De Koran Voorafgegaan Door Het Leven Van Mahomed Eene Inleiding

Chapter 56

Chapter 564,060 wordsPublic domain

1. O profeet! indien gij van uwe vrouwen scheidt, zend haar dan op den bepaalden tijd weg [2156], en meet het tijdstip nauwkeurig af en vrees God uwen Heer. Noodzaak haar niet uit hare vertrekken te gaan, en laat haar niet weggaan, alvorens de tijd verstreken zij, ten ware zij klaarblijkelijk aan onreinheid schuldig zijn. Dit zijn Gods geboden; en waarlijk, hij die Gods geboden overtreedt, mishandelt zijne eigen ziel. Gij weet niet welke Gods plannen omtrent de toekomst zijn. Misschien zal hij u weder met haar vereenigen. 2. En als zij haren bepaalden tijd zullen hebben vervuld, houdt haar dan vriendelijk terug of scheid welwillend van haar; en neem menschen van geloofwaardigheid als getuigen onder u; en geef uwe verklaring, ten aanhoore Gods. Deze vermaning is dengeen gegeven, die in God en den laatsten dag gelooft en God vreest. Aan hem zal hij eene gelukkige uitkomst in al zijne bedroefenissen schenken, en hij zal hem een ruimen voorraad geven, van waar hij dien niet verwacht. 3. En wie op God vertrouwt, voor dien zal hij een toereikende beschermer zijn; want God zal zekerlijk zijn doel bereiken. Thans heeft God voor elke zaak een bepaalden tijd vastgesteld. 4. Wat uwe vrouwen betreft die, uithoofde van haren ouderdom aan hare regels wanhopen; indien gij daaromtrent in twijfel verkeert, laat haar bepaalde tijd dan drie maanden zijn, en laat dit eveneens de bepaalde tijd wezen voor degenen, die hare regels nog niet hebben gehad. Maar wat haar betreft, die zwanger zijn, heur bepaalde tijd zal wezen, als zij verlost zullen zijn [2157]. En voor dengeen, die God vreest, zal hij zijn gebod gemakkelijk maken. 5. Dit is het bevel van God, dat hij u heeft nedergezonden, en degeen, die God vreest, zal door hem van zijne slechte daden worden gezuiverd, en God zal zijne belooning vermeerderen. 6. Vergun de vrouwen, van welke gij scheidt in een gedeelte der huizen te wonen, waarin gij woont, overeenkomstig de ruimte en de gemakken der woningen, welke gij bezit, en maakt het haar niet ongemakkelijk, door haar te zeer te beperken. Indien zij zwanger zijn, schenkt haar dan het noodige, tot zij van haren last zijn verlost. Indien zij hare kinderen voor u zoogen, geeft haar dan het loon [2158], en raadpleegt elkander, nopens hetgeen rechtvaardig en billijk zal zijn. Indien gij hierin op eene moeilijkheid stoot, laat dan eene andere vrouw het kind voor haar zoogen. 7. Laat hem, die overvloed heeft, naar evenredigheid van zijn overvloed in het onderhoud van de moeder en de min voorzien, en laat hem, wiens inkomsten beperkt zijn, geven, overeenkomstig datgene wat God hem heeft geschonken. God verplicht niemand tot vervulling van meer dat van datgene, waartoe God hem heeft in staat gesteld. Hij zal de armoede door rijkdom doen opvolgen. 8. Hoevele steden hebben zich van het bevel van hunnen Heer en zijn gezant afgewend! Daarom riepen wij hen tot eene gestrenge verantwoording, en wij kastijdden hen met eene gestrenge kastijding. 9. Zij ondervonden het slechte gevolg hunner zaak; en het einde hunner zaak was hun ondergang. 10. God heeft een gestrenge straf voor hen gereed gemaakt; vreest dus God, gij die met verstand zijt begaafd. 11. O ware geloovigen! thans heeft God u eene vermaning nedergezonden en een gezant, om u Gods duidelijke teekenen te verkondigen, ten einde hen, die gelooven en goede werken doen, van de duisternis in het licht te leiden. Wie in God gelooft, en doet wat recht is, dien zal hij in tuinen leiden, waarin rivieren stroomen, om daarin voor eeuwig te verblijven; aldus heeft God eene uitmuntende belooning voor hem gereed gemaakt. 12. Het is God, die de zeven hemelen heeft geschapen en de zeven aardbollen: het goddelijke bevel daalt tusschen hen neder [2159], opdat gij zoudt weten, dat God almachtig is, en dat God door zijn kennis alle dingen begrijpt.

