De Koran Voorafgegaan Door Het Leven Van Mahomed Eene Inleiding

Chapter 54

Chapter 543,548 wordsPublic domain

1. Als de onvermijdelijke [2087] dag des oordeels plotseling zal komen. 2. Zal geene ziel de voorspelling zijner komst van valschheid beschuldigen. 3. Sommigen zullen daardoor vernederd, en anderen verheven worden. 4. Als de aarde door een hevigen schok zal geschud worden. 5. En de bergen in stukken zullen springen. 6. En als weggeblazen stof zullen worden. 7. En gij, menschen, in drie duidelijke klassen zult verdeeld worden. 8. De makkers van de rechterhand (hoe gelukkig zullen de makkers der rechterhand wezen). 9. En de makkers der linkerhand [2088], (hoe ellendig zullen de makkers der linkerhand zijn); 10. En zij, die anderen in het geloof zijn voorgegaan, zullen hen in het paradijs voorafgaan. 11. Dat zijn zij, die God zullen naderen. 12. Zij zullen in tuinen van vermaak wonen. 13. Daar zullen velen van de vroegere godsdiensten. 14. En enkelen van den lateren zijn [2089]. 15. Rustende op zetels met goud en edelgesteenten versierd. 16. En tegenover elkander daarop zittende [2090]. 17. Jonge lieden, die eeuwig jong zullen blijven, zullen om hen heen gaan, om hen te bedienen. 18. Met bekers, kroezen en schalen met vloeienden wijn. 19. Hunne hoofden zullen geen pijn gevoelen, door dien te drinken, en hun verstand zal niet beneveld worden. 20. En met vruchten, van de soorten, welke zij zullen kiezen. 21. En het vleesch van de vogelsoort, welke zij zullen begeeren. 22. Daar zullen zij door schoone maagden worden vergezeld, met groote, zwarte oogen, gelijkende op paarlen, die in hare schelpen verborgen zijn. 23. Dit zal een belooning wezen, voor hetgeen zij zullen hebben verricht. 24. Daar zullen zij geene ijdele gesprekken hooren of eenige aansporing tot zonde. 25. Maar alleen de begroeting: Vrede! vrede! 26. En de makkers der rechterhand (hoe gelukkig zullen de makkers der rechterhand wezen!) 27. Zullen hun verblijf houden onder lotusboomen, vrij van doornen. 28. En banaan-boomen [2091], geregeld beladen met hunne voortbrengselen, van den top tot den stam. 29. In de uitgebreide schaduw. 30. Nabij een stroomend water [2092]. 31. En te midden van een overvloed van vruchten. 32. Welke niemand zal afsnijden, en waarvan de inzameling niet zal verboden zijn. 33. En zij zullen op verheven bedden uitrusten. 34. Waarlijk, wij hebben de maagden van het paradijs door eene bijzondere schepping gevormd [2093]; 35. En wij hebben haar tot maagden gemaakt [2094]. 36. Bemind door hare echtgenooten, die van gelijken ouderdom met haar zijn. 37. Tot de geneugten der makkers van de rechterhand. 38. Daar zullen velen van de vroegere godsdiensten. 39. En velen van den lateren zijn [2095]. 40. En de makkers van de linkerhand (hoe ellendig zullen de makkers der linkerhand zijn). 41. Zullen wonen te midden van brandende, verpestende winden en kokend water. 42. Onder de schaduw van zwarten rook. 43. Die noch koel, noch aangenaam zal wezen. 44. Want zij genoten de genoegens van het leven, vÛÛr dit, terwijl zij op de aarde waren. 45. En zij volhardden stijfhoofdig in eene hatelijke zondigheid. 46. En zij zeiden: 47. Nadat wij zullen gestorven, en tot stof en beenderen geworden zijn, zullen wij dan zekerlijk tot het leven worden opgewekt? 48. Zullen onze vaderen ook met ons worden opgewekt? 49. Zeg: waarlijk, zoowel de vroegeren als de lateren. 