De Koran Voorafgegaan Door Het Leven Van Mahomed Eene Inleiding
Chapter 81
[675] Daar er in de MozaÔsche wet van geene dergelijke overstrooming sprake is, zoo veronderstellen sommigen, dat deze plaag eene pestziekte of eenige andere besmettelijke ziekte was. (Al Beid‚wi.) Het woord Toefan, dat op deze plaats wordt gebruikt, en in het algemeen met overstrooming wordt vertaald, kan ook, meer algemeen, verwoesting of sterfte beteekenen.
[676] Deze gebeurtenis wordt in de Xe en XXe Hoofdstukken meer bijzonder besproken.
[677] Dat is het land van SyriÎ, waartoe de Oostersche aardrijkskundigen Palestina rekenen te behooren, en waarin, volgens de uitleggers de kinderen IsraÎl, de koningen van Egypte en de Amalekieten opvolgden. (Al Beid‚wi.)
[678] Vooral den hoogen toren, dien Pharao had doen bouwen, om den God van Mozes te kunnen aanvallen. (Zie hoofdstuk XXVIII en Hoofdstuk XL.)
[679] Men zegt dat hunne afgodsbeelden nabootsingen van ossen waren, die het eerste aanleiding gaven tot het maken van het gouden kalf. (Al Beid‚wi).
[680] De Arabieren rekenen bij nachten, zooals wij bij dagen. Deze gewoonte komt ontwijfelbaar uit de bijzondere hitte van hun klimaat voort. Als de zon ondergaat, verlaten zij de tenten en genieten de koelte en den meest verrukkelijken hemel. De nacht is dan ook in groote mate voor hen wat de dag voor ons is. Hunne dichters bezingen ook nooit de bekoorlijkheden van een schoonen dag, maar de woorden Leili! Leili! O nacht, o nacht! worden in al hunne liederen herhaald. (Savary.)
[681] Zonder de bemiddeling van een ander, en van aangezicht tot aangezicht, zooals hij met de engelen sprak (Al Beid‚wi). Zie d'Herbel. Bibl. OriÎnt p. 650.
[682] Deze berg wordt door de Arabieren al Zehir (Heb. hr S`yr) genoemd.
[683] Sommige uitleggers beweren, dat God den berg leven gaf en het vermogen om te zien.
[684] Deze woorden moeten niet in hunne strikte beteekenis worden opgevat. Zie in Hoofdstuk VI. vers 14 eene dergelijke uitdrukking.
[685] Volgens sommigen waren deze tafels zeven in getal, volgens anderen tien. Naar het gevoelen van andere uitleggers waren zij uit eene soort Lotusboom gesneden, die in het Paradijs Al Sedra werd genaamd. Anderen wederom zeggen, dat zij van chrysoliten, smaragden, robijnen, of van gewonen steen waren (Al Beid‚wi); ieder van tien of twaalf ellebogen lengte. Ook veronderstellen zij dat deze niet alleen de tien geboden vertoonden, maar dat de geheele wet daarop was geschreven.
[686] Dat is eene volkomen wet, bevattende alle noodige onderrichtingen, zoowel nopens godsdienstige en zedelijke plichten, als omtrent het eigenlijk beheer.
[687] Dat is, volgens de opvatting van sommigen, samengesteld uit vleesch en bloed, of, volgens anderen, een eenvoudig lichaam, of eene metaalmassa, zonder ziel (Al Beid‚wi). Zie ook Hoofdstuk XX en de noot op Hoofdstuk II, vers 48.
[688] Zie de beide genoemde Hoofdstukken en de noot op het laatste Hoofdstuk.
[689] Zooals hunne gouden en zilveren ringen en armbanden (Al Beid‚wi).
[690] Door zijne voorschriften te verwaarloozen, en door u zijne wraak over den hals te halen.
[691] Die allen verbroken en in den hemel opgenomen werden, uitgenomen eene enkele; deze bevatte, zooals zij zeggen, de bedreigingen en gerechtelijke bevelen, en werd later in de ark nedergelegd. (Al Beid‚wi, Zie d'Herbelot p. 649.)
