De Koran Voorafgegaan Door Het Leven Van Mahomed Eene Inleiding

Chapter 79

Chapter 793,835 wordsPublic domain

[444] Deze plaats moet betrekking hebben op een moordaanslag op den persoon van Mahomet. Hiervan bestaan verschillende lezingen. Volgens eene zou een Arabier, toen Mahomet eens zijne wapens afgelegd en die aan een boom opgehangen had, terwijl zijn gevolg zich op eenigen afstand van hem bevond, zich op hem geworpen hebben en, terwijl hij een bloote sabel boven zijn hoofd hield, gezegd hebben: "Wie belet mij u te dooden?"--"Dat is God," hernam Mahomet; hierop ontnam de engel GabriÎl de sabel aan den Arabier. Mahomet, greep de sabel en vroeg den Arabier op zijne beurt; "Wie belet mij, u te dooden?"--"Niemand," hernam de Arabier; en hij omhelsde den Islam.

[445] Hier spreekt God. Gelijk wij bij herhaling hebben opgemerkt, heeft de verwisseling van de voornaamwoorden wij en hij te dikwijls in den Koran plaats, dan dat het mogelijk zou zijn, dit telkens, wanneer het plaats heeft, te doen opmerken.

[446] Door voor den heiligen oorlog geschenken te geven. Volgens Savary: Besteedt uwe rijkdommen voor de verdediging van den heiligen godsdienst.

[447] Dat is: Indien zij berouw gevoelen en gelooven, of zich er aan onderwerpen, schatting te betalen. Sommigen echter zijn van meening, dat deze woorden door het vers van het zwaard zijn afgeschaft. (Al Beid‚wi).

[448] Zooals het vers betreffende het steenigen van overspeligen (Hoofdstuk III, vers 22, noot), de beschrijving van Mahomet, en de profetie van Christus nopens dezen onder den naam van Ahmed (Al Beid‚wi).

[449] Dat is: Zulke, wier herstelling niet noodig was.

[450] Het Arabische woord al Fatra beteekent het tijdsverloop tusschen twee profeten, gedurende hetwelk geen nieuwe openbaring of kwijtschelding werd gegeven, zooals de tijd, die tusschen Mozes en Jezus verliep, of tusschen Jezus en Mahomet, op het einde van welke laatste tijdruimte Mahomet gezonden werd.

[451] Dit werd vervuld, Úf door dat God hun een koninkrijk gaf, en eene lange opvolging van vorsten, Úf door dat hij hem tot koningen of meesters over hen zelven maakte, door hen van de Egyptische slavernij te verlossen.

[452] Daar hij de Roode Zee voor u scheidde en u, door middel van eene wolk, leidde en u ook met kwakkels en manna voedde (Al Beid‚wi).

[453] De grootste dezer reuzen, was volgens de uitleggers Og, de zoon van Anak, nopens wiens reusachtige houding, zijne ontkoming aan den vloed en de wijze waarop hij door Mozes werd gedood, de Mahomedanen verschillende fabels verhalen. Zie Marracc., in Alcor. p. 231 enz., d'Herbel. Bibl. OriÎnt, p. 336.

[454] Namelijk Caleb en Josua.

[455] De uitleggers beweren, dat de IsraÎlieten, terwijl zij in de woestijn reisden, binnen een cirkel van omstreeks achttien, of volgens het zeggen van sommigen, van zevenentwintig mijlen werden gehouden, waardoor zij, hoewel van den ochtend tot den avond reizende, zich den volgenden dag telkens op de plaats bevonden vanwaar zij waren uitgegaan. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).

[456] Zijnde KaÔn en Abel, welke door de Mahomedanen K‚bil en H‚bÓl genoemd worden.