50. Zullen zekerlijk op den vooraf bepaalden tijd van een bekenden dag worden bijeen verzameld, om geoordeeld te worden. 51. En gij, o menschen! die gedwaald, en de opstanding als eene valschheid geloochend hebt. 52. Gij zult zekerlijk eten van de vrucht des booms van al Zakkoem. 53. Gij zult uwen buik daarmede vullen. 54. En gij zult daar kokend water drinken. 55. Gij zult drinken, zooals een dorstige kameel drinkt. 56. Dit zal hunne uitspanning op den dag des oordeels zijn. 57. Wij hebben u geschapen; wilt gij dus niet gelooven, dat wij u van den dood kunnen opwekken? Wat denkt gij? 58. Het zaad dat gij uitwerpt. 59. Schept gij dat, of zijn wij er de schepper van? 60. Wij hebben voor u allen den dood bepaald, en wij zullen daarin door niemand worden belet. 61. Wij zijn in staat anderen, gelijk gij in uw plaats te stellen, en u terug te brengen in den toestand of den vorm, dien gij niet kent. 62. Gij kent de schepping; wilt gij dus niet overwegen, dat wij u, door u op te wekken, weder kunnen voortbrengen? 63. Wat denkt gij? Het graan dat gij zaait. 64. Doet gij dat uitbotten, of doen wij dat voortspruiten? 65. Indien het ons behaagde, waarlijk, wij konden het droog en onvruchtbaar maken, zoodat gij niet zoudt ophouden u te verwonderen, zeggende: 66. Waarlijk, wij hebben verbintenissen aangegaan voor zaad en arbeid, maar het is ons niet geoorloofd, de vruchten daarvan te oogsten. 67. Wat denkt gij? Het water dat gij drinkt. 68. Zendt gij dat uit de wolken neder, of zenden wij het? 69. Indien het ons behaagde, zouden wij het brak kunnen maken. Zult gij dus niet dankbaar wezen? 70. Wat denkt gij? Het vuur, dat gij door wrijving verkrijgt, brengt gij den boom voort, waardoor gij dat doet ontstaan? [2096]. 71. Of brengen wij dien voort? 72. Wij hebben dit als eene vermaning bevolen [2097] en tot een voordeel voor hen, die door de woestijnen reizen. 73. Prijst dus den naam van uwen Heer, den grooten God. 74. Ik zweer echter, bij het ondergaan der sterren. 75. (En waarlijk, dit is een groote eed, indien gij het slechts wist!) 76. Dat dit de uitmuntende Koran is. 77. Waarvan het oorspronkelijke in het welbewaarde boek is geschreven. 78. Niemand zal het aanraken, behalve zij, die rein zijn [2098]. 79. Het is eene openbaring van den Heer van alle schepselen. 80. Zult gij dus deze nieuwe openbaring verachten? 81. En is dit uwe vergelding voor uw voedsel, hetwelk gij van God ontvangt, dat gij u zelven loochent, hem daarvoor verplicht te zijn? 82. Als de ziel van een stervend mensch tot zijne keel opstijgt. 83. En gij op hetzelfde oogenblik rond ziet. 84. (En wij zijn hem nader dan gij; maar gij ziet zijn waren toestand niet). 85. Zoudt gij dan niet, indien gij hier namaals niet voor uwe daden werdt vergolden. 86. Die in het lichaam doen terugkeeren, indien gij de waarheid spreekt [2099]? 87. En voor hem die tot degenen behoort, welke God zullen naderen [2100]. 88. Zal de belooning zijn, rust, genade en een tuin van vermaak. 89. En behoort hij tot de makkers der rechterhand. 90. Dan zal hij gegroet worden met de begroeting: Vrede zij over u! door de makkers der rechterhand, zijne broeders. 91. Of, indien hij tot hen behoort, die het ware geloof (den profeet) verworpen hebben. 92. En afgedwaald zijn. 93. Zijn voedsel zal kokend water wezen. 94. En de verbranding door het hellevuur. 95. Waarlijk, dit is een zekere waarheid. 96. Daarom prijst den naam van uwen Heer, den grooten God.

