De Koran Voorafgegaan Door Het Leven Van Mahomed Eene Inleiding
Chapter 91
[1472] Zijnde: Zij zullen vaneen scheiden en ruimte maken voor de wolken, die met de engelen zullen nederdalen, de boeken dragen, waarin de daden van ieder mensch zijn vermeld.
[1473] Door sommigen wordt verondersteld, dat deze woorden bijzonder betrekking hebben op Okba Ebn Abi Moait, die gewoon was veelal in Mahomets gezelschap te zijn. Eens noodigde hij hem tot een bezoek uit: de profeet weigerde van zijn vleesch te proeven, tenzij hij den Islam omhelsde, hetgeen hij dientengevolge deed. Spoedig daarna ontmoette Okba zijn vertrouwden vriend Obba Ebn Khalf. Deze berispte hem, omdat hij van godsdienst was veranderd, doch Okba verzekerde dat dit niet zoo was, maar dat hij alleen de belijdenis van het Islamismus had afgelegd om Mahomet er toe te brengen, met hem te eten, daar hij zich schaamde hem zonder eten uit zijn huis te laten gaan. Obba zeide echter dat hij niet voldaan zou wezen, zoo lang hij Mahomet niet had opgezocht, hem zijn voet op den nek gezet en hem in het gezicht gespuwd zou hebben, hetgeen Okba, om zijn vriend niet te verliezen, op de openbare vergaderplaats deed, waar hij Mahomet vond zitten. De profeet zeide hem daarop, dat hij hem het hoofd zou afsnijden, zoodra hij hem buiten Mekka mocht ontmoeten. En hij hield zijn woord; want toen Okba later in den veldslag van Bedr werd gevangen genomen, werd zijn hoofd, op Mahomets bevel, door Ali afgeslagen. Wat Obba betreft, hij ontving eene wonde van des profeten eigen hand in den slag van Opod, tengevolge waarvan hij bij zijn terugkeer te Mekka overleed (Al Beid‚wi. Zie Gagnier, Vie de Moham. vol. I. p. 362).
[1474] Overeenkomstig de voorafgaande noot was dit Obba Ebn Khalf.
[1475] Zooals, volgens de meening der Mahomedanen, de Pentateuchus, de psalmen en het Evangelie, terwijl het drieÎntwintig jaren duurde alvorens de Koran in zijn geheel werd geopenbaard.
[1476] Zoowel om u moed en standvastigheid in te boezemen, als om uw geheugen en uw verstand te versterken. Want, zeggen de uitleggers, de profeet ontving van tijd tot tijd de goddelijke leidingen hoe hij zich gedragen en bij een of andere dringende gelegenheid spreken moest, waarbij de herhaalde bezoeken van den engel GabriÎl hem grootelijks in al die moeielijkheden aanmoedigden en ondersteunden. Bovendien was de openbaring van den Koran bij gedeelten eene groote en voor hem een noodzakelijke hulp, om dien te begrijpen en te onthouden, hetgeen voor hem geheel onmogelijk ware geweest, het met eenige nauwkeurigheid te doen, indien die in eens ware geopenbaard. Zij voegen er bij, dat het geval van Mahomet geheel verschillend was van dat van Mozes, David en Jezus, die allen lezen en schrijven konden, terwijl hij geheel ongeletterd, was (Al Beid‚wi, enz.)
