De Koran Voorafgegaan Door Het Leven Van Mahomed Eene Inleiding
Chapter 73
Nu mocht men verwachten, dat de in Juli 1908 verkondigde idealen hare verwezenlijking nabij waren. Maar juist het omgekeerde gebeurde. Wel bleef de constitutie gehandhaafd, maar in allen deele uitgevoerd werd zij niet. En tusschen de Christenen en de Jong-Turksche regeering werd de verhouding spoedig heel slecht. Dit is buiten kijf de schuld der laatste. In de praktijk toonde zich deze zeer chauvinistisch-Turksch. Niet om gelijkstelling bleek het haar te doen, maar om gelijkmaking, om assimilatie van de verschillende deelen aan de Turksche norm. Afschaffing van alle bijzondere rechten, den onderdeelen in verschillende mate toegekend, en sterke centralisatie van de regeering werden de leus. Het moge waar zijn, dat de Jong-Turken hiermede de verwezenlijking van zekere moreele idealen hoopten mogelijk te maken, zij lieten zich, om hun doel te bereiken, van geen middelen, hoe slecht en onpractisch ook, afschrikken en toonden daarbij weinig staatkundig talent. Zij deden, zooals dwepers veelal doen, en men is geneigd hen met eenige zachtheid te beoordeelen, juist omdat ze dwepers waren en omdat ze voor zulk een geweldig zware taak stonden: de bereddering van Abdoel-Hamid's nalatenschap!
Wat al plannen hebben zij geÎntameerd! Ze wilden de Turken in de niet meer onder Turksch bewind staande landen, in en buiten Europa, naar Turkije overbrengen, daarmede de Turksche bevolking versterken en over de Christelijke den baas worden. Ze wilden de scholen overal naar ÈÈn model, een Turksch model natuurlijk, inrichten. Tot Ottomanen zouden alle onderdanen van den Turkschen staat gemaakt worden,--naar ÈÈn uniform model. En dat in een staat, waar juist de grootst mogelijke verscheidenheid van taal, godsdienst, gewoonten bestond! Verzet, dat natuurlijk niet uit kon blijven en ook waarlijk niet uitbleef, zou met geweld worden bedwongen. Ontwapening van de deelen, waar verzet gepleegd werd, was hiertoe een eerste schrede. Nu verdween de geest van verbroedering van 1908 zeer snel. Niet alleen in de Christelijke streken van den Balkan, ook in de door Mohammedanen bewoonde werd het roerig, tot in SyriÎ toe, waar juist de Arabieren in den beginne den Jong-Turken zeer goed gezind geweest waren, maar--van de centralisatie waren ook zij volstrekt niet gediend. Evenmin als de Albaneezen, ze mochten dan den Islam of het Christendom aanhangen, die juist op hunne groote mate van zelfstandigheid prat waren geweest. Van 1909-1911 kwam het onder hen van opstand tot opstand. In MacedoniÎ begonnen de gevechten opnieuw; de toestand van vÛÛr 1908 keerde terug. De regeering toonde zich ontegenzeggelijk krachtiger dan die van Abdoel-Hamid. In 1911 behaalde ze niet onbelangrijke voordeelen in AlbaniÎ en in MacedoniÎ schenen de benden het nu tegen de Turksche troepen te moeten afleggen. De laatsten hadden het misschien nog verder kunnen brengen, ware de kracht van het leger, doordat vele officieren te veel aan politiek deden, waardoor de tucht verslapte, niet ten deele ondermijnd. Ook het opnemen van de Christenen in het leger, gevolg van den nieuwen toestand, had op den samenhang een nadeeligen invloed. Het is moeilijk te zeggen, wat het einde van deze ontwikkeling zou geweest zijn, indien deze in volle vrijheid, zonder belemmering van buiten af, had plaats gegrepen. Maar dit was niet het geval.