ZEVEN EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

HET IJZER [2101].

Geopenbaard te Mekka of te Medina [2102]--29 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Alles wat in den hemel en op aarde is, zingt Gods lof; en hij is machtig en wijs. 2. Hem is het koninkrijk van hemel en aarde; hij geeft leven en hij doet sterven, en hij is almachtig. 3. Hij is de eerste en de laatste: de blijkbare en de verborgene, en hij kent alle dingen. 4. Hij is het, die de hemelen en de aarde in zes dagen schiep, en daarop zijn troon beklom. Hij kent datgene wat in de aarde gaat, en datgene wat daaruit voortkomt; datgene, wat van den hemel nederdaalt en datgene wat er in opstijgt, en hij is met u, waar gij ook moogt zijn; want God ziet wat gij doet. 5 Hem is het koninkrijk van hemel en aarde: en tot God zullen alle dingen terugkeeren. 6. Hij doet den nacht op den dag volgen en hij doet den dag op den nacht volgen, en hij kent de binnenste deelen van des menschen borst. 7. Gelooft in God en zijn gezant, en geef in aalmoezen een gedeelte weg van de welvaart, waarvan God u de erfgenamen heeft gemaakt; want aan degenen van u, die gelooven en aalmoezen geven, zal eene groote belooning worden geschonken. 8. En wat scheelt u, dat gij niet in God gelooft, terwijl de gezant u uitnoodigt, in uwen Heer te gelooven, die uw verbond heeft ontvangen [2103] nopens deze zaak, indien uwe harten oprecht zijn? 9. Hij is het, die duidelijke teekenen aan zijn dienaar heeft nedergezonden, ten einde u uit de duisternis in het licht te leiden; want God is medelijdend en barmhartig voor u. 10. En wat scheelt u, dat gij niet van uw vermogen bijdraagt, voor de verdediging van Gods waren godsdienst, daar Gode de erfenis van hemel en aarde behoort? Degenen van u, die van hun goed zullen hebben bijgedragen tot, en gestreden zullen hebben voor de verdediging van het geloof, vÛÛr de inneming van Mekka, zullen niet gelijk gesteld worden met hen, die naderhand daartoe bijgedragen en medegestreden zullen hebben [2104]). Zij zullen hooger in rang staan dan degenen, die na de hierboven vermelde overwinning ter verspreiding van het geloof zullen bijdragen en strijden; maar aan allen heeft God de meest uitmuntende belooning toegezegd; en God weet wel wat gij doet. 11. Waar is degeen, die aan God een onbekrompen leening wil doen; want God zal die voor hem verdubbelen en hij zal daarenboven eene uitmuntende belooning ontvangen. 12. Op een zekeren dag zult gij de ware geloovigen van beide kunnen zien; hun licht zal voor hen uitgaan en aan hunne rechterhanden [2105]. Men zal tot hen zeggen: Goede tijdingen komen heden tot u: tuinen met rivieren doorsneden; eeuwig zult gij daarin verblijven. Dit zal eene groote gelukzaligheid wezen. 13. Op dien dag zullen de huichelachtige mannen en de huichelachtige vrouwen tot degenen zeggen, die gelooven: Blijft vÛÛr ons, opdat wij een weinig van uw licht mogen ontleenen. Er zal hun geantwoord worden: Keert in de wereld terug, en zoekt daar licht. En een hooge muur zal tusschen hen geplaatst worden, waarin eene poort: daar binnen zal genade wezen en daar buiten, en tegenover, de martelingen der hel. De huichelaars zullen de ware geloovigen aanroepen, zeggende: Waren wij niet met u? Zij zullen antwoorden: Ja! maar gij hebt door uwe huichelarij uwe eigen zielen verleid, en ons verderf verwacht. Gij twijfeldet nopens het geloof, en uwe wenschen hebben u bedrogen, tot een besluit van God kwam, en gij stierft; en de verleider bedroog u nopens God. 14. Daarom zal er dien dag geen losprijs van u worden aangenomen, noch van hen die ongeloovigen waren. Het hellevuur zal uw verblijf zijn; dit is hetgeen gij verdiend hebt; en daar zal het eene ellendige woning wezen. 15. Is de tijd thans niet gekomen voor hen die gelooven, dat hunne harten zich ootmoedig aan de waarschuwing van God zouden onderwerpen, en aan de waarheid, welke geopenbaard is geworden? Dat zij niet zijn als degenen, aan wie de schrift vroeger werd gegeven, en voor welke de tijd van toegevendheid werd verlengd? Maar hunne harten waren versteend, en velen van hen waren zondaren. 