De Koran Voorafgegaan Door Het Leven Van Mahomed Eene Inleiding

Chapter 92

Chapter 923,830 wordsPublic domain

[1549] Het oorspronkelijke zou letterlijk vertaald, moeten luiden: Alvorens gij op eenig voorwerp kunt nederzien en uw oog daarvan kunt afnemen. Er wordt gezegd, dat Salomo op Azafs begeerte naar den hemel opzag, en alvorens hij zijne oogen nedersloeg, legde de troon den weg onder den grond af en verscheen voor hem.

[1550] Want, na den terugkeer van haren afgezant, besloot zij te gaan en zich aan dien vorst te onderwerpen; maar alvorens zij vertrok beveiligde zij, gelijk zij meende, haren troon, door dien in een sterk kasteel op te sluiten, en eene wacht er voor te plaatsen om het te verdedigen, waarop zij met een groot leger vertrok (Jallalo'ddin).

[1551] Het is onzeker, of dit de woorden van Balkis zijn, waarbij zij hare overtuiging beleed, teweeggebracht door de wonderen welke zij reeds had gezien, of van Salomo en zijn volk, Gods gunst erkennende, door hen, vÛÛr haar, tot den waren godsdienst te roepen.

[1552] Of, gelijk sommigen het begrijpen, den hof voor het paleis, waarvan Salomo den aanleg vÛÛr de aankomst van Balkis had bevolen. De grond of het plaveisel was van doorzichtig glas, dat over stroomend water was gelegd, waarin visschen zwommen. Aan den rand van dat plaveisel was de koninklijke troon geplaatst, waarop Salomo zat om de koningin te ontvangen (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).

[1553] Sommige Arabische schrijvers verhalen, dat Salomo onderricht was, dat de voeten en beenen van Balkis met haar bedekt waren, zooals die van een ezel, waarvan hij alsnu gelegenheid had zich met eigen oogen te overtuigen.

[1554] Daar de koningin van Saba door deze woorden den Islam beleden, en van den afgodendienst afstand gedaan had, kwam Salomo op de gedachte, haar tot vrouw te nemen; maar hij kon er niet toe besluiten, dan nadat de duivels, door een daartoe strekkend middel het haar van hare beenen hadden weggenomen (Jallalo'ddin). Sommigen (Al Beid‚wi) echter willen, dat zij niet Salomo maar een vorst van den stam van Hamdan huwde.

[1555] Nopens de leer door Saleh gepredikt; naardien een deel in hem geloofde, en het andere hem als een bedrieger beschouwde.

[1556] Zijnde: Waarom dringt gij op de goddelijke wraak aan, waarmede gij bedreigd wordt en trotseert die, in plaats van haar door berouw te voorkomen?

[1557] Zie Hoofdstuk VII, vers 123, waar de Egyptenaren Mozes op de zelfde wijze als de oorzaak hunner rampen beschuldigen.

[1558] Men zegt dat Saleh, en zij die in hem geloofden, gewoonlijk op eene zekere enge plek tusschen de bergen vergaderden om te bidden, waarop de ongeloovigen zeiden: Hij denkt binnen drie dagen een einde aan ons te maken (Zie Hoofdstuk VII, vers 96 noot), maar wij; zullen hem voorkomen. Daarop begaf een deel van hen zich onmiddellijk naar de bovenvermelde engte, denkende hun plan te kunnen uitvoeren. Zij werden echter verschrikkelijk teleurgesteld; want in plaats dat zij den profeet grepen, werden zij zelven gevat, daar hun de terugtocht werd afgesneden door een rotsklomp, die aan den uitgang der engten nederviel, zoodat zij op eene ellendige wijze hun einde vonden.

[1559] Zie Hoofdstuk VII, vers 82 en Hoofdstuk XI, vers 84.

[1560] Zie Hoofdstuk XXV, vers 55. Hier is niet het woord barzakh, maar een van gelijke strekking gebruikt.

[1561] Letterlijk: Hij die door tegenspoed wordt aangedreven, Gods hulp in te roepen.

