De Koran Voorafgegaan Door Het Leven Van Mahomed Eene Inleiding

Chapter 57

Chapter 573,539 wordsPublic domain

1. Waarlijk, wij zonden Noach tot zijn volk, zeggende: Waarschuw uw volk, alvorens hen eene vreeselijke straf overvalt. 2. Noach zeide: O mijn volk! waarlijk, ik ben een openbaar prediker voor u. 3. Daarom, dient den eenigen God, vreest hem en gehoorzaamt mij. 4. Hij zal u een gedeelte uwer zonden vergeven [2196], en zal u uitstel verleenen tot een bepaalden tijd; want als de door God bepaalde tijd komt, zal die niet worden uitgesteld; indien gij lieden van verstand waart, zoudt gij dit weten. 5. Hij zeide: O Heer! waarlijk, ik heb mijn volk nacht en dag geroepen; maar mijne stem heeft hunnen tegenzin slechts vermeerderd. 6. En wanneer ik hen tot het ware geloof riep, opdat gij hun zoudt vergeven, staken zij hunne vingers in hunne ooren, en bedekten zich met hunne kleederen; zij volhardden in hunne ongeloovigheid, en versmaadden mijn raad hoovaardig. 7. Daarop heb ik hen in het openbaar uitgenoodigd, en ik sprak tot hen in het openbaar. 8. Ik vermaande hen ook in het geheim. 9. En ik zeide: vraagt vergiffenis van uwen Heer; want hij is vergevensgezind. 10. Hij zal rijkelijk regen van den hemel op u doen nederstroomen. 11. Hij zal u vermeerdering van welvaart en van kinderen schenken [2197], en hij zal u tuinen geven en u met rivieren voorzien. 12. Wat scheelt u, dat gij niet op Gods goedheid vertrouwt? 13. Hij heeft u toch in verschillende vormen geschapen [2198]. 14. Ziet gij niet, hoe God de zeven hemelen boven elkander heeft geschapen? 15. En hoe hij de maan ter verlichting daarin heeft geplaatst, en dat hij de zon als tot een fakkel heeft bestemd. 16. God heeft ook u voortgebracht, en u uit de aarde doen voortspruiten. 17. Hierna zal hij u weder daarin doen terugkeeren, en hij zal u daaruit weder wegnemen, door u uit uwe graven te doen verrijzen. 18. God heeft de aarde als een voetkleed voor u uitgespreid. 19. Opdat gij langs ruime paden daar zoudt mogen wandelen. 20. Noach zeide: Heer! waarlijk, zij zijn mij ongehoorzaam, en zij volgen hen, wier rijkdommen en kinderen hun verderf slechts vermeerderen. 21. Zij smeedden eene gevaarlijke samenspanning tegen Noach. 22. Hun opperhoofd zeide tot de anderen: Gij zult uwe goden volstrekt niet verlaten, en gij zult Wedd noch Sowa verzaken, 23. Noch Jaghoeth en Yaoek en Nesr [2199]. 24. En zij verleidden velen (want gij zult slechts de dwaling der zondaren vermeerderen). 25. Zij werden verdronken om hunne zonden, en in het hellevuur geworpen. 26. Zij vonden niemand die hen tegen God ondersteunde. 27. En Noach zeide: Heer, laat geen gezin der ongeloovigen op de aarde [2200]. 28. Want indien gij hen daar laat, zullen zij uwe dienaren verleiden, en slechts eene zondige en ongeloovige nakomelingschap voortbrengen. 29. Heer! vergeef mij en mijnen bloedverwanten [2201], en ieder die mijn huis zal binnen gaan [2202], en die een waar geloovige is, en de ware geloovigen van beiderlei kunne, en geef den onrechtvaardigen niets dan verdelging.

TWEE EN ZEVENTIGSTE HOOFDSTUK.

DE GENIUSSEN.