[692] Zie Hoofdstuk II, vers 48-57.
[693] Of de stukken van het overgeblevene.
[694] Volgens Savary werden zij door eene aardbeving verzwolgen. Zie ook nopens deze plaats Hoofdstuk II, t. a. pl. en Hoofdstuk IV, vers 152.
[695] Dat is Mahomet.
[696] Zie Hoofdstuk III, vers 44.
[697] Zooals het eten van bloed en varkensvleesch, het nemen van woeker, enz.
[698] Zie Hoofdstuk II, vers 286.
[699] Dat is: aan alle menschen in het algemeen, en niet aan een bijzonder volk, zooals de vroegere profeten werden gezonden.
[700] Zie Hoofdstuk II, vers 57.
[701] Zie Hoofdstuk II, vers 54.
[702] Zie omtrent de uitlegging van deze plaats Hoofdstuk II, vers 55.
[703] Deze stad was Ailah of Elath, aan de Roode Zee. Sommigen veronderstellen echter, dat het Median was, en anderen Tiberias. Zie voorts Hoofdstuk II, vers 61, in de noot.
[704] Dat wij onzen plicht hebben gedaan, door hen van hunne snoodheid terug te houden.
[705] Zie Hoofdstuk II, vers 61 in de noot.
[706] Door steekpenningen aan te nemen, om een vonnis te verdraaien en voor de vervalsching van afschriften van den Pentateuchus, enz. (Al Beid‚wi).
[707] Vooral door uit te strooien, dat God hunne verdorvenheid zonder oprecht berouw en boetedoening zou vergeven.
[708] Zie Hoofdstuk II, vers 60, in de noot.
[709] De uitleggers verhalen, dat God over Adams rug streek, en uit zijne lendenen zijne geheele nakomelingschap voortbracht, het eene geslacht na het andere; dat deze menschen verzameld werden in de gedaante van kleine, met verstand begaafde mieren, en dat zij, na hunne afhankelijkheid van God te hebben betuigd, op nieuw in de lendenen van hunnen aartsvader terugkeerden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Yahya. Zie ook d'Herbelot. Bibl. OriÎnt, p. 54). Uit deze verdichting blijkt, dat de leer van het voortbestaan den Mahomedanen niet onbekend is, en dat er eene kleine overeenkomst is tusschen dit en de nieuwere theorie van de generatie ex animalculus in semine maritum.
[710] Sommigen achten dit Bileam, den zoon van BÈor, wel bekend, ten minste met een gedeelte van de schrift, daar hij zelfs met eenige openbaringen van God was begunstigd. Dezen werd door zijn volk verzocht, Mozes en de kinderen IsraÎls te vloeken. Eerst weigerde hij dit, zeggende: Hoe kan ik hen vloeken, die door de engelen worden ondersteund? Maar later werd hij door giften overgehaald, en nauwelijks had hij het gedaan, of hij stak zijn tong uit, als een hond, en deze hing op zijne borst neder. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Al Zamakhshari. Zie ook d'Herbelot. Bibl. OriÎnt. Art. Balaam.)
[711] Door het loon der onrechtvaardigheid te beminnen en gretig, als belooning, op dwaling azende. 2 Petrus II : 5, Richteren II.
[712] Door het uitdrukken van zijne attributen. Marracci telt er negen en negentig op, die bij de Arabieren in gebruik zijn (In Alc. p. 414.)
[713] Zooals Walid Ebn al Mogheira deed, die op het hooren dat Mahomet aan God den titel van Al Rahman, of de genadige gaf, luid begon te lachen en zeide, dat hij niemand van dien naam kende (Marracc. Vit. Moh. p. 19), of, zooals de afgoden dienende bewoners van Mekka deden, die de namen hunner afgoden van die van den waren God afleidden, zooals b.v. All‡t, van Allah, Al Uzza, van Al Aziz, de machtige en Manat van Al Mannan, vol van goedheid (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin.)