[1477] De uitleggers zijn er mede verlegen, waar zij al Rass zullen plaatsen. Volgens een hunner was het de naam van eenen bron (hetgeen ook de beteekenis van het woord is) nabij Midian, waar sommige afgodendienaars hunne woningen hadden gevestigd en waarheen de profeet Shoaib werd gezonden, om voor hen te prediken; doch daar zij niet in hem geloofden, viel de bron in en zij en hunne huizen werden verzwolgen. Een ander veronderstelt, dat het eene stad in Yamama was, waar eenige overgeblevenen van de Thamoediten woonden, aan welken mede een profeet werd gezonden; doch zij doodden hem en werden daarop geheel verdelgd. Een ander meent, dat het eene bron nabij AntiochiÎ was, waar Habib al Najjar, wiens graf daar nog te zien is en dikwijls door de Mahomedanen wordt bezocht [Zie Hoofdstuk XXXVI] werd gemarteld (Zie Abul'f, Geog. Vit. Saladine p. 86). Een vierde ziet in al Rass eene bron in Hadramaut, in welker nabijheid eenige afgodendienende Thamoediten woonden, wier profeet Handha of Khantala Ebn Safwan was. Dit volk werd het eerst verontrust door zekere reusachtige vogels Anka genaamd, die in den berg boven hen waren genesteld en hunne kinderen wegvoerden, als zij een prooi begeerden; maar zij bekreunden zich zoo weinig over deze ramp, dat, toen de profeet een oordeel over die dieren afsmeekte, zij hem doodden, waarna zij allen verdelgd werden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1478] Zijnde Sodom. De KoreÔshieten trokken namelijk gedurende de reizen welke zij, voor handelszaken, naar SyriÎ deden, dikwijls de plaats voorbij, waar die stad eens had gestaan.
[1479] Zijnde: Verwacht gij zulk een van afgoderij en ongeloof te zullen kunnen terughouden?
[1480] Zie Hoofdstuk VII, vers 55.
[1481] Eigenlijk zuiverend water, welke bijnaam waarschijnlijk betrekking heeft op de reinigende eigenschap dier vloeistof, welke van zulk uitgebreid gebruik is, zoowel in het godsdienstige als in het gewone leven.
[1482] Dat is aan de zulken, die in de dorre woestijnen leven, en verplicht zijn regenwater te drinken, hetgeen de bewoners van steden, en van plaatsen, welke van bronwater zijn voorzien, niet noodig hebben.
[1483] Of uit ongeloof. De oude Arabieren waren namelijk gewoon te denken, dat zij den regen niet aan God maar aan een invloed van sommige bijzondere sterren te danken hadden.
[1484] Om hen afzonderlijk te houden en te voorkomen dat zij zich met elkander vermengen. Het oorspronkelijke woord is parzakh, hetgeen reeds vroeger Hoofdstuk XXIII noot van vers 102 werd uitgelegd.
[1485] Waarmede de oorspronkelijke klei werd vermengd, of van zaad. (Zie Hoofdstuk XXIV, vers 44.).
[1486] Door zich met hem, in zijne weerspannigheid, in zijn ongeloof te vereenigen. Sommigen meenen dat op deze plaats vooral Aboe Jahl wordt bedoeld. De woorden kunnen ook aldus worden vertaald: De ongeloovige is verachtelijk voor de oogen van zijn Heer.
[1487] Trachtende hem te naderen, door den godsdienst te omhelzen, welke door mij, zijn profeet, wordt geleerd, hetgeen de beste belooning is, welke ik van u voor mijn arbeid verwacht (Al Beid‚wi). Deze plaats kan echter nog anders worden opgevat, en wel aldus: Dat Mahomet niemand iets zal geven dan aan hem, die vrijwillig en volgaarne zal bijdragen tot den vooruitgang van Gods waren eeredienst.
[1488] Zie Hoofdstuk XVII, vers 110.
[1489] Zijnde de zon.
[1490] Zie Hoofdstuk XVII, vers 28.
[1491] Hunne vroegere weerspannigheid uitwisschende, door hun berouw en hun geloof, en hunne gehoorzaamheid bevestigende en uitbreidende (Al Beid‚wi).
[1492] Dit hoofdstuk draagt dezen naam, omdat aan het einde daarvan de Arabische dichters scherp worden gegispt.
[1493] Sommigen zonderen hiervan de laatste verzen uit, en zeggen dat die te Medina werden geopenbaard.
[1494] Ta. Sin. Mim. Zie Hoofdstuk II, vers 1, in de noot.
[1495] Zie Hoofdstuk XX, vers 26, volg.
[1496] Namelijk dat hij een Egyptenaar had gedood (Zie Hoofdstuk XXVIII, vers 14 en 15).