Geopenbaard te Mekka--28 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Zeg: Het is mij geopenbaard, dat een aantal geniussen mijne lezing van den Koran [2203] aandachtig hebben aangehoord, en zeiden: Waarlijk, wij hebben een bewonderenswaardig gesprek gehoord. 2. Dat op den rechten weg leidt; daarom gelooven wij er in, en wij willen volstrekt geen ander met onzen Heer vereenigen. 3. Hij (dat zijne majesteit verheven zij!) heeft geene vrouw genomen, en heeft evenmin kinderen gebaard 4. Een dwaze van ons [2204] heeft iets van God gezegd, wat geheel valsch is. 5. Maar wij dachten waarlijk, dat noch mensch, noch genius op eenigerlei wijze eene leugen tegen God zou hebben uitgedacht. 6. En er zijn zekere menschen, die, als toevlucht, tot sommigen der geniussen vloden. 7. Maar zij vermeerderden hunne dwaasheid en hunne zonden. Zij dachten, zooals gij denkt, dat God niemand tot het leven zal doen verrijzen. 8. En wij trachtten vroeger te bespieden, wat er in den hemel voortging; maar wij bevonden, dat die met eene sterke wacht van engelen en vlammende flitsen opgevuld was. 9. En wij plaatsten ons op sommige der zetels om de gesprekken zijner bewoners te hooren; maar wie thans zou luisteren, zou den vlammenden schicht vinden, die in hinderlaag gelegd is, om de grenzen van den hemel te beschermen (hem te treffen) [2205]. 10. Wij weten niet, of daardoor eene ramp voor hen wordt bedoeld, die op de aarde wonen, dan wel of hun Heer voornemens is, hen op den rechten weg te leiden. 11. Er zijn sommigen onder ons, die rechtschapen zijn, en er zijn sommigen onder ons, die anders zijn; wij zijn in verschillende soorten verdeeld. 12. En wij erkennen waarlijk, dat wij Gods macht op aarde geenszins zouden kunnen verzwakken, noch dat wij hem door de vlucht zouden kunnen ontsnappen. 13. Daarom geloofden wij in den Koran, toen wij de leiding hadden gehoord, die daarin is vervat. En wie in zijn Heer gelooft, behoeft geene vermindering van zijne belooning, noch eenige onrechtvaardigheid te vreezen. 14. Er zijn sommige Moslems onder ons, en er zijn anderen onder ons, die van de rechtvaardigheid afdwalen. En zij die den Islam omhelzen, zoeken de ware leiding op ernstige wijze. 15. Maar zij die van de rechtvaardigheid afwijken, zullen tot voedsel der hel verstrekken. 16. Indien zij den weg der waarheid betreden, zullen wij hen zekerlijk met een overvloedigen regen bevochtigen [2206]. 17. Ten einde hun daardoor te bewijzen, dat degeen die zich van de vermaning van zijn Heer afwendt, eene strenge marteling zal ondergaan. 18. Waarlijk de plaatsen der vereering zijn aan God toegewijd; roept dus geen ander tegelijk met God aan. 19. Toen Gods dienaar [2207] opstond om hem aan te roepen, had het weinig gescheeld, of de geniussen hadden hem doodgedrongen, om hem den Koran te hooren opzeggen. 20. Zeg: Waarlijk, ik roep slechts mijn Heer aan, en ik vereenig geen anderen God met hem. 21. Zeg: Waarlijk, ik ben uit mij zelven niet in staat, u leed of goed te doen. 22. Zeg: Waarlijk, niemand kan mij tegen God bijstaan. 23. Nimmer zal ik eene toevlucht buiten hem vinden. 24. Ik kan niets meer doen, dan wat mij van God werd geopenbaard, en zijne zendingen openbaar maken. En hij, die God en zijn gezant ongehoorzaam zal zijn, voor dien is het hellevuur gereed gemaakt; eeuwig zal hij daarin verblijven. 25. Zij zullen hunnen wederstand niet staken, dan nadat zij de wraak gezien zullen hebben, waarmede zij zijn bedreigd; maar dan zullen zij weten, wie onzer zwakker in zijne ondersteuning, en wie kleiner in getal is. 26. Zeg hun: Ik weet niet of de straf waarmede gij bedreigd zijt, nabij is, dan wel, of mijn heer die voor een verwijderd tijdstip heeft bepaald. Hij kent de geheimen der toekomst, en hij deelt zijne geheimen aan niemand mede. 27. Behalve aan den gezant in wien hij behagen schept [2208], en hij doet eene wacht van engelen voor hem en achter hem gaan. 28. Opdat hij zou weten, dat de gezanten de zending van hunnen Heer hebben volbracht. Hij weet alles, wat met hen is, en telt alle dingen bij het getal.