[714] Door hen te vleien met voorspoed in dit leven en hun toe te staan, in eene onverstoorbare zekerheid te zondigen, tot zij bevinden, dat zij onverwachts ten gronde zijn gericht. (Al Beid‚wi)
[715] Al Beid‚wi zegt, dat de Koran op deze plaats Kosai, een van Mahomets voorouders, en zijne vrouw bedoelt, die God om kroost smeekten, en die den vier zonen, welke hem werden verleend, de namen Abd Menaf, Abd Shains, Abd ul Uzza en Abd al Dar gaven, naar de namen der vier voornaamste afgoden der KoreÔshieten. De genoemde uitlegger veronderstelt ook, dat de volgende woorden op hunne afgodendienende nakomelingen moeten worden toegepast.
[716] Als zijnde aan het volstrekte bevel van God onderworpen. De hoofd-afgoden der Arabieren waren: de zon, de maan en de sterren.
[717] Dit hoofdstuk werd in het leven geroepen door de hoogloopende twisten, die veroorzaakt werden door de verdeeling van den buit in den slag van Bedr behaald (zie Hoofdstuk III, vers 11, in de noot), en welke twisten waren ontstaan tusschen de jongelieden, die gestreden hadden en alles wilden hebben, en de oude lieden die niet gestreden hadden en een deel verlangden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Mahomet deelde den buit in gelijke deelen onder hen, na aftrek van een vijfde deel voor het lager te melden doel.
[718] Behalve zeven verzen (30-36), die, volgens sommigen, te Mekka werden geopenbaard.
[719] Dat is: nopens hunnen goeden uitslag tegenover Aboe Juhl en de KoreÔshieten; des niettegenstaande had God beloofd hen te zullen aanmoedigen.
[720] De reden van dit terugtrekken was hunne weinige talrijkheid, in vergelijking met den vijand; zij waren namelijk alleen te voet, en hadden slechts twee paarden bij zich, terwijl de KoreÔshieten honderd paarden bezaten (Al Beid‚wi, en Abulfed. Vit. Moh. p. 56).
[721] Dat is, hetzij de karavaan, hetzij de hulpbenden van Mekka. Marracci verwart al ir en al nafir, dat de karavaan en het korps hulpbenden beteekent, en ziet ze aan voor twee familienamen van KoreÔshieten, welke nooit bekend waren en door hem Airenses en Naphirenses genaamd worden (Marracci in Alc. p. 297.)
[722] Dat is: de karavaan, die slechts veertig paarden bezat, terwijl de tegenpartij sterk en goed voorzien was.
[723] Alsof hij had gezegd: Uw gezicht diende alleen om den buit van de karavaan prijs te maken en om gevaar te vermijden; maar God bepaalde de uitroeiing zijner tegenstanders, om zijnen godsdienst te verheerlijken.
[724] Toen Mahomets manschappen zagen, dat zij den strijd niet konden vermijden, bevalen zij zich in Gods ondersteuning aan, terwijl hun profeet met grooten ernst bad, voortdurend uitroepende: O God! vervul wat gij mij hebt beloofd. O God! indien dit gedeelte mocht worden afgesneden, zult gij op aarde niet meer aangebeden worden. (Al Beid‚wi, Abulfed, Vit. Moh. p. 38.)
[725] Zie Hoofdstuk III, vers 145.
[726] Dit is de opzettelijk bepaalde straf voor de vijanden van den Mahomedaanschen godsdienst. De Moslim pasten die echter niet toe op de personen welke zij te Bedr gevangen namen, waarover zij in dit Hoofdstuk berispt worden.
[727] Zie Hoofdstuk III, vers II, in de noot.
[728] Zie de zoo even aangeduide plaats.
[729] Daar hij niet alleen de meest verborgen dingen van zijn hart kent, maar zelfs de voornemens des menschen beheerscht, en hem hetzij tot geloof hetzij tot ongeloof geneigd maakt.
[730] Het oorspronkelijke woord beteekent eene aanstekende misdaad, die een groot getal menschen omvat. De uitleggers zijn omtrent de ware beteekenis dezer plaats verdeeld.
