De Koran Voorafgegaan Door Het Leven Van Mahomed Eene Inleiding
Chapter 65
Zijn schoonzoon en opvolger in Hongarije, Sigismund, later (sedert 1410) tevens keizer van Duitschland, wendde zich na den inval der Turken in 1391 met een gezantschap en brieven tot de vorsten in West-Europa om hulp. Zijn bede werd door den paus, die opnieuw tot een kruistocht aanspoorde, gesteund. Er rustte nu zegen op deze vereende pogingen. Uit Frankrijk, de Bourgondische landen, Duitschland, Engeland en ItaliÎ kwamen groote scharen ridders en huurlingen opdagen. Bijna heel het Westen hielp mede; alleen de koningen, te veel bezig gehouden in eigen land, bleven thuis. Ook Polen, Walachen, ridders van Rhodus boden steun. Jan Zonder Vrees, zoon van den Bourgondischen hertog, leidde de Westerlingen; koning Sigismund die van Oost- en Midden-Europa. Coalitie-legers als dit heeft Europa in lateren tijd, vooral tegen Lodewijk†XIV en tegen Napoleon, meermalen in het veld gebracht en altijd waren het dezelfde gebreken, die hen aankleefden; gemis aan eenheid van leiding, slechte samenwerking van heterogene bestanddeelen. Bij de kruisvaarders van 1396 bestaan die gebreken in de hoogste mate: een eenigszins voldoende organisatie ontbrak hun. Het kruisleger trok langs den Donau naar Nicopolis in het Noorden van Boelgarije; Bayezid, die bezig was met het beleg van Constantinopel, hief dit op en trok Noordwaarts. De beide legers schijnen ongeveer even groot geweest te zijn, maar de Turken, gesteund door een Servisch hulpleger onder Stephanus, den zoon van Lazarus, stonden onder ÈÈn leiding. Bij de Christenen kon men 't zelfs over de te vormen slagorde niet dan met veel moeite eens worden. De Westersche ridders openden den slag van Nicopolis (Sept. 1396) met een charge tegen het Turksche leger; de groote doodsverachting, waarmede deze uitgevoerd werd, kon de voortreffelijke opstelling der Turksche troepen niet breken. Van alle kanten ingesloten, terwijl de rest van het kruisleger voor een groot deel op de vlucht sloeg en de Hongaren onder Sigismund door Stephanus' ServiÎrs werden verslagen, moesten de ridders, voorzoover niet omgekomen, zich overgeven. Alleen de zeer aanzienlijken werden gespaard, zooals Jan Zonder Vrees, voor wien een hoog losgeld betaald werd. Tienduizend gevangenen zouden gedood zijn, de Turken ook niet minder dan twintigduizend man verloren hebben.
WeÍr kwam nu Constantinopel aan de beurt, terwijl de Turken plundertochten ondernamen tot in Hongarije en zich voor het eerst ook bewogen naar Zuid-Griekenland, waar geen der kleinere potentaten hen kon tegenhouden. VÛÛrdat Bayezid hier zijn doel geheel bereikt had, kwam opnieuw eene afleiding, nu niet uit het Westen, waar keizer Manuel †II weer tevergeefs hulp was gaan zoeken, maar, ongevraagd door den keizer, uit het Oosten. Bayezid had in Klein-AziÎ een einde gemaakt aan al de Seldsjoeksche rijkjes, het laatst aan dat van Kastamoeni (in de buurt van Sinope) in 1393. Daardoor kreeg hij in het Oosten de Mongolen tot naburen en onder dezen was juist in de veertiende eeuw nieuwe veroveringslust gebracht door Timoer.