In September 1911 ondernam ItaliÎ een expeditie naar Tripoli. De stad werd vrij gemakkelijk bezet. In het binnenland boden de Arabieren, door een klein aantal Turken versterkt, hevigen tegenstand. Het zou niet anders gegaan zijn, ware Abdoel-Hamid nog aan de regeering geweest. Maar nu kregen de Jong-Turken de schande der nederlaag te dragen en dit verhoogde hun aanzien niet. Men mocht hun met eenig recht verwijten, dat zij zeer weinig gedaan had, om de in diep verval verkeerende marine op te beuren, zij had in drie jaar toch niet genoeg kunnen doen, om ItaliÎ ter zee te weerstaan--en dit zou het eenige middel geweest zijn, om Tripoli te behouden. Terwijl de strijd in Libye nog voortduurde, sloot de Turksche regeering met ItaliÎ te Lausanne vrede (October 1912): zij stond Tripoli af, waar de sultan dergelijke rechten behield als in BosniÎ en Herzegowina; zij verplichtte zich de Turksche troepen uit Libye terug te roepen; tot zoo lang zou ItaliÎ eenige eilanden in de AegeÔsche Zee (waaronder Rhodos), die het tijdens den oorlog bezet had, behouden. Zeer onvoordeelig was dit einde; geen geld zelfs was tot afkoop bedongen! Turkije had den afloop verhaast, omdat het wist, dat veel grooter gevaar dreigde.
Het optreden der Jong-Turken en het gevaar voor een mogelijke versterking van den Turkschen staat had de Christelijke staten op den Balkan tot elkander gebracht. Het plan tot hunne onderlinge aaneensluiting was reeds lang van enkele zijden bepleit. Het leek ook zoo aannemelijk en zoo eenvoudig: de Christenen samen, om den Turk te verdrijven! In werkelijkheid waren de moeilijkheden even groot als die een aaneensluiting van de groote mogendheden in Europa tot hetzelfde doel sedert de 18e eeuw in den weg hadden gestaan; wat moest er gebeuren met het land, dat men den Turken zou ontnemen? Met MacedoniÎ, waarop Bulgarije, ServiÎ en Griekenland alle drie aasden. Met AlbaniÎ, dat ServiÎ, Montenegro en Griekenland al even zeer begeerden. Met Constantinopel! En natuurlijk zouden de groote mogendheden de definitieve regeling niet buiten zich om laten geschieden. Rusland had de hoop op Constantinopel niet definitief opgegeven. Oostenrijk en ItaliÎ wenschten geen sterken staat aan de Adriatische Zee. Hierin stemden de belangen dezer beide, anders meer en meer divergeerende landen overeen. In het laatste stadium der Turksche kwestie in Europa zouden al deze belangen stellig tot hun recht trachten te komen. Het was onmogelijk ze alle vooraf met elkander te verzoenen. De aaneensluiting van Bulgarije, ServiÎ, Montenegro en Griekenland in 1912, die men gewoon is den Balkanbond te noemen, was slechts een bescheiden poging, om althans enkele onderlinge geschilpunten uit den weg te ruimen en zoo het gezamenlijk optreden mogelijk te maken.
De wijze, waarop, en de omstandigheden, waaronder de zoogenaamde Balkanbond tot stand kwam, zijn niet in alle bijzonderheden bekend. Zeker is, dat de besprekingen tusschen de voornaamste Balkan-staatslieden, vooral op aansporen van den Griekschen minister Venizelos, in den loop van 1910 begonnen en dat eerst in het voorjaar van 1912 een Servisch-Boelgaarsch verdrag, weldra gevolgd door een Grieksch-Boelgaarsch verdrag, gesloten werd en dat iets later ook militaire afspraken tot stand kwamen. De staatkundige toestand, zooals deze er na een eventueele overwinning op de Turken zou moeten uitzien, werd echter volstrekt niet precies vastgesteld. Boelgarije en ServiÎ werden het over de verdeeling van MacedoniÎ vrij wel eens; over een betwist gedeelte zou de keizer van Rusland later uitspraak moeten doen. Maar Boelgarije en Griekenland hadden omtrent het deel van MacedoniÎ, dat aan het laatste land zou komen, niets positiefs omschreven: de groote kwestie, wie hunner Saloniki zou krijgen, bleef open! De verdragen, voor zoover ze bekend geworden zijn, droegen een defensief karakter; maar uit den aard der zaak werd een optreden tegen Turkije er door voorbereid.