[457] De oorzaak van het brengen van dit offer, wordt volgens de gewoonlijke overlevering van het Oosten aldus verhaald (zie Abu'lfarag., p. 6 en 7, Eutych, annol. p. 15 en 16 en d'Herbelot, Bibl. OriÎnt. Art. Cabil): Ieder van hen beiden was met een tweelingzuster geboren, en toen zij opgegroeid waren, beval Adam, door Gods ingeving, aan KaÔn, Abels tweelingzuster te huwen, aan Abel beval hij hetzelfde ten opzichte van KaÔns tweelingzuster. KaÔn weigerde dit echter op te volgen, daar zijne eigene zuster de schoonste was. Adam beval hun daarop hunne offeranden aan God te brengen en daarbij de beslissing van het geschil aan God over te laten. (Al Beid‚wi). De uitleggers zeggen, dat KaÔns offerande een gaaf was van het slechtste koren dat hij bezat, terwijl die van Abel in een vet lam het beste van zijne kudde bestond.

[458] Namelijk van Abel, waarvan God de aanneming op een zichtbare wijze deed plaats hebben. Hij deed namelijk vuur uit den hemel nederdalen, waardoor het werd verteerd, zonder dat het offer van KaÔn werd aangeraakt. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).

[459] Om Abels geduld te verheffen. Al Beid‚wi verhaalt, dat hij de sterkste der twee was, en dus gemakkelijk zijn broeder had kunnen overmeesteren.

[460] Zooals afgodendienarij, of roof op den openbaren weg. (Al Beid‚wi).

[461] Daar hij het gebod zal hebben geschonden, waarbij het vergieten van bloed wordt verboden.

[462] De schriftgeleerden zijn het niet eens omtrent de toepassing van deze straffen. De uitleggers veronderstellen echter, dat zij die alleen moord hebben gepleegd, op de gewone wijze ter dood moeten gebracht worden; zij die moord of roof te gelijk plegen, zouden gekruisigd worden: hun die rooven, zonder daarbij moord te plegen, zou de rechterhand en de linkervoet afgesneden worden; zij die personen aanvallen en hun vrees aanjagen, zouden moeten gebannen worden. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Ook is het twijfelachtig, of zij, die gekruisigd moeten worden, levend aan het kruis genageld, of na hunnen dood die straf moeten ondergaan, of wel aan het kruis moeten opgehangen worden tot zij sterven. (Al Beid‚wi).

[463] Volgens de Sonna (de overlevering), kan deze straf niet worden opgelegd, dan wanneer de waarde van het gestolene vier dinars (f 24) bedraagt. Voor de eerste misdaad moet de veroordeelde de rechterhand verliezen, die aan den pols wordt afgesneden; bij herhaling wordt de linkervoet aan den enkel afgesneden; bij de tweede herhaling zijne linkerhand; bij de derde herhaling zijn rechtervoet; en indien hij voortgaat misdaden te begaan, zal hij, naar het oordeel des rechters gegeeseld worden. (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi). Deze wet is niet meer bij de Turken in gebruik. Het toedienen van stokslagen is de gewone straf voor diefstal. Roovers worden dikwijls onthoofd. Deze misdaad is echter zeldzaam in Turksche steden, maar de slechte staat der politie veroorzaakt, dat zij soms op groote wegen, en vooral in de woestijnen, voorvalt. Thans mag in de Turksche staten geen doodvonnis worden voltrokken, zonder door den sultan bekrachtigd te zijn.

[464] Dit wil zeggen: dat God hem daarna er niet meer voor zal straffen; maar zijn berouw belet hier echter de uitvoering der wet niet, noch ontheft hem van restitutie. Al Sh‚feÔ beweert echter, dat hij niet zal gestraft worden, indien de beleedigde partij hem vergeeft, alvorens hij voor den magistraatpersoon verschijnt. (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi.)

[465] Dat is: die de eerste gelegenheid aangrijpen om het masker af te werpen en zich bij de ongeloovigen aansluiten.

[466] Zijnde de huichelachtige Mahomedanen.

[467] Deze woorden zijn voor twee uitleggingen vatbaar. Volgens sommigen doelen zij op de leugens en verdraaiingen van de rabbijnen of de christelijke geestelijken, die de geboden van Mahomet verwerpen; volgens anderen, dat zij alleen naar Mahomet kwamen luisteren om hem te bespieden en hunne makkers mede te deelen wat hij had gezegd, en hem als een leugenaar voor te stellen (Al Beid‚wi.)