[731] Zijnde te Mekka. De hier aangesproken personen zijn de Mohajerin of uitgewekenen, die van toen af naar Medina vluchtten.
[732] Door hunne samenzwering aan Mahomet te openbaren, en hem wonderbaarlijk bijstaande om hen te ontmaskeren en hem te doen ontsnappen; en door hen later tot den slag van Bedr te brengen.
[733] Zie Hoofdstuk VI, vers 25.
[734] Bij de expeditie van Al Hodeibiya.
[735] Men zegt dat zij gewoon waren, naakt om een Caaba-tempel te gaan (Zie Hoofdstuk VII, vers 29, in de noot), zoowel mannen als vrouwen, terwijl zij door hunne vingers floten en in hunne handen klapten. Volgens anderen maakten zij dit gedruisch met het doel, Mahomet te storen, als deze bad, terwijl zij voorgaven mede te bidden. (Al Beid‚wi.)
[736] De personen die voornamelijk op deze plaats worden bedoeld waren twaalf KoreÔshieten, die ieder elken dag tien kameelen schonken, om die te dooden tot leeftocht voor hun leger in de expeditie van Bedr.
[737] Overeenkomstig deze bepaling, is een vijfde deel van den buit bestemd voor de bijzondere, hier vermelde doeleinden, en de vier andere deelen om gelijkelijk verdeeld te worden onder hen, die bij de verovering tegenwoordig waren. Omtrent het doeleinde van het eerste vijfde, verschillen de Mahomedaansche geleerden.
[738] Om de grootere talrijkheid van den vijand, en de tegenspoeden waaraan gij onderworpen waart.
[739] Met welk visioen Mahomet zijne volgelingen bekend maakte, om hem aan te moedigen.
[740] Of gij den vijand aantasten, of vlieden zoudt.
[741] Door hen aan te zetten, den profeet wederstand te bieden.
[742] Sommigen vatten deze plaats figuurlijk op en passen die op de bijzondere ingevingen van den duivel toe, of op de verijdeling zijner voornemens en der hoop, waarmede hij de afgodendienaars heeft vervuld.
[743] Door hen zoowel tot zulk een groot waagstuk aan te zetten, eene dergelijke groote schaar menschen met zoo weinigen aan te tasten.
[744] Deze plaats wordt algemeen op de engelen toegepast, die de ongeloovigen te Bedr doodden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin.) Sommigen gelooven echter, dat de woorden doelen op het onderzoek van het graf, hetwelk, volgens het geloof der Mahomedanen, iedereen na den dood moet ondergaan, en hetgeen zeer vreeselijk voor den ongeloovige zal zijn.
[745] Sommige afschriften geven dit in den derden persoon, aldus: Laten de ongeloovigen niet denken, enz.
[746] Volgens de meening van sommigen, werd deze plaats geopenbaard in eene vlakte, al Beida genaamd, tusschen Mekka en Medina, gedurende de expeditie van Bedr, en volgens anderen in het zesde jaar van des profeets zending, bij gelegenheid dat Omar het Mahomedanisme omhelsde.
[747] Zie Lev. XXVI : 8; Josua XXIII : 10.
[748] Aangezien men gestreng moet handelen, als de omstandigheden dit vereischen; doch barmhartigheid is verkieslijker, wanneer die veilig wordt uitgeoefend.
