De Koran Voorafgegaan Door Het Leven Van Mahomed Eene Inleiding
Chapter 58
1. Ik zweer bij de engelen die door God gezonden zijn, en elkander in eene aanhoudende reeks opvolgen. 2. Bij hen die zich snel bewegen met eene snelle beweging; 3. En bij hen die zijne bevelen verspreiden. 4. Door die op aarde bekend te maken, en bij hen die waarheid van leugen afscheiden, door die te erkennen. 5. En bij hen die de goddelijke vermaning mededeelen. 6. Ter verontschuldiging of bedreiging. 7. Waarlijk, wat wij beloofd hebben [2230], is onvermijdelijk. 8. Als de sterren zullen worden uitgedoofd. 9. En de hemel gespleten, 10. Als de bergen zullen uiteenstuiven. 11. En als den gezanten een tijdstip zal zijn aangewezen, om te verschijnen en getuigenis tegen hun eigen volk af te leggen. 12. Tot op welken dag zal men het einde uitstellen? 13. Tot den dag der scheiding. 14. En wat zal u doen begrijpen, wat de dag der scheiding is? 15. Op dien dag, wee over hem, die de profeten van bedrog beschuldigde! 16. Hebben wij niet de vroegere, hardnekkige ongeloovigen verdelgd? 17. Wij zullen ook die van latere tijden hen doen volgen. 18. Zoo handelen wij met de snoodaards. 19. Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd! 20. Hebben wij u niet van een nietigen droppel zaad geschapen. 21. Dien wij in eene zekere bewaarplaats stelden. 22. Tot de bepaalde tijd der verlossing was gekomen? 23. En wij waren in staat dit te doen; want wij zijn machtig. 24. Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd! 25. Hebben wij de aarde niet zÛÛ gemaakt, dat zij bevat 26. de levenden en de dooden? 27. En hebben wij daarop geene vaste, verhevene bergen geplaatst en u zuiver water te drinken gegeven? 28. Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd! 29. Men zal tot hen zeggen: Gaat ter straf, welke gij als eene valschheid hebt geloochend. 30. Gaat in de schaduw van den rook der hel, welke in drie kolommen zal opstijgen. 31. En die u noch voor de hitte beveiligen, noch tegen de vlam van dienst wezen zal. 32. Maar hij zal vonken, zoo groot als torens, uitwerpen. 33. Gelijkende in hare kleur op gele kemels, 34. Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd! 35. Dit zal een dag wezen, waarop de schuldigen sprakeloos zullen zijn. 36. En het zal hun niet geoorloofd worden, zich te verontschuldigen. 37. Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd! 38. Dit zal de dag der scheiding wezen, waarop wij zoowel u, als uwe voorgangers zullen verzamelen. 39. Indien gij dus eene doordachte list bezit, gebruikt die dan tegen mij. 40. Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd! 41. Maar de vrome zal te midden van schaduwen en fonteinen wonen. 42. En te midden van vruchten van allerlei soort, welke zij zullen begeeren. 43. En men zal tot hen zeggen: Eet en drinkt met goede spijsvertering, ter belooning voor hetgeen gij zult hebben verricht. 44. Want zoo beloonen wij de rechtvaardigen. 45. Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd! 46. Eet, o ongeloovigen? en geniet de genoegens van dit leven voor een korten tijd. Waarlijk, gij zijt zondaren. 47. Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd! 48. En als hun gezegd wordt: Buigt u neder, dan buigen zij niet neder. 49. Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd! 50. In welke nieuwe openbaring, zullen zij na deze gelooven?
ACHT EN ZEVENTIGSTE HOOFDSTUK.
HET NIEUWS.