Het onmetelijk rijk van Temoedsjin (zie hiervÛÛr, blz. 689) was spoedig na zijn dood verbrokkeld. Wel was de keizer van China nog in naam de suzerein van de khans van het rijk van Kiptschak, van PerziÎ en van een Midden-Aziatisch rijk, bekend als Transoxiane, feitelijk waren deze zelfstandig en de kloof was te grooter, omdat de keizers Boeddhisten, de khans en de meeste hunner onderdanen Muzelmannen geworden waren. Timoer [2323], geboortig uit een aanzienlijk Turksch geslacht van Transoxiane, vond met zijne schitterende talenten als staats- en krijgsman volop gelegenheid zich te doen gelden in de velerlei twisten tusschen den khan en de naar onafhankelijkheid strevende Mongoolsche aanzienlijken. De khan, die in het Noorden van zijn rijk, in SiberiÎ, resideerde, benoemde Timoer weldra tot gouverneur van het eigenlijke Transoxiane, het land ten oosten van het Aral-meer. Strijd tusschen een zelfstandig man als Timoer en den khan bleef niet uit en na het overwinnen van groote moeilijkheden werd Timoer onafhankelijk vorst van Transoxiane, daarbij vooral steunende op de Muzelmansche geestelijke orden, makende van zijn rijk een soort theocratie. Dan beginnen de veroveringen naar het Westen. Timoer voert zijne heerscharen van zijne hoofdstad Samarkand uit naar het rijk van Kiptschak en vernietigt dit, een feit van beteekenis, omdat daardoor Rusland's opkomst mogelijk wordt; het rijk leefde voort in brokstukken, waarvan het Tataren-rijk in en om de Krim het meest bekend werd. Ook in PerziÎ tot Bagdad toe, in Voor-IndiÎ zelfs, deed Timoer zijne macht gevoelen. Evenmin als andere groote Aziatische veroveraars was hij een organisator: zijn rijk hing heel losjes samen, het was voorbestemd na zijn dood uiteen te vallen. Had Timoer de kaliefwaardigheid verkregen, die de Muzelmansche priesters hem zeker toegedacht hebben, misschien zou er meer vastheid in zijn rijk gekomen zijn. Of Timoer zelf het kalifaat heeft willen herstellen? In elk geval heeft hij getracht zijne macht te vestigen in SyriÎ, de toegangspoort tot ArabiÎ. Dit bracht hem in botsing met Bayezid, dien anderen Islam-verbreider. Grensmoeilijkheden leidden tot de uitbarsting. In 1402 drong Timoer in Klein-AziÎ door. Met een overmacht, die moeilijk te taxeeren valt, behaalde hij een overwinning op Bayezid bij Angora; deze werd gevangen genomen, goed behandeld [2324], maar hij stierf spoedig in zijne vernedering. Gelukkig voor het Osmanische rijk overleefde Timoer hem niet lang; na zijne overwinning bij Angora naar Samarkand teruggekeerd, raakte hij in oorlog met China en tijdens dien krijg vond hij zijn einde (1405). Geen even machtige persoonlijkheid verving hem. Zijn rijk bleef na hem niet bestaan, en wat belangrijker is, sedert dient schijnt het groote expansievermogen, dat de Aziatische volkeren tot nog toe meermalen getoond hadden, uitgeput.
Het Osmanische rijk doorleefde na Angora een crisis [2325]. In Klein-AziÎ herstelden zich verschillende der Seldsjoeksche emirs; op het Balkan-schiereiland verslapte overal de Turksche invloed: de leenplichtige staten maakten zich geheel vrij. Het ergste was de oneenigheid onder Bayezid's zoons, die zich beiden de heerschappij wilden verzekeren en zich tegen elkander lieten gebruiken door keizer Manuel†II, die door de omstandigheden krachtiger scheen. Toch werd de Osmanische macht niet reddeloos geslagen. Geen der Balkan-machten wist op een afdoende wijze van de gelegenheid te profiteeren; allen zorgden alleen voor zich. Toen nu Mohammed†I, ÈÈn der zoons van Bayezid†I, zijn broeder ter zijde had geschoven en alleen sultan geworden was, toen kon hij onmiddellijk opnieuw gaan opbouwen. En zijn zoon Moerad†II, die hem reeds in 1421 opvolgde, had slechts dit opbouwingswerk voort te zetten en te voltooien. Hij deed het op voortreffelijke wijze, want hij was een even krachtig heerscher als de meeste zijner voorouders; hij was tevens ÈÈn der sympathiekste sultans, die het huis van Osman heeft voortgebracht: zonder den in dit huis bijna hereditairen trek van wreedheid bezat hij een eenigszins wijsgeerigen, mystieken aanleg.
Reeds twee jaren na de regeeringsaanvaarding voelde hij zich sterk genoeg, om Constantinopel te gaan belegeren. Volgens een Christelijke voorstelling bracht de verschijning van een vrouw op de muren, die op de Moeder Gods geleek, de Turken zÛÛ in verwarring, dat zij het beleg opbraken. De meer prozaÔsche oorzaak zoekt het aftrekken van Moerad†II in een opstand in Klein-AziÎ. In elk geval was de druk der Turken te Constantinopel spoedig zÛÛ groot, dat keizer Johannes†VIII, zoon en opvolger van Manuel†II, een zeer zwak man, er weer in moest toestemmen schatting te betalen, en toen Johannes†VIII in 1448 stierf, bewerkte Moerad de opvolging van Constantijn†IX Dragazes, broeder van den vorigen keizer.