Een kleine aanleiding was voldoende, om dit uit te lokken. Een nieuwe opstand in AlbaniÎ in 1912, nu met meer succes ondernomen dan de vorige--de Albaneezen dwongen de Turksche regeering, een ietwat gematigder regeering, die onder den indruk van den ernst der gebeurtenissen juist opgetreden was, hun een ruimer mate van autonomie toe te staan, die zich zelfs over een deel van MacedoniÎ zou uitstrekken--, deed de spanning op den Balkan zeer toenemen. Toen toonden de groote mogendheden, v.n. Oostenrijk, neiging zich met de zaken te gaan bemoeien, om den dreigenden storm te bezweren. Zij verklaarden geen veranderingen in den status quo te zullen dulden--, zooals ze vroeger meermalen gedaan hadden. Juist ÈÈn dag later verklaarde Montenegro, als wilde het met deze verklaring openlijk den spot drijven, aan Turkije den oorlog (9 October). Het uitdagend optreden van den kleinsten onder hen sleepte weldra de anderen mede. Deze eischten nu van Turkije autonomie voor alle Europeesche provinciÎn van het Turksche rijk, waarbij de grenzen naar de ethnographische toestanden zouden getrokken worden. Turkije antwoordde met een oorlogsverklaring aan ServiÎ en Boelgarije, waarna Griekenland onmiddellijk de zijde van dezen koos.
Over het algemeen verwachtte men, dat de Turken hunne tegenstanders gemakkelijk zouden overwinnen. Het Jong-Turksche leger had immers in 1908 zulke duidelijk sprekende proeven van bekwaamheid afgelegd! Maar de verwachting werd in geenen deele vervuld. Het leger bleek dapper genoeg, maar volstrekt niet berekend op de sterke krachtsinspanning, die er nu van geÎischt werd. Het was niet voorzien van voldoende uitrusting en bij lange na niet voldoende georganiseerd. De Balkan-staten voerden den oorlog ieder voor zich; zij ondernamen geen gemeenschappelijke actie. De Boelgaren, wier hoofdmacht in ThraciÎ viel, kregen met het voornaamste leger der Turken te maken. Zij versloegen dat achtereenvolgens bij Kirk-Kilisse, Loele-Boergas en Tsjorloe, maar stieten, zelf door verliezen en ziekte verzwakt, het hoofd voor de linie van Tsjataldza, terwijl ze ook Adrianopel eerst niet konden veroveren. Onderwijl veroverden de ServiÎrs na hunne overwinningen bij Koemanovo en Monastir een zeer groot deel van MacedoniÎ; zij ondernamen bovendien een expeditie naar het Westen, die zelfs leidde tot de bezetting van Durazzo in AlbaniÎ aan de Adriatische Zee. De Grieken stelden zich in het bezit van Epirus en Zuidelijk-MacedoniÎ met Saloniki, waar ook een Bulgaarsch legertje binnentrok. De Montenegrijnen behaalden voordeelen aan de grenzen van hun land, maar het gelukte hun niet Skoetari te nemen, evenmin als de Grieken er in slaagden Janina te bezetten. Ter zee hield de Grieksche vloot de Turksche zonder veel moeite in bedwang; dien ten gevolge kon nu Kreta zich, zonder bezwaar, met Griekenland vereenigen, welk voorbeeld Samos en verschillende andere eilanden in de AegeÔsche Zee volgden. Het standhouden bij Tsjataldzja, te Adrianopel, Skoetari en Janina behoedde de Turken voor geheele verdrijving uit Europa, waarop de Boelgaren, onder den indruk hunner grootsche successen in het begin van den oorlog, stellig gehoopt hadden. Na twee maanden oorlogvoeren stemden Boelgarije, ServiÎ en Montenegro er in toe een wapenstilstand te sluiten; alleen Griekenland weigerde hierin te treden. Vredesonderhandelingen, waaraan dit laatste land wel meedeed, werden aangeknoopt te Londen.