DRIE EN ZEVENTIGSTE HOOFDSTUK.

DE OMWIKKELDE.

Geopenbaard te Mekka [2209]--20 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. O gij omwikkelde profeet [2210]! 2. Sta op om te bidden, en ga daarmede voort gedurende den nacht, behalve een klein gedeelte: 3. Dat is te zeggen, gedurende de helft daarvan, of verkort dit een weinig. 4. Of voeg er iets bij, en herhaal den Koran met eene duidelijke en welluidende stem. 5. Want wij zullen u een zeer gewichtig woord openbaren. 6. Waarlijk, het begin des nachts heeft meer kracht voor het standvastige gebed en geeft meer gemak om ons uit te drukken [2211]; 7. Want des daags hebt gij vele bezigheden. 8. En herdenk den naam van uwen Heer en geef u geheel aan hem over, terwijl gij van de wereldsche ijdelheden afstand doet. 9. Hij is de Heer van het Oosten en het Westen. Er is geen god buiten hem. Neem hem dus tot uwen beschermer. 10. Draag den schimp geduldig, dien de ongeloovigen u toevoegen, en vertrek van hen op een voegzame wijze. 11. En laat mij alleen met hen, die den Koran van valschheid beschuldigen, die de genoegens van dit leven genieten. Verleen hun een weinig uitstel. 12. Waarlijk wij hebben voor hen zware ketenen, en een brandend vuur. 13. En voedsel dat hen zal doen verstikken, die het opzwelgen [2212], en eene pijnlijke marteling. 14. Op een zekeren dag zal de aarde geschud worden en de bergen mede; en de bergen zullen tot een zandhoop worden, die voortgedreven wordt. 15. Waarlijk, wij hebben u een profeet gezonden, om getuigenis tegen u af te leggen, zooals wij een gezant aan Pharao zonden. 16. Maar Pharao was ongehoorzaam aan den gezant, daarom kastijdden wij hem met eene zware straf. 17. Indien gij niet gelooft, hoe wilt gij u dan beveiligen voor den dag waarop de kinderen grijze haren van den schrik zullen krijgen? 18. De hemel zal van schrik gespleten worden; de belofte daarvan zal zekerlijk worden vervuld. 19. Waarlijk, dit is eene vermaning, en hij die geneigd is vermaand te worden, zal den weg tot zijn Heer nemen. 20. Uw Heer, o Mahomet! weet dat gij in gebed en overpeinzing dikwijls bijna twee derde gedeelten van een nacht, en somtijds de helft daarvan doorbrengt, en op andere tijden weder een derde gedeelte daarvan, en een deel uwer makkers die met u zijn, doen hetzelfde. Maar God weet den dag en den nacht; hij weet, dat gij die niet nauwkeurig kunt berekenen, daarom wendt hij zich gunstig tot u. Lees dus zooveel van den Koran als u gemakkelijk zal wezen. Hij weet dat er zieken onder u zijn, terwijl anderen op de aarde reizen, opdat zij door Gods goedheid, zich bezittingen zouden verwerven; en dat anderen strijden ter verdediging van Gods geloof. Lees dus zooveel daarvan, als u niet moeilijk zal wezen. Neem de vaste tijden van het gebed in acht, geef de behoorlijke aalmoezen, en leen God eene aannemelijke leening; want al hetgeen gij Gode (in goede werken) voor uwe zielen zendt, zult gij bij God terugvinden. Dit is beter [2213], en zal eene grootere belooning verdienen. En vraag God vergiffenis; want God is vergevensgezind en barmhartig.

VIER EN ZEVENTIGSTE HOOFDSTUK.

DE (MET DEN MANTEL) BEDEKTE [2214].

