De Koran Voorafgegaan Door Het Leven Van Mahomed Eene Inleiding
Chapter 86
[1088] Deze vier laatste woorden werden bijgevoegd met het oog op het gebeurde met Ammar Ebn Yasa en sommige anderen, die, toen zij door de KoreÔshieten waren gegrepen en gemarteld, hun geloof uit vrees verlieten, hoewel hunne harten niet met hunne monden instemmen (Al Beid‚wi, Al Zamakhshari, Yahya). Het schijnt, dat Ammar de standvastigheid niet bezat van zijne ouders Yasar en Sommeya, die hetzelfde vonnis op denzelfden tijd met hunnen zoon ondergingen, maar die standvastig weigerden te herroepen, en beiden ter dood werden gebracht. De ongeloovigen bonden Sommeya tusschen twee kameelen, en, staken eens lans door hare schaamdeelen (Al Beid‚wi). Toen Mahomet het bericht werd gebracht, dat Ammar het geloof had verloochend, zeide hij, dat het niet kon zijn; want dat Ammar vol van het geloof was, van de kruin zijns hoofds tot de zool zijner voeten, daar het geloof met zijn vleesch en bloed vermengd en in hem verlichaamd was. Toen Ammar daarop zelf weenende tot den profeet kwam, veegde hij zijne oogen af en zeide: Wat was uwe misdaad, indien zij u dwongen? Maar hoewel het hier wordt gezegd, dat zij die alleen schijnbaar afvallig worden, om doop of marteling te ontgaan, op Gods vergiffenis mogen hopen, is het echter thans eenparig door de Mahomedaansche leeraars aangenomen, dat het verdienstelijker en aangenamer in de oogen van God is, met moed en standvastigheid in het ware geloof te volharden, en eerder den dood te ondergaan, dan, al zij het ook slechts met woorden van dat geloof afstand te doen. Ook ontbreken de martelaars in den ergeren zin des woords niet aan den Mohamedaanschen godsdienst, waarvan wij hieronder, behalve het hierboven medegedeelde, nog twee voorbeelden zullen geven. Het eene is van Khobair Ebn Ada, die verraderlijk aan de KoreÔshieten verkocht, en daarna door hen op eene afschuwelijke wijze ter dood gebracht werd, door verminking en door hem zijn vleesch stuksgewijze af te snijden. Toen hem te midden dezer martelingen gevraagd werd, of hij niet zou wenschen, dat Mahomet in zijne plaats ware, antwoordde hij: Ik zou niet willen wenschen bij mijn gezin, mijn vermogen en mijne kinderen te zijn, op voorwaarde, dat Mahomet, zij het ook slechts door een doorn, zou worden geprikt. (Ebn Sohohmah). Het ander voorbeeld is dat van een man, die door Moseilama bij de volgende gelegenheid werd ter dood gebracht. Die valsche profeet had namelijk twee van Mahomets volgelingen gegrepen. Hij vroeg aan een van hen, wat hij van Mahomet zeide: De man antwoordde daarop, dat deze Gods gezant was. En wat zegt gij van mij, voegde Moseilama er bij, waarop hij antwoordde: Gij zijt mede Gods gezant, waarop hij onmiddellijk in vrijheid werd gesteld. De andere persoon, die door Moseilama werd gegrepen, gaf hetzelfde antwoord op de eerste vraag, maar weigerde iets op de tweede te zeggen: hij werd daartoe drie verschillende malen aangemaand, maar gaf voor doof te zijn, en werd daarom gedood. Men verhaalt dat Mahomet, toen hem het gebeurde met deze mannen werd medegedeeld, zeide: De eerste hunner nam toevlucht tot Gods barmhartigheid, maar de laatste beleed de waarheid en zal daarvoor zijne belooning vinden (Al Beid‚wi).