[1497] Dit woord staat in het oorspronkelijke in het enkelvoudig, waarvoor de uitleggers verschillende redenen opgeven.
[1498] Men zegt dat Mozes dertig jaren onder de Egyptenaren woonde en zich vervolgens naar Midian begaf, waar hij zes jaren bleef. Daarna keerde hij naar Egypte terug en besteedde dertig jaren in pogingen hen te bekeeren: na het verdrinken van Pharao zou hij nog vijftig jaren hebben geleefd (Al Beid‚wi.).
[1499] Door den Egyptenaar zonder voordracht te dooden.
[1500] Het schijnt dat Pharao veronderstelde dat Mozes slechts onbedachte antwoorden op zijne vraag had gegeven omtrent hetgeen hij wenschte nopens den persoon en den waren aard van God te kennen, wiens boodschapper Mozes voorgaf te zijn, terwijl hij slechts van zijn werken sprak. En aangezien dit antwoord den Koning zoo weinig voldeed, wordt hij door sommigen verondersteld een Dhariet te zijn geweest, of iemand die in de eeuwigheid van het voortbestaan der wereld gelooft (Al Beid‚wi.).
[1501] Van deze en eene gelijksoortige uitdrukking in het XXVIIIe Hoofdstuk (vers 38) wordt afgeleid, dat Pharao van zijne onderdanen eischte, dat zij hem zouden aanbidden, als een hulde aan zijne oppermacht verbonden.
[1502] Al Beid‚wi zegt, dat dit eene vreeselijker bedreiging was dan indien hij zou gezegd hebben: Ik zal u gevangen nemen; daaruit toch moest het Mozes blijken, dat hij in gezelschap zou wezen met de boosdoeners, die door den tyran, volgens zijn gewoonte, in een diepe onderaardsche gevangenis werden geworpen, waar zij bleven tot zij stierven.
[1503] Maar hij heeft de diepste geheimen voor zich behouden. (Al Beid‚wi).
[1504] Zie Hoofdstuk VII, vers 117-23, enz.
[1505] Van hier wordt door sommigen verondersteld, dat de IsraÎlieten, na de vernietiging van Pharao en zijne heerscharen naar Egypte terugkeerden, en van de rijkdommen van dat land bezit namen (Jallalo'ddin, Yahya.). Anderen zijn echter van oordeel, dat de bedoeling slechts deze is, dat God hun dezelfde bezittingen en woningen in eene andere plaats gaf, (Al Zamakshari. Zie voorts Hoofdstuk VII, vers 133).
[1506] Letterlijk: Schenk mij eene taal van waarheid; dat is een hooge lof. In Hoofdstuk XIX, vers 51 wordt dezelfde uitdrukking gebruikt.
[1507] Door hem tot berouw te neigen en hem het ware geloof te doen ontvangen. Sommigen veronderstellen, dat Abraham dit gebed na den dood van zijn vader uitsprak, denkende dat hij misschien inwendig een waar geloovige kon zijn geweest, die echter zijne bekeering uit vrees voor Nimrod verborg, en dat het hem verboden was vroeger voor hem te bidden (Zie Hoofdstuk IX, vers 115 en Hoofdstuk XIV, vers 42).
[1508] Zie Hoofdstuk XXI, vers 98.
[1509] Zijnde: Hetzij dat zij het geloof door mij gepredikt, uit de oprechtheid huns harten, hetzij met het oog op eenig wereldlijk voordeel hebben omhelsd.
[1510] Zie Hoofdstuk XI, vers 29 en 31.
[1511] Of om de voorbijgangers te bespotten, die zich naar de sterren richten, en geene behoefte aan dergelijke gebouwen hebben? (Al Beid‚wi).
[1512] Zonder genade doodende en andere lichamelijke straffen opleggende, en veel meer tot de voldoening uwer drift, dan tot boete voor hen die daaraan worden onderworpen (Al Beid‚wi).
[1513] De woorden hier tusschen [†] geplaatst zijn in de vertolking van Savary weggelaten.
