
[1890] Zie Hoofdstuk XI, vers 1.
[1891] Zijnde de twee eerste dagen der week (Jallalo'ddin).
[1892] Zie Hoofdstuk XVI, vers 15.
[1893] Dat is: de twee dagen, er onder begrepen, waarin de aarde werd geschapen.
[1894] Voor allen in evenredigheid tot hunne behoeften, en naar dit voor hun verbruik wordt vereischt.
[1895] Of duisternis. Al Zamakshari zegt, dat deze rook uit de wateren, onder den troon van God kwam (welke troon een der dingen was, die vÛÛr de hemelen en aarde werden geschapen), en boven het water opsteeg. Hij voegt er bij, dat, toen het water opgedroogd was, de aarde daaruit werd gevormd, en de hemelen uit den opgestegen rook.
[1896] Zie Hoofdstuk XV, vers 8.
[1897] Dat is: aan iedere zijde hen aanhoudend overredende en bij hen aandringende, zoowel door vroegere voorbeelden aan te halen, als door op toekomstige belooningen en straffen te wijzen.
[1898] Men zegt, dat deze wind van Woensdag tot en met Woensdag aanhield, zijnde de laatste in het eind der maand Shawal; en dat dus Woensdag de dag is, waarop God zijne vonnissen op een zondig volk nederzendt (Al Beid‚wi).
[1899] Zie Hoofdst. VII, vers 83 enz.
[1900] Zijnde: Gij verbergt uwe misdaden voor de menschen, weinig denkende, dat uwe eigen ledematen, waarvoor gij die niet kunt verbergen, als getuigen tegen u zullen opstaan.
[1901] Zijnde diegenen van elke soort, welke ons in de armen der zonde geworpen en te gronde gericht hebben. Sommige veronderstellen, dat de twee hier meer bijzonder bedoelden, Eblis en CaÔn zijn; de twee bedrijvers van ontrouw en moord (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1902] Hetzij terwijl zij nog op aarde leven, om hunne gemoederen tot het goede te bewegen, ten einde hen voor verzoekingen te behoeden en hen te troosten, of bij het vuur des doods, om hen in hunne laatste oogenblikken te ondersteunen, of als bij de opstanding, uit graven verrijzen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1903] Dat is: het zal op geenerlei wijze verijdeld, noch tegengegaan kunnen worden, in welk opzicht het ook zij.
[1904] Zie Hoofdstuk XVI, vers 105.
[1905] Zijnde: zoover af, dat zij de stem van hem, die om hen roepen, niet hooren of verstaan.
[1906] Want zij zullen, bij de opstanding, hunne afgoden, niet willen erkennen.
[1907] Deze titel is ontleend aan vers 36, waarin den geloovigen, onder andere dingen, wordt bevolen, hunne zaken te overwegen en elkander te raadplegen, ten einde op de beste wijze te handelen. In plaats van dit woord, worden echter, door sommigen, de vijf enkele letters geplaatst, waarmede het hoofdstuk begint.
[1908] Jallalo'ddin zondert hiervan de verzen 22-24 uit.
[1909] Zijnde de nieuwere Joden en Christenen.
[1910] De ware beteekenis niet verstaande, of de eerste leerstellingen daarvan niet geloovende.
[1911] Hier arbeidende, om hiernamaals eene belooning te verwerven want hetgeen in deze wereld gezaaid wordt, zal in het volgende leven gemaaid worden.
[1912] De bedoeling dezer woorden is eenigszins duister. Sommigen zijn van oordeel, dat zij eene afkeuring uitdrukken van de leugens, door de ongeloovigen aan den profeet toegeschreven, daar niemand aan eene zoo snoode daad schuldig zou kunnen zijn, dan een, wiens hart dichtgesloten was en die zijn Heer niet kende; alsof hij had gezegd: God behoede dat gij zoo ledig van genade zijt, of zoo weinig begrip van uwen plicht hebben zoudt! Anderen denken dat de beteekenis is, dat God al de openbaringen, welke aan Mahomet genadiglijk werden verleend, in eens uit zijn hart zou kunnen wisschen, en weder anderen, dat God zijn hart met geduld zou versterken, tegen de beleedigingen der ongeloovigen (Al Beid‚wi).