Zoo was de Turksche macht spoedig hersteld, want ook overal in het Balkan-schiereiland deed haar invloed zich reeds weÍr gevoelen, toen in het Noorden een vorst optrad, die het Turkengevaar ernstig wilde bekampen. Dit was in Hongarije, waar koning Sigismund, die van de ongelegenheid der Turken ook geen profijt had weten te trekken, in 1437 gestorven was. Na een korte regeering van Sigismund's schoonzoon Albrecht†II kozen de Magyaren Wladislaus†V, tevens koning van Polen, tot hun vorst. Onder hem was Johannes Hunyadi, afkomstig uit Zevenburgen, de eigenlijke Hongaarsche rijksbestuurder. Hij bleek tegen de Turken opgewassen, versloeg hen in 1442 en 1443 eenige malen, bracht Moerad†II zelf een nederlaag toe aan de Morawa, dicht bij Nisj, in ServiÎ, trok daarop in den winter den Balkan over en dwong de Turken bij een wapenstilstand voor tien jaar, gesloten te Szegedin in Hongarije, ServiÎ en Walachije geheel vrij te verklaren. Moerad besloot daarna de regeering over te dragen aan zijn veertienjarigen zoon en Mohammed†II en trok zich terug in een klooster in Klein-AziÎ. Lang bleef hij hier niet, want Hunyadi, geraden door een pauselijk legaat in zijn legerplaats om ook Boelgarije te bevrijden, verbrak den wapenstilstand. Moerad toog weÍr op het strijdpad en nu won hij. Bij Warna leed Hunyadi een geduchte nederlaag, waarin de legaat en vele aanzienlijken omkwamen (1444). Geen beter fortuin bekroonde een nieuwe poging van Hunyadi, vier jaar later; weÍr drong hij in ServiÎ door, maar Moerad†II versloeg hem opnieuw bij Kossowo op den Turken reeds bekend vechtterrein. Het gevolg van die nederlagen was de herstelling van de Turksche suzereiniteit in ServiÎ, waar toen Brankowitsch, zoon van Stephanus Lazarewitsch regeerde. Aan de ServiÎrs was dit niet geheel onwelgevallig; de Hongaren, die Walachije tot vazalstaat gemaakt hadden, bedreigden evengoed hunne onafhankelijkheid als de Turken en ze bedreigden bovendien hun Grieksch-Katholicisme, willende hen onder Rome terugbrengen, terwijl de Turken hun godsdienst ongemoeid lieten.
Overigens was Moerad†II geen veroveraar. Na Warna ging hij onmiddellijk naar zijn klooster terug, maar in 1445 kwam hij nogmaals in de wereld te voorschijn, opnieuw de regeering aanvaardende om een opstand der Janitsaren, de toen reeds machtige soldateska, die meer soldij wilden, maar nu nog bedwongen konden worden. Nu bleef Moerad de regeering voeren tot zijn dood in 1451 toe. De laatste jaren waren vol van een hevigen strijd met een nieuwen, geduchten vijand: de Albaneezen. Zij waren ten tijde van Moerad†I onderworpen geweest, maar na de dÈb‚cle van Angora vrijgeworden en ze hadden een aanvoerder van buitengewone bekwaamheden gevonden in Scander-beg, zoon van een vroegeren hoofdman Johan Castriotes. Begunstigd door de voor een defensieve strijdvoering prachtige natuurlijke gesteldheid van AlbaniÎ, kon Scander-beg, die, omdat hij in Turkschen dienst geweest was, de Turksche vechtwijze kende, zich in zijne bergen verdedigen, zelfs, toen Moerad†II hem in eigen persoon kwam bestrijden.