16. Weet, dat God de aarde verkwikt, welke dood is geweest. Thans hebben wij u onze teekenen duidelijk verklaard, opdat gij zoudt begrijpen. 17. Waarlijk, voor hen die aalmoezen geven, zoowel mannen als vrouwen, en God eene onbekrompen leening doen, voor hen zal hij die verdubbelen, en zij zullen bovendien eene uitmuntende belooning ontvangen. 18. En zij, die in God en zijne gezanten gelooven, zijn menschen van waarachtigheid, en getuigen in de tegenwoordigheid van hunnen Heer; zij zullen hunne belooning en hun licht hebben. Maar wat degenen betreft die niet gelooven en onze teekens van valschheid beschuldigen, zij zullen de bewoners der hel zijn. 19. Weet, dat dit leven slechts een spel en een ijdel vermaak is; en wereldlijke pracht en de zucht naar eer onder u, en de vermeerdering van rijkdommen en kinderen, zijn als de planten, door den regen gevoed, waarvan de opschieting den landman verheugt: later verwelken zij, zoodat gij haar geel ziet worden, en daarna veranderen zij in droge stoppels. En in het volgende leven zal eene gestrenge straf zijn voor hen, die naar wereldsche grootheid hunkeren. 20. En vergiffenis van God, en gunst voor hen, die daarvan afstand doen; want dit tegenwoordige leven is slechts een verblindend schijngenot. 21. Wedijvert dus met spoed, om vergiffenis van uwen Heer te verkrijgen en het paradijs, waarvan de uitgebreidheid gelijk is aan de uitgebreidheid van hemel en aarde, en dat gereed gemaakt is voor hen, die in God en zijne gezanten gelooven. Dit is Gods gunst: hij zal die schenken aan wien hem behaagt, en Gods goedheid is oneindig. 22. Geen ongeval komt er op aarde noch aan uwe personen voor, zonder dat dit in het boek van onze besluiten was opgeteekend, alvorens wij het voortbrachten. Waarlijk, dit is gemakkelijk voor God. 23. Bedroef u dus niet om het goede dat u ontsnapt, noch verblijd u overmatig, om datgene wat u toevloeit; want God bemindt den trotschaard, den ijdele niet. 24. Of hen die zelve gierig zijn, en den mensch gierigheid gebieden. En wat hen betreft die zich afwenden van het aalmoezen geven; waarlijk, God is rijk genoeg, en prijzenswaardig. 25. Wij zonden onze gezanten vroeger met duidelijke wonderen, en wij hebben de schriften en de weegschaal met hen medegezonden [2106], opdat de mensch de rechtvaardigheid zou in acht nemen. En wij zonden hun ijzer neder [2107], waarin machtige sterkte voor den oorlog is en verscheiden voordeelen voor den mensch: opdat God dengene zou kennen, die hem en zijne gezanten in het geheim ondersteunt [2108]; want God is sterk en machtig. 26. Wij zonden vroeger Noach en Abraham, en wij gaven hunne nakomelingen de gift der profetie en de schrift en sommigen van hen werden geleid; maar velen van hen waren boosdoeners. 27. Daarna deden wij onze gezanten in hunne voetstappen treden, en wij deden hen door Jezus, den zoon van Maria, opvolgen, wien wij het evangelie gaven, en wij stortten medelijden en liefderijkheid in de harten van degenen, die hen volgden. Maar wat den monnikenstand betreft, zij stelden dien zelven in, wij schreven hun dien niet voor [2109]; wij schreven alleen de begeerte voor, Gode te behagen; maar zij namen het niet in acht, zooals het in acht genomen moest worden. En wij gaven hun, die geloofden, hunne belooning; maar velen van hen waren zondaren. 28. O gij! die in de profeten gelooft [2110], vreest God, en gelooft in zijn gezant Mahomet; hij zal u twee deelen van zijne genade schenken, en hij zal u een licht geven, waarin gij zult wandelen, en hij zal u vergiffenis schenken; want God is vergevensgezind en barmhartig. 29. Dat zij, die de schriften hebben ontvangen, mogen weten, dat zij geene macht hebben over eenige der gunsten van God, en dat het goede in zijne hand is. Hij schenkt dat naar zijn welbehagen; want Gods goedheid is oneindig.