Geopenbaard te Mekka--41 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Nopens wat ondervragen de ongeloovigen elkander? 2. Nopens het groote nieuws der opstanding. 3. Omtrent welke zij niet overeenstemmen. 4. Waarlijk, zij zullen hiernamaals de waarheid daarvan kennen. 5. Nogmaals, zij zullen hiernamaals de waarheid daarvan kennen. 6. Hebben wij de aarde niet als een bed gespreid. 7. En de bergen als staken om haar te bevestigen [2231]? 8. Hebben wij u niet van twee seksen geschapen. 9. En bepaald dat gij slapen zoudt om te rusten? 10. Hebben wij van den nacht, geen kleed gemaakt om u te bedekken. 11. En hebben wij niet den dag bestemd, ten einde daarop uw levensonderhoud te winnen? 12. Hebben wij niet zeven stevige hemelen boven u gebouwd. 13. En daarin eene brandende lamp geplaatst? 14. En doen wij niet, uit de wolken, een overvloed van water stroomen. 15. Om daardoor graan en kruiden voort te brengen. 16. En tuinen, dicht beplant met boomen? 17. Waarlijk, de dag der scheiding is een onbepaald tijdstip; 18. De dag waarop de trompet zal klinken, en gij in scharen ten oordeel zult optrekken. 19. De hemelen zullen geopend wezen, en zij zullen vol poorten zijn, om er de engelen te laten doorgaan. 20. De bergen zullen voorbijgaan, en als damp worden. 21. Waarlijk, de hel zal eene plaats van verbranding zijn; 22. Eene bergplaats voor de zondaren 23. Die daar gedurende eeuwen zullen wonen. 24. Zij zullen daar geenerlei verversching proeven, noch eenigen drank. 25. Behalve kokend water en bedorven vocht: 26. Eene geschikte vergelding voor hunne daden! 27. Want zij hoopten, dat zij geene rekenschap zouden moeten afleggen. 28. En zij geloofden niet in onze teekenen, welke zij van valschheid beschuldigden. 29. Maar elke zaak hebben wij opgeteld en nedergeschreven. 30. Proef dus de vergelding: wij zullen u niets dan marteling toevoegen. 31. Maar voor de godvruchtigen is eene plaats van heil gereed gemaakt: 32. Tuinen met boomen beplant en wijngaarden. 33. En maagden met zwellende borsten, van gelijken ouderdom met hen. 34. En een vollen beker. 35. Zij zullen daar geene ijdele gesprekken, of eenige onwaarheid hooren. 36. Dit zal hunne belooning wezen van hunnen Heer; eene volkomen toereikende gift. 37. Van den Heer over hemel en aarde, en over alles wat daartusschen is: den Barmhartigen; maar de bewoners van den hemel of de aarde zullen hem geen gehoor durven vragen. 38. Den dag waarop de geest (GabriÎl) en de andere engelen in orde geschaard zullen staan, zullen zij niet ten behoeve van zich zelven of van anderen spreken, behalve hij alleen, aan wien de Barmhartige verlof zal geven, en die zeggen zal, wat recht is. 39. Dit is de onvermijdelijke dag. Wie dus wil, laat die tot zijn Heer terugkeeren. 40. Waarlijk, wij bedreigen u met eene straf die nabij ligt. 41. Op den dag waarop de mensch de goede of slechte daden zal aanschouwen, welke zijne handen voor hem uit hebben gezonden, en waarop de on geloovige zal zeggen: God gaf, ik ware stof!
NEGEN EN ZEVENTIGSTE HOOFDSTUK.
ZIJ DIE DE ZIELEN UITRUKKEN.