[1089] Zooals Ammar deed. Sommigen, die het woord met verschillende zelfklinkers lezen, vertolken daardoor de laatste woorden met: "na de ware geloovigen te hebben vervolgd", en halen al Hadrami als voorbeeld aan, die een zijner dienstknechten dwong van het Mahomedanisme afstand te doen, maar daarna te gelijk met den dienstknecht hetzelfde geloof beleed en derhalve vluchtte (Al Beid‚wi).
[1090] Dat is: ieder mensch zal bezorgd zijn voor eigene zaligmaking, en zich niet met den toestand van een ander inlaten; maar uitroepende: mijne eigene ziel, mijne eigene ziel! (Al Beid‚wi).
[1091] Zie Hoofdstuk V, vers 1, 4-7, 95-98 enz.
[1092] Toestaande wat God heeft verboden, en zich bijgeloovig onthoudende van hetgeen hij heeft vergund. Zie Hoofdstuk VI, vers 139-148.
[1093] Zijnde in Hoofdstuk VII, vers 147 en volg.
[1094] Dit waren de Joden, aan welke door Mozes bevolen werd, den vrijdag (den dag die thans door de Mahomedanen als rustdag wordt beschouwd) te stemmen, om God te aanbidden. Zij weigerden het echter en kozen den Sabbatdag, omdat God op dien dag van zijn Scheppingsarbeid had gerust. Daarom werd hun bevolen, den dag dien zij hadden gekozen, op de meest strikte wijze in acht te nemen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1095] Men veronderstelt, dat deze plaats te Medina geopenbaard werd, bij gelegenheid dat Hamza, de oom van Mahomet, in den slag van Ohod werd gedood. De ongeloovigen schonden zijn lijk, door het de ingewanden uit het lijf te nemen, en zijne ooren en neus af te snijden, toen Mahomet het zag en zwoer, dat, indien God hem een goeden uitslag verleende, hij die gruwelen aan zeventig KoreÔshieten op gelijke wijze zou vergelden. Door deze plaats werd hem echter verboden uit te voeren, wat hij had gezworen, tengevolge waarvan hij zijnen eed krachteloos maakte (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Abu'lfeda beweert, dat het getal KoreÔshieten, waarop Mahomet gezworen had zich te zullen wreken, slechts dertig bedroeg (Abu'lf. Vit. Moh. p. 68); maar tevens moet men hier doen opmerken, dat de vertaler van dien schrijver die plaats aldus teruggeeft: God heeft mij geopenbaard, dat ik zal wedervergelden enz., inplaats van: Indien God nog eene overwinning over de KoreÔshieten verleent, zal ik weder vergelden, enz., hetgeen veroorzaakt werd, doordat hij Lah. adhharni in plaats van adhjerni heeft gelezen. God, wel verre van den profeet dit plan door openbaring in te geven, verbied hem uitddrukkelijk, het tot uitvoering te brengen.
[1096] De reden van dezen titel blijkt reeds uit de eerste woorden. Sommigen noemen dit Hoofdstuk de kinderen IsraÎls.
[1097] Sommigen zonderen daarvan acht verzen uit, te beginnen met vers 75.
[1098] Van waar hij door de zeven hemelen in Gods tegenwoordigheid werd overgevoerd, en van waar hij, den zelfden nacht, naar Mekka werd teruggebracht. Deze reis van Mahomet naar den hemel is zoo zeer bekend, dat wij de beschrijving daarvan gevoegelijk kortelijk kunnen behandelen. Wie echter daaromtrent nadere bijzonderheden, wenscht te vernemen, verwijzen wij naar Dr. Prideaux, life of Mohammed (p. 43, enz.) Morhan, Mohammedanism explained (vol. 2) en Abu'lfeda (Moham. Vit. cap. 19). De vertaler des laatsten heeft verschillende misslagen verbeterd, die in het verhaal van Dr. Prideaux en van andere schrijvers voorkomen. Mahomet zou namelijk door den engel GabriÎl door de hemelen zijn gevoerd op een lastdier, Borak genaamd, dat door de overlevering wordt voorgesteld als een gevleugeld schepsel, met een vrouwengelaat, het lichaam van een paard en een pauwenstaart. De Mahomedaansche godgeleerden twisten er echter over, of de nachtelijke reis van hunnen profeet, werkelijk door hem lichamelijk werd afgelegd, of dat het slechts een droom of een visioen was. Sommigen denken, dat de geheele gebeurtenis slechts een visioen was, en voeren daartoe eene opzettelijke overlevering van Moawiyah, een van Mehomets opvolgers, aan (Zie Vit. Moham cap. 18). Anderen veronderstellen, dat hij lichamelijk naar Jeruzalem, maar niet verder werd overgebracht, en dat hij daarna alleen geestelijk ten hemel voer. De aangenomene meening is echter, dat het geen visioen was, maar dat hij wezenlijk lichamelijk tot aan het einde zijner reis werd overgebracht en indien men hun onmogelijkheid daarvan tracht aan te toonen, gelooven zij, dat het voldoende is te antwoorden, dat het door den Almachtige gemakkelijk kan worden uitgevoerd (Al Beid‚wi).