[1562] Zie Hoofdstuk VII, vers 55 en Hoofdstuk XXV, vers 50.

[1563] De Mahomedanen noemen dit dier, welke verschijning een teeken van de nadering van den dag des oordeels zal zijn, al Jessasa of el Djessassa (de spion). De uitleggers geven bijzonderheden nopens de grootte en den vorm van het dier op, welke zij tot Mahomet, Ali of ook wel tot Abou HoreÔra, den gezel van den profeet doen opklimmen. Zoo moet het monster zestig ellebogen lang wezen; een stierenkop, varkensoogen, olifantsooren, hertshoornen, den hals van een struisvogel, de borst van een ram, de pooten van een kameel hebben; men zou het in zijnen loop niet kunnen inhalen noch aan zijne vervolging ontkomen. Het zou, volgens de overlevering, uit eene der groote moskeen voortkomen. Dit monster draagt den staf van Mozes en het zegel van Salomo: overal op zijn doortocht zal het de menschen, met den een of met het ander merken. Zij die met den staf van Mozes zullen worden aangeraakt, zullen een van witheid schitterend aangezicht hebben: dit zijn de goeden. Zij, wien het zegel zal worden opgedrukt, zullen een zwart aangezicht hebben; dit zijn de verdoemden.

[1564] Of, volgens eene andere lezing: dat hen zal verwonden.

[1565] Sommigen zeggen, dat de personen van deze algemeene verwarring uitgezonderd, zullen zijn: de engelen GabriÎl, MichaÎl, Israfil en IsraÎl (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi). Anderen veronderstellen, dat het de maagden van het paradijs zijn en de engelen die deze plaats bewaken en Gods troon bewaren (Dezelfde). Anderen willen dat het de martelaren zijn (Ebn Abbas).

[1566] Dat is: tegen de vrees der verdoemenis, en de andere rampen, die de zondaren zullen verontrusten, maar niet tegen den algemeenen schrik of de verwarring, in de vorige noot vermeld.

[1567] Zijnde: De voordeelen door de ware geloovigen op de ongeloovigen behaald, en, vooral de overwinning te Bedr.

[1568] De titel van dit hoofdstuk is ontleend aan vers 26, waar Mozes gezegd wordt de geschiedenis van zijne lotgevallen aan Shoaib te hebben verhaald. Voor de aanvangletters zie Hoofdstuk XXVI, vers 1, noot.

[1569] Sommigen zonderen hiervan vers 25 uit.

[1570] Zijnde: Úf in gedeelten, opdat zij beter zijne bevelen zouden kunnen vernemen en de diensten verrichten, welke hij van hen eischte, Úf in tegenover elkander staande partijen, teneinde te voorkomen, dat zij iets tegen hem zouden ondernemen, om zich van zijne tirannie te verlossen.

[1571] Namelijk de IsraÎlieten.

[1572] Zie Hoofdstuk XXVI, vers 59.

[1573] Deze naam is aan Pharaos eersten minister gegeven, van waar algemeen de gevolgtrekking wordt gemaakt, dat Mahomet hier Haman op het oog heeft den gunsteling van Ahasveros, koning van PerziÎ, en die onbetwistbaar vele jaren na Mozes leefde, in plaats van een tijdgenoot diens profeet te zijn. Maar hoe klaarblijkelijk deze dwaling ons moge schijnen, zou het toch zeer moeielijk, zoo niet onmogelijk zijn, een Mahomedaan daarvan te overtuigen, daar twee personen denzelfden naam kunnen dragen (Zie Reland, de Rel. Moham. p. 217.).

[1574] Men verhaalt dat de vroedvrouw, die de Hebreeuwsche vrouw verloste, verschrikt werd door een licht, dat bij Mozes' geboorte tusschen zijne oogen verscheen. Zij kreeg eene buitengewone gehechtheid voor het kind, en ontdekte het niet aan de beambten, zoodat zijne moeder hem in haar huis hield en hem drie maanden voedde, waarna het haar onmogelijk was, hem langer te bewaren, daar de koning toen bevelen gaf, de opsporingen nauwkeuriger te doen plaats hebben (Al Beid‚wi, zie de noten op Hoofdstuk XX, vers 39).