[468] Zie Hoofdstuk IV, vers 48.

[469] Dat is: indien Mahomet u den tekst der schrift geeft, zooals wij u dien geven, neemt dien aan: zoo niet verwerpt dien.

[470] Sommigen zeggen, dat dit betrekking heeft op het gebruik van verboden vleeschsoorten: anderen op woeker en omkooping (Al Beid‚wi). Het Arabische woord, hier door eten vertaald, geeft tot beide beteekenissen evenveel aanleiding. Het Hebreeuwsch nSr (verwant met bijten) is elke rente.

[471] Dat is: kies zelf, of gij hunne geschillen al of niet wilt beslechten. Vandaar was Al Sh‚feÔ van meening dat een rechter niet verplicht was, in geschillen tusschen Joden en Christenen uitspraak te doen. Indien echter een hunner, of beiden schatplichtigen waren, of onder de bescherming der Mahomedanen stonden, waren zij daartoe verplicht, en behoefden zij om dit vers zich niet te bekreunen. Aboe Hanifa meent echter, dat de magistraten verplicht zouden zijn, alle zaken te richten, die hun worden onderworpen. (Al Beid‚wi.)

[472] Maar zij dobberen in twijfel en gelooven niet.

[473] Dat is: waakzaam, om er schending van te voorkomen.

[474] Het oorspronkelijke woord is: ziel.

[475] Zie Exod. XXI : 24, enz.

[476] Deze plaats is voor nog eene uitlegging vatbaar; te weten: hij die aalmoezen geeft, na iemand gewond te hebben, zal vergeving zijner zonden verkrijgen.

[477] Het woord, hier door open weg vertaald, is eigenlijk het pad, dat naar de drinkplaats leidt. Figuurlijk wordt dit woord voor de gedragslijn volgens de wet gebruikt.

[478] Of weigeren, door den Koran gericht te worden.

[479] De onwetendheid, eldjahiliieh, wordt bij de Arabieren altijd gebruikt om het tijdperk van den afgodendienst aan te duiden. Deze plaats beteekent: Achten zij het beter, volgens de woeste wetten der afgodendienaars, dan door de goddelijke wet geoordeeld te worden?

[480] Deze woorden werden tot de Mahomedanen of wel tot Joden gericht, naardien de huichelaars hunne eeden aan beiden hebben gezworen. (Al Beid‚wi).

[481] Het Arabische woord weli beteekent: vriend patroon, beschermer, bondgenoot, heilige (vriend van God).

[482] Deze woorden werden ingevoegd, bij gelegenheid dat een zeker Christen, die, toen hij den Muadhdhin of roeper, tot het gebed hoorde oproepen, en dit gedeelte van de gebruikelijke formule herhaalde: Ik geloof dat Mahomet de apostel van God is, luid zeide: Moge God den leugenaar verbranden; maar eenige nachten later geraakte zijn huis door de onvoorzichtigheid van een bediende in brand, waarbij hij zelf en zijn gezin in de vlammen omkwamen. (Al Beid‚wi).

[483] De eersten waren de Joden van Ailah, die den Sabbath schonden (Zie Hoofdstuk II, vers 61), en de laatsten zij, die niet geloofden aan het mirakel van de tafel, welke aan Jezus uit den hemel, werd nedergezonden.

[484] Zie Hoofdstuk II, vers 247.

[485] Dat is: Zij zullen met gebrek en gierigheid gestraft worden. Deze woorden doelen, volgens de meening van sommigen, ook op de wijze waarop de goddeloozen op den jongsten dag zullen verschijnen, namelijk met hunne rechterhanden aan hunnen nek gekluisterd, hetgeen de eigenlijke beteekenis van het Arabisch woord is.

[486] Namelijk de Koran.

[487] Dat is: Zij zullen zoowel de genoegens des hemels als die der aarde genieten.