Hier had Turkije weinig in te brengen. Het kon er alleen naar streven de zeer zware eischen, door den Balkanbond gesteld, eenigszins te doen matigen. Van de groote mogendheden mocht het op geen steun hoegenaamd rekenen. Zij hadden hare verklaring van vÛÛr den oorlog al spoedig ingetrokken, begrijpende, dat er na den loop, dien de oorlog nam, aan een handhaving van den ouden toestand niet te denken viel. Wel bleek spoedig, dat ze zich zouden laten gelden bij de verdeeling van den buit. Oostenrijk-Hongarije en ItaliÎ gaven zonder omwegen te kennen, dat ze niet zouden dulden, dat ServiÎ zich aan de Adriatische Zee nestelde. Het eerste land zag de groote uitbreiding van ServiÎ in Zuidelijke richting ook zeer ongaarne, maar moest zich hierin wel schikken. Evenzoo verzetten de beide, pas genoemde landen er zich tegen, dat Walona in Zuid-AlbaniÎ aan Griekenland kwam. Zij stelden voor de stichting van een zelfstandig vorstendom in AlbaniÎ en wisten dat met steun der andere groote mogendheden door te zetten. Een gezanten-conferentie te Londen zou de grenzen van het nieuwe vorstendom regelen. Overigens trachtten de mogendheden tusschen de Balkan-partijen te bemiddelen. Zij wisten te bewerken, dat enkele der moeilijkste aangelegenheden, zooals de regeling van de kwestie over de eilanden in de AegeÔsche Zee, voor een later te nemen beslissing uit de onderhandelingen geÎcarteerd werden. In Januari 1913 nam toen de Turksche regeering de voorwaarden der tegenpartij in hoofdzaak aan: afstand van al het verloren gebied, met inbegrip van het nog niet ingenomen Adrianopel, op den afstand waarvan Boelgarije met alle kracht aangedrongen had.
Het aannemen van deze voorwaarden kostte de toenmalige Turksche regeering haar bestaan. De heftige Jong-Turken maakten revolutie te Constantinopel en kwamen opnieuw aan het bewind. Zij verklaarden den pas gesloten vrede niet te willen aanvaarden. Zoo begon de oorlog opnieuw, maar de Jong-Turken brachten geen ommekeer te hunnen gunste teweeg. Zelfs gingen nu Adrianopel, Janina, eindelijk ook Skoetari verloren. De nieuwe regeering mocht van geluk spreken, dat zij ten slotte vrede kon sluiten in hoofdzaak op dezelfde voorwaarden als door hare voorgangster waren goedgekeurd. Bij den in Mei 1913 te Londen gesloten vrede verloor Turkije al zijn Europeesch gebied behalve het deel van ThraciÎ ten Zuiden van de lijn Enos-Midia; dus Constantinopel met het achterland dezer stad, juist genoeg om Bosporus en Dardanellen te blijven beheerschen en daardoor een rol van beteekenis in de Europeesche zaken te kunnen spelen. Het zou een oorlogsschatting hebben te betalen, maar alleen als vergoeding van het aandeel in de Turksche schuld, dat de bondgenooten zouden moeten overnemen; in bizonderheden zou ook deze aangelegenheid eerst later geregeld worden onder toezicht der groote mogendheden. De gezanten-conferentie te Londen had inmiddels de grenzen van AlbaniÎ vastgesteld. De ServiÎrs moesten het zich getroosten Durazzo te ontruimen en de Montenegrijnen trokken zich uit Skoetari terug, dit laatste echter pas na een op aandringen van Oostenrijk ondernomen vlootdemonstratie van de mogendheden in de Adriatische Zee.