[1514] Of, zooals het oorspronkelijke woord mede kan worden vertaald: kunst en vindingrijkheid in uw werk toonende.
[1515] Dat is: zij waren gewoon het water beurtelings te gebruiken. De kameel dronk een dag, en de Thamoediten wachtten tot den anderen; want als die kameel dronk, waren de bronnen of beken voor dien dag geledigd (Zie Hoofdstuk VII, vers 71).
[1516] Zie Hoofdstuk XV, vers 78. Daar Shoaib niet de broeder van die volken wordt genoemd, hetgeen de gelijkvormigheid van deze plaats met de vorige zou hebben bewaard, wordt door sommigen gemeend, dat zij geene Midianieten maar van een anderen stam waren. Wij zien echter dat de profeet hen van dezelfde misdaden beschuldigt als die van Midian (Zie Hoofdstuk VII vers 83, volg). Savary vertaalt de woorden: "De bewoners van het woud" met "de bewoners van Aleika".
[1517] God bezocht hen eerst gedurende zeven dagen met zulk eene ondragelijke hitte, dat al hunne wateren opdroogden: daarna bracht hij eene wolk over hen, onder welker schaduw zij toevlucht zochten, waarna zij allen door vuur en een brandenden wind werden verdelgd, die daaruit nederkwamen. (Al Beid‚wi).
[1518] Zijnde GabriÎl, die met de goddelijke geheimen en openbaringen bekend is.
[1519] De ongeloovigen tartten Mahomet aanhoudend, eene duidelijke en wonderbaarlijke verdelging over hen te brengen; zooals een regenbui van steenen, enz.
[1520] Zie Hoofdstuk XV, vers 16 en 17.
[1521] De uitleggers veronderstellen dat hetzelfde bevel eigenlijk reeds in hoofdstuk LXXIV is vervat, dat, wat den tijd betreft, aan dit voorafging. Men zegt dat Mahomet op het ontvangen der voor ons liggende plaats, onmiddellijk den berg Jafa beklom, en daarna verscheiden gezinnen, een voor een, bij zich riep. Toen zij allen verzameld waren, vroeg hij hun, of, indien hij hun vertelde dat de berg een kleineren berg zou voortbrengen, zij hem zouden gelooven, waarop zij bevestigend antwoordden. Daarop zeide hij: Waarlijk, ik ben tot u gezonden, om u voor eene ernstige kastijding te waarschuwen (Al Beid‚wi).
[1522] Zijnde: Die u ziet, wanneer gij opstaat om te waken, en den nacht in godsdienstige verrichtingen doorbrengt, en die uwe angstige zorg gadeslaat, voor de juiste vervulling der plichten van de Moslems. Men zegt dat in den nacht, waarin het voorschrift van het waken werd afgeschaft, Mahomet heimelijk van het eene huis naar het andere ging, om te zien hoe zijne volgelingen hunnen tijd doorbrachten, en dat hij hen zoo zeer met het lezen van den Koran en met het herhalen hunner gebeden bezig vond, dat hunne huizen, door het brommende geluid dat zij veroorzaakten, even zoo vele horsel- of paardenvliegennesten schenen te zijn (Al Beid‚wi). Sommige uitleggers veronderstellen echter, dat door het gedrag van den profeet, op deze plaats de verschillende houdingen worden bedoeld, welke hij gewoon was aan te nemen, terwijl hij aan het hoofd zijner volgelingen trad zooals: staan, buigen, nederknielen en zitten (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1523] Na zich verdedigd te hebben tegen de beschuldiging, dat hij met de duivels in verband zou zijn, door de tegenstrijdigheid tusschen zijne leer en hunne plannen en hunne overmacht, een zooveel omvattend boek, als den Koran, samen te stellen, gaat de profeet over tot het aantoonen, dat de personen die het meest geneigd zijn tot het onderhouden van betrekkingen met deze booze geesten, leugenaars en lasteraars zijn; namelijk zijne vijanden en tegenstanders.
