De Koran Voorafgegaan Door Het Leven Van Mahomed Eene Inleiding
Chapter 82
[769] Zijnde de tafel die in den hemel wordt bewaard.
[770] Zie Hoofdstuk V: vers 59.
[771] Zijnde, dat Aboe Bekr alleen met hem was.
[772] Zijnde: Hetzij de ondernemingen aangenaam is of niet, of dat gij toereikende wapenen of leeftocht hebt of niet, of dat gij te paard of te voet zijt, enz. (Jong en oud, trekt op om te strijden, Savary).
[773] Daar Mahomet verscheidene zijner manschappen, op hun verzoek, er van ontsloeg, aan dezen tocht deel te nemen.
[774] Zijnde met de vrouwen en kinderen, en andere weerlooze personen.
[775] Zooals zij deden in den slag van Ohod. Zie Hoofdstuk III vers 49.
[776] Zijnde: Hetzij voor een duidelijk oordeel van den hemel of door hunne straf aan de ware geloovigen op te dragen.
[777] De uitleggers maken een onderscheid in het oorspronkelijk tusschen de twee woorden fakir en meskin: het eene, zeggen zij, beteekent iemand die geheel ontbloot is, zoowel van geld als van een middel van bestaan; het andere, iemand die wezenlijk in armoede verkeert, maar in staat is iets te winnen, om in zijn onderhoud te voorzien. De critici verschillen echter onderling ten opzichte van de beteekenis van elk dezer woorden.
[778] Dat is: Hij hoort alles wat wij zeggen.
[779] Aan niets geloof slaande wat u zou kunnen deren.
[780] Namelijk Sodom en Gomorrah en de andere steden die haar lot deelden, en thans Al Motokifat, of de omvergeworpene worden genoemd.
[781] Letterlijk: de tuinen van Eden. In het Hebreeuwsch beteekent het eene plaats van geneugte en in het Arabisch eene plaats die voor het weiden van kudden is ingericht (Savary).
[782] Mahomets verblijf te Medina was namelijk van groot voordeel voor die plaats.
[783] Gedurende de laatste ziekte van Abda'llah Ebn Obra, de huichelaar (die in het negende jaar der hedjira overleed) kwam zijn zoon, eveneens Abda'llah genaamd, tot Mahomet, en verzocht dezen, God vergiffenis voor hem vragen. Hij deed dit, waarop het eerste van dit vers werd geopenbaard. De profeet beschouwde dit echter niet als eene afwijzing, en zeide, dat hij zeventig malen voor hem zou bidden; daarop werd het laatste gedeelte van dit vers geopenbaard. Het verdient opmerking, dat de getallen 7 en 70 herhaalde malen door de Oostersche schrijvers worden gebruikt, niet zoozeer om een juist dan wel om een onbepaald, hetzij grooter of kleiner getal uit te drukken (Al Beid‚wi). Een aantal bewijzen hiervoor worden in de H. Schrift gevonden. Opmerkenswaardig is tevens de overeenkomst in de Hebreeuwsche taal van de woorden verzadigen en zeven, beiden Sb` genaamd, als ware het 't volkomene, het verzadigde getal: vergelijk Schillers Piccolominii 2de bedr. 1ste toon, en Vrijmetselaars Woordenboek (Amsterdam 1845, 3 deelen) art. Zeven.
[784] Noch door zijne begrafenis bij te wonen, noch door zijn grafstede te bezoeken.
[785] Gelijk reeds bij herhaling werd gezegd, wordt ieder hoofdstuk van den Koran eene Soera genaamd.
[786] Door hunne groote armoede, zooals de van Joheina, Mozeina en Banoe Odhra (Al Beid‚wi).
[787] De personen hier bedoeld, waren zeven man van de Ansars, die tot Mahomet kwamen, en vroegen, dat hij hun eenige gelapte laarzen en gezoolde schoenen zou geven, daar het hun onmogelijk was, in zulk een jaargetijde barrevoets te marcheeren. Hij antwoordde hun echter, dat hij hen niet kon helpen, waarop zij weenende vertrokken.
[788] En hen niet kastijden.
[789] Om hunne woeste levenswijze, de ruwheid hunner harten, door niet om te gaan met menschen van kennis, en de weinige gelegenheden die zij hebben onderricht te worden. (Al Beid‚wi).