Moerad's opvolger was de reeds genoemde Mohammed†II, een heel ander man dan zijn vader, meer gelijkende op grootvader Bayezid, zeer wreed, van zeer slechte zeden, maar ook al weÍr in het bezit van uitstekende veldheers- en staatsmans-eigenschappen. Met hem begint een nieuw tijdperk van uitbreiding voor het Turksche rijk. Onmiddellijk viel hij Constantinopel aan. De stad kreeg van geen enkele zijde hulp. Onderlinge haat van Grieksch- en Roomsch-Katholieken was de voornaamste oorzaak, dat het Westen neutraal bleef. Meermalen, we zagen het reeds, hadden Grieksche keizers hulp in het Westen gezocht, maar de eisch van fusie der beide kerken was een onoverkomelijke hinderpaal gebleven. En om andere dan godsdienstige belangen stelde geen der Europeesche mogendheden genoeg belang in het Balkan-schiereiland, om voor het bedreigde Byzantium in de bres te springen. Alleen VenetiÎ en Genua verleenden eenigen steun. Al was Constantinopel dan ook een groote stad--het telde bijna 200.000 inwoners, voor dien tijd een zeer groot aantal--al was het zeer sterk gelegen, aan zich zelf overgelaten moest het verloren gaan. Het verdedigingsleger telde niet meer dan 8000 man, menschen uit allerlei natiÎn; Mohammed†II zou niet minder dan 200.000 man voor het beleg hebben aangevoerd en bovendien bracht hij een groote vloot bijeen om de Dardanellen en den Bosporus af te sluiten. Het beleg duurde van 6 April--29 Mei 1453. Op dezen dag had een algemeene bestorming plaats, die de verdedigers, hoe dapper ook strijdende, hoe zeer ook aangespoord door den flinken keizer Constantijn, niet konden doorstaan. De stad werd verdoopt tot Stamboel, eigenlijk Islamboel, d.i. hoofdstad van den Islam. De Aya Sophia, de beroemde basiliek van Justinianus, werd direct tot moskee gewijd. Tegenover de overwonnenen handelde Mohammed hard: een aantal der Christenen werden gedood, de stad zelf geplunderd en bij die gelegenheid heel wat verwoest van oude monumenten, voorzoover deze de plundering door de kruisvaarders van 1204 hadden overleefd.
Zoo kregen de Turken een hoofdstad, door haar ligging tusschen AziÎ en Europa aangewezen om het middelpunt te zijn van een rijk, dat zich over een deel van die beide werelddeelen uitstrekte. Voortaan waren de Turken de heerschende klasse in Constantinopel, maar na de plundering en de wanorde der eerste dagen konden de Christenen er ongemolesteerd blijven wonen met behoud van hunnen godsdienst. De geheele organisatie van de Grieksche kerk bleef onveranderd bestaan, De eerste patriarch na de verovering werd door Mohammed met veel onderscheiding behandeld en met dezelfde ceremoniÎn gewijd als in den vroegeren tijd gewoonte geweest was. Toch is de Grieksche kerk in verval geraakt, toen latere sultans de patriarchen met minder eerbied behandelden, het patriarchaat gingen verkoopen aan den meestbiedende zonder op geschiktheid te letten. Toen hield het patriarchaat op een band te zijn voor de Grieksch-Katholieken op het Balkanschiereiland.
Mohammed rustte niet lang op zijn eerste lauweren. Hij onderwierp ServiÎ geheel en de bevolking schikte zich nog al gemakkelijk in haar lot, vooral, nadat Brankowitsch gestorven was (1456). Alleen Belgrado, verdedigd door Hunyadi, die hier den smaad van zijn vorige nederlagen uitwischte, en den Franciscaner monnik Johannis Capistrano, die met een handjevol kruisvaarders toonde, wat echte geloofsijver vermag, kon niet genomen worden. Wel werden niet lang daarna BosniÎ (1464) en Herzegowina (1467) tot Turksche provinciÎn gemaakt en ook maakte Mohammed voorgoed een einde aan het bestaan der Zuidelijke staatjes zooals het hertogdom Athene, waardoor nu ook in Midden-Griekenland en Morea de Turksche heerschappij gevestigd werd (1456-1460). Slechts VenetiÎ behield enkele steden als Koron, Pylos en Nauplia. Ernstige tegenstand werd hier niet ondervonden. In AlbaniÎ kreeg Mohammed†II eerst eenigen invloed na den dood van Scander-beg in 1467. Aan de Noord-Oost grens herstelde hij de oude verhouding: Walachije betaalde sedert 1462 opnieuw schatting. Daarentegen bleven Hongarije en evenzoo MoldaviÎ nog buiten de Turksche machtsfeer. Aan de verovering van Hongarije kon onder de regeering van koning Matthias Corvinus, zoon van Hunyadi, niet gedacht worden. Matthias was de laatste krachtige vorst, die over Hongarije alleen geregeerd heeft; hij hield de Turken buiten zijn grondgebied, maar aanvallend tegen hen optreden, steun verleenen aan Grieksch-Katholieken deed hij nooit.