[1099] De uitleggers beijveren zich het verband tusschen deze woorden en de vorige op te sporen. Sommigen vertalen het zooals hier boven is geschied, terwijl anderen weder dit aldus vertolken: Neem buiten mij niet tot uwe beschermers de nakomelingen van hen, enz.; daarmede sterfelijke menschen bedoelende.
[1100] Hunne eerste overtreding bestond in het verwerpen der beslissingen van de wet, het dooden van Jesaiah (Al Beid‚wi) en het gevangen nemen van Jeremiah (Jallalo'ddin); hunne tweede zonde was het dooden van Zacharias en Johannes den Dooper, en hun verzinnen dat Jezus dood was (Jallalo'ddin).
[1101] Deze waren Jalut of Goliath met zijne strijdmacht (Jallalo'ddin, Yahya), of Sennacherib, de AssyriÎr, of wel Nebuchadnezar, die door de Oostersche schrijvers Bakhtnasr werd genoemd (hetgeen echter alleen zijn voornaam was, zijnde zijn ware naam Gudars of Raham) de beheerder van Babylon onder Lohorasp, koning van PerziÎ (Al Zamakhsari, Al Beid‚wi), die Jeruzalem innam en den tempel verwoestte.
[1102] Door David toe te staan, Goliath te dooden, of door de wonderdadige nederlaag van het leger van Sennacherib, of door dat God in het hart van Bahman, den zoon van Isfandyar, toen hij zijn grootvader Lohorasp opvolgde, het denkbeeld legde, aan Kiresh of Cyrus, toen beheerder van Babylon te bevelen, de Joden uit hunne ballingschap te doen vertrekken, onder het geleide van DaniÎl; overeenkomstig hetwelk hij handelde, en zij hadden de overhand boven hen, die door Baktnasr in het land waren gelaten (Al Zamakhsari, Al Beid‚wi).
[1103] Sommige beweren, dat het hier bedoelde leger dat van Bakhunasr was Yahya, Jallalo'ddin), maar anderen zeggen, dat de Perzen de Joden ten tweeden male overwonnen door de wapenen van Gudarz (met wien zij Antiochus Epiphanes schijnen te bedoelen, een der opvolgers van Alexander te Babylon. Men verhaalt, dat de krijgsbevelhebber dezer expeditie, bij het binnenkomen van den tempel, op het groote altaar bloed zag opborrelen, en toen hij naar de reden daarvan vroeg, zeiden de Joden, dat dit bloed was van een offer, dat God niet had aangenomen. Hij hernam daarop, dat zij hem de waarheid niet hadden gezegd, en gaf bevel, dat duizend van hen op het altaar zouden worden gedood; maar toen het bloed niet ophield te vloeien, zeide hij hun dat indien zij de waarheid niet wilden bekennen, hij geen van hen zou sparen. Zij erkenden alsnu, dat het bloed van Johannes was, waarop de krijgsbevelhebber zeide: Zoo heeft uw Heer wraak op u genomen, en riep toen uit: "o Johannes! mijn Heer en uw Heer weet, wat uw volk voor uwe zaak is geschied, laat dus met Gods verlof uw bloed ophouden te vloeien, anders zal ik geen van hen laten leven", waarop het bloed onmiddellijk ophield te stroomen (Al Beid‚wi). Dit zijn de ophelderingen der uitleggers, waaruit hunne onbekendheid met de oude geschiedenis op voldoende wijze blijkt; doch misschien bedoelt Mahomet, in deze later voorkomende plaats, de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen.