[749] Onder de zeventig gevangenen, die door de Moslems in dezen slag werden prijs gemaakt, behoorden Al Abbas, een van de ooms van Mahomet, en Okail, de zoon van Aboe Taleb en broeder van Ali; toen zij voor Mahomet werden gebracht, vroeg hij zijne volgelingen, hem te raden, wat hij met hen moest doen. Aboe Bekr was er voor, hen tegen betaling van losgeld vrij te laten; zeggende, dat zij naaste bloedverwanten van den profeet waren, en dat God hen misschien na hun berouw zou vergeven; maar Omar was er voor hunne hoofden af te slaan, daar zij bepaalde beschermers van het ongeloof waren. Mahomet nam de laatstgenoemden raad niet aan, maar deed opmerken, dat Aboe Bekr op Abraham geleek, die voor misdadigers tusschenbeide trad, en dat Omar op Noach geleek, die voor de geheele uitroeiing der zondige menschen van de eerste wereld bad. Daarop besloot men, het losgeld van hen en hunne medegevangenen aan te nemen. Spoedig daarop ging Omar in de tent van den profeet, waar hij dezen en Aboe Bekr weenende vond. Toen hij hun naar de oorzaak hunner tranen vroeg, zeide Mahomet, dat dit vers was geopenbaard, waarin hunne handelingen, omtrent de gevangenen, werden veroordeeld; dat zij daarvoor ter nauwernood de goddelijke wraak waren ontkomen, en dat, indien God het niet had laten voorbijgaan, zij zekerlijk allen waren verdelgd, uitgenomen alleen Omar en Saad Ebn Moadh, welke laatste mede had aangeraden de gevangenen ter dood te brengen. (Zie Hoofdstuk XXXIII.) Deze misdaad bleef echter niet geheel ongestraft, daar de Moslems in den slag van Ohod juist zeventig man verloren, zijnde gelijk aan het getal gevangenen, te Bedr prijs gemaakt (zie Hoofdstuk III, vers 134, in de noot), hetgeen aldus door God was bevolen.
[750] Door u het overeengekomen losgeld niet te betalen.
[751] En zullen bijgevolg de een des anderen bezittingen erven, boven hunne eigenlijke bloedverwanten. De Arabieren zeggen, dat dit gedurende eenigen tijd in praktijk werd gebracht, en dat de Mohajerin en Ansars gerechtigd geacht werden, van elkander te erven, met uitsluiting der andere bloedverwanten van den overledene, tot deze plaats werd afgeschaft door den tweeden volzin van vers 76 van dit Hoofdstuk.
[752] De reden waarom dit Hoofdstuk dezen naam draagt, blijkt uit het laatste vers. Sommigen geven het een anderen titel en voornamelijk dien van hetgeen onmiddellijk daarna wordt vermeld. Het is opmerkelijk, dat alleen dit Hoofdstuk den gewonen aanhef van: In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God niet heeft. Volgens sommigen is deze weglating daaraan toe te schrijven, dat deze woorden eene belofte van zekerheid geven, die later in dit Hoofdstuk wordt teruggenomen, na verloop van een bepaalden tijd, dientengevolge hebben het sommigen 't Hoofdstuk van straf genoemd. Anderen zeggen, dat Mahomet, die spoedig overleed, nadat hij dit Hoofdstuk had ontvangen, niet heeft opgegeven waar het zou worden geplaatst, en ook niets omtrent de plaatsing van de Bismillah in den aanvang, zooals bij de andere Hoofdstukken was geschied. Daar nu het onderwerp van dit Hoofdstuk veel gelijkenis heeft met dat van het vorige, waren zijne gezellen het niet eens; sommigen hunner zeiden, dat beide Hoofdstukken slechts ÈÈn uitmaakten, en dat zij te zamen het 7e der zeven groote Hoofdstukken vormden, terwijl anderen beweerden, dat het twee onderscheiden Hoofdstukken waren; waarom, ten einde het geschil uit den weg te ruimen, zij eene ruimte tusschen beiden lieten, doch de onderscheiding der Bismillah niet daarbij voegde (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Yahya enz.) Het is aangenomen, dat dit Hoofdstuk het laatst geopenbaard is en, zooals Mahomet verklaarde, het eenige dat op eens werd geopenbaard, behalve het 110e. Sommigen willen dat de beide laatste verzen van dit Hoofdstuk te Mekka werden geopenbaard.
[753] Deze maanden waren Shawal, Dhoe'lkaada, Dhoe'lhajja en Moharram. Het Hoofdstuk zelf werd in eerstgenoemde maand geopenbaard. Anderen echter rekenen, dat dit op den 10den van Doe'thajja te Mekka plaats had, en doen die tijdruimte op den 10den van de vorige Rabi eindigen. (Al Beid‚wi).
