De Koran Voorafgegaan Door Het Leven Van Mahomed Eene Inleiding

Chapter 6

Chapter 63,593 wordsPublic domain

Zoodra men zekerheid had, dat Mahomet gestorven was, begonnen de twisten over de keuze van een' _Khalif_. Aangezien Ali echter niet daaraan deel nam, zoo had de partij die voor Aboe Bekr was, alleen de aanspraken van een deel van die van _Medina_ te bestrijden, aan welker hoofd Saad Ibn Ibada stond. Aboe Bekrs welsprekendheid en Omars zielskracht, gevoegd bij de tweespalt tusschen _Medinas_ inwoners, waren oorzaak van het beslissen der zege, en dat de eerstgenoemde door de aanzienlijkste Muzelmannen te _Medina_ gehuldigd werd. Wij vermelden hier nog, dat zijne grafstede, vroeger in de woning van AÔcha of AÔsha gelegen, later, door de vergrooting der moskee, binnen deze kwam.

Nog het een en ander willen wij omtrent zijne vrouwen hierbij voegen en terwijl wij de Kophtische Maria, welke hij van den stadhouder van Egypte ten geschenke had gekregen, slechts in het voorbijgaan aanvoeren; omdat zij aanleiding heeft gegeven tot eenige merkwaardige Koranverzen, zullen wij eenige oogenblikken langer verwijlen bij AÔsha of AÔcha, die evenzeer oorzaak is van het ontstaan van een gedeelte des Korans. Met AÔsha, de dochter van Aboe Bekr verloofde Mahomet zich eenige maanden na Khadidjas dood; aangezien zij echter toen niet ouder dan zeven jaren was, huwde hij haar eerst later te _Medina_. Zij was de eenige van Mahomets vrouwen, welke hij niet als weduwe gehuwd had, en zij werd ook het meest door hem bemind. Zij oefende een' grooten invloed op hem uit en gaf het bestaan aan de meeste overleveringen, welke tot grondslag dienen, zoowel van de Muzelmansche legenden, als van de geschiedenis der vestiging van het Islamisme, terwijl zij zelfs eene rol speelde in de burgeroorlogen, die onder het Khalifaat van Othman begonnen en met de overwinning der Omejjaden eindigden.

Alvorens echter over te gaan tot het mededeelen der gebeurtenis, waardoor AÔsha aanleiding gaf tot een gedeelte van den Koran, en waardoor eene belangrijke bijdrage wordt geleverd tot de kennis van Mahomet als wetgever en profeet, noemen wij nog eene andere zijner vrouwen. Dit is Hafsa, de dochter van Omar, welke evenzeer aanleiding gaf tot het ontstaan van eene plaats in den Koran, en bovendien degene was, bij welke de eerste verzameling bewaard bleef van de fragmenten des Korans, door Aboe Bekr bijeen gebracht, en waarvan Othman verdere afschriften maakte. De bedoelde plaats in den Koran, waartoe Hafsa aanleiding gaf, ontstond bij de volgende gelegenheid: Mahomet had namelijk op zekeren dag eene heimelijke bijeenkomst met de reeds genoemde Maria, en wel, op zeer onvoegzame wijze, in de woning van Hafsa, die hen bijeen vond. Om nu de minijverige en gekwetste echtgenoot tevreden te stellen, beloofde hij niet weÍr gemeenschap met Maria te hebben. Hafsa maakte desniettemin geen geheim van de zaak, en Mahomet werd door zijn' geheelen harem, maar vooral door Hafsa en AÔsha met zulke kleinachting behandeld, dat hij eene geheele maand in een zolderkamertje alleen doorbracht. Toen echter dreigde hij, in naam des Hemels, met echtscheiding, en veroorloofde zich, evenzeer ten gevolge eener openbaring, weder den omgang met Maria [27].