ZES EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.

HET VERBOD.

Geopenbaard te Medina.--12 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. O profeet! waarom verbiedt gij wat God heeft vergund, daardoor trachtende uwe vrouwen te behagen [2160]. God is vergevensgezind en barmhartig 2. God heeft u veroorloofd, uwe eeden in te trekken; en God is uwe meester en hij is alwetend en wijs. 3. Toen de profeet eens eene zekere gebeurtenis als een geheim aan eene zijner vrouwen verhaalde [2161], en toen zij dat aan eene ander mededeelde, en God het hem bekend maakte, gaf hij haar kennis van een gedeelte van hetgeen zij had gedaan, en vermeed, haar het andere gedeelte daarvan te verwijten. En toen hij haar daarmede had bekend gemaakt, zeide zij: Wie heeft u dit ondekt? Hij zeide: de wijze, de alwetende God heeft het mij ontdekt. 4. Indien gij beiden tot God zijt gewend (want uwe harten hebben gewankeld), is het wel, maar indien gij tegen hem (den profeet) samenspant, waarlijk, dan is God zijn beschermer, en GabriÎl en de rechtvaardigen, onder de gelooven en de engelen zijn mede zijne helpers [2162]. 5. Indien hij van u scheidt, kan zijn Heer hem gemakkelijk in uwe plaats andere vrouwen, beter dan gij, geven; vrouwen die aan God onderworpen zijn; ware geloovigen, vroom, boetvaardig, gehoorzaam, de vasten in acht nemende, en zoowel die gehuwd zijn geweest, als maagden. 6. O ware geloovigen! redt uwe zielen en die uwer gezinnen, van het vuur, dat door menschen en steenen wordt gevoed, waarover onvermurwbare en vreeselijke engelen [2163] zijn geplaatst, die God niet ongehoorzaam zijn, in hetgeen hij hun heeft bevolen; maar die volvoeren, wat hun werd geboden. 7. O ongeloovigen! verontschuldig u niet op dezen dag, U zal zekerlijk vergolden worden hetgeen gij hebt gedaan [2164]. 8. O ware geloovigen! wendt u tot God met een oprecht berouw, misschien wil uw Heer uwe slechte daden van u afnemen, en wil hij u toelaten in tuinen, met rivieren doorsneden, op den dag waarop God den profeet niet zal beschamen, of degenen die met hem geloofd hebben; hun licht zal voor hen uitgaan en aan hunne rechterhanden [2165], en zij zullen zeggen: Heer! maak ons licht volmaakt en vergeef ons; want gij zijt almachtig. 9. O profeet! tast de ongeloovigen met wapens aan, en de huichelaars met woorden, en behandel hen met gestrengheid; de hel zal hun verblijf zijn, en dat is eene ellendige woning. 10. God stelt den ongeloovigen, als een voorbeeld, de vrouw van Noach en de vrouw van Lot voor; zij waren onder de heerschappij van twee onzer rechtvaardige dienaren, welke beiden door haar bedrogen werden [2166]. Daarom waren hare echtgenooten haar volstrekt niet van voordeel, voor het aangezicht van God [2167], en er zal op den jongsten dag tot haar gezegd worden: Treedt het hellevuur binnen met hen die daar ingaan. 11. God stelde ook de vrouw van Pharao als een voorbeeld aan hen die gelooven, toen zij zeide: Heer, bouw mij een huis bij u in het paradijs, verlos mij van Pharao en zijne daden, en bevrijd mij van de onrechtvaardigen. 12. En Maria, de dochter van Imram, die hare kuischheid bewaarde, en in wier boezem wij onzen geest bliezen [2168], en die in de woorden van haren Heer en in zijne schriften geloofde, en vroom en gehoorzaam was [2169].