Hun overigen buit mochten de vier Balkan-Staten behouden. Over de verdeeling werden ze het niet gemakkelijk eens. Zelfs kwam het tot een onderlingen oorlog van Boelgarije met de drie andere ten gevolge van de naar aanleiding hiervan ontstane moeilijkheden. Boelgarije wilde behouden, wat het in ThraciÎ en MacedoniÎ zelf veroverd had, maar bovendien het deel van MacedoniÎ krijgen, dat aan het land volgens het verdrag met ServiÎ toegezegd was. Maar ServiÎ wilde dit laatste niet geheel afstaan, omdat Boelgarije in ThraciÎ zÛÛ uitgebreid werd. Dan wenschte Boelgarije eigenlijk ook nog Saloniki..... Het overvroeg hier stellig; het wilde met de uitkomsten van den oorlog geen rekening houden. En in plaats van te wachten op den afloop van diplomatieke onderhandelingen, in plaats van de door keizer Nicolaas†II aangeboden arbitrage te aanvaarden, viel het in Juni zijn vroegeren bondgenooten plotseling op het lijf. Maar nu bleek het zijn krachten verre overschat te hebben, te meer, omdat het met RoemeniÎ ook nog te maken kreeg, dat, optredend voor het vestigen van een evenwicht op den Balkan, zich aan de zijde van Boelgarije's vijanden schaarde. Binnen twee weken was het aan alle kanten schaakmat gezet. De Grieken verdreven het Boelgaarsche garnizoen uit Saloniki. De ServiÎrs namen nog meer van MacedoniÎ in bezit. De RoemeniÎrs stelden zich in het bezit van SilistriÎ in het Boelgaarsche deel van de Dobroedsja ten zuiden van den Donaumond. Ja, de Turken namen de gelegenheid waar, om Adrianopel met een groot deel van ThraciÎ te hernemen. Tsaar Ferdinand riep de bemiddeling van den Oostenrijkschen keizer in, die hem den raad gaf zich tot den Roemeenschen koning te wenden. Het kwam tot onderhandelingen te Boekarest, waar Boelgarije even weerloos stond als Turkije een jaar vroeger te Londen. Bij den vrede had het de voorwaarden der bondgenooten te aanvaarden. Het verloor aan RoemeniÎ de pas genoemde streken, zoodat dit land nu den geheelen Donau-mond in bezit kreeg. Het moest aan ServiÎ en Griekenland het grootste deel van MacedoniÎ laten; het laatste behield niet alleen Saloniki, maar bovendien nog Kawalla, de tweede havenstad; Bulgarije moest tevreden zijn met Dede-Agatsj. Bovendien stond het bij den afzonderlijken vrede met Turkije nog Adrianopel af; de grens werd een goed stuk in Noordelijke richting verlegd.
Een doos van Pandora bleek de Balkankwestie voor de zooveelste maal geweest te zijn. Wat zal zij nog verder voor wonderen baren?
De regeling der bij den vrede van Londen aan de groote mogendheden opgedragen kwesties was nog niet afgeloopen, toen in 1914 de groote wereldoorlog uitbarstte. Ieder weet, dat de aanleiding op den Balkan lag: de moord van het Oostenrijksche kroonprinselijk paar te Sarajewo in Juni, door Oostenrijk aan de kuiperijen der groot-Servische propaganda geweten; de zware eischen, toen door Oostenrijk aan ServiÎ gesteld! Maar de oorzaak heeft men te zoeken in de tegengestelde belangen der beide groepen van mogendheden in Europa; anders dan in 1908 werd nu de uitbarsting niet voorkomen. ItaliÎ alleen hield er zich eerst buiten, maar schaarde zich ten slotte aan de zijde der entente, zijn oude bondgenooten dus verlatende.