[488] Alvorens dit vers werd geopenbaard, onderhield Mahomet eene lijfwacht van gewapenden voor zijne zekerheid: toen hij echter deze verzekering van Gods bescherming ontving, dankte hij die dadelijk af. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin.)

[489] Zie de noot van Hoofdstuk II, vers 59.

[490] Zie Hoofdstuk II, vers 59.

[491] Door hunne oogen en ooren voor overtuiging en de bevelen der wet te sluiten, zooals toen zij het kalf aanbaden.

[492] Zie Hoofdstuk IV, vers 170.

[493] Die nimmer aanspraak er op maakte, van goddelijken aard, of de moeder Gods te zijn. (Jallalo'ddin).

[494] Daar zij verplicht waren, hun leven op dezelfde wijze door te brengen, en aan dezelfde behoeften en gebreken als de overige menschen onderworpen en dientengevolge van geen' goddelijken oorsprong waren. (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).

[495] Zie Hoofdstuk IV, vers 169. Hier zijn deze woorden echter uitsluitend tot de Christenen gericht.

[496] Dat is: van de geestelijken en voorgangers, die dwalen, door aan Christus goddelijkheid toe te kennen, alvorens Mahomet werd gezonden. (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).

[497] Zie hiervoren de noot 3 op blz. 162.

[498] David had de Sabbatschenders in apen veranderd, Hoofdstuk II. vers 61; Jezus veranderde de boozen onder IsraÎl in varkens.

[499] Zie Hoofdstuk II vers 89.

[500] De personen die op deze plaats rechtstreeks worden bedoeld, zijn: Ûf Ashama, koning van EthiopiÎ, en verschillende bisschoppen en priesters, die, tot dat doel vergaderd, Jaafar Ebn Taleb hoorden, en die bij de eerste vlucht naar deze plaats vlood, en de 29e en 30e en later de 18e en 19e Hoofdstukken van den Koran las, op het hooren waarvan de koning en de overige aanwezenden in tranen uitbarstten en bekenden, dat het met de waarheid overeenkomstig was; vooral de vorst zelf werd een proseliet van het Mahomedanisme (Al Beid‚wi, Al Thalabi, Albufed. Vit. Moh., pag. 35 enz., Marracc, Prodr. ad Refut, Alcor. pars. I pag. 45), of dertig, doch gelijk anderen zeggen zeventig personen, die door dien zelfden koning van EthiopiÎ als afgezanten tot Mahomet waren gezonden, aan welken de profeet zelf het 36e hoofdstuk voorlas, waarop zij begonnen te weenen, zeggende: Hoezeer gelijkt dat op hetgeen door Jezus werd geopenbaard! en zich dadelijk als Moslems bekenden. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, ook Marrace, t. a. pl.)

[501] Deze woorden geopenbaard, toen sommigen van Mahomets volgelingen, goed dachten te doen, door voortdurend te vasten en te waken, en door zich van vrouwen, het eten van vleesch, het slapen op een bed en andere geoorloofde genoegens des levens te onthouden, in navolging van sommige Christenen; doch de profeet keurde dit af, zeggende: dat hij geene monniken in zijnen Godsdienst verlangde te hebben. (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).

[502] Zie Hoofdstuk II, vers 224.

[503] (Aboe HanÓfa zegt, dat dit drie dagen te zamen is). Dit wordt echter in het gebruik niet gevolgd, daar het nergens bepaald in den Koran, noch in de Sonna wordt bevolen.

[504] Hiermede worden alle bedwelmende dranken en kansspelen bedoeld. Zie Hoofdstuk II, vers 216.

[505] Al Beid‚wi en sommige andere uitleggers zeggen, dat hier van afgoden wordt gesproken, anderen beweren echter, en met meer waarschijnlijkheid, dat hier de gesneden menschenbeelden worden bedoeld, waarmede de afgodendienende Arabieren schaak spelen, zijnde kleine figuren van menschen, olifanten, paarden en drommedarissen.