ZEVEN EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.

HET KONINKRIJK [2170].

Geopenbaard te Mekka.--30 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Gezegend zij hij in wiens hand het Koninkrijk is! want hij is almachtig; 2. Die den dood en het leven heeft geschapen, opdat hij u zou mogen bewijzen, wie uwer het rechtvaardigste in zijn daden is; en hij is machtig en vergevensgezind. 3. Hij, die zeven hemelen boven elkander heeft geschapen. Gij kunt in geen schepsel van den Barmhartigste eenige onvolmaaktheid of eenig gebrek vinden. Heft uwe oogen ten hemel op, en ziet of gij er eene enkele scheur ontdekt? 4. Heft ze nog tweemalen op, en uwe blikken zullen zwaar en vermoeid tot u terugkeeren. 5. Wij hebben den ondersten hemel met lampen versierd, en wij hebben die bestemd om de duivels terug te houden [2171], voor welke wij de marteling van het brandende vuur hebben gereed gemaakt. 6. En voor hen, die niet in hunnen Heer gelooven, is mede de marteling der hel bereid; daar zal het een ellendig verblijf wezen. 7. Als zij daarin zullen geworpen worden, zullen zij het hooren balken als een ezel [2172], en het zal vreeselijk branden. (En indien zij vernietigd konden worden, zou zijne woede hen vernietigen). 8. Zoo dikwijls eene schaar van hen daarin geworpen zal worden, zullen de wachters der hel hun vragen: Kwam er geen gezant? 9. Zij zullen antwoorden: Ja, er kwam een gezant tot ons; maar wij beschuldigden hem van bedrog en zeiden: God heeft niets geopenbaard. Gij verkeert slechts in eene groote dwaling. 10. En zij zullen zeggen: Indien wij geluisterd of recht hadden verdacht, zouden wij niet tot de makkers van het brandende vuur hebben behoord. 11. En zij zullen hunne zonden belijden; maar verre zij het, dat de bewoners van het brandende vuur genade zullen verwerven! 12. Waarlijk, zij die hunnen Heer in het geheim vreezen, zullen vergiffenis en eene groote belooning verlangen. 13. Hetzij gij uw gesprek verbergt, of het openbaar maakt, hij kent de binnenste deelen uwer borsten. 14. Zou hij niet alles kennen, die alles geschapen heeft; hij de Wijze, de Alwetende? 15. Hij is het, die de aarde voor u geÎffend heeft; wandelt dus door hare dreven, en eet van haar voorraad. Gij zult opgewekt worden om tot hem terug te keeren. 16. Zijt gij zeker, dat hij die in den hemel woont, u niet door de aarde zal doen verzwelgen? Ziet zij beeft reeds. 17. Of zijt gij zeker, dat hij die in den hemel woont, geen hevigen dwarrelwind tegen u zal zenden, die het zand voortdrijft om u te bedekken? Dan eerst zult gij weten, hoe belangrijk mijne waarschuwing was. 18. Ook zij die vÛÛr u waren, geloofden niet. Hoe vreeselijk was mijn toorn! 19. Zien zij de vogels boven hunne hoofden niet, die hunne vleugels uitspreiden en ineenvouwen? Niemand ondersteunt hen, behalve de Barmhartige; want hij beschouwt alle dingen. 20. Waar is degeen die u tot een krijgsheer zal verstrekken om u tegen den Barmhartige te verdedigen? waarlijk, de ongeloovigen zijn verblind. 21. Of waar is hij, die u voedsel zal geven, indien God het verhindert? En toch volhardt gij in uwe verdorvenheid en ontvlucht de waarheid. 22. Is dus degeen, die op zijn aangezicht kruipt beter dan hij die rechtop een rechten weg bewandelt [2173]. 23. Zeg: hij is het, die u het aanzijn heeft geschonken, en u het gehoor, het gezicht en het verstand (een hart) heeft gegeven; en echter hoe weinig dankbaar zijt gij! 24. Zeg: Hij is het, die u over de aarde heeft verspreid, en tot hem zult gij bijeen verzameld worden. 25. Zij zeggen: Wanneer zal deze bedreiging verwezenlijkt worden, indien gij de waarheid spreekt? 26. Antwoord: De kennis hiervan is alleen met God want ik ben slechts belast met het in het openbaar te waarschuwen. 27. Maar als zij de straf van nabij zullen zien, zullen hunne aangezichten zich verduisteren, en men zal tot hen zeggen: Dat is wat gij gevraagd hebt. 28. Zeg: Wat denkt gij? Hetzij God mij en hen die mij volgen, doet sterven, of dat hij mededoogen met ons hebbe, wie zal de ongeloovigen tegen de vreeselijke straf verdedigen? 29. Zeg: Hij is de Barmhartige; in hem gelooven wij, en in hem stellen wij ons vertrouwen. Hier namaals zult gij weten, wie in eene duidelijke dwaling verkeert. 30. Zeg: Wat denkt gij. Indien uw water des ochtends door de aarde wordt verzwolgen, wie zal dan zuiver en vloeiend water geven?