De beide Italiaansche zeemogendheden bleken ook niet bestand tegen de compacte Turkenmacht. Genua verloor zijne bezittingen aan de Zee van Azof en Mohammed†II dwong de Tataren in die buurt zijne suzereiniteit te erkennen. VenetiÎ werd van een krachtigen beschermer beroofd door den dood van Skander-beg, waarna het meer bloot stond aan een inval in het aan de stad zelf grenzend gebied. Toen in 1470 een Turksch leger zich aan de Oostkust van de Adriatische Zee vertoonde, sloot de lagunenstad vrede, waarbij het enkele eilanden in de AegeÔsche Zee, o.a. Lemnos en Euboea (Negropont), benevens enkele plaatsen in AlbaniÎ, o.a. CroÔa, moest afstaan; dan betaalde het een oorlogsvergoeding en voortaan een jaarlijksche schatting; dat was een dure prijs voor enkele handelsvoordeelen, die het wist te bedingen [2326]. Ook in de Ionische Zee drong de Turksche macht door: het eiland Zante werd door Mohammed bezet en aan den anderen kant der Adriatische Zee de stad Otranto (1480). Rome zelfs moest zich nu bedreigd achten. Slechts ÈÈne macht in het Oostelijk deel der Middellandsche Zee weerstond Mohammed's aanval: dat waren de ridders der orde van St. Jan, die in 1480 op schitterende wijze hun eiland Rhodus tegen de Turken verdedigden.
Zoo was ÈÈn der laatste ondernemingen van Mohammed†II een mislukking, want in het volgende jaar stierf hij. Geen sultan had den Turkschen naam zÛÛ gevreesd gemaakt als hij, die bij zijn dood ÈÈn der machtigste, zoo niet de machtigste vorst van Europa was. Op buitengewone wijze hadden de omstandigheden hem begunstigd; noch in Europa noch in AziÎ een macht, die hem ernstig in zijne plannen had kunnen dwarsboomen. Persoonlijke dapperheid alleen had Belgrado en Rhodus als twee Christelijke bolwerken in het Oosten doen blijven bestaan. In Klein-AziÎ waren de Seldsjoeksche emiraten opnieuw en nu voorgoed verdwenen, het laatst dat van KaramaniÎ, ÈÈnmaal het machtigste (1471). De Eufraat was aan zijn bovenloop een Turksche grensrivier geworden.
Weer was Bayezid†II, zoon en opvolger van Mohammed†II, van andere geaardheid dan zijn vader; ook hij deed meer aan zijn grootvader denken. Beoefening van kunst en wetenschap was zijn geliefkoosde bezigheid. Aan veroveringen maken dacht hij niet. Daarom is zijne regeering over het algemeen een tijd van rust. Alleen de vrede met VenetiÎ werd voor korten tijd verbroken en de meeste bezittingen, die deze stad op het Balkanschiereiland nog over had, gingen nu verloren. Het steunpunt voor een verdere uitbreiding in ItaliÎ, Otranto, daarentegen werd niet lang na den dood van Mohammed†II ontruimd. Viel Bayezid†II niet aan, hij behoefde evenmin af te weren, want Europa liet hem met rust. Er zijn in het einde der vijftiende eeuw nog wel steeds plannen in overweging, vooral bij de Fransche koningen, om de Turken uit Europa te verdrijven, maar de vele verwikkelingen, waarmede de meeste Westersche vorsten in eigen land en onderling, vooral in hun strijd om de heerschappij in ItaliÎ, te kampen hadden, deden die plannen altijd verschuiven. Hadden de Franschen zich kunnen vestigen in Zuid-ItaliÎ, zooals men tijdens koning Karel†VIII een tijdlang kon denken, misschien was er dan iets van gekomen. Nu liet men een schoone gelegenheid ongebruikt voorbijgaan: een gelukkig toeval had een broeder van Bayezid†II, gewoonlijk prins Djem genoemd, die in het begin van Bayezid's regeering tegen dezen in opstand gekomen was, in handen van paus Alexander†VI gespeeld; hem had men kunnen uitspelen tegen Bayezid, maar ook dit werd door de onderlinge oneenigheid verhinderd en prins Djem vond op ongelukkige wijze den dood onder voor den paus zeer bezwarende omstandigheden.
Het is begrijpelijk, dat Bayezid†II geen man naar het hart der door veel oorlog en door veel buit verwende soldaten was. Vooral de Janitsaren, steeds meer aanmatigend, toonden hunne ontevredenheid en nu wilde het ongeluk, dat Bayezid tevens in onmin raakte met zijne eigen zoons, vooral met den derden, Selim. De Janitsaren kozen onmiddellijk voor dezen partij, drongen in 1512 het paleis van den sultan binnen en dwongen hem af te treden. Zoo stelden zij een antecedent voor een bedenkelijke inmenging der militaire macht in de aangelegenheden van het Turkenrijk.