[1524] Zijnde: zij worden geleerd door de geheime ingeving van den duivel, en ontvangen hunne ijdele en onsamenhangende ingevingen als waarheid.
[1525] Ten allen tijde hebben de Arabieren hunne taal met veel zorg gekweekt, de poÎzie bemind en de dichters geÎerd. Te Okadh, had ieder jaar, buiten de wekelijksche kermissen eene jaarmarkt plaats, die eene maand duurde. Daar, te midden der handelszaken, kwamen de dichters van alle punten van ArabiÎ bij elkander. Zij zeiden hunne gedichten (Karidah) op, bezongen hunne daden en lotgevallen, en wedijverden in het behandelen van zulke onderwerpen. Dat was eene poÎtisch tournooi, waarbij de talrijke toehoorders, zoowel stedelingen als Beduinen, de rechters waren. Aan den waardigste werd de belooning toegekend, zijne gedichten in den hooggeschatten tempel--den Caaba--in gulden letteren opgehangen te zien. Van daar worden de zeven gedichten, die voor Mahomet in zwang waren, modhahhabat (verguld) en moallakat (opgehangen) genoemd. Vooral muntten de Arabieren der woestijn in de poÎzie uit; onder de tenten bleef de taal immer zuiverder en correcter bewaard. Dikwijls legde eene BeduÔnsche moeder eene pijnlijke straf op aan haar kind, dat zich aan eene fout tegen de taalkunde had schuldig gemaakt. Mahomet was aan de stoutheid zijner dichterlijke taal een groot deel van den bijval schuldig, waarmede zijn streven werd bekroond. Hij heeft zelfs zijne volgelingen aangeraden, de werken der Arabische dichters te raadplegen, en daarin de uitlegging der duistere uitdrukkingen of woorden van den Koran op te zoeken. Waaraan is het dan toe te schrijven, dat de profeet die befaamde jaarmarkt van Okadh opgeheven, en het anathema over de dichters uitgesproken heeft? Ziehier de reden. De Arabieren der woestijn in het algemeen, en daaronder de dichters, hadden weinig neiging voor den nieuwen eeredienst: zij waren aan de genoegens van het nomadenleven gehecht en aan de moeielijkheden daarvan gewoon; zij waren onafhankelijk, onwillig een juk, welk dan ook, te dragen; dapper, edelmoedig, maar trotsch en wraakzuchtig, altijd een vijand nazettende, om eene beleediging te wreken; of op de hielen eener schoonheid van de woestijn; gestreng en wild als Schanfara, de vermaken van het vroolijke leven beminnende als AmrolkaÔs; zorgeloos omtrent het toekomstige leven, twijfelaars en Epicuristen, en behoorden dus niet tot de eersten die den nieuwen profeet volgden. De dichters trachtten die gewoonten van het nomadenleven te bestendigen. Mahomet zag in dat negatieve en vernietigende instinct een grooten hinderpaal voor de vestiging zijner zedelijke en godsdienstige leer, en hij veroordeelt hen daarom. Voegt men hierbij, dat de satirieke geest van eenige hunne pijlen op den nieuwen profeet had doen richten, dan zal men zich niet verwonderen over het oordeel dat hij over hen uitbrengt. Eenige geschiedschrijvers beschuldigen AmrolkaÔs, satyren tegen Mahomet te hebben geschreven, welke laatste, op zijne beurt, een dichter Lebid, een nieuwen bekeerling, zou opgedragen hebben, daarop te antwoorden. De heer de Slane, die de gedichten van AmrolkaÔs heeft uitgegeven, bestrijdt deze meening; dat AmrolkaÔs en Lebid betreft, is het echter niettemin waar, dat Mahomet eenige gedienstige dichters te zijner beschikking had, en de verzen 227 en 228 zinspelen daarop. De dichters waren Lebid Ebn Rabia, Abda'llah Ebn Rawaha, Hassan Ebn Thabet en de twee Caabs. Eens zeide hij tot Caab Ebn Malec: Bestrijd hen (de dichters) met uwe satyren; want ik bezweer het u bij hem die mijne ziel in zijne handen houdt, de satyren verwonden meer dan de pijlen.