ACHT EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.

DE PEN.

Geopenbaard te Mekka.--52 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Noen [2174]. (Ik zweer) bij de pen en wat zij (de menschen) schrijven. 2. Gij, o Mahomet! zijt, door de genade van uwen Heer, geen bezetene. 3. Waarlijk, er is u eene eeuwige belooning gereed gemaakt; 4. Want gij hebt een verheven karakter [2175]. 5. Gij zult zien en de ongeloovigen zullen het zien. 6. Wie uwer van zijne zinnen is beroofd. 7. Waarlijk, uw Heer kent hen wel, die zijn pad verlaat, en hij kent hen wel, die op den rechten weg geleid worden. 8. Gehoorzaam hen dus niet, die u van bedrog beschuldigen. 9. Zij begeeren, dat gij hen met zachtheid zoudt behandelen, en dan zouden zij u ook met zachtheid behandelen [2176]. 10. Maar geloof niemand die ieder oogenblik zweert en een verachtelijke is. 11. Luister niet naar den lasteraar, die met leugens omgaat. 12. Die verbiedt wat goed is; die een overtreder, een snoodaard is. 13. De onmeÍdoogende en buitendien van onreine geboorte. 14. Zelfs indien hij rijkdommen en vele kinderen heeft. 15. Als hem onze teekenen herinnerd worden, zegt hij: Dit zijn fabelen van de ouden. 16. Wij zullen een vurig kenteeken op zijn neus drukken. 17. Waarlijk, wij hebben de bewoners van Mekka beproefd [2177], zooals wij vroeger de eigenaars van den tuin beproefden [2178], toen zij zwoeren, dat zij de vruchten daarvan des ochtends zouden verzamelen. 18. En er de uitzondering niet bijvoegden: Indien het Gode behaagt. 19. En de tuin werd door eene verwoesting van uwen Heer overvallen, terwijl zij sliepen. 20. En des ochtends was die, als een tuin waarvan de vruchten reeds verzameld waren. 21. En zij riepen elkander, toen zij des morgens opstonden, zeggende: 22. Ga vroeg naar uwe beplanting, indien gij voornemens zijt de vruchten daarvan te verzamelen. 23. Daarop gingen zij, terwijl zij elkander toefluisterden: 24. Geen arme zal heden uwen tuin binnentreden. 25. En zij vertrokken vroeg, met het voorgestelde doel, niets te geven. 26. Toen zij zagen dat de tuin verzengd en verwoest was, zeiden zij: Wij hebben ons zeker in den weg vergist. 27. (Maar toen zij bevonden dat het hun eigen tuin was), riepen zij uit: Waarlijk, het is ons niet geoorloofd [2179] (de vruchten daarvan te plukken). 28. De verstandigste van hen zeide: Heb ik u niet gezegd: Waarom gedenkt gij God niet? 29. Zij antwoordden: Geloofd zij onze Heer! Waarlijk, wij waren zondaren. 30. En zij begonnen elkander te laken. 