Geopenbaard te Mekka--55 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. O gij die met een mantel bedekt zijt! 2. Rijs op en predik. 3. Verheerlijk uwen Heer. 4. Reinig uwe kleederen! 5. Ontvlucht iedere schande. 6. Geef niet in de hoop, daarvoor meer terug te ontvangen. 7. En wacht geduldig op uwen Heer. 8. Als de trompet zal klinken. 9. Waarlijk die dag zal een dag der droefheid wezen. 10. En pijnlijk voor de ongeloovigen. 11. Laat mij alleen met hem dien ik geschonken heb [2215]; 12. Wien ik overvloedige rijkdommen heb geschapen. 13. En kinderen die in zijne tegenwoordigheid wonen; 14. Voor wien ik de zaken gemakkelijk en gebaand heb gemaakt [2216], 15. En die begeert, dat ik hem nog andere zegeningen zal zenden. 16. Volstrekt niet; want hij is een tegenstander onzer wonderteekens. 17. Ik zal hem met ernstige rampen bedroeven; 18. Want hij heeft honende uitdrukkingen uitgedacht en gereed gemaakt, om den Koran belachelijk te maken. 19. Gevloekt zij hij. Hoe kwaadwillig heeft hij die gereed gemaakt! 20. En hij moge nog eens gevloekt zijn. Hoe kwaadwillig heeft hij die gereed gemaakt! 21. Hij heeft zijne blikken om zich heen geworpen. 22. Daarop heeft hij zijn voorhoofd gefronsd en een ernstig gelaat aangenomen. 23. Vervolgens keerde hij zich van de waarheid en hij was opgeblazen van trotschheid. 24. En hij zeide: Dit is slechts een goochelstuk, aan anderen ontleend. 25. Dit zijn slechts de woorden van een mensch. 26. Ik zal hem in de hel nederwerpen, om verbrand te worden. 27. En wat zal u doen verstaan, wat de hel is? 28. Zij laat geen ding onverteerd, noch laat eenige zaak ontsnappen. 29. Zij verbrandt des menschen vleesch. 30. Negentien engelen zijn daarover geplaatst. 31. Wij hebben niemand buiten de engelen aangewezen, om het toezicht over het hellevuur te houden, en wij hebben hun getal slechts uitgedrukt als eene aanleiding tot tweedracht onder de ongeloovigen; opdat zij, aan wie de schriften werden gegeven, zeker mogen zijn van de waarachtigheid van dit boek, en dat de ware geloovigen in geloof mogen vermeerderen. 32. En dat zij, aan wie de schriften werden gegeven en de ware geloovigen, daaraan niet twijfelen; 33. En dat zij, in wier harten een gebrek schuilt, alsmede de ongeloovigen, mogen zeggen: Welke verborgenheid bedoelt God met dit getal? 34. Zoo doet God dwalen naar zijn welbehagen, en hij richt naar zijn welbehagen. Niemand kent de legers van uwen Heer [2217], buiten hem. Dit is slechts eene waarschuwing voor den mensch. 35. Zekerlijk. Bij de maan. 36. En den nacht, als die zich verwijdert. 37. En den ochtend, als die zich roodkleurt. 38. (Zweer ik) dat dit eene der vreeselijkste rampen is. 39. Strekkende tot waarschuwing voor den mensch; 40. Zoowel voor diegenen uwer, welke vooruit loopen, als voor hen die achterblijven. 41. Iedere ziel wordt in pand gegeven, voor hetgeen zij zal hebben verricht [2218]; behalve de makkers van de rechterhand. 42. Die in tuinen zullen wonen, en vragen tot elkander zullen richten nopens de zondaars, (en de snoodaards zelven zullen ondervragen, zeggende:) 43. Wat heeft u in de hel gebracht? 44. Zij zullen antwoorden: Wij behooren niet tot hen die standvastig in het gebed waren. 45. Nimmer laafden wij de armen. 46. Wij baadden ons in lichtvaardige gesprekken met degenen, die zich daartoe leenden. 47. Wij loochenden den dag des oordeels. 48. Tot de dood [2219] ons overviel. 49. De tusschentreding der tusschenpersonen zal hen niet helpen. 50. Wat scheelde hun dus, dat zij zich van de vermaning des Korans afwendden. 51. Als waren zij verschrikte ezels, die den leeuw ontvluchten. 52. Maar ieder van hen wilde, dat hem een bijzonder besluit van God zou toekomen. 53. Volstrekt niet. Zij vreezen het volgende leven niet. 54. Volstrekt niet. Waarlijk, dit is eene toereikende waarschuwing; en wie geneigd is, gewaarschuwd te worden, dien zal hij (de Koran) waarschuwen. 55. Doch zij zullen niet gewaarschuwd worden tenzij het Gode zal behagen. Hij is waardig gevreesd te worden, en hij is geneigd te vergeven.