Selim†I, een buitengewoon wreed mensch, regeerde slechts acht jaar (1512-1520), maar dit korte tijdperk is zeer rijk aan aanwinsten in grondgebied, echter buiten Europa. De beide Mohammedaansche rijken, die in AziÎ aan Selim's rijk grensden, hadden het meest van hem te lijden. PerziÎ, na Timoer weer zelfstandig, eerst onder Turcomansche dynastieÎn, sedert het begin der zestiende eeuw onder een nieuwe dynastie, afstammende van een Sheikh-familie, die behoorde tot de orde der «oufi en daarom meest de «oufi-dynastie genoemd, raakte met Selim in oorlog wegens grensmoeilijkheden en wegens steun, door den shah IsmaÎl aan Turksche opstandelingen bewezen. Het was tevens een godsdienstoorlog, want de Perzen waren sjiÔtische Muzelmannen, de Turken Soenitische. PerziÎ werd niet geheel onderworpen, maar verloor in het Noord-Westen AzerbaÔdjan en in het Westen een deel van MesopotamiÎ met o.a. de stad Mosoel. In denzelfden tijd onderwierp Selim ook het onafhankelijke GeorgiÎ en Koerdistan, waardoor de Kaukasus de Noordgrens van zijn rijk werd. Het zal in het vervolg van dit korte overzicht onmogelijk zijn telkens terug te komen op de veelvuldige oorlogen van PerziÎ en Turkije. Het moet genoeg zijn er de aandacht op te vestigen, dat de grens in het Noord-Westen op den duur bleef, zooals zij vÛÛr Selim was, d.w.z. AzerbaÔdjan kwam aan PerziÎ terug, terwijl GeorgiÎ en Koerdistan altijd heel losjes met het Turksche rijk verbonden bleven, evenals b.v. AlbaniÎ in de zestiende eeuw nog was. Alleen MesopotamiÎ bleef Turksch. SuleÔman, Selim's opvolger, nam daar nog Bagdad, dat alleen in het begin der zeventiende eeuw bij een krachtige herleving van PerziÎ onder shah Abbas den Grooten voor een korten tijd weÍr in Perzische handen geweest is.
Het andere Mohammedaansche grensrijk was Egypte, waarmede SyriÎ vereenigd was; hier heerschten sedert het einde der dertiende eeuw de Mamelukken [2327], vroeger in dienst genomen door Egyptische sultans, maar die dezen op den duur overvleugeld hadden. Ook de oorlog met dit land kwam voort uit grensmoeilijkheden. Zonder veel moeite veroverde Selim SyriÎ, maar in Egypte bood sultan Touman-BaÔ een heftigen tegenstand (1517), die niet dan met groote moeite overwonnen werd. En nu gebeurde er in Cairo iets zeer opmerkelijks: daar leefde nog verborgen, in armoede, een man, die den naam van kalief droeg en die heette af te stammen van de Abassiden; van hem kocht Selim de waardigheid van kalief en daarbij den standaard en den mantel van Mohammed, symbolen van het kalifaat. Nu konden Selim en zijne opvolgers, die van khan (vorst van een stam in AziÎ) tot emir (een tot den Islam bekeerde vorst, hoofd der geloovigen), sultan (koning), padishah (koning der koningen, keizer) geklommen waren, zich nu ook als opvolgers van Mohammed beschouwen en zich een soort geestelijke oppermacht over alle Mohammedanen aanmatigen. De kaliefwaardigheid bracht natuurlijk aanspraken mede op ArabiÎ, in de eerste plaats op Mekka en Medina, waarover Selim†I dan ook reeds zijne heerschappij uitgebreid heeft. De Arabische kustplaatsen, als b.v. Aden en Mascate, werden pas door SuleÔman onderworpen; Yemen eerst na SuleÔman, onder diens opvolger Selim†II. Daarmede was de uiterste grens van de macht der Turken in AziÎ bereikt. Afgezien van de kleine veroveringen van SuleÔman en Selim†II, heeft dus Selim†I in AziÎ en Afrika ongeveer alles veroverd, wat in vroegere dagen tot het Oost-Romeinsche rijk van Justinianus behoord had; alleen de Noord-kust van Afrika ontbrak er nog aan.