Geopenbaard te Mekka.--46 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. (Ik zweer) bij de engelen, die de zielen van sommigen met geweld uitscheuren. 2. En bij hen, die de zielen van anderen met zachtheid verwijderen [2232]. 3. Bij hen, die al zwemmende, met de bevelen van God (door de lucht) voortglijden; 4. Bij hen, die den rechtvaardige naar het paradijs voorafgaan en leiden. 5. En die als ondergeschikten de zaken van deze wereld leiden. 6. Op een zekeren dag zal de benarrende klank der trompet het heelal verontrusten: 7. En een tweede klank zal daarop volgen. 8. Op dien dag zullen de harten der menschen beven; 9. Zij zullen hunne oogen nederslaan. 10. De ongeloovigen zeggen: Zal men ons zekerlijk daarheen doen terugkeeren, van waar wij kwamen? 11. Nadat wij verrotte beenderen zijn geworden, zullen wij dan weder tot het leven worden opgewekt? 12. Zij zeggen: waarlijk deze opstanding is hersenschimming. 13. Waarlijk, de trompet zal zich slechts eenmaal doen hooren. 14. En ziet, zij zullen levend op de oppervlakte der aarde verschijnen. 15. Heeft het verhaal van Mozes u niet bereikt. 16. Toen zijn Heer in de heilige vallei Toewa [2233] hem toeriep; 17. Zeggende: Ga tot Pharao; want hij is op eene onbeschaamde wijze zondig. 18. En zeg: Begeert gij rechtvaardig en heilig te worden? 19. Ik wil u tot uwen Heer leiden, opdat gij moogt vreezen te zondigen. 20. En hij toonde hem het zeer groote teeken van den staf, die in eene slang veranderde. 21. Maar Pharao beschuldigde Mozes van bedrog, en was weerspannig tegen God. 22. Daarop wendde hij zich haastig af. 23. Hij verzamelde de toovenaren, en riep luid: 24. Zeggende: Ik ben uw opperste Heer. 25. Daarom kastijdde God hem met de straf van het volgende leven en met die van het tegenwoordige leven. 26. Waarlijk, hierin is een voorbeeld voor hem, die vreest weerspannig te zijn. 27. Is het moeielijker u te scheppen, dan wel den hemel? 28. God heeft dien gebouwd. Hij heeft dien hoog opgevoerd, en heeft dien volmaakt gevormd. 29. En hij heeft den nacht daarvan duister gemaakt, en heeft zijn licht voortgebracht. 30. Hierna strekte hij de aarde uit. 31. Waaruit hij het water en het gras doet voortspruiten. 32. En hij richtte de bergen op, 33. Voor uw gebruik en voor het gebruik van uw vee. 34. Als de voorname, de groote dag zal komen. 35. Op dien dag zal de mensch zich herinneren, wat hij opzettelijk heeft gedaan. 36. En de hel zal aan het oog van den toeschouwer worden vertoond. 37. En wie gezondigd zal hebben. 38. En dit tegenwoordige leven de voorkeur zal hebben gegeven. 39. Waarlijk, de hel zal zijn verblijf wezen. 40. Maar hij die de verschijning voor zijn Heer zal hebben gevreesd, en zijne ziel in hare lusten zal hebben bedwongen. 41. Waarlijk, het paradijs zal zijne belooning zijn. 42. Zij zullen u ondervragen nopens het jongste uur, en wanneer de vastbepaalde tijd daarvan zal zijn. 43. Op welke wijze kunt gij eenige inlichting daaromtrent geven? 44. Aan uw Heer behoort de kennis van het tijdstip daarvan. 45. En gij zijt slechts een waarschuwer, voor hen die het vreezen. 46. Op den dag waarop zij dit zullen zien, zal het hun toeschijnen, als waren zij niet langer op de aarde gebleven dan een avond of een ochtend van dien dag.
TACHTIGSTE HOOFDSTUK.
HIJ FRONSTE HET VOORHOOFD.