[1575] Deze plotselinge gehechtheid of bewondering werd in hen veroorzaakt Úf door zijne ongewone schoonheid, Úf door licht dat op zijn voorhoofd scheen, Úf omdat, toen zij den korf openden, zij bevonden, dat hij op zijn duim zoog, die hem van melk voorzag. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).

[1576] Zie Hoofdstuk XX, vers 41.

[1577] Zijnde: Des middags; tegen welken tijd het in die streken de gewoonte is, dat men een slaapje doet, of, zooals anderen veronderstellen, meer tegen den avond.

[1578] Zijnde de een, een IsraÎliet, van zijn eigen godsdienst en zijn eigen volk, en de andere een afgodendienende Egyptenaar.

[1579] Mahomet neemt aan, dat Mozes den Egyptenaar onrechtvaardig doodde, maar om het te verontschuldigen, vooronderstelt hij dat hij hem sloeg zonder de bedoeling te hebben hem te dooden.

[1580] Sommigen veronderstellen dat deze woorden door den IsraÎliet werden gezegd, die omdat Mozes hem had berispt, zich verbeeldde, dat hij gekomen was om hem te slaan; en anderen door den Egyptenaar, die wist of verdenking had, dat Mozes den vorigen dag zijn landgenoot had doen omkomen.

[1581] Deze persoon, zegt de overlevering, was een Egyptenaar en de zoon van Pharaos oom, maar een waar geloovige, die, wetende dat de koning onderricht was van hetgeen Mozes had bedreven, en bepaald had, dat hij ter dood zou gebracht worden, hem onmiddellijk daarvan kennis gaf, om zich door de vlucht te kunnen redden.

[1582] Door een steen van een bijzonder groot gewicht weg te rollen, die door de schaapherders op den mond der bron was gelegd, en niet minder dan zeven (anderen noemen een nog grooter getal) mannen, vereischte om verplaatst te worden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Interd. Yahya).

[1583] Toen de vader aan het meisje vroeg, hoe zij Mozes die getuigenis kon geven, verhaalde zij hem, dat hij den bovenvermelden grooten steen zonder eenige hulp had verplaatst, en dat hij haar niet aangezien, maar zijn hoofd nedergebogen had gehouden, tot hij hare boodschap had gehoord, en dat hij had verlangd, dat zij achter hem zou loopen, daar de wind hare kleederen eenigszins in wanorde bracht, waardoor een gedeelte harer beenen werd ontbloot, (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Interd. Yahya).

[1584] Zijnde den langsten termijn, van tien jaren. De Mahomedanen zeggen, dat Mozes van Shoaib den staf der profeten ontving (die in een myrtentak uit het paradijs bestond, en van Adam tot op hem was gekomen), ten einde de wilde dieren van zijne schapen af te houden, en dat dit de staf was, waarmede hij al de wonderen in Egypte volvoerde.

[1585] Zie Hoofdstuk XX, vers 8.

[1586] Letterlijk: uw vleugel: deze uitdrukking zinspeelt op de beweging der vogelen die hunne vleugels uitslaan om weg te vliegen, wanneer zij verschrikt zijn, en die weder samenvouwen, al zij zich zeker achten.

[1587] Zie Hoofdstuk XXVI, vers 28.

[1588] Men zegt dat Haman, na de steenen en andere materialen te hebben gereed gemaakt, niet minder dan vijftig duizend man, behalve de arbeiders, voor het gebouw gebruikte, dat zij tot zulk eene reusachtige hoogte optrokken, dat de werkman er niet langer op kon staan. Pharao beklom daarop dien toren en wierp eene speer naar den hemel, die met bloed bevlekt terugviel, waarop hij godlasterend snoefde, dat hij den God van Mozes had gedood. Maar bij zonsondergang zond God den engel GabriÎl, die met eene streek van zijn vleugel den toren omverwierp, waarvan een gedeelte op het leger des konings viel en een millioen menschen doodde (Al Zamakhshari.)