VIJF EN ZEVENTIGSTE HOOFDSTUK.

DE OPSTANDING.

Geopenbaard te Mekka--40 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Waarlijk, ik zweer [2220] bij den dag der opstanding; 2. En ik zweer bij de ziel die zich zelve beschuldigt. 3. Denkt de mensch, dat wij zijne beenderen niet bij elkander zullen verzamelen? 4. Ja, wij zijn in staat de kleinste beenderen zijner vingers bijeen te brengen. 5. Maar de mensch verkiest zondig te zijn (te loochenen) den tijd die vÛÛr hem is. 6. Hij vraagt: Wanneer zal de dag der opstanding zijn? 7. Maar als het oog verblind. 8. Als de maan verduisterd zal wezen. 9. En de zon en de maan vereenigd zullen zijn. 10. Op dien dag zal de mensch zeggen: Waar is een toevluchtsoord? 11. Volstrekt niet. Er zal geene plaats zijn, om er heen te vluchten. 12. Op dien dag zal de veilige rustplaats met uwen Heer zijn. 13. Op dien dag zal de mensch vernemen, wat hij het eerste en het laatste heeft gedaan [2221]. 14. Ja, de mensch zal getuigenis tegen zich zelven afleggen. 15. En hoewel hij zijne verontschuldigingen aanbiedt, zullen zij niet worden aangenomen. 16. Beweeg uwe tong niet (o Mahomet!) door (de openbaringen te herhalen, u door GabriÎl gebracht, alvorens hij die geÎindigd zal hebben), opdat gij haar spoedig in het geheugen zoudt prenten. 17. Want het verzamelen van den Koran in uw geheugen, en u de ware lezing daarvan te leeren, komen ons toe. 18. Maar als wij u dien door de tong van den engel zullen hebben voorgelezen, volg dan de lezing daarvan. 19. En daarna belasten wij ons, u dien uit te leggen. 20. Gij zult volstrekt zoo haastig niet zijn voor de toekomst. Maar gij menschen bemint datgene, wat haastig voorbijgaat (het wereldsche). 21. En gij verwaarloost het volgende leven. 22. Op dien dag zullen er aangezichten zijn, die met een levendigen glans zullen schitteren. 23. En die hunne blikken naar den Heer zullen wenden. 24. Er zullen dien dag ter nedergeslagen aangezichten wezen. 25. Zij zullen denken, dat er eene verpletterende ramp over hen zal worden gebracht. 26. Zekerlijk. Als de ziel van den mensch (in zijn doodstrijd) tot zijne keel zal opstijgen. 27. Als de omstanders zullen zeggen: Wie brengt een toovermiddel om hem te doen herstellen? 28. Denkende, dat het oogenblik van zijn vertrek uit deze wereld is gekomen. 29. En het eene been met het andere been zal worden verbonden [2222]. 30. Op dien dag zal hij tot uwen Heer worden gedreven. 31. Want hij geloofde niet [2223], noch bad. 32. Maar hij beschuldigde Gods profeet van bedrog, en wendde zich af, in plaats van hem te gehoorzamen. 33. Daarop ging hij tot zijn gezin terug, met hoogmoed wandelende. 34. Daarom, wee over u! het uur nadert. 35. Het nadert steeds. Wee! en nog eens wee over u; wee! 36. Denkt de mensch, dat hij geheel vrijgelaten zal worden, (zonder toezicht)? 37. Was hij niet eerst een droppel zaad, die zich gemakkelijk verliest? 38. Later was hij een weinig gestold bloed; en God vormde hem in eene juiste evenredigheid. 39. En maakte twee seksen van hem: den man en de vrouw. 40. Is hij die dit gedaan heeft, niet in staat de dooden te doen herleven?

ZES EN ZEVENTIGSTE HOOFDSTUK.