[790] Of eene bijdrage door dwang gevorderd, waarvan hij de betaling op geenerlei wijze kan ontwijken.
[791] Hopende, dat eenigerhande tegenspoed eene geschikte gelegenheid zou mogen opleveren, om den last af te werpen.
[792] Zijnde in de nabuurschap van Medina. Dit waren de stammen van Joheina, Mozeina, Aslam, Ashja en Ghifar (Al Beid‚wi).
[793] Hetzij door hen aan openbare schande bloot te stellen en hen ter dood te brengen, of door eene dezer straffen en de marteling van het graf; of wel door hen aalmoezen tot boete af te eischen en lichamelijk te straffen. (Al Beid‚wi.)
[794] Zijnde die van Kob‚, eene plaats op twee mijlen afstands van Medina gelegen waar Mahomet gedurende zijne vlucht van Mekka vier dagen bleef, alvorens hij die stad binnentrok, en waar hij den grondslag legde van eene moskee (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Ebn Shonnah) die later door Banoe Amroe Ebn Awf werd volbouwd. Volgens eene daarvan verschillende overlevering echter, is de hier bedoelde moskee diegene, welke door Mahomet te Medina werd gesticht.
[795] Sommigen passen deze woorden toe op de berooving van hun oordeel en verstand, en anderen op de straf welke zij te wachten hebben, hetzij door den dood in deze wereld, door de pijniging des grafs, of de pijn der hel.
[796] Door als ongeloovigen te sterven. Overigens is het niet alleen wettig, maar zelfs loffelijk voor ongeloovigen te bidden, dat er hoop bestaat hen te bekeeren.
[797] Zijnde door te bidden, dat God zijn hart tot berouw moge neigen. Sommigen veronderstellen, dat dit eene belofte was aan Abraham door zijn vader gedaan, dat hij in God wilde gelooven. Deze woorden kunnen echter op twee wijzen worden opgevat.
[798] Door op te houden voor hem te bidden, na door ingeving verzekerd te zijn geworden, dat hij niet bekeerd was, of nadat hij werkelijk als ongeloovige was gestorven. Zie Hoofdstuk VI, vers 78 en volg.
[799] Zijnde door hen als zondaren te beschouwen of te straffen. Deze plaats werd geopenbaard om degenen te beschuldigen, die vÛÛr het was verboden, voor hunne vrienden hadden gebeden, welke als afgodendienaars gestorven waren; of wel om sommigen te verontschuldigen, die onwetend volgens de eerste Kebla hadden gebeden, wijn gedronken, enz.
[800] Drie Ansars, die Mahomet niet naar Taboec gevolgd waren.
[801] Dat is: indien sommigen van iederen stam of stad achtergelaten worden, zullen de achterblijvenden zich op de studie moeten toeleggen en eene juister kennis van de verschillende punten van hunnen godsdienst trachten te verkrijgen, ten einde in staat te zijn, degenen te onderwijzen, die door hunne aanhoudende deelneming aan de oorlogen, geen andere gelegenheid hebben om zich te onderrichten.
[802] Zijnde uwe bloedverwanten en naburen: deze verdienen namelijk uw medelijden en uwe zorg in de eerste plaats, en hunne bekeering moet in de voornaamste plaats bevorderd worden.
[803] Zijnde door verschillende wijzen van beproevingen; door ten oorlog opgeroepen en getuige gemaakt te worden van de wonderdadige bescherming, welke God den geloovigen schenkt.
[804] Deze profeet wordt aan het einde van dit hoofdstuk vermeld. Achter dien naam voegt Savary de woorden: Vrede zij met hem.
[805] En niet een der machtigsten van hen; de KoreÔshieten zeiden dan ook, dat het wonderlijk was, dat God geen andere gezant kon vinden, dan den ouderloozen pupil van Aboe Taleb. (Al Beid‚wi).
[806] Deze woorden werden geopenbaard tot wederlegging der dwaze meening van de afgodendienende bewoners van Mekka, die zich verbeeldden, dat hunne afgoden tusschenpersonen voor hen bij God waren.
[807] Hetzij de wederkeerige groete der zaligen, die van de engelen aan de zaligen.