[1589] Dat is tot de Arabieren; tot welke nog geen profeet gezonden was; ten minste niet na IsmaÎl.

[1590] Zijnde de Pentateuchus en de Koran. Sommige afschriften lezen hier: twee bedriegers: Mozes en Mahomet, bedoelende.

[1591] Omdat zij niet alleen in hunne eigene schriften, maar ook aan den Koran hebben geloofd.

[1592] Zie Hoofdstuk XXV, vers 64, noot.

[1593] Deze tegenwerping werd door al Hareth Ebn Othman Ebn Nawfal Ebn Abd Menaf gemaakt, die tot Mahomet kwam en hem vertelde, dat de KoreÔshieten geloofden, dat hij de waarheid predikte, maar vreesden, dat indien zij de Arabieren tot hunne vijanden maakten, door hunnen godsdienst te verlaten, zij ook genoodzaakt zouden zijn Mekka te verlaten, daar zij slechts een handvol personen uitmaakten in vergelijking van de geheele natie (Al Beid‚wi).

[1594] Door hun het geheiligde grondgebied van Mekka tot woonplaats te geven; eene plaats door God beschermd en door den mensch vereerd.

[1595] Dat is: voor een dag of slechts eenige uren, terwijl de reizigers zich daar ophouden, om uit te rusten en zich te verfrisschen, of, zoo als het oorspronkelijke mede kan beteekenen: tenzij door eenige inwoners, daar eenige dier oude steden en woonplaatsen zeer vervallen en andere schaars bewoond zijn.

[1596] Daar niemand werd overgelaten om daarvan na hen te genieten.

[1597] Zie Hoofdstuk X, vers 29.

[1598] Letterlijk: De rekenschap daarvan zal duister voor hen wezen; want de verwarring, waaraan zij dan onderhevig zijn, zal hen verstompt en ongeschikt maken om antwoord te geven.

[1599] Zijnde de profeet, die aan ieder volk zal zijn gezonden.

[1600] De uitleggers zeggen, dat Karoen de zoon van Yeshar (of Izhar) was, de oom van Mozes, en maken hem tot denzelfden als den Korah der schriften. Deze persoon wordt door hen voorgesteld, als de schoonste der IsraÎlieten, die hen zoozeer in rijkdom overtrof, dat de rijkdom overtrof, dat de rijkdommen van Karoen tot een spreekwoord werden. De Mahomedanen verhalen, dat hij een groot paleis bouwde met goud bedekt, welks deuren van massief goud waren. Zij voegen er bij, dat hij door zijne reusachtige rijkdommen zoo onbeschaamd werd, dat hij een opstand tegen Mozes beraamde. Sommigen beweren echter, dat de aanleiding zijner weerspannigheid in zijne onwilligheid lag om aalmoezen te geven, gelijk Mozes had bevolen. Eens toen Mozes tot het volk predikte en, onder andere wetten welke hij openbaarde, ook zeide, dat overspeligen zouden worden gesteenigd, vroeg Karoen hem, wat er zou gebeuren, indien hij aan dezelfde misdaad werd schuldig bevonden? Mozes antwoordde, dat hij dan dezelfde straf zou ondergaan. Daarop bracht Karoen eene ontuchtige vrouw voor den dag, welke hij gehuurd had om te zweren, dat Mozes haar had beslapen, waarvan hij hem in het openbaar beschuldigde. Mozes bezwoer daarop de vrouw de waarheid te zeggen, waardoor zij van haar voornemen terugkwam en beleed, dat zij door Karoen was omgekocht om hem valsch te beschuldigen. Daarop deed God aan Mozes weten, die zich bij hem over het gebeurde had beklaagd, dat hij van de aarde zou vragen wat hem behaagde, en dat die hem zou gehoorzamen, waarop hij zeide: O aarde! verzwelg hem! De aarde opende zich nu onmiddellijk onder Karoen en zijne bondgenooten, en verzwolg hen met zijn paleis en al zijne rijkdommen (Abu'lfeda, Jallalo'ddin, Al Beid‚wi, enz.).