[754] De afkondiging van dit Hoofdstuk was door Mahomet aan Ali opgedragen, die met dat doel, op den kameel met gespleten ooren van den profeet, van Medina naar Mekka rende, en op den bovenvermelden dag zich voor de geheele vergadering te al Akaba plaatste, en verhaalde, dat hij de boodschapper aan hen van Godsgezant was. Zij vroegen hem vervolgens, wat zijne boodschap was: hij las hun twintig of dertig verzen uit het Hoofdstuk voor en zeide toen: Mij is bevolen u met vier dingen bekend te maken: 1. Dat, na verloop van dit jaar, geen afgodendienaar den tempel van Mekka zal naderen. 2. Dat geen mensch zich in het vervolg verstoute den Caaba naakt te betreden. (Zie Hoofdstuk VII, vers 29). 3. Dat alleen de ware geloovigen binnen het Paradijs zullen komen; en 4. Dat het openbare geloof moet bewaard worden. (Al Beid‚wi, Zie Abulfed. Vit. Moh. pag. 127, enz.)
[755] Zoodat niettegenstaande Mahomet ieder verbond afwijst, met hen die hem hebben bedrogen, hij zich echter bereid verklaart, zijne verbintenissen na te komen omtrent hen die hem getrouw waren.
[756] Dat is, gij zult hem een zeker geleide geven, opdat hij met veiligheid naar huis terugkeere, voor het geval dat hij het niet geraden mocht oordeelen, het Mahomedanisme te omhelzen.
[757] Door deze woorden worden de geloovigen gewaarschuwd, geen te groot vertrouwen in hunne eigene verdiensten te stellen, terwijl zij ook dienen om de ongeloovigen af te schrikken; want indien de geloovige slechts misschien zal gered worden, waar kunnen de anderen dan op hopen (Al Beid‚wi).
[758] Deze veldslag had plaats in het 8e jaar der hedjira in de vallei van Honein, die, omstreeks drie mijlen van Mekka, nabij Tayef ligt.
[759] Daar de vallei zeer diep en door steile bergen omringd was, plaatste zich de vijand ter wederzijde in hinderlaag en viel hen in de bergpassen, in alle doorgangen en van achter de rotsen met groot voordeel aan (Ebn Ishak.)
[760] Het oorspronkelijke woord is Sakinat, hetwelk door de commentatoren in deze beteekenis wordt uitgelegd; maar het schijnt veeleer de goddelijke bescherming, tegenwoordigheid of Schechinah te beteekenen, die verschijnt om de Moslems bij te staan (Zie Hoofdstuk II, vers 249 en de noot.)
[761] Behalve dat een groot aantal proselieten bij dezen slag werden gewonnen, was Mahomet op hun verzoek zoo edelmoedig, dat hij de gevangenen, die niet minder dan zes duizend in getal waren, aan hunne vrienden terug gaf, terwijl hij aanbood, aan ieder zijner manschappen, die niet geneigd zou zijn zich van zijne gevangenen te ontdoen, eene vergoeding te betalen; zij stemden echter allen toe (Al Beid‚wi).
[762] Dit was in het negende jaar der hedjira. Tengevolge van dit verbod worden noch Christenen, noch Joden, noch de belijders van eenigen anderen godsdienst, tot op den huidigen dag in de nabijheid van Mekka toegelaten.
[763] Dat zijn zij, die geen vast en volkomen geloof in deze punten stellen. Anderen gelooven echter, dat het op degenen slaat, die in meer dan ÈÈn god gelooven, of de eeuwigheid der pijnigingen van de hel (Hoofdstuk II vers 74 en Hoofdstuk III vers 23), of de geneugten van het paradijs loochenen, zooals die in den Koran worden beschreven. Het blijkt echter uit de volgende woorden, dat hier hoofdzakelijk de Joden en Christenen worden bedoeld.