De invloed dezer gebeurtenissen liet zich op den Balkan van meet af in sterke mate gevoelen. Turkije koos al spoedig de partij van Duitschland en Oostenrijk, waarvan het voor zijne toekomst het minst te vreezen had en tot welke het sedert jaren meer en meer was genaderd. Het feit, dat Engeland in het begin van den oorlog weigerde twee voor Turkije in Engeland gebouwde en haast voltooide oorlogsschepen uit te leveren--het lijfde ze bij de eigen marine in--, terwijl Duitschland twee zijner kruisers, die uit de Middellandsche Zee naar Constantinopel den wijk genomen hadden, aan de Turksche regeering aanbood, accentueerde direct deze verhouding. Ongeveer een jaar later volgde Boelgarije Turkije's voorbeeld: het hoopte zoo te herwinnen, wat het in 1913 had moeten opgeven. Dientengevolge werd het Balkan-schiereiland een der belangrijkste onderdeelen van het algemeene oorlogsterrein. De expeditie der entente tegen de Dardanellen en de tijdelijke bezetting van een deel van Gallipoli; de verovering van ServiÎ door de centralen (zoo noemt men de Duitschers en Oostenrijkers vrij algemeen), na de aansluiting van Boelgarije wel te verstaan; de opening dientengevolge van een directen weg van Berlijn naar Constantinopel en verder; het zijn alle gebeurtenissen van wereldhistorisch belang, waarvan de definitieve uitwerking nog altijd niet is te voorspellen.
Zullen de Jong-Turken nu in de nieuwe omstandigheden den verderen val der Turksche macht in Europa weten te voorkomen? Aan krachtig verweer met hulp van de Duitschers, die het Turksche leger reeds vroeger ten deele gereorganiseerd hadden, hebben zij het niet laten ontbreken. Behouden de Turken Constantinopel, zij blijven een factor van groote beteekenis in het toekomstige Europa.
PLAATSING DER KAARTJES.
1. Zuid-Oost-Europa in ±1350 tegenover blz. 666
2. De Uitbreiding van het Turksche Rijk tegenover blz. 674
3. De Achteruitgang van het Turksche Rijk tegenover blz. 690
AANTEEKENINGEN
[1] Iederen keer derhalve dat men de woorden vindt; Mahomet _heeft gezegd_, of _de waarheidlievendste van alle menschen heeft gezegd_, is er geene sprake van een gezegde uit den Koran, maar van Mahomets woorden, welke door de overlevering bewaard zijn.
[2] Muzelman of, naar der Oosterlingen spreekwijze _Moslemim_, in het Arabisch een belijder van den _Islam_ of van het ware geloof, welke naam door Mahomet (eigenlijk Mohammed) reeds vroeg aan zijne leer is gegeven. Van dit woord hebben de Europezen _Muzelman_ gevormd.
[3] Opmerkelijk is het dat _Arabier_ met het woord `db">`rb (avond, het westen) en _Saraceen_ met zrh (schijnen, het oosten) in verband staat, en dus het eene Westerling en het andere Oosterling zou beteekenen.
[4] Gen. XXXVII, Rigter. VI, VIII, Jes. XXI, Ezech. XXVII.
[5] De Arabische woordenboekschrijvers zijn het niet eens ten aanzien der beteekenis van het woord _KoreÔsh_. Er bestaan ten minste zes verschillende verklaringen van dien naam, welke alle meer of min gewrongen zijn. Naar den spraakkunstigen vorm te oordeelen is _KoreÔch_ het verkleinwoord van _karch_, dat een zeer vraatzuchtige vischsoort beteekent, die andere visschen verslindt. Aanvankelijk is het dus niet anders dan een spot- of bijnaam geweest, die in het vervolg van tijd de naam is geworden van een geheel, uit Fihr-KoreÔch of KoreÔsh voortgesproten geslacht.
Wat overigens deze afleiding schijnt te bevestigen, is, dat de reeds in het O. Test. voorkomende naam Korach, in de overlevering als type van inhalige vrekkigheid is bewaard gebleven. Dat woord schijnt mede in verband te staan met hetgeen de knapen Elisah nariepen _Kerach_, omdat hij hun, als waterscheppers, het brood uit den mond nam, door (2 Kon II : 23) het water zoet te maken, hoewel de meeste en daaronder de bewerkers van den Staten-bijbel "kaalkop" vertalen.