[1601] Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk een getal personen van tien tot veertig. Sommigen beweren, dat deze sleutels zeventig man vereischten. Abu'lfeda zegt dat men veertig muilezels gebruikte, om die te vervoeren.

[1602] Deze plaats komt overeen met Luc. XVI : 9.

[1603] Men zegt, dat hij op een witten muilezel reed, die met gouden tuig was versierd; dat hij in purper was gekleed, en door vier duizend wel gewapende en rijk gekleede mannen gevolgd werd.

[1604] Sommigen zeggen, dat dit vers aan Mahomet werd geopenbaard, toen hij op zijne vlucht van Mekka naar Medina te Johfa aankwam, ten einde hem gerust te stellen en zijne klachten te stillen.

[1605] In vers 40 wordt van dit insect melding gemaakt.

[1606] Sommigen beweren, dat de verzen 1-10 te Medina werden geopenbaard en het overige gedeelte van het Hoofdstuk te Mekka; anderen weder gelooven het tegenovergestelde.

[1607] Zie Hoofdstuk II, vers 1, noot.

[1608] Deze plaats gispt het ongeduld van sommige der volgelingen van den profeet, veroorzaakt door de ongemakken, welke zij doorstonden in de verdediging van hunnen godsdienst en de verliezen die zij van de ongeloovigen leden, door hun aan te toonen, dat zulke rampen noodzakelijk waren om den oprechten persoon van den huichelaar, den standvastige van den twijfelende te onderscheiden. Sommigen veronderstellen, dat deze plaats werd veroorzaakt door den dood van Mahja, den slaaf van Omar, welke in den slag van Bedr door een pijl gedood, en door zijne vrouw en nabestaanden diep betreurd werd (Al Beid‚wi).

[1609] Zijnde: de schuld aan de verleiding van anderen, die gevoegd zal worden bij de schuld hunner eigene weerspannigheid, zonder de schuld dergenen te verminderen, die door hen zijn verleid.

[1610] Dit is waar, indien men het geheele leven van Noach rekent; en volgens het beweren van Abu'lfeda, werd hij in zijn tweehonderdvijftigste jaar gezonden om te prediken en leefde hij in het geheel negenhonderdvijftig jaren: de tekst schijnt echter alleen te spreken van de jaren, welke hij doorbracht met vÛÛr den zondvloed te prediken, daar de uitleggers veronderstellen, dat hij veel langer heeft geleefd. Sommigen zeggen, dat de geheele lengte van zijn leven duizend en vijftig jaren was; dat hem op veertigjarigen ouderdom zijne zending werd opgedragen, en dat hij zestig jaren na den zondvloed leefde (Al Beid‚wi, Al Zamakshari). Anderen geven verschillende getallen op, en ÈÈn vooral beweert, dat Noach bijna zestienhonderd jaren leefde (Caab, op Yahya). Al Beid‚wi zegt, dat deze omstandigheid werd vermeld, om Mahomet te verzekeren dat God, die Noach zoovele jaren tegen weerspannigheid en de aanslagen der antidiluviaansche ongeloovigen had ondersteund, niet zou nalaten, hem tegen alle pogingen van de afgodendienende bewoners van Mekka en hunne partijgangers te verdedigen.

[1611] De ark.

[1612] Zie Psalm CXXXIX : 7, enz.

[1613] Zie Hoofdstuk XXI, vers 71.

[1614] Sommigen veronderstellen, dat de bewoners van Sodom de voorbijgangers plunderden en doodden; anderen dat zij hunne lichamen misbruikten.

[1615] Daar hunne bijeenkomsten tooneelen van onkuischheid en ongebondenheid waren.

[1616] Zie Hoofdstuk XI, vers 72.