ACHT EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

DE KLAAGSTER [2111].

Geopenbaard te Medina [2112].--22 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. God heeft de woorden gehoord van haar, die zich bij u over haren echtgenoot heeft beklaagd, en hare klachten tot God heeft gericht [2113], God heeft uwe wederzijdsche gesprekken gehoord; want God hoort en ziet alles. 2. Wat degenen onder u betreft, die van hunne vrouwen scheiden, met de verklaring, dat zij haar daarna als hunne moeders zullen beschouwen, laat hen weten, dat zij hunne moeders niet zijn. Hunne moeders zijn slechts zij, die hen baarden [2114], en zij spreken waarlijk onrechtvaardig en logentaal; 3. Maar God is barmhartig en vergevensgezind. 4. Zij die van hunne vrouwen scheiden, met de verklaring, dat zij haar in de toekomst als hunne moeders zullen beschouwen, en daarna terugnemen willen wat zij hebben gezegd, zullen genoodzaakt zijn een slaaf te bevrijden [2115], alvorens zij elkander zullen mogen aanraken. Dit wordt u gewaarschuwd in acht te nemen, en God is wel onderricht van hetgeen gij doet. 5. En hij die geen slaaf vindt, om dien eed los te koopen, zal een vasten van twee achtereenvolgende maanden houden, alvorens zij elkander aanraken. En hij die niet in staat zal zijn dien tijd te vasten, zal zestig arme lieden voeden. Dit is u bevolen, opdat gij God en zijn gezant zoudt gelooven. Dit zijn de bevelen van God. Voor de ongeloovigen is eene pijnlijke marteling gereed gemaakt. 6. Zij die God en zijn gezant wederstand bieden, zullen ten onder gebracht worden, zooals de ongeloovigen die hen voorafgingen, werden ten onder gebracht. En wij hebben duidelijke teekens nedergezonden, en eene schandelijke straf wacht de ongeloovigen. 7. Op een zekeren dag zal God hen allen ten leven opwekken, en hij zal hun verklaren wat zij verricht hebben. God heeft eene nauwkeurige rekening daarvan opgemaakt; maar zij hebben die vergeten, en God is getuige van alle dingen. 8. Bemerkt gij niet dat God alles kent, wat in den hemel en op aarde is? Er is geen geheim gesprek tusschen drie personen, of hij is er de vierde van, noch van vijf, of hij is er de zesde van, noch tusschen een kleiner, noch tusschen een grooter getal dan dit, of hij is met hen, waar zij ook mochten zijn: en hij zal hun op den dag der opstanding verklaren, wat zij hebben gedaan; want God kent alle dingen. 9. Hebt gij degenen niet opgemerkt, aan wie het ontzegd werd, verboden gesprekken te voeren, maar die nochtans terugkeerden tot hetgeen hun was verboden, en heimelijk onder elkander van zonde spraken en van vijandschap en van ongehoorzaamheid nopens den gezant? En als zij tot u komen, begroeten zij u met een groet, waarmede God u niet begroet [2116], en zij zeggen spottenderwijze tot elkander: Zou God ons niet straffen voor hetgeen wij zeggen, indien deze man een profeet ware? De hel zal eene toereikende straf voor hen zijn; zij zullen die binnengaan om verbrand te worden, en dat zal een ongelukkig verblijf wezen. 10. O ware geloovigen! als gij in het geheim met elkander spreekt, spreekt dan niet van zonde en vijandschap en ongehoorzaamheid opzichtens den gezant; en vreest God, voor wien gij zult worden verzameld. 