De Openbaring en de wet op overspel, waartoe AÔsha aanleiding gaf, ontstond bij eene belangrijke gebeurtenis. AÔsha (of AÔcha) vergezelde Mahomet op een' veldtocht tegen de _Benoe Moestalik_. Zij bleef nochtans op den laatsten dag van den terugkeer achter, toen de troepen in de vroegte opbraken, en kwam toen met Moeattal, die tot de achterhoede behoorde, eenige uren later te _Medina_ aan. Daardoor gold AÔsha in de oogen der menigte natuurlijk als een overspeelster, en Mahomet vond in dat voorval grond genoeg, om aan hare echtelijke trouw te twijfelen; want hare verontschuldiging scheen hem niet geheel voldoende. Zij verklaarde namelijk, dat zij, toen zij in haren draagstoel wilde stijgen, haar halsketen gemist had, en dat zij weder was teruggekeerd, om die op te zoeken. Intusschen hadden nochtans hare kameeldrijvers, meenende dat zij werkelijk ingestegen was, den draagstoel, als gewoonlijk, op den kameel vastgebonden en dezen voortgedreven. Toen zij nu terug kwam, was de draagstoel verdwenen, en de manschap reeds zoover vooruitgetrokken, dat zij dezen niet meer kon inhalen. Mahomet behandelde haar koel en met onverschilligheid, gedurende de ziekte, waaraan zij--schijnbaar of werkelijk--kort na hare aankomst leed, en liet haar zelfs later naar het huis harer ouders brengen. Geheel _Medina_ sprak over dat voorval, en zelfs Mahomet maakte er bij zijne vrienden geen geheim van, dat hij aan AÔshas onschuld twijfelde. Omstreeks eene maand nochtans na die treurige gebeurtenis, zegepraalde de liefde voor AÔsha, en misschien ook het gevoel voor zijn' oudsten en getrouwsten aanhanger--zijn schoonvader Aboe Bekr--bij hem, op den minnenijd en het wraakgevoel. Hij bezocht haar toen in haars vaders woning en verklaarde, na een' aanval van vallende ziekte, door welke zijne openbaringen dikwijls werden voorafgegaan, in naam des Hemels, dat zij onschuldig was. Diegenen, welke op de meest bepaalde wijze tegen zijne vrouw hadden gesproken, werden gegeeseld, en deze straf werd ook van toen af, tegen een' ieder bepaald, welke eens anderen vrouw van ontrouw beschuldigt en zijne beschuldiging niet door vier geloofwaardige getuigen kan bewijzen. [28]