[1104] En dienovereenkomstig geschiedde het; want daar de Joden wederom zoo zondig waren, dat zij Mahomet verwierpen, en tegen zijn leven samenzwoeren, leverde God hen in zijne handen over, terwijl hij den stam van Koreidha uitroeide, en de opperhoofden van die van Al Nadir doodde en de overige Joodsche stammen dwong, schatting te betalen. (Al Beid‚wi).
[1105] Uit onwetendheid het slechte voor goed houdende of door het uitspreken van zondige verwenschingen over hem en anderen, uit drift en ongeduld.
[1106] Of onoverdacht en de gevolgen niet berekenende van hetgeen hij vraagt. Men zegt dat de hier bedoelde persoon Adam is, die, toen de levensadem hem door de neusgaten was ingeblazen en zijn navel had bereikt, doch het onderste gedeelte van zijn lichaam nog slechts een stuk klei was, moest beproeven op te rijzen, maar daarbij een zwaren val deed. Anderen beweren echter, dat deze plaats bij de volgende gelegenheid werd geopenbaard: Mahomet gaf zekeren vluchteling aan zijne vrouw, Sawda int Zamaa, ter bewaring, die door het jammeren van dien man met medelijden voor hem vervuld, hem liet ontvluchten, waarop de profeet in de eerste opwelling zijner gramschap haar toewenschte, dat hare handen zouden mogen afvallen. Hij herstelde zich echter onmiddellijk en zeide overluid: O God! ik ben slechts een mensch, verander dus mijn vloek in eene zegening. (Jallalo'ddin).
[1107] Letterlijk "de vogel" welk woord hier is gebruikt om het geluk of den voorspoed van den mensch uit te drukken. De Arabieren zoowel als de Grieken en Romeinen, leiden uit de vlucht der vogelen voorteekenen af, die volgens hunne meening, geluk aanbrengen. Indien zij van de linker- naar de rechter zijde vliegen, maar het tegenovergestelde indien zij zich van de rechter- naar de linkerzijde begeven. Hetzelfde leiden zij er uit af, wanneer hen zekere dieren voorbijgaan.
[1108] Als een kraag, waarvan hij zich op geenerlei wijze kan ontdoen.
[1109] Dit is: dat zij hun onderhoud en hulp van u ontvangen.
[1110] Dit is: vriendschap, gehechtheid en hulp in tijd van nood.
[1111] Daar roekeloosheid en het verspillen van iemands bezitting in overdaad en weelde, eene zeer groote zonde is. De Arabieren waren vooral schuldig aan buitensporigheid in het dooden van kameelen, welke zij, meerendeels uit ijdelheid en praal, door het lot verdeelden. Dit wordt hun op deze plaats verboden, en hun bevolen, al wat zij zouden kunnen sparen, aan hunne arme bloedverwanten en andere hulpbehoevenden te schenken (Al Beid‚wi).
[1112] Dit is: indien uwe tegenwoordige omstandigheden u niet mochten toelaten, anderen te ondersteunen, stel dan uwe liefdadigheid uit, tot God u daartoe beter in staat stelt.
[1113] Dit is: wees niet gierig of verspillend maar bewandel den weg tusschen die twee uitersten; daarin bestaat de ware milddadigheid (Al Beid‚wi).
[1114] Zie Hoofdst. VI, vers 141 en 152 en Hoofdst. LXXXI, vers 8 en 9.