[1526] Daar hunne werken zoo onverdacht zijn als de daden van een bezeten mensch. Het meerendeel der oude dichtstukken was namelijk vol ijdele voorstellingen, zooals fabelachtige verhalen en beschrijvingen, minnedichten, vleierijen, buitensporige aanprijzingen hunner beschermers, evenzeer als buitensporige verwijtingen aan hunne vijanden, uitdagingen tot slechte daden, ijdele snorkerijen, en dergelijken (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1527] Deze uitzondering betreft de dichters in de voorlaatste noot opgenoemd, en welke den Islam omhelsden.
[1528] De titel van dit Hoofdstuk is ontleend aan vers 18. Behalve verscheiden vreemde dingen die in deze soera voorkomen, vindt men namelijk in dat vers eene wonderlijke geschiedenis van de mier. De aanvangletters zijn: Ta Sad.
[1529] Door hen, in hunne bedorven geaardheden en neigingen, zich behagelijk en aangenaam te doen gevoelen.
[1530] Zie Hoofdstuk XX, vers 9, volg.
[1531] Sommige zijn van oordeel, dat God, door de voorafgaande, en de engelen door de laatste woorden worden bedoeld (Yahya). Anderen denken, dat deze plaats het oog heeft op Mozes en de engelen, of op alle personen in die heilige vlakte en in haren omtrek aanwezig (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).
[1532] Deze uitzondering was bestemd om de voorafgaande bewoordingen te verklaren, die te algemeen schenen te zijn; want verscheiden der profeten begingen, voor hun hunne zending werd opgedragen, zonden, hoezeer die ook niet van belang waren, weshalve zij reden hadden Gods gramschap te duchten, maar hier wordt hun verzekerd dat hunne later gevolgde verdiensten hem op zijne vergiffenis aanspraak geeft. Men veronderstelt dat hier in het voorbijgaan op het onvoorbedacht dooden van den Egyptenaar door Mozes wordt gedoeld (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).
[1533] Zie Hoofdstuk XVII, vers 103.
[1534] Hij erfde niet alleen zijn koninkrijk, maar ook de zending van profeet. Hij werd boven zijne andere zonen verkozen, die niet minder dan negentien in getal waren (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).
[1535] Dat is: De bedoeling hunner verschillende stemmen, hoewel die niet gearticuleerd zijn. De uitleggers geven een aantal voorbeelden op van Salomos uitleggingen (Zie Marracc. nol. in loc. p. 511).
[1536] Deze vallei schijnt aldus genoemd te zijn naar het groot aantal mieren dat zich daar bevindt. Sommigen plaatsen haar in SyriÎ, anderen in Tayef (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1537] De Arabische geschiedschrijvers verhalen, dat Salomo, nadat hij den tempel van Jeruzalem had voleindigd, als pelgrim naar Mekka trok, van waar hij, na er zoo lang gebleven te zijn als hem behaagde, naar Yaman reisde. Hij verliet Mekka des ochtends en kwam des middags te Sanaa aan, en groot genoegen in deze plaats vindende, bleef hij daar. Hij verlangde echter water om zich te reinigen, en zocht daartoe onder de vogelen naar den kievit, door de Arabieren Al Hudbud genaamd, wiens taak het was dit te vinden; want men beweert, dat die vogel slim of scherpziende genoeg was, om het water onder den grond te ontdekken, hetgeen de duivels gewoon waren te putten, nadat hij de plaats had aangeduid door met zijnen bek te graven. De genoemde geschiedschrijvers voegen er bij, dat deze vogel dan opvloog, en nadat hij een van zijne gelijke zag, die nederdaalde, deed hij het mede, en daar hem door den ander eene beschrijving der stad van Saba was gegeven, van waar hij juist was teruggekomen, gingen zij beiden te zamen, om die plaats te zien en keerden spoedig terug, nadat Salomo de vraag had gedaan, welke het nu volgende te weeg bracht.