[6] De naam _Mahomet_ wijkt eenigszins van de werkelijke Arabische spelling af. Men behoorde _Mohammed_ (de verheerlijkte) te zeggen. De Turken spreken het woord _Mehemet_ uit, als zij van een levend persoon spreken die den naam Mohammed draagt. Het gebruik der andere volken is integendeel, zich van den vorm Mahommed te bedienen, als er van levende Arabieren gesproken wordt, dien denzelfden naam dragen.
[7] Caussin de Perceval _Histoire des Arabes_ (D. I. bl. 268-283) die dat vraagpunt op uitvoerige wijze heeft onderzocht, bepaalt Mahomets geboorte op 29 Augustus 570.
[8] Deze ziekte kan de vallende ziekte geweest zijn. Inderdaad gelooft de mindere man in het Oosten, dat zij, die met vallende ziekte behept zijn, door den duivel bezeten worden.
[9] Men wil dat Waraka een gedeelte van het Evangelie in het Arabisch zou hebben vertaald.
[10] Deze woorden bevinden zich in het begin van Hoofdstuk XCVI. De woorden die nu volgen hebben geenerlei betrekking op de eerste openbaring.
[11] De twee andere personen die in den Koran genoemd worden, Aboe-Djahl en Aboe-Lahab, waren hardnekkige vijanden van den nieuwen eeredienst.
[12] De Arabieren, die de afgoderij toegedaan waren, erkenden ook wel _den God_ (_Allah_), maar baden terzelfder tijde ook andere godheden aan.
[13] Er was te _Mekka_ een christen goudsmid Djebr, dien Mahomet dikwijls zou hebben bezocht.
[14] Er was te _Mekka_ vooral een KoreÔshiet, Madhr genaamd, die veel gereisd had, en dikwijls vergelijkingen tusschen Mahomets predikingen en de historische verhalen der Perzen maakte, welke zeer ten nadeele der eerste uitvielen.
[15] Zie hoofdstuk XVII, 87.
[16] Aboe-Talib beschermde zijnen neef uithoofde der banden van bloedverwantschap; want hij was afgodendienaar, en bekeerde zich eerst op zijn doodbed tot den Islam; ja zelfs wordt er aan zijne bekeering getwijfeld. Onder de Muzelmannen draagt Khadidja den naam van _Ommoel-moemenin_, moeder der geloovigen.
[17] Mahomet, die onderricht was, dat men een complot tegen zijn leven gesmeed had, verliet zijne woning door eene achterdeur en liet zijnen neef Ali in zijn bed stijgen.
[18] Hoe klein en nietig die bijzonderheden en andere, soortgelijke ook mogen schijnen, hebben wij gemeend, die in deze schets te moeten opnemen, daar zij, om zoo te zeggen, de Muzelmansche Mythologie vormen, en ook omdat zij bij de Mahomedaansche volken zijn overgegaan. Intusschen wordt het oorspronkelijke der vinding vernietigd door hetgeen de Bijbel verhaalt van hetgeen met David in de grot is gebeurd, toen hij door Saul werd vervolgd. Ook daar toch was de ingang der grot door een webbe oversponnen. _Medrash_.
[19] Dit was Heraclius I, geb. 575, gest. 641.
[20] Antar of Antara was een beroemd Arabisch opperhoofd en een van de zeven bekroonde prijsdichters, wier bekroonde gedichten, met goud en zijde gestikt, aan de poort van den _Caaba_ werden bevestigd en daarom _Moallaka_ (de opgehangene) genoemd worden. Antars gedicht is door Wilmet (1816) te _Leiden_ uitgegeven.
[21] Hier is op te merken, dat de Muzelmansche vorsten hunne brieven aan niet-Muzelmansche vorsten met dien vorm van heilwensen beginnen.