[1115] De misdaden waarvoor een mensch rechtens kan worden ter dood gebracht, zijn: afvalligheid, overspel en moord (Al Beid‚wi).
[1116] Zijnde: het staat in de verkiezing van den erfgenaam of van den naasten bloedverwant, Ûf den moordenaar het leven te benemen, Ûf, inplaats daarvan, eene boete aan te nemen (zie Hoofdstuk II, vers 173-175).
[1117] Sommigen passen het voornaamwoord hij op den gedooden persoon toe, om wiens dood te wreken deze wet werd gemaakt; sommigen op den erfgenaam, aan wien het recht wordt verleend, voldoening voor het bloed van zijn vriend te vragen (Yahya); en anderen op hem, die door den erfgenaam zal worden verslagen, indien hij zijn wraak te ver drijft (Zie Al Beid‚wi).
[1118] Zie Hoofdstuk IV, vers 2 en 5-12.
[1119] Of voordeeliger in het einde (Al Beid‚wi, Al Zamakshari).
[1120] Zijnde: ijdele en onzekere meening, waarvoor gij geene goede redenen hebt, om die voor waar, of zelfs voor waarschijnlijk te houden. Sommigen vertolken deze woorden: Beschuldig een ander niet van eene misdaad, waarvan gij geene kennis hebt. Deze veronderstellen, dat daarbij het afleggen van valsche getuigenis, of het verspreiden van, of wel het geloof hechten aan ijdele berichten omtrent anderen wordt verstaan (Al Beid‚wi, Al Zamakshari).
[1121] Zie Hoofdstuk XVI, vers 59.
[1122] Zijnde: dat zij naar alle waarschijnlijkheid met God zouden willen twisten omtrent de minderheid, en trachten hem te onttroonen, op dezelfde wijze als de vorsten met elkander op aarde handelen.
[1123] Niet toestaande, dat hunne goden met hem vereenigd worden noch hunne tusschenkomst bij hem afbiddende.
[1124] Al Beid‚wi zegt, dat de dooden op Gods oproeping dadelijk zullen verrijzen, en het stof van hunne hoofden schudden, onder den uitroep van: Geloofd zij gij, o God!
[1125] Zijnde: in uwe graven of in de wereld.
[1126] Deze woorden worden als een model aangewezen, door de Moslems te volgen in hunne gesprekken met de afgodendienaars, en waardoor hun wordt geleerd, zachte en twijfelachtige uitdrukkingen te bezigen, en hun niet onmiddellijk te verhalen, dat zij tot het hellevuur zijn gedoemd, hetgeen, behalve de laatdunkendheid die er in gelegen schijnt, de straf van anderen te willen bepalen, hen slechts tot onverzoenlijker vijanden zou maken (Al Beid‚wi).
[1127] Hetgeen eene grootere eer voor hem was dan zijn koninkrijk, en waarin Mahomet en zijn volk onder anderen door deze woorden worden voorspeld. Zie Marracci in Alc. p. 28 enz., Prid. Life of Moh. p. 122): De rechtvaardigen zullen de aarde erfelijk bezitten. Psalm XXXVII : 29. Al Beid‚wi).
[1128] Zijnde: de engelen en profeten, die evenzeer Gods dienaren zijn als gij zelf.
[1129] Zie Hoofdstuk VII, vers 71.
[1130] Het is algemeen aangenomen, dat Mahomets reis naar den hemel op deze plaats wordt bedoeld, hetgeen groote geschillen en twisten onder zijne volgelingen veroorzaakte, tot zij weder bevredigd werden door de getuigenis van Aboe Bekr waarbij de waarheid er van verklaard werd. (Zie Abulf. Vit. Moh. p. 89 en noot t. a. pl. Prideaux Life of Moh., p. 50). Het woord visioen, hier gebruikt, wordt door hen, die beweren dat deze reis niets meer dan een droom was, als eene duidelijke bevestiging hunner meening aangevoerd. Sommige veronderstellen echter, dat het visioen, op deze plaats bedoeld, niet de nachtelijke reis betreft, maar den droom, dien Mahomet te al Hodeibiya had, waarin hij zijne intrede te Mekka scheen te doen (zie Hoofdstuk XLVIII, vers 27), of wel een visioen, dat hij had betrekkelijk het gezin van Ommeya, hetwelk hij zijn sprookgestoelte zag beklimmen, en daarin als apen rondspringen, waarop hij zeide: Dit is hun deel in deze wereld, hetgeen zij door hunne belijdenis aan den Islam hebben verdiend. (Al Beid‚wi.) Maar indien een dezer laatste aanduidingen waarheid bevat, dat moet het vers te Medina zijn geopenbaard.