[1617] Zie ibid, vers 77.

[1618] Zijnde het verhaal harer vernietiging, door de gewone overlevering gemeld, of wel hare bouwvallen, of andere sporen van dit vonnis. Er wordt beweerd, dat verscheidene der steenen die op deze steden uit den hemel nedervielen, nog te zien zijn, en dat de grond waar zij stonden, verbrand en zwartachtig schijnt.

[1619] Zie Hoofdstuk VII, vers 89.

[1620] Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk een wind, die het zand en de kleine steentjes voor zich uitdrijft, en waarmede de storm, of de regenbui van steenen, schijnt te worden bedoeld, die Sodom en Gomorrah vernielde.

[1621] Hetgeen het einde van Ad en Thamoed was.

[1622] Zooals met Karoen geschiedde.

[1623] Zooals de ongeloovigen ten tijde van Noach en Pharao met zijn leger.

[1624] Zijnde: zonder hevige taal en drift. Dit vers wordt algemeen verondersteld, door dat van het zwaard te zijn afgeschaft; maar sommigen denken, dat het alleen betrekking heeft op degenen, die met de Moslems in bondgenootschap zijn.

[1625] Zie Hoofdstuk VI, vers 57.

[1626] Dat is: Indien gij mij niet in de eene stad of op de eene plaats kunt aanbidden, vlucht dan naar eene andere, waar gij den waren godsdienst in zekerheid kunt belijden; want de aarde is ruim genoeg, en gij zult gemakkelijk toevluchtsoorden vinden. Men zegt dat Mahomet heeft verklaard, dat, wie om de zaak van den godsdienst vlucht al zij het ook, dat hij ÈÈne span aflegt, het paradijs verdient, en de makker van Abraham en de zijnen zal wezen (Al Beid‚wi).

[1627] En weet dus wie een goed en wie een slecht gebruik zijner rijkdommen zal maken.

[1628] Het oorspronkelijke woord is al Rum, waarmede hier de latere Grieken, of de onderdanen van het Konstantinopelsche rijk worden bedoeld. De Arabieren geven echter denzelfden naam aan de Romeinen en andere Europeanen.

[1629] Sommigen zonderen hiervan vers 17 uit.

[1630] Zie Hoofdstuk II, vers 1, noot.