De zwakheid, welke Mahomet in zijne betrekking tot het vrouwelijke geslacht vertoonde, en die gewis reeds volstaat om een zeer dubbelzinnig licht op zijn karakter als profeet te werpen, is overigens de eenige, welke wij in zijn bijzonder leven opmerken. In elk ander opzicht was hij een toonbeeld van huisselijke en gezellige deugd. In zijne woning, manier van leven en spijze, heerschte de grootste eenvoud, ja zelfs was daarin somtijds gebrek en armoede. Hij maakte zoo weinig aanspraak op hulde, dat hij niet wilde, dat zijne aanhangers hem eenigerhande uiterlijk bewijs van eerbied zouden geven, ja dat hij diensten welke hij zelf verrichten kon, niet eens van zijne slaven aannam, zoodat hij dikwijls in persoon ter markt ging, om levensmiddelen in te koopen en deze zelf toebereidde, zijne kleederen verstelde, zijn geiten melkte en zijne woning veegde. Een elk had vrijen toegang tot hem, en zelfs op straat verleende hij elkeen gehoor, welke iets had te verzoeken. Zijne weldadigheid en mildheid waren onbegrensd, zoodat hij, in spijt van zijn groot aandeel in allen buit, altijd arm bleef en bij zijnen dood slechts weinige dinars naliet. Niet alleen jegens armen echter maakte zijne weldadigheid zich kenbaar; hij zocht ook, op alle mogelijke wijzen, alle andere lijdenden te troosten. Niemand was in _Medina_ ziek, of hij bezocht hem, en niemand stierf daar ter stede, of hij voegde zich bij hen die het lijk volgden. Niemand ondervond eene onrechtvaardigheid, die hij niet ter hulpe ijlde; overal waar het gold, den zwakke tegen den sterke te verdedigen, was hij. Alleen waar de staatkunde het gebood, kon hij zich tot de grootste wreedaardigheden laten wegslepen; maar in alle overige gevallen, toonde hij zich uiterst toegevend en grootmoedig. Men vindt wel menige voorbeelden van ter dood gebrachte misdadigers of werkzame vijanden van den Islam, maar in evenredigheid van den duur zijner heerschappij is het aantal van dezen zeer gering. Een der bloedigste moordtooneelen richtte hij onder de _Benoe KoraÔza_ aan. Dit was niet zoo zeer uit godsdiensthaat, als wel omdat zij hem in het oogenblik van gevaar verlaten hadden, en tot den vijand waren overgegaan; iets waardoor hij zijn' ondergang nabij was geweest. Moesten wij nu Mahomet, die zich profeet en Godsgezant noemt, niet strenger beoordeelen dan een gewoon opperhoofd der Arabieren, dan zouden, in onze oogen, de vlekken, welke wij in zijne levensgeschiedenis waarnemen, des te gemakkelijker verdwijnen, uithoofde zij door de zeden en gebruiken van zijnen tijd zijn te rechtvaardigen. Wij zouden hem een' sluwen staatsman noemen, welke, ten deele uit liefde tot zijn volk, ten deele uit eerzucht, groote zaken heeft volvoerd. Ook als verbeteraar der zeden, als verkondiger van het monotheÔsmus of stelsels van de eenheid Gods, der leer van de onsterfelijkheid der ziel en de vergelding, welke hij 't eerst in _ArabiÎ_ deed wortelen, kunnen wij hem onzen bijval en, met het oog op zijn menigvuldig lijden in den eersten tijd, zelfs onze bewondering niet onthouden. Dat hij echter volstrekt niet opgewassen was tegen de rol van stichter van eenen nieuwen godsdienst en van wetgever, blijkt uit een nauwkeurig onderzoek van den Koran, niet minder dan uit zijn leven.

II

DE KORAN.

Algemeen overzicht.

Wat wij Mahomet niet kunnen vergeven, is, dat hij zijne voorgewende of werkelijke openbaringen, welke, gelijk hij zelf zich dikwijls uitdrukt, de geloovigen voor alle tijden licht en leiding zouden verschaffen, niet bij zijn leven, volgens chronologische orde, of volgens den inhoud, tot een geheel heeft doen verzamelen [29].

De Muzelmannen, wel is waar--doch blijkbaar alleen met het doel om hunnen profeet te verontschuldigen en de echtheid des Korans te verdedigen--stellen vast, dat dit niet noodig was, omdat de door hem geopenbaarde verzen door zijne volgelingen van buiten geleerd, en langs dien weg aan de vergetelheid onttrokken werden. Zien wij echter niet bij Mahomets dood, dat, behalve Aboe-Bekr, niemand iets van een vers wist, waarin Mahomets sterfelijkheid bepaald uitgedrukt zou geworden zijn? [30]