[1131] Die al Zakkum wordt genoemd en uit den bodem der hel opgroeit. (Zie Hoofdstuk XXXVII, vers 60-64.) Volgens Savary is de Zakkum een doornachtige boom, die in ArabiÎ groeit en waarvan de vrucht ongemeen bitter is. Volgens dienzelfden uitlegger was deze slechte hoedanigheid de ontwijfelbare reden, dat Mahomet hem in de hel plaatste.
[1132] Zie Hoofdstuk II, vers 32, en Hoofdstuk VII, vers 26, enz.
[1133] Zie Hoofdstuk X, vers 23 volg.
[1134] Sommigen passen dit toe op den profeet, welke aan ieder volk zal worden gezonden; anderen op de hoofden der secten; anderen op de verschillende godsdiensten die in de wereld worden beleden, anderen weder op de boeken, welke bij de opstanding van ieder mensch zullen worden gegeven en bevattende een register hunner goede en slechte daden. (Al Beid‚wi).
[1135] Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk een klein huidje in de kloof eener dadelpit, hetgeen gebruikelijk is om iets van weinig waarde uit te drukken.
[1136] Zijnde: Beiden van dit leven en van het volgende. Sommigen zien in het eerste de straf in het volgende leven en in het laatste de marteling van het graf (Al Beid‚wi).
[1137] De uitleggers verschillen zoowel nopens de plaats waar dit vers werd geopenbaard, als omtrent de aanleiding daartoe. Sommigen denken dat het te Mekka werd geopenbaard, en dat het betrekking heeft op de hevige vijandschap, welke de KoreÔshieten aan Mahomet toedroegen, en hunne rustelooze pogingen om hem Mekka te doen verlaten (Al Beid‚wi), hetgeen hij eindelijk verplicht was te doen. Maar daar de personen van welke hier wordt besproken, niet in hun ontwerp schijnen te zijn geslaagd, wordt door anderen verondersteld, dat het vers te Medina werd geopenbaard.
[1138] Dit werd vervuld, overeenkomstig de eerste der bovenvermelde uitleggingen, door de nederlaag der KoreÔshieten te Bedr en volgens de laatste door de groote slachting onder de Joden van Koreidha en al Nadir. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1139] Dit is: op den tijd van het middaggebed, als de zon van den meridiaan afwijkt, of zooals sommigen deze woorden vertalen: bij het ondergaan der zon; hetgeen de tijd voor het eerste avondgebed is.
[1140] De tijd van het laatste avondgebed.
[1141] Letterlijk zou dit moeten luiden: De lezing van den ochtend stond, waaruit door sommigen wordt verondersteld, dat de lezing van den Koran op dat tijdstip hier wordt bedoeld.
[1142] Zijnde: De wacht-engelen, die, volgens sommigen, op dien tijd worden afgelost, of wel de engelen met het maken van verandering van nacht in dag enz. belast. (Al Beid‚wi).
[1143] Overeenkomstig eene overlevering van Abn Horeira, is de eervolle plaats, welke hier bedoeld wordt, die van tusschenpersoon voor anderen (Al Beid‚wi).