Geopenbaard te Mekka.--42 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. De profeet fronst zijn voorhoofd en wendt zich af. 2. Omdat de blinde man tot hem kwam [2234]. 3. En hoe kunt gij weten of hij niet misschien van zijne zonden gezuiverd zal worden; 4. Of dat hij vermaand zal worden, en dat de vermaning van eenig voordeel zal wezen. 5. Den mensch die rijk is. 6. Ontvangt gij gij met eerbied; 7. Terwijl gij er niet van beschuldigd wordt, dat hij niet gezuiverd is. 8. Maar hij die tot u komt, om zijn heil ernstig te zoeken. 9. En die God vreest. 10. Verwaarloost gij. 11. Gij moest volstrekt niet zoo handelen. Waarlijk, de Koran is eene vermaning. 12. (En hij die daartoe gezind is, onthoudt deze). 13. En hij is op geachte bladen geschreven. 14. Verheven en zuiver. 15. Met de handen van geÎerde en rechtvaardige schrijvers [2235]. 16. Gevloekt zij de mensch! Wat heeft hem tot ontrouw verleid? 17. Van wat schiep God hem? 18. Van een droppel zaad schiep hij hem; 19. En hij vormde hem met evenredigheid. 20. Daarna vergemakkelijkte hij zijn uitgang uit den schoot der moeder. 21. Daarna deed hij hem sterven, en legde hem in het graf. 22. Hierna, als het hem zal behagen, zal hij hem tot het leven opwekken. 23. Waarlijk, hij heeft tot hiertoe niet volkomen vervuld wat God hem heeft bevolen. 24. Laat den mensch zijn voedsel beschouwen (en op welke wijze het wordt voortgebracht). 25. Wij doen het water door regenbuien nederstorten; 26. Daarna splijten wij de aarde met spleten. 27. En wij doen het koren daaruit voortspruiten. 28. Den wijngaard en het klaverblad; 29. Den olijfboom en den palmboom. 30. En tuinen dicht met boomen beplant. 31. En vruchten en gras. 32. Voor het gebruik van u zelven en van uw vee. 33. Als de verdoovende klank van de trompet zal gehoord worden. 34. Op dien dag zal de mensch van zijn broeder vluchten. 35. Van zijne moeder en zijn vader. 36. Van zijn vrouw en zijne kinderen. 37. Ieder mensch zal op dien dag genoeg stof voor zich zelven hebben, om zijne gedachten bezig te houden. 38. Op dien dag zullen de aangezichten van sommigen schitteren. 39. Lachend en vroolijk zijn. 40. En op de aangezichten van anderen zal, op dien dag, stof liggen; 41. Duisternis zal hen bedekken; 42. Dit zijn de ongeloovigen, de zondaars.
EEN EN TACHTIGSTE HOOFDSTUK.
DE OPGEVOUWEN ZON.
Gegeven te Mekka.--29 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Als de zon zal opgevouwen worden [2236]. 2. Als de sterren zullen vallen. 3. Als de bergen in beweging gebracht zullen worden. 4. Als de kameelen hunne wijfjes zullen verlaten. 5. Als de wilde dieren bijeen verzameld zullen worden. 6. En als de zeeÎn zullen koken. 7. Als de zielen weder met hare lichamen zullen vereenigd worden. 8. Als aan het meisje, dat levend wordt begraven, zal gevraagd worden. 9. Voor welke misdaad zij ter dood gebracht werd [2237]; 10. Als de boeken opengelegd zullen worden. 11. En als de hemelen ter zijde gebracht zullen worden [2238]. 12. Als de hel met gedruis zal branden. 13. En als het paradijs naderbij gebracht zal worden. 14. Dan zal elke ziel weten, wat zij verricht heeft. 15. Waarlijk, ik zweer [2239] bij de teruggaande sterren. 16. Die zich snel bewegen en zich verbergen, 17. En bij den nacht als die invalt. 18. En bij den morgen als die verschijnt. 19. Dat dit de woorden van den eerbiedwaardigen gezant zijn [2240], 20. Begaafd met kracht, en met waardigheid in het aangezicht van den bezitter van den troon, 21. Gehoorzaamd door de engelen, die onder zijn bevel staan en gelooven. 22. Uw makker Mahomet is niet bezeten. 23. Hij heeft hem reeds aan den helderen gezichteinder gezien [2241]. 24. En hij verdenkt de geheimen niet, die hem werden geopenbaard. 25. Dit zijn niet de woorden van een gesteenigden duivel [2242]. 26. Waar gaat (dwaalt) gij dus heen? 27. De Koran is eene vermaning voor alle schepselen, 28. Voor dengene uwer, die geneigd is oprecht te wandelen. 29. Maar gij zult niet willen, tenzij God wil, de Heer van alle schepselen.