[808] Dat is: in alle houdingen en op alle tijdstippen. Verg. Deut. XI : 19.
[809] Want zoo oud was Mahomet alvorens hij de zending van profeet aannam (Abulfed Vit. Moh. c 7), gedurende welken tijd zijne medeburgers wel wisten, dat hij er zich niet op had toegelegd iets te leeren, noch met geleerde mannen om te gaan; noch zich had geoefend in het samenstellen van gedichten of redevoeringen, waardoor hij kennis van de rethorica of sierlijkheid van taal zou hebben kunnen verkrijgen. Al Beid‚wi ziet daarin een duidelijk bewijs, dat hij in dit boek door niemand dan door God kon zijn onderwezen.
[810] Dit is: Dat hij aan hem gelijken of makkers in den hemel of op aarde heeft: daar hij niemand als zoodanig kent.
[811] Dat hunne denkbeeldige godheden vervloekt mogen zijn. (Savary).
[812] Dit wil zeggen: den waren godsdienst of het Islamisme, dat algemeen werd beleden, zooals sommigen zeggen, tot Abel werd vermoord, of, volgens anderen, tot de dagen van Noach. Sommigen veronderstellen, dat hier de eerste eeuwen na den zondvloed worden bedoeld, anderen den toestand van den godsdienst in ArabiÎ, van den tijd van Abraham tot dien van Amroe Ebn Lohai, den grooten invoerder van den afgodendienst in die streken.
[813] Zijnde het Paradijs.
[814] Want hunne belooning zal de verdienste hunner goede daden onmetelijk overtreffen. Al Ghazali veronderstelt, dat deze toegevoegde belooning in het visioen der gelukzaligen zal bestaan.
[815] Dat is: uwe afgoden, of de makkers welke gij aan God toevoegt.
[816] Maar inderdaad bidt gij slechts uwe eigene vleeschelijke lusten aan, en werdt gij niet door ons, maar door uwe eigene, bijgeloovige grillen tot afgoderij verleid. Men beweert dat God op den laatsten dag den afgoden de spraak zal ontnemen, en dat zij dit hunne aanbidders zullen verwijten, in plaats van voor hen tusschenbeiden te treden, gelijk zij hopen.
[817] Dit is: Er zijn eenigen van hen die inwendig wel overtuigd zijn van de waarheid uwer leer; ofschoon zij zoo snood zijn om die te bestrijden; en er zijn anderen van hen, die het door vooroordeel en gebrek aan nadenken niet gelooven.
[818] Want God berooft hen niet van hunne zinnen of hun verstand, maar zij bederven die, en maken er een slecht gebruik van.
[819] Hetzij in de wereld of in het graf.
[820] Indien de goddelijke wraak u onverwachts overvalt, hetzij bij dag of bij nacht, denkt gij dan dat die door de zondaren kan worden verhaast? (Savary).
[821] Sommigen vatten echter het werkwoord, dat hier met verbergen is vertaald, in een tegenovergestelden zin op, en dan moet het luiden: Zij zullen hun berouw openlijk verklaren.
[822] Zie Hoofdstuk VI, vers 40 en volg.
[823] Zie Hoofdstuk IV, vers 44 noot.
[824] Zijnde de goddelooze en oproerige taal der ongeloovigen.
[825] Zie Hoofdstuk VII, vers 57 enz.
[826] Daarom kunt gij niet verontschuldigen, door te zeggen, dat ik u lastig ben.
[827] Zooals: Hoed, Saleh, Abraham, Lot en Shoaib, aan die van Ad, Thamoed, Babel, Sodom en Midian.
[828] Zie Hoofdstuk VII, vers 101.
[829] Want toen hij in het eerst begon te prediken, geloofden slechts weinigen der jonge IsraÎlieten in hem; de andere luisterden niet naar hem, uit vrees voor den koning. Sommigen veronderstellen echter dat het voornaamwoord zijn op Pharao slaat, en dat deze zekere Egyptenaren waren, die, evenals zijne vrouw Asaia, Mozes geloofden. (Al Beid‚wi).