[506] De uitleggers trachten de tautologie van deze plaats te verontschuldigen, door de veronderstelling, dat de drievoudige vermelding van vreezen en gelooven betrekking heeft op de drie toestanden van den tijd, namelijk het verledene, het tegenwoordige en het toekomstige of op den drievoudigen plicht van den mensch, omtrent God, zich zelven en zijn naaste. (Al Beid‚wi). Volgens anderen weder heeft deze herhaling plaats gehad, omdat Mahomet duidelijk wilde aantoonen, dat de ware vroomheid niet in het onthouden van zekere spijzen ligt.

[507] Hiermede wordt bedoeld, dat hij een offer in den tempel van Mekka zal brengen, hetgeen daar gedood en onder de armen verdeeld zal worden, of wel een of ander huis- of tam dier, van gelijke waarde als datgene wat hij zal hebben gedood; zooals b.v. een schaap ter vergoeding van een antilope, een duif voor een patrijs enz. En over deze waarde moeten twee voorzichtige personen oordeelen. Indien de overtreder niet in staat was dit te doen, rustte de verplichting op hem eene zekere hoeveelheid voedsel aan een of meer arme lieden te geven, of een evenredig aantal dagen te vasten.

[508] Dit, zegt Jallalo'ddin, is toepasbaar op alle visschen die in de zee leven, en niet op diegene, welke zoowel in de zee als op het land leven; zooals: krabben, enz. De Turken die tot de Hanifieten behooren, eten deze soort van visschen nimmer, maar de secte van Malec Ebn Ans, en misschien eenige anderen, zien daarin geen godsdienstig bezwaar.

[509] Want het oordeel over zaken moet niet met het oog op hare schaarschte of menigvuldigheid, maar naar heure wezenlijke goede of slechte hoedanigheden worden uitgesproken, (Al Beid‚wi).

[510] Dit waren de namen door de afgodendienende Arabieren aan sommige kameelen of schapen gegeven, die in eenige gevallen van de gewone diensten waren bevrijd. Zij waren van een of ander kenteeken voorzien, gelijk gespleten ooren, enz. opdat zij herkend konden worden. Dit deden zij ter eere hunner goden. Deze bijgeloovige gewoonte wordt hier verklaard, geen bevel van God te zijn en als een verzinsel van dwazen gekenschetst.

[511] Zij die deze woorden zoodanig uitleggen, dat daarmede personen van eenen anderen godsdienst worden bedoeld, zeggen, dat dit afgeschaft is, en dat de getuigenis van zulk een' niet tegen een Moslem kan gelden. (Al Beid‚wi).

[512] Voor het geval dat er eenige twijfel bestond, werden de getuigen van het gezelschap afgezonderd, opdat zij niet verleid mochten worden: dit duurde voort, tot zij hunne verklaring hadden afgelegd, hetgeen zij gewoonlijk deden als het namiddaggebed was uitgesproken; daar dit het oogenblik was, dat het volk zich in het openbaar verzamelde, of, gelijk sommigen beweren, de beschermengelen dan iedereen bijstonden, zoodat er vier engelen tegen hen konden getuigen, indien zij valsche verklaringen aflegden. Er zijn echter anderen die veronderstellen, dat zij na het uur van ieder gebed mochten verhoord worden, indien daarbij een genoegzaam aantal menschen verzameld was. (Al Beid‚wi).

[513] Dat is op den dag der opstanding.

[514] Zie Hoofdstuk II, vers 81, in de noot.

[515] Zie Hoofdstuk III, vers 41.

[516] Zie ald., vers 43.

[517] Zie ald., vers 48.

[518] Zie Hoofdstuk III, vers 41-43.