TWEE EN TACHTIGSTE HOOFDSTUK.
DE GESPLETEN HEMEL.
Geopenbaard te Mekka--19 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Als de hemel gespleten zal worden, 2. Als de sterren verspreid zullen worden, 3. Als de zeeÎn hare wateren zullen vermengen, 4. En als de graven ten onderstboven zullen gekeerd worden, 5. Dan zal iederen ziel kennen, wat zij heeft misdreven. 6. O mensch! wat heeft u omtrent uwen barmhartigen Heer verleid, 7. Die u geschapen en verzameld heeft, en u op den rechten weg leidde, 8. Die u heeft gevormd in den vorm welke hem behaagde? 9. Waarlijk, doch gij loochent het laatste oordeel als eene valschheid. 10. Waarlijk er zijn wachtengelen over u aangesteld [2243]. 11. Eerbiedwaardig in het oog van God; die uwe daden nederschrijven; 12. Die weten wat gij doet. 13. De rechtvaardigen zullen zekerlijk op eene plaats des genots zijn; 14. Maar de zondaren zullen zekerlijk in de hel wezen. 15. Zij zullen daarin worden geworpen, om op den dag des oordeels verbrand te worden, 16. Zij zullen zich daaraan nimmer kunnen onttrekken. 17. Wat zal u doen begrijpen wat de dag des oordeels is? 18. Nogmaals; wat zal u doen begrijpen wat de dag des oordeels is? 19. Het is de dag waarop de eene ziel niet in staat zal wezen, iets ten behoeve eener andere te verkrijgen. Het bevel zal op dien dag aan God toebehooren.
DRIE EN TACHTIGSTE HOOFDSTUK.
DE BEDRIEGERS.
Geopenbaard te Mekka.--36 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Wee over hen, die de maat of het gewicht vervalschen! 2. Die, als zij van anderen koopen eene volle maat verlangen, 3. Maar die bedriegen als zij voor anderen meten of wegen. 4. Weten zij niet, dat zij eens zullen worden opgewekt 5. Op den grooten dag; 6. Den dag waarop de mensch voor den Heer van alle schepselen zal staan? Volstrekt niet. 7. Waarlijk, het register van de zondaren is zekerlijk in SidjÓn [2244]. 8. En wat zal u doen begrijpen, wat SidjÓn is? 9. Het is een duidelijk geschreven boek. 10. Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd. 11. Die den dag des oordeels als een valschheid loochenen! 12. Niemand loochent dien als eene valschheid, behalve de zondaar en de schuldige; 13. Die, als hun onze teekenen worden herinnerd, zeggen: Dit zijn fabelen van de ouden. 14. Volstrekt niet.--Maar hunne lusten hebben veeleer een sluier over hunne harten geworpen. 15. Volstrekt niet. Dien dag zullen zij van hunnen Heer zijn uitgesloten; 16. En zij zullen in de hel worden gezonden, om verbrand te worden. 17. Dan zullen de wachters der hel tot hen zeggen: Dit is, wat gij als een valschheid hebt geloochend. 18. Waarlijk, het register van de daden der rechtvaardigen is Illioen [2245]. 19. En wat zal u doen begrijpen wat Illioen is. 20. Het is een duidelijk geschreven boek. 21. Zij, die God naderen zijn getuigen daarvan. 22. Waarlijk, de rechtvaardigen zullen te midden van genoegens wonen. 23. Op zetels (uitgestrekt), zullen zij voorwerpen van genoegens aanschouwen. 24. Gij zult den glans der vreugde op hunne aangezichten zien. 25. Men zal hun zuiveren (keurigen) wijn te drinken geven, die gezegeld zal zijn. 26. Het zegel zal van muskus wezen. Laat dus hen die trachten deze gelukzaligheid te verkrijgen, streven haar te verdienen. 27. En het daarmede gemengde water zal van Tasnim zijn [2246]; 28. Eene fontein waarvan degenen zullen drinken, die de goddelijke tegenwoordigheid nabij komen. 29. Zij die zondig handelen, bespotten de ware geloovigen. 30. Als zij hen voorbij gaan, wenken zij elkander toe. 31. En als zij tot hun volk wederkeeren, komen zij terug, terwijl zij spottende gebaren maken. 32. En als zij hen zien, zeggen zij: Waarlijk, deze zijn verdoolde menschen. 33. Maar zij zijn niet gezonden om over hen te waken [2247], 34. Daarom zullen ware geloovigen eens de ongeloovigen bespotten; 35. Op zetels liggende, zullen zij op hen in de hel nederzien. 36. Zal den ongeloovigen niet vergolden worden hetgeen zij hebben gedaan?