Stelt ook Omar niet vast, dat het vers, waarbij, echtbreuk met den dood wordt gestraft, en eenige andere verloren zouden zijn gegaan? En hoe dikwijls werden niet vroegere voorschriften door latere veranderd, zonder dat altijd degenen, welke zich de vroegere voorschriften in het geheugen hadden geprent, bij het herroepen tegenwoordig waren? Moest Mahomet toen niet veronderstellen--wat naderhand inderdaad gebeurde--dat er ten minste over de letter zijner openbaringen, later twist zou ontstaan. Moest hij niet vreezen, dat men er geheel vreemdsoortige dingen onder zoude schuiven? Dit toch moest hij te eerder, omdat hij aanneemt, dat zoowel de Joden als de Christenen de Heilige Schrift vervalscht hebben? Voor deze zorgeloosheid nu weten wij geen' anderen grond op te geven, dan dat de meeste dusgenoemde openbaringen alleen door de omstandigheden van het oogenblik in het leven werden geroepen, en derhalve niet meer dan een tijdelijke beteekenis hadden, zoodat het bewaren van deze, hem niet zeer gewichtig scheen te zijn. Voorts schijnt het, dat hij, uithoofde der menigvuldige tegenstrijdigheden in zijne openbaringen vervat, hebbe geaarzeld, deze als een geheel aan de toekomst over te geven, terwijl hij ook vÛÛr zijnen dood, waarvan hij natuurlijk het oogenblik niet kende, speelruimte wilde houden om er verbeteringen en bijvoegsels in te brengen. De volgende overlevering van een rechtzinnigen Muzelman toont ons, hoe gewichtig het voor Mahomet was, zijne openbaringen elk oogenblik te kunnen wijzigen, wat niet zoo gemakkelijk had kunnen geschieden, indien hij die, bijeengebracht en gerangschikt, aan de handen der geloovigen had overgegeven. Toen het vers verscheen: "Zijn ook misschien zij die te huis blijven, (voor God) gelijk aan hen die voor hun geloof strijden [31]?" zeide Abd Allah Ibn Djahsh en Ibn Um Maktum tot Mahomet: "Wij zijn blind, en zou nu geene uitzondering met ons gemaakt worden?" en dadelijk openbaarde hem God: "Met uitzondering dergenen, welke lichaamsgebreken hebben." De profeet deed zich hierop het schouderblad brengen, waarop dit vers geschreven was en beval zijnen secretaris ZeÔd Ibn Thabit, die woorden er bij te voegen. "Ik verbeeld mij--verhaalde ZeÔd naderhand--als zag ik nog die plaats naast eene spleet op het schouderblad." Eene andere overlevering, volgens welke Abd Allah Ibn Masoed, een der gezellen van Mahomet, des avonds een vers opschreef, dat hij den volgenden ochtend niet meer vond, en tot wien Mahomet zeide, dat het weder in den hemel teruggenomen, of met andere woorden, dat het door hem des nachts uitgewischt was, bewijst, dat, indien eene nieuwe openbaring met eene vroegere streed, hij er zich niet mede vergenoegde, deze als niet geldig te verklaren, maar haar vernietigde, zoo het nog in zijne macht stond. Nog eene onbetwiste overlevering in den Koran zelf [32] bevestigt dit, gelijk ook, dat, indien herroepen openbaringen reeds van buiten waren geleerd, zij weder moesten worden vergeten. Wij gelooven derhalve niet te ver te gaan, door aan te nemen, dat, volgens Mahomets bedoeling, de Koran in het geheel geene herroepene plaatsen moet bevatten, en dus Aboe Bekr tegen den wil des profeets handelde, toen hij verzen, welke desniettemin opgeteekend, of bij eenig Muzelman in het geheugen gebleven waren, in den Koran opnam. Mahomet immers heeft zelfs de goddelijkheid des Korans ook, onder anderen, willen betoogen door de omstandigheid, dat die vrij van tegenstrijdigheden was.