31. En zij zeiden: Wee over ons! waarlijk, wij waren zondaren. 32. Misschien zal onze Heer ons een beteren tuin dan dezen in ruiling geven; en wij smeeken onzen Heer ernstig, ons vergiffenis te schenken. 33. Dit is de kastijding van dit leven; maar de kastijding van het volgende leven zal gestrenger zijn. Indien zij het geweten hadden, zouden zij zich in acht genomen hebben. 34. Waarlijk, voor de vromen zijn, door hunnen Heer, heerlijke tuinen gereed gemaakt. 35. Zouden wij met de Moslems, even als met de zondaren handelen? 36. Wat scheelt u, dat gij aldus oordeelt? 37. Hebt gij een boek (van den hemel) waarin gij leest. 38. Dat gij datgene zult verkrijgen, wat gij zult verkiezen? 39. Of hebt gij eeden ontvangen, die ons op den dag der opstanding zullen binden, dat gij zult genieten wat gij u verbeeldt? 40. Vraag hun wie van hen dit waarborgt. 41. Of hebben zij makkers, die borg voor hen blijven? Laat hen dan hunne makkers toonen, indien zij de waarheid spreken. 42. Op een zekeren dag zal het been ontbloot worden [2180], en zij zullen opgeroepen worden om te aanbidden; maar zij zullen daartoe niet in staat zijn [2181]. 43. Hunne oogen zullen nedergeslagen zijn en zij zullen door de schande worden gevolgd, omdat zij tot de vereering van God werden uitgenoodigd, terwijl zij in zekerheid waren, maar niet wilden hooren. 44. Spreek dus niet ten gunste van hen, die deze openbaring van bedrog beschuldigen. Wij zullen hen allengs tot de vernietiging voeren, langs wegen die zij niet kennen. 45. Ik zal hun een ruimen tijd verleenen; want mijne krijgslist is onfeilbaar. 46. Vraagt gij hun eenige belooning voor uwe prediking? Maar zij zijn met schulden beladen. 47. Zijn de geheimen der toekomst met hen, en schrijven zij die van de tafel van Gods besluiten af [2182]? 48. Wacht dus geduldig het oordeel van uwen Heer af, en wees niet zoo als hij, die door den visch werd verzwolgen toen hij God aanriep, terwijl hij innerlijk toornig was [2183]. 49. Had de genade van zijn Heer hem niet bereikt, dan ware hij zeker, met schaamte bedekt, op de naaste kust geworpen geworden. 50. Maar zijn Heer koos hem, en maakte hem tot een der rechtvaardigen. 51. Er ontbreekt slechts weinig aan, of de ongeloovigen zouden u met hunne arglistige blikken nederwerpen, als zij de vermaning van den Koran hooren; en zij zeggen: Hij is zekerlijk bezeten. 52. Maar hij (de Koran) is slechts eene vermaning aan alle schepselen.

NEGEN EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.

DE ONVERMIJDELIJKE DAG.