[1538] Door hem zijne vederen uit te plukken en hem in de zon te zetten, ten einde door de insecten gekweld te worden, of wel door hem in eene kooi op te sluiten.
[1539] Deze koningin wordt door de Arabieren Balkis genaamd. Sommigen maken haar tot de dochter van al Hodbad Ebn Sharhabil (zie Pocock Spec, p, 59), en anderen van Sharahil Ebn Malec (Al Beid‚wi, enz. Zie d'Herbel., Bibl. OriÎnt, p. 182), maar allen komen zij daarin overeen, dat zij eene afstammeling van Yakab Ebn Kahtan was. Zij is de tweeÎntwintigste op de lijst der koningen van Yaman door Dr. Pocock. (t. a. pl.). In Hoofdstuk XXXIV is mede van Saba sprake.
[1540] Die, volgens het zeggen der uitleggers, van goud en zilver vervaardigd en met eene kroon van edelgesteenten bedekt was. Zij verschillen echter nopens zijne afmeting; de een maakt dien tachtig ellebogen lang, veertig breed en dertig hoog, terwijl sommigen zeggen dat elke afmeting tachtig ellebogen bedroeg, en anderen weder dertig ellebogen.
[1541] Jallalo'ddin zegt dat de koningin door haar leger was omringd, toen de kievit den brief in haren boezem wierp; maar Al Beid‚wi veronderstelt, dat zij in een vertrek van haar paleis was, waarvan de deuren gesloten waren, en dat de vogel door het venster binnenvloog. De laatste voegt er bij, dat Salomo den brief met muskus parfumeerde, en met zijn zegel dichtsloot.
[1542] Of: Kom tot mij en onderwerp u aan de goddelijke leiding, en belijd den waren godsdienst welken ik predik.
[1543] Dat is: Hetzij gij de bevelen van Salomo gehoorzamen, of ons bevelen geven wilt om hem tegenstand te bieden.
[1544] De geschenken dragende, die, naar zij zeggen, in vijfhonderd jonge slaven van elke kunne bestonden, allen gelijk gekleed; vijfhonderd baren goud, eene kroon met edelgesteenten versierd, benevens eene groote hoeveelheid muskus, amber, en andere dingen van waarde (Jallalo'ddin). Sommigen voegen er bij, dat Balhis, ten einde te beproeven of Salomo al of niet een profeet was, de knapen als meisjes, en de meisjes als knapen deed kleeden, en hem in een juweelkistje een parel zond die niet doorboord was, en een onyx die doorboord was met een krom gat: en dat Salomo de knapen van de meisjes onderscheidde, door de verschillende wijze, waarop zij water haalden. Hij beval daarop aan een worm den parel te doorboren en aan een anderen een draad door den onyx te rijgen (Al Beid‚wi). Zij verhalen ons ook, dat Salomo, door den kievit bericht van deze zending ontvangen hebbende, even voor zij zich op weg begaven, bevel gaf, een groote vierkante ruimte door een muur te omringen, gebouwd van gouden en zilveren steenen, waarin hij zijne strijdkrachten en gevolg rangschikte om haar te ontvangen (Jallalo'ddin).
[1545] Volgens Savary: Behoudt uwe geschenken.
[1546] Dit was een Ifrit, of een der zondige en weerspannige geniussen en zijn naam was, volgens Al Beid‚wi, Dhacwan of Sakhr. Deze naam wordt voor elken boozen geest gebezigd.
[1547] Zijnde: van uwen rechterstoel. Salomo was namelijk gewoon, iederen dag tot des middags als rechter te zitten (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin.).
[1548] Deze persoon wordt algemeen verondersteld Asaf, de zoon van Barachia geweest te zijn, Salomo's wezir (of vizar) die den grooten of onuitsprekelijken naam van God kende, door het uitspreken van welken hij deze wondervolle daad volvoerde (Jallalo'ddin). Sommigen veronderstellen echter dat het Al Khedr was, of GabriÎl of een andere engel, en anderen, dat het Salomo zelf was (Al Beid‚wi).