[519] De uitleggers verhalen dit wonder op de volgende wijze: Nadat Jezus dit, op verzoek zijner volgelingen, van God had gevraagd, daalde voor hunne oogen dadelijk een roode tafel tusschen twee wolken neder: zij werd voor hem geplaatst. Vervolgens stond Jezus op en bad, na de reiniging te hebben verricht, waarop hij het kleed weg nam, dat de tafel bedekte, zeggende: "In den naam van God, die het best van voedsel voorziet." Omtrent de spijzen die zich op de tafel bevonden, zijn de uitleggers het oneens. De meest verspreide overlevering zegt echter, dat er, zoodra het kleed van de tafel was weggenomen, een geheel gereed gemaakte visch met groente, brood, olijven enz. verscheen. Zij voegen er, behalve verdere bijzonderheden, nog bij, dat Jezus, op verzoek der apostelen, een ander wonder voor hen verrichtte, door den visch weder in den oorspronkelijken vorm terug te brengen en weder levend te maken, waarna hij hem in den toebereidenden toestand herstelde; Eenduizenddriehonderd mannen en vrouwen, die allen met lichaamsgebreken bezocht, of arm waren, aten van deze spijzen en werden verzadigd, terwijl de visch geheel bleef, zooals hij oorspronkelijk was. Daarop rees de tafel voor aller oog, weder ten hemel, en ieder die van dit voedsel had genoten, was van zijne gebreken en ongelukken bevrijd. De tafel daalde daarop nog gedurende veertig dagen, tegen etenstijd neder en bleef op den grond staan, tot de zon daalde, waarop zij weder door de wolken werd opgenomen. Sommige Mahomedaansche schrijvers zeggen, dat deze tafel niet werkelijk nederdaalde, maar achtten 't eene parabel; de meesten meenen echter, dat de woorden van den Koran juist het tegenovergestelde te kennen geven. Eene andere overlevering zegt, dat verscheiden menschen in zwijnen werden veranderd, omdat zij niet aan dit wonder geloofden, en het aan tooverij toeschreven, of, zooals anderen beweren, omdat zij sommige levensmiddelen van de tafel stalen. (Al Beid‚wi, Al Thalabi.)

[520] Zie Hoofdstuk III, vers 48, nopens de reden waarom hier de woorden: "gij hebt mij tot u opgenomen", in plaats van: "gij hebt mij doen sterven", zijn geplaatst. Zie ook Hoofdstuk XXXIX, vers 43, noot.

[521] Dit hoofdstuk is aldus betiteld, omdat daarin worden behandeld sommige bijgeloovige gewoonten der bewoners van Mekka, die op het vee betrekking hebben.

[522] Behalve zes, of, volgens anderen, drie verzen.

[523]

[524] Mahomet schijnt hier de oude en sterke stammen van Ad en Thamud te bedoelen.

[525] Of zinsbedrog.

[526] Gelijk GabriÎl gewoonlijk aan Mahomet verscheen, die, hoewel een profeet, niet in staat was, zijn gezicht te verdragen, als hij in zijn gewonen vorm verscheen; zoodat anderen dit des te minder zouden kunnen doen.

[527] Deze plaats werd geopenbaard, toen de KoreÔshieten Mahomet verhaalden, dat zij de Joden en Christenen nopens hem hadden ondervraagd, en dat die hun hadden verzekerd, dat zij geene melding of beschrijving van hem in hunne schriften vonden. Daarom, zeiden zij: wie legt de getuigenis voor u af, dat gij Gods gezant zijt? (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin.)

[528] Dat is: zij weten zeer goed dat Mahomet Gods gezant is. Zie Hoofdstuk II, vers 141.

[529] Zeggende dat de engelen dochters van God zijn, en tusschenpersonen voor ons bij hem, enz.

[530] Zijnde: Uwe afgoden en valsche goden.

[531] Dat is: Hunne ingebeelde goden bewijzen niets te zijn, en verdwijnen als ijdele droombeelden en hersenschimmen.

[532] Om gericht te worden.

[533] De laatste dag wordt hier het uur genoemd, zooals in 1 Johannes vers 25 enz., en de voorafgaande uitdrukking: verschijning voor God op dien dag, kan mede aangenomen worden dat te beteekenen. 1 Thess. IV : 17.