[1913] De middelen gebruikende, welke God voor hunne eigene verdediging in hunne handen heeft gelegd. Dit is er bijgevoegd, om de hier gegeven beschrijving te volmaken. Dapperheid en onverschrokkenheid zijn toch niet onbestaanbaar met goedertierenheid (Al Beid‚wi). De regel is: Parcere subjectis et debellare superbos.
[1914] Zie Hoofdstuk V, vers 49 enz.
[1915] God heeft nimmer tot een mensch het woord gericht. Mahomet zegt echter op verschillende plaatsen van den Koran, dat God werkelijk het woord tot Mozes heeft gericht. Mozes heeft echter God niet kunnen zien, en het was bij de Hebreeuwen een algemeen aangenomen geloof, en waarschijnlijk bij al de Semitische volkeren, dat God zich nimmer aan een mensch liet zien, zonder dat deze dadelijk stierf. De mystieken, eene philosophische secte uit den schoot van den Islam ontsproten, beweren dat de aanhoudende overdenkingen van het geestelijke leven, den mensch tot zulk een staat van volmaaktheid zou kunnen verheffen, dat hij in zijne verrukking God spreekt en ziet. Al hun streven is dus daarheen gericht, om, door de kracht der goddelijke liefde en het onderdrukken der individualiteit, den sluier op te heffen die hen van Gods geest scheidt. Vandaar dat de woorden "den sluier opheffen", in de taal der Oosterlingen de waarde verkregen heeft, van den hoogsten graad van vertrouwelijkheid. Overigens zijn zij die wel gelooven aan de nachtelijke reis van Mahomet, (Zie Hoofdstuk XVII, vers 1 in de noot) verdeeld, nopens de wijze waarop Mahomet God heeft aanschouwd. Sommigen zeggen, dat hij hem met de oogen van zijn hoofd, d.i. stoffelijk heeft gezien, anderen dat het met de oogen van zijn hart, d.i. door een innerlijk gezicht van den geest plaats had.
[1916] Of zooals de woorden mede kunnen worden vertaald: zoo hebben wij den geest GabriÎl, met eene openbaring, tot u gezonden.
[1917] Zie vers 34.
[1918] Sommigen zonderen hiervan vers 44 uit.
[1919] Zijnde, de bewaarde tafel, die het oorspronkelijke van al de schriften in het algemeen bevat.
[1920] Zie Hoofdstuk XVI, vers 60.
[1921] Zijnde aan een der voornaamste bewoners van Mekka of van Tayef; zooals Al Walid Ebn Al Mogheira, of Orwa Ebn Masoed den Thakefiet (Al Beid‚wi.).
[1922] Door deze uitdrukking wordt vooral het ambt van profeet bedoeld.
[1923] Zie Hoofdstuk XIX, vers 74.
[1924] Dat is: vraag hun, die dezelfde godsdiensten belijden, welke deze onderwezen en hunne geleerden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, enz.).
[1925] Zijnde de plagen, welke zij achtereenvolgens ondergingen, en die hunne geheele vernietiging in de Roode Zee voorafgingen.
[1926] Te weten de Nijl en zijne vertakkingen.
[1927] Zie Hoofdstuk XX, vers 29 noot.
[1928] Zulke armbanden waren eenige van de insigniÎn der koninklijke waardigheid; want als de Egyptenaren iemand tot de vorstelijke waardigheid verhieven, omhingen zij hem met een gouden kraag of keten (Gen. XLI : 42) en hechtten gouden armbanden om zijne polsen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin.).
[1929] Deze plaats wordt algemeen verondersteld, geopenbaard te zijn bij gelegenheid van eene tegenwerping, door zekeren Ebn al Zabari gemaakt, tegen de woorden in Hoofdstuk XXII, vers 98, waarbij allen in het algemeen, die naast God als godheden werden aangebeden, ter helle gedoemd zijn, en waarop de ongeloovigen uitriepen: Wij zijn verheugd, dat onze goden met Jezus zullen wezen; want ook hij is als God aangebeden (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi.). Sommigen zijn echter van meening, dat het zou kunnen geopenbaard zijn, in antwoord aan sommige afgodendienaars, die zeiden, dat de Christenen, welke de schriften ontvingen Jezus aanbaden, geloovende, dat hij de zoon van God was, terwijl de engelen die eer meer waardig zijn dan hij.