Maar hebben wij Mahomet eens gekenschetst als een man, die er voor terugdeinsde, datgene wat hij, in eene reeks van drieÎntwintig jaren, in den naam des Hemels had verkondigd, aan de geloovigen als een volkomen godsdienst- en wetboek achter te laten; hebben wij hem daarin de grootste schuld opgeladen, die tegen zijne waarheidsliefde en rechtschapenheid spreekt, zoo mogen wij toch de gebreken, welke wij thans in den Koran waarnemen, niet hem, maar wel aan Aboe Bekr en Othman toeschrijven. Na den oorlog met den valschen profeet MossaÔlama, die aan vele Koranlezers het leven kostte, liet de eerstgenoemde alles wat van Mahomets openbaringen op perkament, palmbladen, beenderen, steenen en andere ruwe schrijfmaterialen opgeteekend en onder de Muzelmannen verstrooid was, bijeenzamelen en, uit wezenlijke of gehuichelde vroomheid, zonder eenigerlei zifting opzamelen.

Ook de khalif Othman, die later eene tweede redactie van den Koran bezorgde [33], droeg geene zorg voor diens inwendige verbetering en rangschikking, maar vestigde zijn oogmerk slechts op ÈÈn punt, en wel om er weder eenheid in te brengen, uithoofde reeds in zijnen tijd onderscheidene lezingen van den Koran in omloop waren, die natuurlijk onder de geleerden tot hevige twisten aanleiding gaven. Hij deed derhalve, naar de oorkonden, welke door ZeÔd, onder Aboe Bekr, verzameld en door Omars dochter Hafsa bewaard geworden waren, nieuwe afschriften vervaardigen, welke slechts in zooverre van die van Aboe Bekr verschilden, dat de onderscheiden lezingen, welke door dezen opgenomen waren, achterwege bleven en daarin slechts ÈÈne leeswijze opgenomen werd. Aan de kritiek des Korans bracht Othman nochtans het grootste nadeel toe, door het bevel, hetwelk hij gaf, al de vroegere afschriften van den Koran te verbranden, zoodat slechts de lezingen die van hem waren uitgegaan, in de kopieÎn van deze, voor het nageslacht bewaard bleven. Wel is waar de Muzelmannen stellen vast, dat die varianten alleen verschillen van dialecten hadden gegolden, nademaal de Koran door Mahomet zelven in zeven verschillende dialecten geopenbaard zoude zijn geworden, en dat Othman, onder deze, het dialect gekozen had, hetgeen het nauwste met dat der KoreÔshieten verwant was. Maar deze stelling is tegenover eene gezonde kritiek niet alleen onhoudbaar, zij is ook in strijd met andere erkende en geloofwaardige Muzelmansche overleveringen. In de eerste plaats toch wordt verhaald, dat Omar het 25e hoofdstuk eens door Hisham anders had hooren lezen, dan het hem door Mahomet geopenbaard was geworden. Hij geleidde hem derhalve tot den profeet en deed dat hoofdstuk door hem herhalen; toen zei ook hij het op, en Mahomet gaf beiden gelijk, terwijl hij verklaarde, dat de Koran naar zeven verschillende leeswijzen geopenbaard was geworden. Wij gelooven reeds uit die overlevering te kunnen besluiten, dat er hier geen sprake van eenige provincialismen kan zijn; want dan hadden immers niet beiden het geheele hoofdstuk behoeven te lezen. De genoemde stelling der Muzelmannen wordt echter nog krachtiger door de volgende overlevering wedersproken: "Elk jaar in de maand Ramadhan herhaalde Mahomet voor den engel GabriÎl, wat tot dat tijdstip van den koran geopenbaard was: men zegt zelfs, dat hij in zijn laatste levensjaar dit twee malen zoude herhaald hebben. Zoo dikwijls hij nu eene nieuwe lezing er bij voegde, of iets wegliet, waaruit de eerste zeven uitgaven ontstonden, prentten zijne volgelingen zich die wijzigingen dadelijk in het geheugen; en handelden overeenkomstig die bijvoegsels of veranderingen [34]. Hier zien wij duidelijk dat de voorgewende, van elka‚r afwijkende openbaringen, waardoor Mahomet, in gevallen, als dat tusschen Omar en Hisham, zich uit elke verlegenheid vermocht te redden, niet alleen de uitdrukkingen maar ook den inhoud betroffen. Onder de verschillen die Othman wegliet, behooren derhalve ook dezulken en zijne weglatingen bepaalden zich geenszins alleen bij dialectverschillen, gelijk men tot hiertoe meende. Door het vernietigen van alle varianten of tekstverschillen, wilde Othman dus ÈÈnen Koran vormen, over welks inhoud niet meer getwist kon worden Aan de zuiverheid en gelijkmatigheid, uit het oogpunt van spelling en spraakleer, schijnt hij echter minder zorg besteed te hebben. In dien zin verstaan wij dan ook eene overlevering, volgens welke Otham, toen hij in de afschriften des Korans, welke op zijn bevel waren vervaardigd, spelfouten ontdekt had, gezegd zoude hebben: "Laat die staan! De Arabieren zullen die wel verbeteren." Op dezelfde wijze begrijpen wij ook de volgende overlevering, waaraan door de Muzelmannen de zonderlingste uitleggingen worden gegeven, om elken twijfel aan de reinheid van den Koran tegen te gaan: "Hisman de zoon van Urwas verhaalt, dat zijn vader eens AÔsha gevraagd had, hoe er toch zoo menigvuldige feilen tegen de Arabische woordvoeging in den Koran hadden kunnen ontstaan;" waarop hem geantwoord werd, "dat dit het gevolg van misslagen der afschrijvers was geweest."