[830] Zoo verklaart Jallalo'ddin het oorspronkelijke woord Kebla, dat eigenlijk de plaats of de hemelstreek beteekent, waarheen men bij het verrichten van het gebed is gekeerd. Al Zamakshari veronderstelt dientengevolge, dat het hier den IsraÎlieten wordt bevolen hunne bedehuizen zÛÛ in te richten, dat zij zich in gebed met het aangezicht naar Mekka kunnen keeren, hetgeen, naar zijne veronderstelling, dat Kebla van Mozes was, zooals zij het die der Mahomedanen is. De eerstgenoemde uitlegger voegt er bij, dat Pharao den IsraÎlieten had verboden tot God te bidden, waardoor zij genoodzaakt waren, dien plicht in stilte in hunne huizen te vervullen.
[831] Het voornaamwoord staat hier in het meervoudig daar het op Mozes en A‰ron slaat, die voorafgaan. De uitleggers zeggen, dat, ten gevolge van dit gebed, al de schatten van Egypte in steenen werden veranderd. (Jallalo'ddin.)
[832] Of zooals Al Beid‚wi het vertolkt: wees volhardend en onwrikbaar in het prediken voor het volk. De Mahomedanen beweren, dat Mozes niet korter dan veertig jaren in Egypte bleef, voor hij het eerst zijne zending openbaarde. Dit is echter niet met de H. Schrift overeen te brengen.
[833] Men zegt, dat Pharao deze woorden bij zijn uiteinde dikwijls herhaalde, opdat hij verhoord mocht worden. Maar zijn berouw kwam te laat; want GabriÎl stopte spoedig zijn mond met slijk, uit vrees, dat hij genade mocht verkrijgen, terwijl hij hem tegelijkertijd verwijtingen deed, met de woorden die thans hier boven volgen.
[834] Daar sommigen der kinderen IsraÎls het betwijfelden, dat Pharao werkelijk verdronken was, deed GabriÎl, op Gods bevel, het naakte lichaam naar den oever drijven, opdat zij het zouden zien. (Exod. XIV : 30). Het woord dat hier met lichaam is vertolkt, beteekent ook een malienkolder: waardoor sommigen veronderstellen, dat hier bedoeld wordt, dat zijn lichaam, gewapend met een uit goud vervaardigden malienkolder, op het water dreef, waardoor zij wisten dat het Pharao was.
[835] Dat is nopens de waarheid der geschiedenissen, die hier worden verhaald. De uitleggers verschillen, of de persoon waarvan hier wordt gesproken, Mahomet zelf, dan wel zijn toehoorder is.
[836] Zijnde de inwoners van Ninweh, dat op of nabij de plaats stond, waar zich thans al Mawsil bevindt. Daar dit volk zich zelf, door afgoderij, in het verderf had gestort, werd Jonas, de zoon van Mattai (of Amittai, dat, volgens de veronderstelling der Mohammedanen de naam zijner moeder was), een IsraÎliet van den stam van Benjamin, door God gezonden, om voor hen te prediken en hem terecht te brengen. Toen hij het eerst begon, hen tot berouw te vermanen, behandelden zij hem zeer slecht, in plaats van naar hem te luisteren, zoodat hij genoodzaakt was de stad te verlaten, terwijl hij bij zijn vertrek dreigde dat zij binnen drie dagen, of volgens anderen, binnen veertig dagen zouden worden verdelgd (Jonas III : 4.) Maar toen de tijd naderde en zij den hemel met eene zwarte wolk bedekt zagen, die vuur uitschoot en de lucht met rook vervulde, en welke juist boven hunne stad hing werden zij door een onbeschrijfbaren schrik bevangen en vluchtten met hunne gezinnen en vee naar de velden. Zij hulden zich in zakken en verootmoedigden zich voor God, luid om vergiffenis roepende en onrecht berouw toonende over de door hen bedreven zonden. Daarop behaagde het Gode hun te vergeven, en woei het onweder over (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Abulfed. Zie Hoofdstuk XXI en XXVII).
[837] Zijnde tot dat zij naar den gewonen loop der natuur sterven.
[838] Het verhaal van dezen profeet komt in dit hoofdstuk voor, Savary's overzetting behelst, na dezen naam, de woorden: vrede zij met hem. Sommigen schrijven Hud.
[839] Of, zooals het wel eens wordt vertaald; wenden zij hunne harten niet af, enz.