VIER EN TACHTIGSTE HOOFDSTUK.
DE GEOPENDE HEMEL.
Geopenbaard te Mekka [2248].--25 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Als de hemel zal gespleten worden. 2. Als hij zijn Heer gehoorzamen, en diens bevelen uitvoeren zal: 3. Als de aarde zal worden uitgestrekt, 4. En datgene, wat er in is, uitgeworpen zal worden [2249], en zij ledig zal overblijven. 5. Als zij haren Heer gehoorzamen, en diens bevelen uitvoeren zal. 6. O mensch! indien gij oprecht arbeidt, arbeidt gij om uwen Heer te zien, en gij zult hem aanschouwen. 7. En degeen, wien hij zijn boek in de rechterhand zal hebben gegeven. 8. Zal zachtmoedig behandeld worden, 9. En zal tot zijn gezin met vreugde terugkeeren. 10. Maar hij wien men het boek zijner werken achter den rug zal geven [2250], 11. Zal de vernietiging over zich roepen; 12. Doch hij zal in de hel gezonden worden om verbrand te worden, 13. Omdat hij op aarde onbeschaamd te midden van zijn gezin zijne genoegens naleefde; 14. Waarlijk, hij dacht, dat hij nimmer tot God zou terugkeeren. 15. Ja, waarlijk, God zag alles, 16. Daarom zweer ik [2251] bij de roode kleur van den schijn van den zonsondergang. 17. En bij den nacht, en de dieren, welke hij doet verzamelen. 18. En bij de maan, als die vol is. 19. Gij zult zeker van graad tot graad overgaan.--20. Wat scheelt hun dus, dat zij niet in de opstanding gelooven? 21. En dat zij niet aanbidden, als hun de Koran wordt voorgelezen? 22. Ja, de ongeloovigen beschuldigen dien van bedrog, 23. Maar God kent de kwaadwilligheid wel, die zij in hunne borsten verborgen houden. 24. Kondig hun dus eene vreeselijke straf aan. 25. Behalve aan hen, die gelooven en goede werken doen; want voor hen is eene nimmer missende belooning gereed gemaakt.
VIJF EN TACHTIGSTE HOOFDSTUK.
DE HEMELTEEKENEN.
Geopenbaard te Mekka.--22 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Ik zweer bij den hemel met teekenen [2252] versierd. 2. Bij den beloofden dag des oordeels. 3. Bij den getuige en de getuigenis [2253] 4. Gevloekt zijn de meesters van den kuil [2254]. 5. Met vuur waar onophoudelijk wordt bijgevoegd. 6. Toen zij daar in de rondte zaten. 7. En getuigen waren van hetgeen zij tegen de ware geloovigen deden. 8. En zij bedroefden hen om geene andere reden, dan omdat zij in den machtigen, den glorierijken God geloofden. 9. Aan wien het koninkrijk van hemel en aarde behoort, en die getuige van alle dingen is. 10. Waarlijk, voor hen, die de ware geloovigen van beiderlei kunne vervolgen, en daarna geen berouw betoonen, is de marteling der hel gereed gemaakt, en zij zullen de pijn der verbranding ondergaan. 11. Maar voor hen die gelooven, en datgene doen wat recht is, zijn tuinen bestemd, door welke rivieren stroomen. Dat zal een groote gelukzaligheid wezen. 12. Waarlijk, de wraak van uwen Heer is gestreng. 13. Hij schept en brengt (tot het leven) terug. 14. Hij is vergevensgezind en barmhartig; 15. De bezitter van den glansrijken troon; 16. Die datgene doet wat hem behaagt. 17. Kent gij het verhaal niet van de heirscharen. 18. Van Pharao [2255] en van Thamoed [2256]? 19. Nochtans houden de ongeloovigen niet op, de goddelijke openbaringen van valschheid te beschuldigen. 20. Maar God overvalt hen van achteren, en omsingelt hen, (zoodat zij niet kunnen ontvluchten). 21. Waarlijk, datgene, wat gij verwerpt is een glansrijke Koran. 22. Waarvan het oorspronkelijke op een tafel is geschreven, die in den hemel wordt bewaard.