[1930] Want eenigen tijd voor de opstanding, zal Jezus, volgens de Mahomedanen, nabij Damascus op aarde afdalen, of, zooals sommigen zeggen, nabij eene rots in het heilige land, Afik genaamd, met eene lans in de hand, waarmede hij den anti-Christ zal dooden, dien hij te Ludd of Lydda, eene kleine plaats, niet ver van Joppa, zal ontmoeten. Zij voegen er bij, dat hij te Jeruzalem zal aankomen, tegen den tijd van het ochtendgebed, en dat hij zich op de wijze der Mahomedanen tot God zal richten. Hij zal het kruis afbreken en de kerken der Christenen vernietingen, onder welke hij eene algemeene slachting zal aanrichten, diegenen echter daarvan uitzonderend, die den Islam belijden.
[1931] Dit kan toegepast worden Ûf op de Joden ten tijde van Jezus, die zijne leer niet wilden omhelzen, Ûf op de Christenen van dien tijd, die in verschillende meeningen nopens hem vervielen; daar sommigen hem als God verheffen, anderen tot Gods zoon, en weder anderen tot een der personen van de drieÎenheid, enz. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Savary past het op de Christenen toe.
[1932] Dit wordt door de Mahomedanen verondersteld, de naam te zijn van den voornaamsten engel, die met het opzicht der hel is belast.
[1933] Sommigen veronderstellen, dat het antwoord eerst duizend jaren daarna zal worden gegeven.
[1934] Zijnde de bewakende engelen.
[1935] Dat is de leer van Gods eenheid. De uitzondering omvat Jezus, Esra en de engelen, die als tusschenpersonen beschouwd zullen worden hoewel zij als goden werden aangebeden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1936] Zie Hoofdstuk XXV, vers 64.
[1937] Dit woord is ontleend aan vers 9.
[1938] Sommigen zonderen hiervan vers 14 uit.
[1939] Deze nacht wordt algemeen verondersteld, tusschen den 23sten en 24sten van Ramadan te zijn. Zie Hoofdstuk 97 en de noten aldaar.
[1940] Want de Mahomedanen denken dat jaarlijks in dien nacht, al de gebeurtenissen voor het daarop volgende jaar worden geschikt en vastgesteld, wat leven, dood en andere zaken dezer wereld betreft (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi). Sommigen veronderstellen echter, dat deze woorden alleen betrekking hebben op den bijzonderen nacht, waarin de Koran, bevattende al de goddelijke besluiten, met betrekking tot godsdienst en zedekunde, werd nedergezonden (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).
[1941] De uitleggers verschillen in hunne verklaring van deze plaats. Sommigen denken, dat hier sprake is van een rook, die de lucht scheen te vervullen, gedurende den hongersnood, waarmede de bewoners van Mekka in den tijd van Mahomet werden geteisterd (Zie Hoofdstuk XXIII, vers 66 noot), en waardoor de lucht zoo dik was, dat zij elkander wel konden hooren maar niet zien (Al Zamakshari, Al Beid‚wi, Yahya, Jallalo'ddin). Overeenkomstig eene overlevering van Abi, is de hier bedoelde rook echter diegene, welke een voorteeken van den dag des oordeels is, en de geheele ruimte van het Oosten, gedurende veertig dagen, zal vullen. Zij zeggen, dat deze rook de ongeloovigen zal bedwelmen, en door hunne natuurlijke openingen zal binnen dringen, terwijl de ware geloovigen slechts weinig last er van zullen hebben (Al Zamakshari, Al Beid‚wi).
[1942] Zie Hoofdstuk XVI, vers 105.
[1943] Sommigen passen dit op de slachting te Bedr, en anderen op den dag des oordeels toe.
[1944] Zijnde: Laat de kinderen IsraÎls met ons gaan, om God te vereeren.
[1945] Of dat gij mij noch door woord, noch door daad beleedigt (Al Beid‚wi).
[1946] Zonder mij weerstand te bieden, of mij eenige beleediging aan te doen, welke ik niet aan u heb verdiend.
[1947] Zie Hoofdstuk XXVI, vers 57.
[1948] Dat is: niemand beklaagde hunne vernietiging.
[1949] Zijnde de Hamyarieten, wier koningen den titel van Tobba hadden. De uitleggers verhalen, dat de hier bedoelde Tobba zeer machtig was en Samorcande bouwde, of, zooals anderen zeggen, die stad vernietigde, en dat hij een waar geloovige was; doch zijne onderdanen waren ongeloovigen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Deze vorst schijnt Aboe Carb Asaad te zijn geweest, die omstreeks zevenhonderd jaar vÛÛr Mahomet leefde, en den Joodschen godsdienst omhelsde, welken hij het eerste in Yemen invoerde. Hij werd daarom waarschijnlijk door zijn eigen volk gedood (Al Jannabi. Zie poc. Spec. p. 60).