[840] Deze plaats werd te voorschijn gebracht door de woorden der afgodendienaars, die tot elkander zeiden; als wij eens gordijnen nederlaten (zooals de vrouwen in het oosten doen, om zich voor het gezicht der mannen te verbergen, indien deze bij toeval in de kamer zijn), en ons in onze kleederen hullen en onze harten omsluieren, om onze kwaadwilligheid nopens Mahomet te verbergen, hoe zou hij dan de wetenschap verkrijgen?
[841] Door alle hoop op de goddelijke gunst ter zijde te werpen, door gebrek aan geduld en vertrouwen op God.
[842] Dit was het eerste aantal hoofdstukken, welke hij hen uitdaagde samen te stellen; doch daar zij niet in staat waren het te doen, maakte hij het hun gemakkelijker, daar hij hen uittartte, slechts een enkel hoofdstuk voort te brengen (Zie Hoofdstuk II: 21 en X: 39, enz.), dat met den Koran zoo wel in leer, als welsprekendheid zou zijn te vergelijken.
[843] Zijnde de Koran, of, zooals anderen veronderstellen, de engel GabriÎl.
[844] Dat daarvan getuigenis draagt.
[845] Zijnde de engelen en profeten, en ook hunne eigene ledematen.
[846] Want zij zullen, zoowel in dit als in het volgende leven, gestraft worden.
[847] Zijnde de geloovigen en de ongeloovigen.
[848] Zie Hoofdstuk VII, vers 57 enz.
[849] Door gebrek aan overweging en door den eersten indruk hunner verbeelding.
[850] Want dit verzochten zij hem te doen, daar deze armen menschen waren.
[851] Zie Hoofdstuk VI, vers 50.
[852] Daar hij een schip bouwde in eene midden in het land gelegen plaats, en zoo zeer van de zee verwijderd, en dat hij timmerman was geworden, nadat hij profeet was geweest. (Al Beid‚wi).
[853] Of, evenals het oorspronkelijke, letterlijk vertaald, zou luiden: kookt over. Deze oven bevond zich, zooals sommigen zeggen te C˚fa, op eene plek, waar thans eene moskee staat, of zooals anderen veeleer denken, in eene zekere plaats in IndiÎ, of wel te Ain warda in MesopotamiÎ (Al Beid‚wi). De overstrooming van dezen oven was voor Noach het teeken, dat de zondvloed nabij was (Jallalo'ddin enz.) Sommigen beweren dat het dezelfde oven was, die Eva gebruikte om haar brood in te bakken, zijnde van een anderen vorm dan diegene, welke door ons worden gebezigd, hebbende de opening in het bovenste gedeelte. Deze oven zou van patriarch op patriarch zijn overgegaan, tot zij aan Noach kwam. (Zie d'Herbelot, Bibl. Orient. Art. Noah). Het is opmerkelijk, dat Mahomet, naar alle waarschijnlijkheid deze omstandigheid aan de Perzische wijsbegeerte heeft ontleend, die veronderstelde, dat de eerste wateren van den zondvloed uit den oven van eene zekere oude vrouw, met name Zala Cufa zouden zijn gestroomd. (Zie Hyde, de Rel. Vet. Persar en Lord, account of the Relig. of the Persees, pag. 9.) Doch het woord tann¸r, dat hier met oven is vertaald, beteekent ook de oppervlakte der aarde, of een plaats waar wateren ontspringen of verzameld worden. Sommigen zijn dientengevolge van meening, dat op deze plaats slechts gedoeld wordt op de plek of de kloof waaruit de eerste wateren stroomden.
[854] Of zooals deze woorden mede kunnen worden vertolkt, gelijk dit, volgens sommige uitleggers, dan ook zou behooren te geschieden, twee paar, dat is twee mannetjes en twee wijfjes van iedere soort, waardoor zij voor een gedeelte overeenkomen met verschillende Joodsche en Christelijke schrijvers (Ebn Ezra, Justin, Martyr, enz.), die van de Hebreeuwsche uitdrukking "zeven en zeven," en "twee en twee", het mannetje en zijn wijfje (Gen. VII : 2) afleiden, dat er veertien paren van iedere reine en twee paren van iedere onreine soort in de ark gingen. Er bestaat eene overlevering, volgens welke God voor Noach alle diersoorten verzamelde, en dat, toen hij ze aanvatte, zijne rechterhand aanhoudend op de mannetjes en zijne linkerhand op de wijfjes nederviel. (Jallalo'ddin).