[534] Op deze plaats wordt Mahomet gelaakt, dat hij geen geduld tegenover de halsstarrigheid zijner landgenooten plaatste over zijne ongepaste begeerte, om te verwezenlijken wat God niet besloten had; te weten de bekeering en redding van alle menschen. (Al Beid‚wi.)

[535] Daar zij onbekend waren met Gods almacht, en met het gevolg van hetgeen zij vroegen; hetgeen tot hunne volslagen vernietiging kon voeren.

[536] Daar zij evenzeer onder Gods hoede zijn als het menschelijk geslacht.

[537] Dat is: in de bewaarde tafel, waarop alle goddelijke besluiten zijn opgeschreven, en alle zaken die in de wereld gebeuren (zoowel de kleinste als de meest uitgebreide), nauwkeurig worden opgeschreven. Reeds vroeger is, in den loop van dit werk, hierover bij herhaling gesproken.

[538] Want, volgens het Mahomedaansche geloof, zullen alle schepselen op den dag des laatsten oordeels voor God verschijnen, om rekenschap van hunne daden af te leggen.

[539] Dat is: satan heeft hunne daden verbloemd, of: satan heeft hunne daden geschikt zooals het hem behaagde.

[540] Dat is; wij gaven hun allerlei overvloed, ten einde, nadat zij niet door hunne droefenis werden geleerd, hun voorspoed een valstrik voor hen zou worden, en zij zich zelven spoediger tot vernietiging zouden brengen.

[541] Dat is, volgens Al Beid‚wi: Ûf zonder eenige voorafgaande aankondiging, Ûf na het geven van eene waarschuwing.

[542] Sommigen zeggen, dat de opperhoofden van Mekka alle armen uit hunne stad verdreven; hun zeggende tot Mahomet te gaan. Zij deden dit en boden aan, zijnen godsdienst te omhelzen; doch hij maakte eenige zwarigheid, hen te ontvangen, daar hij vreesde, dat de nood en geene oprechte overtuiging de drijfveer was (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin); waarna deze plaats werd geopenbaard.

[543] Deze plaats moet tot antwoord strekken op de uitdagingen der ongeloovigen, die tot Mahomet zeiden, indien hij een waar profeet was, een stortregen van steenen of een andere wonderdadige straf van den hemel af te bidden, om hen te vernietigen. (Al Beid‚wi).

[544] Zie hiervoren vers 38, noot.

[545] Woordelijk zou dit moeten luiden: onze gezanten, nemen ieder uwer op; ontvangen zijn adem, zijne ziel. Die engel heet Irafil.

[546] De lezing van een ander afschrift van den Koran is in den derden persoon. Indien hij ons bevrijdt, enz.

[547] Door tot uwe vroegere afgodendienarij terug te keeren.

[548] Door stormen des hemels; zooals bij de ongeloovigen van Noach en Loth, en het leger van Abraha, den heer van den olifant. (Al Beid‚wi).

[549] Zooals bij Pharao en zijn leger, en bij Korach, of (gelijk de Mahomedanen hem noemen) Karun. (Al Beid‚wi.)

[550] De Muzelmannen maakten de opmerking, dat, indien men zich telkenmale van de ongeloovigen moest verwijderen als zij den nieuwen godsdienst bespotten, men nergens een enkel oogenblik zou kunnen blijven. Mahomet vulde daarop het voorschrift van het vorige vers met deze plaats aan.

[551] Dit is de naam dien de Mahomedanen aan Abrahams vader gaven en die in de H. Schrift Terah wordt genaamd, hoewel sommigen hunner schrijvers beweren, dat Azer de zoon was van Terah (TarÓkh Montakhab, bij d'Herbel. Bibl. OriÎnt. p. 12) en d'Herbelot zegt, dat de Arabieren hen in hunne geslachtslijsten steeds als verschillende personen beschouwen, maar dat, aangezien Abraham, volgens Mozes, de zoon van Terah was, door Europeesche schrijvers verondersteld wordt, dat Terah dezelfde is als de Azer der Arabieren.