Geopenbaard te Mekka.--52 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. De onvermijdelijke dag [2184]! 2. Wat is de onvermijdelijke dag? 3. En wat zal u doen begrijpen wat de onvermijdelijke dag is? 4. De stammen ven Thamoed en Ad loochenen, als eene valschheid, den dag, die de harten der menschen met schrik zal treffen [2185]. 5. Maar Thamoed werd verdelgd door een vreeselijk onweder. 6. En Ad werd verdelgd door een brullenden en vreeselijken kreet. 7. Waarmede God hen gedurende zeven nachten en acht dagen achtereenvolgens deed treffen. Gij hadt het volk gedurende dien tijd moeten zien, nedergeknield liggende, als waren zij de wortels van holle palmboomen [2186]. 8. En gij zoudt gezien hebben, dat er geen een van hen overbleef. 9. Ook Pharao en zij die voor hen waren en de steden die verwoest werden [2187], waren schuldig aan zonde. 10. En zij waren allen ongehoorzaam aan den gezant van hunnen Heer; daarom kastijdde hij hen met eene ruime kastijding. 11. Toen het water van den zondvloed steeg, bewaarden wij u in de drijvende ark, 12. Om die tot eene gedachtenis te maken, en opdat het aandachtige oor er de herinnering van zou bewaren. 13. En als de trompet eens zal klinken. 14. Als de aarde van hare plaats zal gerukt worden, en ook de bergen, en zij eensklaps in stukken gebroken zullen worden. 15. Op dien dag zal het onvermijdelijke uur des oordeels plotseling komen. 16. De hemelen zullen op dien dag gespleten worden en in stukken vallen. 17. En de engelen zullen ter zijde daarvan zijn [2188] en acht hunner zullen op dien dag den troon van uwen Heer boven hen dragen. 18. Op dien dag zult gij voor den rechterstoel van God geplaatst worden, en geene uwer geheime daden zal verborgen zijn. 19. En hij, die het hem gegeven boek in de rechterhand zal hebben, zal zeggen: Neem, en lees dit mijn boek. 20. Waarlijk, ik dacht wel, dat ik deze mijne rekenschap zou moeten geven. 21. Hij zal een genoegelijk leven leiden. 22. In een verheven tuin. 23. Waarvan de vruchten gemakkelijk te plukken zullen zijn. 24. Eet en drinkt met gemakkelijke spijsvertering, (zal men hun zeggen) om de goede werken, die gij in de verloopen dagen voor u uit hebt gezonden. 25. Maar hij, die zijn boek dat hij ontvangen heeft, in zijne linkerhand zal hebben, zal zeggen: O, had ik dit boek slechts niet ontvangen! 26. En dat ik niet wist, dat dit mijne rekening was! 27. O had de dood een einde aan mij gemaakt! 28. Mijne rijkdommen hebben mij niet bevoordeeld. 29. En mijne macht is voor mij verdwenen. 30. En God zal tot de wachters der hel zeggen: Grijpt hem en bindt hem, 31. En werpt hem in de hel om verbrand te worden. 32. Sluit hem in eene keten, van eene lengte van zeventig ellebogen [2189] 33. Omdat hij niet in den grooten God geloofde. 34. En omdat hij niet begeerlijk was, den arme te voeden. 35. Daarom zal hij hier dezen dag geen vriend hebben. 36. Noch eenig voedsel, behalve het bedorven vocht, dat uit de lichamen der verdoemde vloeit. 37. Dat niemand zal genieten, behalve de zondaren. 38. Ik zweer [2190] bij datgene wat gij ziet. 39. En datgene wat gij niet ziet. 40. Dat dit het gesprek van een eerbiedwaardigen gezant is. 41. En niet het gesprek van een dichter. O, hoe weinig gelooft gij! 42. Ook is het niet het gesprek van een waarzegger. O, hoe weinig overweegt gij! 43. Het is eene openbaring van den Heer van alle schepselen. 44. Indien Mahomet iets van deze gesprekken nopens ons zou hebben uitgedacht. 45. Waarlijk, wij zouden hem bij de rechterhand hebben gegrepen. 46 En wij zouden de ader van zijn hart hebben doorgesneden. 47. En wij zouden niemand uwer verhinderd hebben, hem te kastijden. 48. Waarlijk, dit boek is eene vermaning voor den vrome. 49. En wij weten wel, dat er sommige uwer zijn, die den Koran van bedrog beschuldigen. 50. Maar hij zal de oorzaak van de wanhoop der ongeloovigen zijn; 51. Want het is de zekere waarheid. 52. Daarom prijs den naam van uwen Heer, den grooten God.

ZEVENTIGSTE HOOFDSTUK.

DE TRAPPEN.