ZES EN TACHTIGSTE HOOFDSTUK.
DE NACHTSTER.
Geopenbaard te Mekka.--17 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Ik zweer bij den hemel en bij de ster, die des nachts verschijnt. 2. Maar wat zal u datgene doen verstaan, wat bij nacht verschijnt? 3. Het is de ster, die glansrijke stralen schiet. 4. Iedere ziel heeft een wachter, die over hem is aangesteld. 5. Laat de mensch dus overwegen van wat hij is geschapen. 6. Hij is geschapen van een droppel zaad. 7. Uit de lendenen en de borstbeenderen voortkomende [2257]. 8. Waarlijk, God is in staat hem in het leven terug te roepen. 9. Op den dag waarop alle verborgen denkbeelden en daden zullen worden onderzocht. 10. En hij zal de macht om zich te verdedigen, noch eenigen beschermer hebben. 11. Bij den hemel, die (regen) nedergiet. 12. En bij de aarde, die zich opent om planten en bronnen te doen voortspruiten. 13. Waarlijk, dit is een gesprek ter onderscheiding (tusschen het goede en het kwade); 14. Het is niet lichtvaardig samengesteld. 15. Waarlijk, de ongeloovigen spannen samen (om mijne plannen te verijdelen); 16. Maar ik zal samenspannen om hen te vernietigen. 17. Daarom, o profeet! wees geduldig met de ongeloovigen, en laat hen korten tijd met vrede.
ZEVEN EN TACHTIGSTE HOOFDSTUK.
DE VERHEVENSTE.
Geopenbaard te Mekka.--19 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Geloofd zij de naam van uwen Heer, den Verhevenste, 2. Die zijne schepselen geschapen en volmaakt gevormd heeft, 3. Die hen tot verschillende doeleinden heeft bestemd [2258] en hen richt om die te bereiken [2259]; 4. En die het voedsel voor het vee voortbrengt. 5. En het daarna in droge stoppels of donkerkleurig hooi verandert. 6. Wij zullen u in staat stellen, onze openbaringen te onthouden [2260], en gij zult geen deel daarvan vergeten, 7. Behalve wat Gode zal behagen [2261]; want hij kent datgene, wat openbaar en wat verborgen is. 8. Wij zullen u den lichtsten weg gemakkelijk maken [2262]. 9. Vermaan dus uw volk indien uwe vermaning hun voordeelig kan zijn. 10. Wie God vreest zal vermaand worden; 11. Maar de meest verdorven (zondaar) zal zich daarvan afwenden. 12. Die nedergeworpen worden zal, om in het groote hellevuur geroosterd te worden. 13. Waarin hij sterven noch leven zal. 14. Gelukzalig hij, die door het geloof gezuiverd is. 15. En die den naam van zijnen Heer herdenkt en bidt. 16. Maar gij verkiest het tegenwoordige leven, 17. Hoewel het volgende leven beter en duurzamer is. 18. Waarlijk, dit is in de oude boeken geschreven. 19. In de boeken van Abraham en Mozes.
ACHT EN TACHTIGSTE HOOFDSTUK.
DE OVERVALLENDE [2263].
Geopenbaard te Mekka.--26 verzen.