De Koran Voorafgegaan Door Het Leven Van Mahomed Eene Inleiding

Chapter 52

Chapter 523,887 wordsPublic domain

1. Waarlijk, wij hebben u eene duidelijke overwinning geschonken [1985]. 2. Dat God u uwe voorgaande en uwe toekomstige zonde [1986] moge vergeven [1987], en zijne gunst omtrent u moge volmaken, en u richten op den rechten weg. 3. En dat God u ondersteune met eene machtige hulp. 4. Hij is het die in de harten der ware geloovigen volkomen gerustheid nederzendt, opdat zij in geloof mogen toenemen boven hun vroeger geloof (de heerscharen van hemel en aarde zijn Godes, en God is alwetend en wijs). 5. Dat hij de ware geloovigen van beiderlei kunne in tuinen leide, waardoor rivieren stroomen, om daarin voor eeuwig te wonen, en dat hij hen reinige van hunne slechte daden. Dit zal eene groote gelukzaligheid van God wezen. 6. Hij zal de huichelachtige mannen en de huichelachtige vrouwen straffen, en de afgodendienaars en de afgodendienaressen, die eene slechte meening van God hebben. Zij zullen den tegenspoed ondervinden, en God zal toornig omtrent hen zijn en hen vloeken; hij heeft de hel voor hen gereed gemaakt, dat zal een ellendig verblijf wezen. 7. Aan God behooren de heerscharen van hemel en aarde; en God is machtig en wijs. 8. Waarlijk, wij hebben u gezonden, om een getuige te wezen, een brenger van goede tijdingen en aankondiger van bedreigingen. 9. Opdat gij, o menschen! in God en zijnen gezant zoudt gelooven, hem bijstaan en eerbiedigen, en hem des ochtends en des avonds prijzen zoudt. 10. Waarlijk, zij die valsch zweren [1988] onder u, zweren valsch bij God, en de hand van God rust op hunne handen [1989]. Hij die zijn eed zal schenden, zal die slechts ten nadeele zijner eigene ziel schenden; maar hij die doet, waartoe hij zich tegenover God heeft verbonden. God zal hem eene heerlijke belooning schenken. 11. De Arabieren van de woestijn, die achtergelaten [1990] werden, zullen tot u zeggen: Ons vermogen en onze gezinnen eischen onze tegenwoordigheid, zoodat wij niet met u ten krijg trekken; vraag dus vergiffenis voor ons. Zij spreken datgene met hunne tongen, wat niet in hunne harten is. Antwoord: Wie zal in staat zijn, eenig tegenovergesteld ding voor u van God te verkrijgen, indien het hem behaagt, u te bedroeven, of zoo het hem behaagt, barmhartig omtrent u te zijn? Ja, waarlijk, God is wel bekend met hetgeen gij doet. 12. Waarlijk, gij hebt u verbeeld, dat de gezant en de ware geloovigen nimmer tot hunne gezinnen zouden terugkeeren, en dit was voor uwe harten behagelijk gemaakt; maar gij zijt een verdorven volk. 13. Zij die in God en zijn gezant gelooven, weten, dat wij een brandend vuur voor de ongeloovigen hebben gereed gemaakt. 14. Aan God behoort het koninkrijk van hemel en aarde; hij schenkt dengene vergiffenis die hem behaagt, en hij straft naar zijn welbehagen; en God is geneigd tot vergeven en barmhartig. 15. Zij die achtergelaten werden, zullen zeggen, als gij weggaat om den buit te halen [1991], sta ons toe u te volgen. Zij trachten Gods woord te veranderen [1992]. Zeg: Gij zult ons niet volgen: zoo heeft God vroeger gezegd. Zij zullen hernemen: Neen, gij benijdt ons een deel van den buit. Doch zij zijn lieden van beperkt verstand. 16. Zeg tot de Arabieren van de woestijn, die achtergelaten werden: Gij zult tegen een machtig en oorlogszuchtig volk worden opgeroepen; en gij zult tegen hen kampen, tot zij den Islam zullen belijden. Indien gij gehoorzaamt, zal God u eene glansrijke belooning geven; maar indien gij u afwendt, zooals gij u vroeger hebt afgewend, zal hij u met eene gestrenge kastijding straffen. 17. Het zal geene misdaad voor den blinde, noch zal het eene misdaad voor den lamme, noch zal het eene misdaad voor den zieke zijn, indien zij niet ten oorlog trekken; en wie God en zijn gezant zal gehoorzamen, zal door hem in tuinen geleid worden, waardoor rivieren stroomen; maar wie zich afwendt, zal door hem met eene gestrenge kastijding gestraft worden. 