DE MENSCH.

Geopenbaard te Mekka [2224]--31 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ging er niet eene groote tijdruimte over den mensch, gedurende welke hij eene nietswaardige zaak was? 2. Waarlijk, wij hebben den mensch geschapen uit het gemengde zaad van beide seksen, opdat wij hem zouden beproeven, en wij hebben hem doen hooren en zien [2225]. 3. Wij hebben hem zeker op den weg geleid, of hij dankbaar, dan wel ondankbaar zou zijn. 4. Waarlijk, wij hebben voor de ongeloovigen ketenen en halskragen en brandend vuur gereed gemaakt. 5. Maar de rechtvaardigen zullen uit een beker wijn drinken, gemengd met het water van Ca oer [2226]. 6. Eene fontein waarvan Gods dienaren zullen drinken: zij zullen die door kanalen leiden (werwaarts het hun behaagt). 7. Deze vervullen hunne gelofte [2227] en vreezen den dag, waarvan rampen zich zeer ver uitstrekken. 8. Zij, schoon zelven nooddruftig, geven voedsel aan de armen, aan den wees en aan den balling voor zijne zaak. 9. Zeggende: Wij voeden u alleen voor Gods zaak; wij begeeren belooning noch dankzegging van u. 10. Waarlijk, wij vreezen van onzen Heer een schrikbarenden en rampvollen dag. 11. Daarom zal God hen van de ramp van dien dag bevrijden, en hij zal hunne voorhoofden doen schitteren, en hun vreugde geven. 12. En hij zal hun voor hunne geduldige volharding beloonen, met een tuin en zijden kleederen. 13. Daarin zullen zij op zetels rusten; zij zullen daar zon noch maan zien [2228]. 14. De schaduwen der boomen zullen zich over hen uitspreiden, en de vruchten daarvan zullen laag nederkomen, zoodat die gemakkelijk zullen kunnen worden ingezameld. 15. Hunne dienaren zullen bij hen rondgaan met zilveren vaatwerk en bekers. 16. De flesschen zullen flesschen van zilver zijn (blinkend als glas); zij zullen de maat daarvan bepalen. 17. Daar zal hun te drinken worden gegeven, uit bekers (wijn), gemengd met het water van Zedjebil [2229] 18. Uit eene fontein in het paradijs, Selsebil genaamd. 19. En kinderen die eeuwig jong zullen blijven zullen rondgaan om hen te bedienen; als gij hen ziet, zult gij denken dat zij verspreide paarlen zijn. 20. En als gij dit ziet, zult gij geneugten aanschouwen en een groot koninkrijk. 21. Zij zullen bedekt zijn met kleederen van fijne, groene zijde en van gouden weefsels, en zij zullen versierd zijn met zilveren armbanden, en hun Heer zal hun van het zuiverste vocht te drinken geven. 22. (Hij zal tot hen zeggen:) Waarlijk, dit is uwe belooning, en uwe pogingen zijn dankbaar aangenomen. 23. Waarlijk, wij hebben u den Koran door eene (trapsgewijze) openbaring nedergezonden. 24. Wacht dus geduldig het oordeel van uwen Heer af, en geloof geen zondaar of ongeloovige onder hen. 25. Gedenk den naam van uwen Heer, des ochtends en des avonds. 26. En aanbid hem gedurende (een deel van den nacht); en prijs hem gedurende een groot deel des nachts. 27. Waarlijk, deze menschen beminnen het voorbijgaande leven, en veronachtzamen den zwaren dag des oordeels. 28. Wij hebben hen geschapen en hunne ledematen gesterkt, en als het ons behaagt, stellen wij anderen aan hen gelijk, in hunne plaats. 29. Waarlijk, dit is eene waarschuwing; en hij die wil, kieze den weg tot zijn Heer. 30. Maar gij zult niet willen tenzij God wil; want God is alwetend en wijs 31. Hij leidt in zijne genade die hem behagen; maar voor den onrechtvaardige heeft hij eene gestrenge straf gereed gemaakt.

ZEVEN EN ZEVENTIGSTE HOOFDSTUK.

DE GEZANTEN.

Geopenbaard te Mekka--50 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.