[1144] Dit is: Geef, dat ik mijn graf in vrede moge binnengaan en bij de opstanding met eer en voldoening daaruit kome. In deze beteekenis is dit verzoek hetzelfde met dat van Bileam: Laat mij den dood van den rechtvaardige sterven en laat mijn uiterste gelijk aan het zijne wezen (Num. XXXI : 10). Daar echter de persoon tot wien hier gesproken wordt, algemeen verondersteld wordt Mahomet te zijn, zeggen de uitleggers, dat hem bevolen was, in deze woorden te bidden om een gelukkig vertrek van Mekka en een goede ontvangst te Medina, of om eene veilige schuilplaats in de spelonk, waar hij zich verborg, toen hij van Mekka vluchtte, of (hetgeen het meer algemeen oordeel is) om een zegevollen intocht te Mekka en een gelukkigen terugkeer te vinden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1145] Of de ziel van den mensch. Sommigen passen het toe op den engel GabriÎl of op de goddelijke openbaring (Al Beid‚wi).
[1146] Zijnde door het woord Kun, dat is: Wees! bestaande in eene onstoffelijke zelfstandigheid en niet voortgebracht zooals het lichaam. Maar volgens eene andere meening zou deze plaats aldus moeten worden verstaan: De geest van zoodanige dingen, waarvan uw Heer zich de kennis heeft voorbehouden. Men zegt namelijk dat de Joden den KoreÔshieten verzochten, Mahomet te vragen, de geschiedenis te verhalen van hen die in de spelonk sliepen (zie het volgende hoofdstuk) en van Dhoe'lkarnein (zie ald.) en hun eene beschrijving te geven van des menschen ziel, er bijvoegende, dat, indien hij toestemde op al de drie vragen te antwoorden, of op geene daarvan zou kunnen antwoorden, zij zeker zouden mogen zijn, dat hij geen profeet was; maar indien hij op eene of twee der vragen antwoord gaf en op de andere het stilzwijgen bewaarde; hij dan wezenlijk een profeet ware. Dien tengevolge verhaalde hij toen zij hem de vragen voorstelden, hun de twee geschiedenissen, maar erkende zijne onwetendheid nopens den oorsprong der menschelijke ziel. (Al Beid‚wi).
[1147] Daar al uwe kennis door de werking uwer zinnen wordt verkregen, hetgeen u zonder de hulp der goddelijke openbaring, in geestelijke bespiegelingen noodzakelijk moet doen falen. (Al Beid‚wi).
[1148] Zijnde de Koran doordien, zoowel uit de geschreven kopiÎn als uit het geheugen der menschen, weg te wisschen.
[1149] Zooals gij voorgeeft op uwe nachtelijke reis gedaan te hebben doch waarvan geen mensch getuige was.
[1150] Wat het leven of wat de opstanding betreft.
[1151] Dit is: tot zij uitgeput zouden zijn.
[1152] Deze waren: het veranderen van zijnen staf in eene slang, het wit en schijnend maken van zijn hand, het voortbrengen van sprinkhanen, ongedierte, kikvorschen en bloed, het splijten van de Roode zee, het slaan van water uit de rots en eindelijk het schudden van den berg SinaÔ boven de kinderen IsraÎls. In plaats van de drie laatsten rekenen sommigen de overstrooming van den Nijl, het verzengen van het koren, en de schaarschte van de aardvruchten (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Deze woorden worden echter door anderen vertolkt, niet met negen mirakelen, maar met negen bevelen, die Mozes aan zijn volk gaf, en die aan een Jood, welke hem daarom vroeg, door Mahomet zelven aldus werden opgeteld: Dat zij zich niet aan afgodendienarij zouden schuldig maken, noch stelen, noch overspel of moord plegen, noch tooverij bedrijven of woekeren, noch een onschuldig mensch beschuldigen om hem van het leven berooven, of eene zedige vrouw van hoererij, noch uit het leger deserteeren, waarbij hij, als een tiende bevel, het in achtnemen van den Sabbath voegde, hetgeen echter de IsraÎlieten in het bijzonder betreft; op welk antwoord, naar men zegt, de IsraÎliet de handen en voeten van den profeet kuste (Al Beid‚wi).
[1153] Letterlijk: op hunne kinnen.