[1950] Zie Hoofdstuk XXI, vers 61, en Hoofdstuk XXXVIII, vers 26.
[1951] Zie Hoofdstuk XXXVII, vers 60 en de noot. Jallalo'ddin veronderstelt, dat deze plaats in het bijzonder tegen Aboe J‚hl werd geopenbaard.
[1952] Deze naam is ontleend aan vers 27.
[1953] Door de dagen van God, worden, op deze plaats, de gelukkige uitkomsten bedoeld van zijn volk, in de veldslagen met de ongeloovigen (zie Hoofdstuk XIV, vers 5 noot). Men zegt, dat deze plaats werd geopenbaard met het oog op Omar, die, gesmaad door iemand van den stam van Ghifar, het voornemen opvatte, zich met geweld te wreken. Sommigen zijn van oordeel, dat dit vers, door dat van den oorlog afgeschaft is (Al Beid‚wi).
[1954] Dat is, van de voornaamste KoreÔshieten, die er bij Mahomet op aandrongen, tot den godsdienst van zijne voorvaderen terug te keeren.
[1955] Het oorspronkelijke woord ommat, beteekent eigenlijk een volk, dat denzelfden godsdienst belijdt.
[1956] Alahkaf of al Ahkaf is het meervoudig van Hekf, en beteekent zand, dat verstrooid en verwaaid ligt. Vandaar heeft men dien naam gegeven aan een stuk gronds in de provincie Hadramaut, waar de Adieten woonden. Behalve op verscheiden andere plaatsen in den Koran, wordt daarvan melding gemaakt in dit Hoofdstuk (vers 20).
[1957] Zie Hoofdstuk XXI, vers 16; Hoofdstuk XXXVIII, vers 26 enz.
[1958] En die slechts eene zekere tijdruimte, maar niet eeuwig zullen bestaan.
[1959] Zijnde eenig deel van de openbaringen in den Koran.
[1960] Dat is: Ik leer geene grondstellingen, die verschillen van hetgeen de vroegere gezanten of profeten hebben gepredikt, en ik ben niet in staat te doen, wat zij niet konden; vooral wat betreft het toonen der teekenen, welke iedereen gepast zal achten te vragen (Al Beid‚wi).
[1961] Deze getuige wordt algemeen verondersteld, de Jood Abd'allah Ebn Salem te zijn geweest, die verklaarde, dat Mahomet de profeet was wiens komst door Mozes was voorspeld. Sommigen veronderstellen echter, dat de hier bedoelde getuige Mozes zelf was (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1962] Sommigen meenen, dat deze woorden door de Joden werden gesproken, toen Abd'allah den Islam beleed, of, overeenkomstig anderen, door de KoreÔshieten, daar de eerste volgelingen van Mahomet voor het meerendeel arme en laaggeplaatste lieden waren, of wel, door de stammen van Amer, Ghatfan en Asad, bij de bekeering van die van Joheinah Mozeinah, Aslam en Ghifar (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1963] Men zegt dat deze woorden werden geopenbaard met betrekking tot Aboe Bekr, die den Islam op zijn veertigste jaar beleed, zijnde twee jaren na de zending van Mahomet, terwijl hij de eenige persoon was, zoowel onder de Mohajerin als de Ansars, wiens vader en moeder mede bekeerd werden. Zijn zoon Abd'alrahman en zijn kleinzoon Aboe Atik omhelsden eveneens dat geloof (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, enz.).
[1964] Deze woorden schijnen eene algemeene beteekenis te hebben. Zij worden echter gezegd in het bijzonder, met betrekking tot Abd'alrahman, den zoon van Aboe Bekr te zijn geopenbaard, die deze uitdrukkingen tegen zijn vader en moeder gebruikte, alvorens hij den Islam beleed (Al Beid‚wi).
[1965] Tenzij zij hunne zonde door berouw en door het omhelzen van het ware geloof uitwisschen, zooals Abd'alrahman deed.
[1966] Zijnde de profeet Hoed.