De handelwijze moge nu ook door de politiek gerechtvaardigd kunnen worden; uit het oogpunt nochtans der kritiek, zoowel als uit dat van het geloof, moet zij veroordeeld worden, en de ontevredenheid der geloovigen zoowel als der geleerden nog verhoogen. Ongelukkigerwijze waren de afschriften van den Koran toen ook nog zÛÛ zeldzaam, dat het hem werkelijk schijnt gelukt te zijn, al die er bestonden te verzamelen en te verbranden, en degenen welke eigenhandig door hem geschreven, of de afschriften, die naar deze vervaardigd en aan de hoofdsteden van het rijk toegezonden waren, aan den geheelen Islam op te dringen. Het valt nochtans te betwijfelen, of Othmans exemplaar zÛÛ lang bewaard gebleven zij [35], en door de Mahomedaansche Masorethen, tot het vaststellen van den tekst kon worden gebruikt, gelijk onderscheidene Muzelmannen aannemen. Daarentegen is het bewaard blijven der door hem bezorgde afschriften, zoowel als der kopieÎn, welke door onderscheidene tijdgenooten vervaardigd zijn, wel schier niet aan eenigen twijfel onderhevig [36]. Men kan derhalve bepaald aannemen, dat, na Othman, niet verder wezenlijke veranderingen in den Korantekst, of ten minste opzettelijke toevoegsels of weglatingen plaats vonden. Desniettemin mogen wij echter ook de oudste der bekende afschriften niet volkomen als het werk van Othman aanzien, omdat ten tijde van Othman het Arabische schrift nog geene teekens bezat ter onderscheiding van eenige naar elkander gelijkende letters, of toonteekens tot aanwijzing der verschillende klinkers had. Deze punten en strepen werden eerst in de tweede eeuw gebezigd, toen er ten aanzien van menige letters en klinkers reeds twijfelingen bestonden. Daardoor zijn dan ook, tot op onzen tijd, vele daaruit ontstane en van elka‚r afwijkende lezingen bewaard gebleven; die dikwijls den grootsten invloed op den zin uitoefenen.