11. Waarlijk, de verboden gesprekken der ongeloovigen gaan van Satan uit, ten einde de ware geloovigen te grieven; maar niemand zal hen in het minst kunnen deren, tenzij met verlof van God: laat dus de geloovige op God vertrouwen. 12. O ware geloovigen! als men u zegt: Maakt ruimte in de vergadering, maakt ruimte [2117]: God zal u groote ruimte in het paradijs schenken. En als u gezegd wordt: staat op, staat op; God zal degenen van u die gelooven, en hen aan welke kennis werd geschonken, doen oprijzen in een hoogen graad. En God is volkomen onderricht van hetgeen gij doet. 13. O ware geloovigen! indien gij gaat om met den gezant te spreken, geeft dan aalmoezen, eer gij met hem spreekt; dit zal beter voor u zijn en reiner; maar indien gij niet hebt waarvan te geven, waarlijk, dan zal God genadig en barmhartig omtrent u zijn. 14. Vreest gij aalmoezen te geven vÛÛr uw gesprek met den profeet, duchtende u te verarmen? Indien gij het niet doet, hetgeen God u zal vergeven, verricht dan ten minste het gebed, geeft de voorgeschreven (wettige) aalmoezen (de schatting), en gehoorzaamt God en zijn gezant in alle andere zaken; want God weet wel wat gij doet. 15. Hebt gij degenen niet opgemerkt, die een volk tot hunne vrienden hebben genomen, op hetwelk God vertoornd is [2118]? Zij zijn van hunne partij noch van de uwe [2119], en zij zweren voorbedachtelijk bij eene leugen [2120]. 16. God heeft eene gestrenge straf voor hen gereed gemaakt; want datgene wat zij doen is slecht. 17. Zij bedienen zich van hunne eeden als van een kleed, en zij hebben de menschen van Gods weg afgeleid. 18. Noch hunne welvaart, noch hunne kinderen zullen hun bij God van nut zijn. Zij zullen de bewoners van het hellevuur zijn, eeuwig zullen zij daarin verblijven. 19. Op een zekeren dag zal God hen allen opwekken; dan zullen zij bij hen zweren, zooals zij het thans bij u doen, denkende dat dit hun van dienst zal wezen. Zijn zij geene leugenaars? 20. Satan heeft hen overmeesterd, en heeft hen de herdenking van God doen vergeten. Dezen vormen de partij van den duivel; en zal de partij des duivels niet tot verderf worden gedoemd? 21. Waarlijk, zij die God en zijn gezant wederstand bieden, zullen onder de laagsten worden geplaatst. God heeft geschreven: waarlijk, ik en mijn gezant zullen overwinnen; want God is sterk en machtig. 22. Gij zult onder degenen die in God en in den jongsten dag gelooven, geene menschen vinden, welke de ongeloovigen beminnen die God en zijn gezant weÍrstand bieden, al waren zij hunne vaders, of hunne zonen, of hunne broeders of hunne naaste betrekkingen. In de harten van dezen heeft God het geloof geschreven, en hij heeft hen met zijn geest gesterkt. Hij zal hen in tuinen, doorsneden met rivieren, leiden, om er voor eeuwig te verblijven. God is over hen voldaan, en zij zijn wel voldaan over hem. Dit is de partij van God; en zal de partij van God geen voorspoed genieten?

NEGEN EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

DE LANDVERHUIZING [2121].

Geopenbaard te Medina--24 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.