[1967] Zooals dienovereenkomstig geschiedde; want deze verpestende en hevige wind doodde, zonder onderscheid van sekse, ouderdom of stand, al diegenen, welke niet in de leer van Hoed geloofden, en verwoestte hunne bezittingen geheel (Zie Hoofdstuk VII, vers 70).
[1968] Zooals de nederzettingen van de Thamoedieten, Midianieten en de steden van Sodom en Gomorrah, enz.
[1969] Overeenkomstig het oordeel van verscheiden uitleggers, waren deze geniussen van Nisibin of van Yemen, of wel van Niniveh, en zeven of negen in getal. Zij hoorden Mahomet, gedurende zijn verblijf te al Tayef, des nachts, of na het morgengebed in de vallei van Nakhiah den Koran lezen en geloofden in hem (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1970] Vanhier veronderstellen de uitleggers, dat deze geniussen, alvorens zij zich tot het Mahomedanisme bekeerden, tot den Joodschen godsdienst behoorden.
[1971] Sommigen noemen dit hoofdstuk "Oorlog", omdat daarin bevolen wordt, een hevigen krijg tegen de vijanden van het Mahomedaansche geloof te voeren.
[1972] Sommigen veronderstellen, dat dit geheele hoofdstuk te Mekka werd geopenbaard.
[1973] Hanifieten oordeelen, dat deze wet is afgeschaft, of in het bijzonder op den oorlog van Bedr betrekking heeft, daar de hier bevolen gestrengheid noodig was, bij het ontstaan van het Mahomedanismus (zie Hoofdstuk VIII, vers 69 en noot), daar zij dat bevel te wreed vinden, om in den bloei van dien godsdienst te worden toegepast. Bij de Perzianen en sommige andere secten, wordt dat bevel echter nog in zijne volle kracht bewaard; want volgens hunne meening moeten alle volwassen mannen, welke in den slag gevangen zijn gemaakt, gedood worden, tenzij het Mahomedaansche geloof door hen worde omhelsd. Zij die na den slag in handen der Moslems vallen, worden niet gedood, maar mogen in vrijheid gesteld worden, hetzij kosteloos, hetzij tegen betaling van een zekeren losprijs; of kunnen ook wel tegen Mahomedaansche gevangenen uitgewisseld, of tot slavernij gedoemd worden, al naar gelang dit den Iman of vorst behaagt. (Al Beid‚wi, Zie Reland. Dissert. de Jure Militairi Mohammedanor. p. 32).
[1974] Sommige afschriften hebben koetilu, in plaats van katilu, volgens welke eerste lezing het hier zou moeten luiden: die gedood zijn of gemarteld worden, enz.
[1975] Zijnde de geleerden van Mahomets volgelingen, zooals Ebn Masoed en Ebn Abbas (Jallalo'ddin).
[1976] Of, zooals deze woorden mede kunnen worden vertaald: En hij zal hen voor hunne vroomheid beloonen.
[1977] Zooals de zending van Mahomet, het splijten van de maan, en de rook, in Hoofdstuk XLIV, vers 9 vermeld.
[1978] Hoewel Mahomet, hier en elders, zelf bekent een zondaar te zijn, beweren verscheiden Mahomedaansche godgeleerden, dat hij geheel rein van zonde was. Zij veronderstellen dientengevolge, dat hem hier wordt bevolen vergiffenis te vragen, niet omdat hij die behoefde maar om een voorbeeld aan zijne volgelingen te geven. Daarom was hij gewoon van zich zelven te zeggen (ten minste indien de overlevering waarheid bevat): Ik vraag God iederen dag honderdmaal vergiffenis (Jallalo'ddin).
[1979] Zooals: huichelarij, onbeschaamdheid, of onstandvastigheid in hun geloof.
[1980] Of, zooals de woorden mede kunnen worden vertaald: Indien gij u zoudt hebben afgewend, en van uw geloof afvallig waart geworden.
[1981] Zijnde: hetgeen gij van ons begeert, door te huis te blijven en niet met Mahomet ten oorlog te trekken, en door geheime samenspanning tegen hem (Al Beid‚wi).
[1982] Deze woorden veronderstelt men, op het onderzoek des grafs betrekking te hebben.
[1983] Dit waren de stammen van Koreidha en al Nadir of zij die het leger der KoreÔshieten te Bedr van leeftocht voorzagen (Al Beid‚wi). Zie Hoofdstuk VIII, vers 36.