Geopenbaard te Mekka.--44 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Iemand vraagt en roept om wraak. 2. Over de ongeloovigen. Er zal niemand wezen, die verhinderen kan. 3. Dat God hen bedroeven, de meester der trappen [2191]. 4. Langs welke de engelen tot hem opstijgen in een dag, wiens uitgebreidheid vijftig duizend jaren bedraagt [2192]. 5. Daarom, verdraagt de beleedigingen van de bewoners van Mekka met lofwaardig geduld. 6. Want zij (de ongeloovigen) zien hunne straf ver verwijderd. 7. Maar wij zien die nabij. 8. Op een zekeren dag zal de hemel als gesmolten koper worden. 9. En de bergen gelijk wol van verschillende kleuren, door den wind uiteengedreven. 10. En een vriend zal den ander niet naar zijn toestand vragen 11. Hoewel zij elkander zien. De zondaar zal trachten, zich van de straf van dien dag los te koopen, door zijne kinderen op te offeren 12. En zijne vrouw en zijn broeder. 13. En zijne bloedverwanten die hem vriendschap bewezen; 14. En allen die op aarde zijn. Hij zal begeeren daardoor gered te worden. 15. Maar in geenen deele; want het hellevuur, 16. Dat hen bij de schedels zal grijpen, 17. Zal iederen persoon opeischen, die zijn rug zal hebben toegewend, en het geloof ontvlucht is. 18. En die rijkdommen verzameld heeft, en deze gierig ophoopt. 19. Waarlijk, de mensch is zeer begeerig geschapen [2193]. 20. Als het kwaad hem treft, is hij ternedergeslagen. 21. Maar als het goede hem toevloeit, word hij karig. 22. Zoo bestaan niet degenen die godvruchtig zijn. 23. Die in hunne gebeden volharden. 24. En zij, die gereed zijn, een zeker voegzaam deel van hunne bezittingen te geven. 25. Aan hem die vraagt, en aan hem, die door schaamte teruggehouden wordt te vragen. 26. Zij, die oprecht in den dag des oordeels gelooven, 27. En de straf van hunnen Heer vreezen 28. (Want niemand is beveiligd tegen de straf van zijnen Heer). 29. Die ingetogen leven. 30. En die geen gemeenschap hebben met andere vrouwen dan met de hunne, of de slavinnen, die door hunne rechterhanden worden bezeten; want zij zijn zonder blaam. 31. Maar zij, die gemeenschap met andere vrouwen buiten deze hebben, zijn zondaren. 32. Zij, die wat hun werd toevertrouwd en hun verbond getrouw bewaren. 33. Die onwrikbaar in hunne verklaringen zijn. 34. En die de vereischte voorschriften bij hunne gebeden nauwkeurig in acht nemen. 35. Deze zullen hooggeÎerd zijn, en te midden van tuinen wonen. 36. Wat scheelt de ongeloovigen, dat zij voor u uitgaan 37. In scharen ter rechter- en ter linkerhand? 38. Wenscht een hunner den tuin des genots binnen te gaan? 39. Volstrekt niet.--Waarlijk, wij hebben hen geschapen, van datgene wat zij kennen [2194]. 40. Ik zweer bij den Heer van het Oosten en het Westen [2195], dat wij in staat zijn. 41. (Hen te verdelgen en) een beter volk voor hen in de plaats te stellen; en niemand kan het verhinderen, indien het ons behaagt dit te doen. 42. Daarom, laat hen in ijdele gesprekken waden, en in vermaken genot zoeken, tot zij den dag ontmoeten, waarmede zij bedreigd zijn. 43. Den dag waarop zij haastig uit hunne graven zullen voortkomen, als scharen, die zich naar hunne vanen spoeden. 44. Hunne blikken zullen nedergeslagen zijn, en schande zal hen volgen. Dit is de dag, waarmede zij bedreigd zijn geworden.

EEN EN ZEVENSTIGSTE HOOFDSTUK.

NOACH.

Geopenbaard te Mekka.--29 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.