Onbegrijpelijk blijft het altoos, dat Othman, die, bij de redactie van den Koran, op minder bezorgde en nauwlettende wijze dan Aboe Bekr te werk ging, niet ook een deel hebbe weggelaten van de wetten, leerstellingen en legenden, welke somwijlen met dezelfde woorden zijn herhaald, en welke Mahomet wel onderscheiden keeren kon hebben voorgedragen, doch hem voorzeker eigenlijk maar eenmaal hebben kunnen geopenbaard worden; ook voorts dat hij niets voor het vaststellen van eene stelselmatige en tijdrekenkundige orde in de reeks van Soeren of hoofdstukken en verzen hebbe gedaan. De wanorde die in den Koran heerscht, verwart niet alleen den Europeeschen geleerde, al is hij uiterst bekend met Mahomets leven, maar zelfs de degelijkste Muzelmansche uitleggers weten dikwijls geen raad, en twisten met elkaÍr, zoowel over enkele verzen, als over geheele kapittels; over de aanleiding tot hunne verschijning, en of zij reeds van Mekka, dan wel van Medina, na Mahomets vlucht of uittocht, dagteekenen. Maar zelfs ook waar zij tijd en aanleiding der openbaring op bepaalde wijze vermelden, zijn zij niet te vertrouwen, omdat zij meer de doode letter eener overlevering volgen, die dikwijls valsch is, dan wel dat zij op een zelfstandigen, levenden, kritischen geest gegrond zijn. Dat de indeeling des Korans in honderd veertien hoofdstukken, gelijk zij thans voor ons liggen, niet van Mahomet afkomstig is gelijk de rechtzinnige Muzelmannen gelooven, is in het leven van Mahomet bewezen; ofschoon niet tegengesproken kan worden, dat Mahomet ten minste een deel van den Koran in afdeelingen openbaarde, die hij Soeren of hoofdstukken noemde. Zij die den Koran van buiten leerden, hebben mogelijk, om hun geheugen ter hulp te komen, een bijzonderen naam aan elke afdeeling gegeven. Van vele dier afdeelingen, vooral van de oudste, schijnt echter het grootste gedeelte verloren gegaan of opzettelijk vernietigd te zijn, zoodat nog slechts hare namen en weinige verzen er van overgebleven zijn, terwijl bij de latere en uitgebreider afdeelingen, vele gedeelten bijeen werden geworpen, welke volstrekt niet bij elkaÍr behooren.

Wij hebben gepoogd, niet alleen den tijd der verschijning van de geheele hoofdstukken, maar ook, vooral bij de wetgevende stukken uit Medina, dien der afzonderlijke gedeelten van elk hoofdstuk te bepalen.

Bij deze laatsten is het ons ook doenlijk geweest eene juiste tijdorde der afzonderlijke hoofdstukken op te geven, terwijl die uit Mekka, omdat zij algemeener van aard zijn en sterk op elka‚r gelijken, in slechts drie tijdvakken zijn verdeeld. Bij het bepalen der tijdorde dienden ons tot leiddraad: _a._ Duidelijk blijkende betrekkingen op historische gebeurtenissen, waarvan het tijdstip uit andere biographische bronnen bekend is; _b._ Het karakter der openbaring, dat na den uittocht van Mekka geheel verandert, aangezien Mahomet niet meer uitsluitend als hervormer, maar ook als stichter van eenen nieuwen godsdienst en wetgever optreedt, en _c._ De uitwendige vorm; omdat Mahomet, in den eersten tijd zijner leer, zijne voordrachten, zoo al niet streng naar de regels der prosodie, nochtans in poteÔsche, rhytmische taal kleedde, gelijk dit bij de vroegere Arabische waarzeggers plaats vond, terwijl hij in lateren tijd anders schreef, deels opzettelijk, om niet voor dichter of waarzegger te worden aangezien, deels omdat hij zich zelven uitgeput had, doch vooral ook omdat het hem, op latere jaren en op zijn standpunt als godsdienststichter, regeerder en wetgever, aan wezenlijke, innerlijke begeestering mangelde; zoodat hij zelfs d··r een geheel prozaÔschen vorm bezigde, waar hij hetzelfde onderwerp behandelt, dat vroeger zijne geheele ziel had doorgloeid.