[1984] Wat betreft den weerstand en den tegenzin omtrent het voortplanten des geloofs. Men veronderstelt algemeen, dat hier op de Perzianen wordt gedoeld. Anderen zijn echter van meening, dat Mahomet hier de Ansars of de engelen op het oog heeft.
[1985] Deze overwinning, waaraan dit hoofdstuk zijnen naam ontleent, was, overeenkomstig de meest algemeene uitlegging, die, waarbij de stad Mekka werd ingenomen. Men zegt dat deze plaats werd geopenbaard, bij Mahomets terugkeer van de expeditie van al Hodeibiya. Zij bevat eene belofte of eene voorzegging van deze bijzonder glansrijke overwinning, die nog geene twee jaren later plaats had. Overeenkomstig den profetischen stijl, is hier de verledene voor den toekomenden tijd gebruikt (Al Zamakhshari, Al Beid‚wi, enz.). Desniettegenstaande zijn er sommigen, die veronderstellen, dat het hier bedoelde voordeel, de stichting des vredes van al Hodeibiya was, welke hier eene overwinning wordt genoemd, dewijl de bewoners van Mekka den vrede wenschten, en daar een wapenstilstand met Mahomet sloten; zij verbraken dien echter, waardoor de inneming van Mekka werd veroorzaakt. Anderen gelooven, dat hier de verovering van Khaibar of de overwinning op de Grieken te Moeto, enz., wordt bedoeld.
[1986] Zijnde: Alles wat gij gedaan hebt, en hetgeen verschooning verdient: of uwe zonden, zoowel diegene, welke gij in den tijd uwer onwetendheid, als later hebt bedreven.
[1987] Dit wil zeggen: God moge eene gelegenheid schenken, om de vergiffenis te verdienen, door den afgodendienst uit te roeien, zijnen waren godsdienst te verheffen en de zwakken uit de handen der goddeloozen te verlossen, enz.
[1988] Het oorspronkelijke woord beteekent, het openlijk erkennen of inhuldigen van een vorst, door hem onderwerping en getrouwheid te zweren.
[1989] Dat is: hij ziet van boven neder, en is getuige van de plechtigheid, waarin gij blijken geeft van uw geloof aan zijn gezant; en hij zal u daarvoor beloonen (Jallalo'ddin). Deze uitdrukking doelt op de wijze, waarop bij die gelegenheden de gelofte wordt afgelegd.
[1990] Dit waren de stammen van Aslam, Joheinah, Mozeinah en Ghifar, die, nadat zij vermaand waren, Mahomet en de expeditie van al Hodeibiya te volgen, nochtans achterbleven. Zij verontschuldigden zich, door te zeggen, dat zij door hunne afwezigheid te veel te lijden zouden hebben, en van het weinige dat zij bezaten, beroofd zouden worden; want deze stammen behoorden tot de minvermogende Arabieren terwijl zij werkelijk standvastigheid in hun geloof betoonden en moed om den KoreÔshieten weerstand te bieden (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).
[1991] Zijnde: In de expeditie van Khaibar. De profeet keerde in het zesde jaar der hedjira, in Dhoell'hajja van al Hodeibiya terug, en bleef gedurende het overige gedeelte dier maand en het begin van Moharram te Medina. Daarna trok hij tegen de Joden van Khaibar op, doch alleen met hen, die hem naar al Hodeibiya hadden gevolgd. Nadat hij zich van de plaats met al de kasteelen en sterkten op dat grondgebied gelegen, had meester gemaakt (Zie Abulf. Vit. Moh. p. 87, etc.), vergaderde hij een grooten buit, dien hij verdeelde tusschen hen, welke bij den slag tegenwoordig waren, zonder iemand anders daarvan te doen genieten (Al Beid‚wi).
[1992] Hetgeen zijne belofte was aan hen, die den profeet naar al Hodeibiya volgden; namelijk, dat hij hun schadeloosstelling zou geven, voor het missen der plundering van Mekka in dien tijd, door hen die van Khaibar daarvoor in de plaats te geven. Sommigen denken, dat het hier bedoelde woord de plaats in het negende hoofdstuk is, luidende: "Gij zult niet met mij vertrekken," enz. welke echter werd geopenbaard, lang nadat Khaibar was ingenomen, en wel bij gelegenheid van de expeditie van Taboec (Al Beid‚wi).