[855] Namelijk zijne vrouw en zijne zonen met hunne vrouwen.
[856] Dit was eene ongeloovige zoon van Noach (Yahya) Canaan genaamd (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi) of Yam (Ebn Shohnah). Anderen zeggen echter, dat hij niet de zoon van Noach was, maar de zoon van zijn zoon Cham, of de zoon van zijne vrouw, bij een anderen echtgenoot, dus zijn klein- of zijn stiefzoon. Anderen weder beweren, dat hij niet met hem verwant was, doch slechts in zijn huis werd opgevoed (Al Zamakhshari, d'Herbelot, Bibl. OriÎnt p. 676). De beste uitleggers voegen er bij, dat de vrouw van Noach, WaÔla genaamd, zijnde eene ongeloovige, mede in deze uitzondering was begrepen, en met haar zoon omkwam (Jallalo'ddin, Al Zamakhshari, Al Beid‚wi).
[857] Daar Noachs gezin reeds vroeger werd vermeld, veronderstelt men dat door deze woorden, de andere geloovigen worden bedoeld, welke zijne bekeerlingen waren, maar niet tot zijn gezin behoorden. Daaruit schijnt de algemeene heerschende meening der Mahomedanen, dat een grooter aantal personen dan acht in de ark werden gered, zijn oorsprong te hebben genomen. (Zie Hoofdstuk VII, vers 62 noot.)
[858] Zijnde zijne andere vrouw, die een ware geloovige was, zijne drie zonen, Sem, Cham en Japhet en hunne vrouwen, en tweeÎnzeventig andere personen. (Zie Hoofdstuk VII, vers 62 noot).
[859] Dat is: verzuim niet aan boord te gaan. Overeenkomstig eene andere lezing moeten de volgende woorden aldus worden vertaald: "Wie haar zal doen voortbewegen en stil liggen," als de gelegenheid dit vordert. De uitleggers verhalen, dat de ark zich voortbewoog of stil lag, al naar Noach dit verlangde, alleen door het uitspreken der woorden: "In den naam van God" (Al Beid‚wi, enz.) Men dient niet uit het oog te verliezen, dat de meer oordeelkundige uitleggers de afmetingen van de ark zoo opgeven, dat die overeenkomen met de door Mozes vermelde (Al Beid‚wi, enz.) niettegenstaande deze door anderen op overdreven wijze zijn vergroot (Yahya, Zie Marracc, in Alcor. p. 340, gelijk door sommige christelijke schrijvers (Origen. contr. Cels. lib. 4. Zie Kircher de Arca NoÎ c. 8) mede is geschied. Zij verhalen eveneens, dat Noach twee jaren gebruikte om de ark te bouwen, die van Indiaansch ahornhout was samengesteld (Al Beid‚wi) d'Herbelot p. 675 en Eutych, p. 34); dat zij in drie verdiepingen was afgedeeld, waarvan de onderste was bestemd voor de dieren, de middelste voor de mannen en vrouwen en de bovenste voor de vogels (Al Beid‚wi, Eutych. p. 34) en dat de mannen van de vrouwen waren afgescheiden door het lijk van Adam, dat door Noach in de ark was medegenomen (Yahya). Dit laatste is eene overlevering van de Christenen uit het Oosten (Jacob. Edessenus, apud Barcebham, de Parad. Pars. I, Cap. 14. Eutych, ubi sup. t. a. pl., etiam Eliezer pirke Cap. 23), van welke sommige beweren dat de huwelijksplicht was opgeheven gedurende den tijd dat Noach en zijn gezin in de ark waren (Ambros. de Noa et Arca Cop. 21) Cham wordt echter beschuldigd de onthouding niet in acht genomen te hebben, daar Cansan in de ark werd voortgebracht (Heidegger, Hist. Patriarch. VI, p. 409).
[860] De wateren stonden vijftien voet boven de bergen (Al Beid‚wi).
[861] Zie hierboven de noot op vers 42.