[1631] De vervulling van de profetie vervat in deze plaats, die bij de Mahomedanen zeer beroemd is, wordt door hunne godgeleerden beschouwd als een overtuigend bewijs, dat de Koran werkelijk van den hemel nederkwam. Het zal daarom dan ook niet ondienstig zijn hierbij langer dan gewoonlijk stil te staan. Deze plaats wordt gezegd geopenbaard te zijn bij gelegenheid eener groote overwinning, door de Perzen op de Grieken behaald. Toen het bericht daarvan te Mekka aankwam werden de ongeloovigen uitermate overmoedig, en begonnen Mahomet en zijne volgelingen te mishandelen, zich verbeeldende, dat dit voordeel, behaald door de Perzen, die, gelijk zij zelven, afgodendienaars waren, en verondersteld werden geene schriften te bezitten, op de Christenen, die, evengoed als Mahomet beweerden ÈÈn God te aanbidden en goddelijke schriften te bezitten, een begin was van hunne eigene, toekomstige overwinningen op den profeet en zijne volgelingen. Om deze ijdele hoop te keer te gaan, wordt hier in den tekst voorzegd, dat, hoe onwaarschijnlijk het ook moge zijn, de kans in eenige jaren zou verkeeren en de overwonnen Grieken op wonderdadige wijze over de Perzen zouden zegepralen. Dat deze profetie juist vervuld werd, vergeten de uitleggers niet te doen opmerken; doch zij komen niet geheel overeen in de verhalen welke zij van hare vervulling geven, daar het aantal jaren tusschen de twee voorvallen niet juist is uitgemaakt. Sommigen plaatsen de overwinning, door de Perzen behaald in het vijfde jaar voor de Hedjira, en hunne nederlaag door de Grieken in het tweede jaar daarna, toen de slag van Bedr plaats had (Jallalo'ddin, enz.) Anderen plaatsen het eerste wapenfeit in het derde of vierde jaar voor de hedjira en het laatste in het einde van het zesde of in het begin van het zevende jaar daarna, toen de expeditie naar al HodaÔbiÔah werd ondernomen (Al Zamakhshari, Al Beid‚wi.) Het tijdstip van de overwinning door de Grieken behaald, in het eerstgenoemde dezer verhalen opgegeven, is in tegenspraak met eene geschiedenis, welke door de uitleggers wordt verhaald van eene weddenschap door Aboe Bekr met Obba Ebn Khalf aangegaan, die zijne voorspelling bespottelijk maakte. Aboe Bekr verwedde eerst tien jonge kameelen, dat de Perzen binnen drie jaren eene nederlaag zouden lijden. Toen hij nu Mahomet verhaalde wat hij had gedaan, zeide de profeet hem, dat het woord bed, waarvan in deze plaats wordt gebruik gemaakt, geen bepaald getal jaren beteekent, maar een zeker getal van drie tot negen (eenigen veronderstellen dat het tiende jaar mede daaronder is begrepen), en ried hem dus aan, den tijd te verlengen, en de weddenschap grooter te maken, hetgeen hij dientengevolge aan Obba voorstelde. Zij besloten daarop, dat de bepaalde tijd negen jaren en de inzet der weddenschap honderd kameelen zou wezen. Alvorens deze tijd was verloopen, stierf Obba aan eene wonde, welke hij te Ohod had ontvangen, in het derde jaar der hedjira (Zie Hoofdstuk XXVI, vers 29, in de noot). Maar toen de gebeurtenissen daarna toonden, dat Aboe Bekr had gewonnen, ontving hij de kameelen van de erfgenamen van Obba en bracht die in zegepraal naar Mahomet (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin enz.). De geschiedenis leert ons dat de overwinningen van Khosroe Parvis, of den Edelmoedigen (590-628) koning van PerziÎ, die een vreeselijken oorlog tegen het Grieksche rijk onderhield, om den dood van Maurits, zijn schoonvader te wreken, die door Phocas was gedood, zeer groot waren en elkander in eene onafgebroken reeks van tweeÎntwintig jaren opvolgden. Vooral in het jaar 615 na Christus, tegen het begin van het zesde jaar voor de hedjira, maakten de Perzen, die in het voorafgaande jaar SyriÎ hadden verwonnen, zich meester van Palestina en namen Jeruzalem in. Dit schijnt het groote voordeel te zijn op de Grieken behaald, als het best overeenkomende met de uitdrukkingen hier gebruikt, en het meeste geschikt, de Arabieren door de nabijheid van het tooneel des voorvals te verontrusten. Op dien tijd was er bovendien zoo weinig waarschijnlijkheid, dat de Grieken in staat zouden wezen, hunne verliezen te herwinnen, en veel minder de Perzen nadeel toe te brengen, dat de wapenen der laatstgenoemden nog meer en aanzienlijker vorderingen maakten, en zij eindelijk zelfs het beleg voor Konstantinopel sloegen. Maar in het jaar 625 waarin het vierde jaar van de hedjira begon, omstreeks tien jaren na de inneming van Jeruzalem behaalden de Grieken, toen dit het allerminst werd verwacht, eene belangrijke overwinning op de Perzen en dwongen hen, niet alleen het grondgebied des rijks te verlaten, door den krijg in hun eigen vaderland over te brengen, maar dreven hen tot het uiterste punt en plunderden de groote stad al Madayen. Heraclius mocht zich van toen af in eene aanhoudende reeks van voordeelen verblijden, tot de aftreding en den dood van Kosroe. Overigens verwijzen wij naar de historieschrijvers en chronologen. (Zie Asseman, Bibl. Orient. t. 3 part 1, p. 411 enz. en Boulainy. Vie de Moham, p. 333, enz.)