[764] Dit is, naar het oordeel van geachte uitleggers, de ware beteekenis der woorden an yadin, die letterlijk zouden moeten luiden: bij of uit de hand, en op verschillende wijzen worden uitgelegd. Sommigen veronderstellen, dat de bedoeling is, dat de schatting gereedelijk of door hunne eigene handen, en niet door die van anderen moet worden betaald; of wel, dat de schatting alleen van den rijke moet worden gevorderd, of van hen, die in staat zijn haar te betalen, en niet van den arme; of ook, dat het als eene gunst moet worden beschouwd, dat de Mahomedanen met zoo weinig tevreden zijn (Al Beid‚wi). Dat de Joden en Christenen, overeenkomstig deze wet, tegen betaling van schatting, moeten worden toegelaten tot het ontvangen van ondersteuning, kan niet betwijfeld worden. De Mahomedaansche geleerden verschillen echter ten aanzien der belijders van andere godsdiensten. Men zegt, dat Omar het eerste weigerde schatting van een MagiÎr aan te nemen, tot Abd'alrahm‚d Ebn Awf hem verzekerde, dat Mahomet zelf ondersteuning aan een MagiÎr verleend en bevolen had, dat de leeraren van dien godsdienst zouden worden begrepen onder het volk van het boek, of onder hen, wier godsdienst gegrond was op een boek, hetwelk zij veronderstellen van goddelijken oorsprong te zijn. Het is de meest algemeen aangenomen meening, dat alleen deze drie godsdiensten konden worden geduld, op voorwaarde, dat zij schatting zouden betalen: anderen voegen echter de SabeÔten daarbij. Aboe Hanifa veronderstelt, dat de volkeren van elken godsdienst mochten worden geduld, behalve de afgodendienende Arabieren. De laagste schatting, die van zulk een persoon kan worden gevorderd, wordt algemeen op een dinar gesteld, of op omstreeks f 6 per jaar. Hij kan echter gedwongen worden, meer te betalen, indien hij er niet in toestemt; en dit, zeggen zij, is zoowel op den arme als op den rijke toepasselijk. (Reland, de Jure Militari Mohammedanor., p. 17 en 50). Aboe Hanifa bepaalde echter, dat de rijke acht en veertig dirhems (waarvan twintig of soms vijfentwintig een dinar uitmaken) per jaar zou betalen; iemand in middelbare omstandigheden de helft dier som, en een arme man, die in staat is in zijn onderhoud te voorzien, een vierde daarvan: maar dat hij, die niet in staat is in zijn onderhoud te voorzien, niets zou betalen. (Al Beid‚wi).
[765] Deze ongerijmde beschuldiging tegen de Joden, trachten de uitleggers te ondersteunen, door te verhalen, dat hier wordt bedoeld op sommige oude, hetorodoxe Joden, of wel op sommige Joden van Medina die dit alleen beweerden, omdat, aangezien de wet gedurende de Babylonische gevangenschap geheel vergeten en verloren was, Ezra of Esdras weder in het leven werd terug geroepen, nadat hij gedurende honderd jaren dood was geweest (zie Hoofdstuk II vers 261); die haar op nieuw geheel aan de schrijvers uit zijn hoofd opzegde. Het volk was hierdoor zeer verwonderd, en verklaarde, dat hij dit niet zou hebben kunnen doen, indien hij niet de zoon van God ware. (Al Beid‚wi, Al Zamakshari, enz.)
[766] Zie Hoofdstuk III: vers 57 en de noot.
[767] Door het nemen van steekpenningen, zegt Al Beid‚wi, daarbij waarschijnlijk bedoelende, het geld dat zij aannemen, om dispensatie van Gods bevelen te verleenen, en door verzachting van straf te belooven.
[768] Volgens deze plaats is de toevoeging van eene maand aan ieder derde of tweede jaar, hetgeen de Arabieren van de Joden hadden geleerd, ten einde hunne maanjaren tot zonnejaren te maken, volkomen onwettig. Daardoor bepaalden zij den tijd van den pelgrimstocht en van de Ramad‚n-vasten op zekere getijden van het jaar, die beweeglijk moeten zijn. (Zie Prid., Life of Moh. p. 65, enz.)