18. God was den waren geloovigen genegen, toen zij u getrouwheid zwoeren onder den boom [1993], en hij kende datgene, wat in hunne harten was; daarom zond hij gerustheid des gemoeds op hen neder, en beloonde hij hen met eene spoedige overwinning [1994]. 19. En den grooten buit dien zij bemeesterden; want God is machtig en wijs. 20. God beloofde u, dat gij een grooten buit zoudt verkrijgen, en hij gaf u dezen werkelijk en hij hield de handen der menschen van u terug [1995], opdat het een teeken voor de ware geloovigen zou zijn, en om u op den rechten weg te leiden. 21. Hij beloofde u ook anderen buit, dien gij nog niet in staat waart te verkrijgen; maar nu heeft God dien voor u ingesloten; en God is almachtig. 22. Indien de ongeloovige bewoners van Mekka tegen u hadden gevochten, waarlijk, zij zouden u hunne ruggen toegewend, en zouden geen beschermer of ondersteuner gevonden hebben. 23. Overeenkomstig het bevel van God, dat vroeger op de tegenstanders der profeten werd ten uitvoer gebracht; want gij zult geenerlei verandering in Gods gebod vinden. 24. Hij was het die hunne handen van u afhield, en hen voor de uwe beschermde, in de vallei van Mekka, nadat hij u de overwinning over hen had geschonken [1996]; en God zag hetgeen gij deedt. 25. Zij die niet gelooven, verhinderen u den heiligen tempel te bezoeken, en houden u zoodoende van het offeren terug, opdat het niet op de plaats aankome waar het geofferd moest worden [1997]. Ware het niet, dat gij verscheiden ware geloovigen van beiderlei kunne met voeten hadt getreden, daar zij met de ongeloovigen ondereen verzameld waren, en dat daarom eene misdaad ten hunnen opzichte op u zou hebben gerust, zonder dat gij het wist, dan zou hij uwe handen van hen niet hebben afgehouden; maar dit geschiedde, opdat God dengeen die hem behaagde, in zijne genade zou kunnen leiden. Indien zij van elkander afgescheiden waren geweest, zonden wij diegenen hunner, welke niet geloofden, streng gekastijd hebben. 26. Terwijl de ongeloovigen in hunne harten een blinde woede, de woede der onwetenden koesterden, zond God vrede op den profeet en de geloovigen neder, en bevestigde het woord der godsvrucht vast in hen [1998], en zij waren de waardigsten van hen, en zij die dit het meest verdienden; want God kent alle dingen. 27. Thans heeft God het visioen van zijnen gezant in waarheid verwezenlijkt [1999], zeggende: Gij zult zekerlijk, indien het Gode behaagt, den heiligen tempel van Mekka met volkomen zekerheid binnentreden; met geschoren hoofden en gesneden haren [2000]: gij zult niet vreezen; want God kent wat gij niet weet, en hij heeft u, buitendien, eene spoedige overwinning toegezegd [2001]. 28. Hij is het, die zijnen gezant met de leiding en den godsdienst der waarheid heeft gezonden, om die boven elken anderen godsdienst te verheffen; en God is daarvoor een toereikende getuige. 29. Mahomet is Gods gezant; en zij die met hem zijn, zijn vreeselijk omtrent de ongeloovigen, maar barmhartig omtrent elkander. Gij zult hen zien, nederbuigende en knielende, eene belooning van God en zijne gunst trachten te verkrijgen. Hunne teekenen zijn in hunne aangezichten en zijn kenmerken van hunne herhaalde nederbuigingen [2002]. Dit is hunne beschrijving in den Pentateuchus en hunne beschrijving in het Evangelie; zij zijn als zaad, dat zijne stengels voortbrengt, en krachtig; wordt en zwelt in de aar; zich op den steel verheft en den zaaier verrukt. Zoo worden de Moslems beschreven; opdat de ongeloovigen met afgunst omtrent hen mogen vervuld zijn. God heeft diegenen hunner welke gelooven, en goede werken doen, vergiffenis en eene ruime belooning toegezegd.

NEGEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

DE BINNEN-VERTREKKEN

Geopenbaard te Medina--18 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. O ware geloovigen! loopt de bevelen van God en zijn gezant niet vooruit [2003], en vreest God; want God hoort en weet alles. 2. O ware geloovigen! verheft uwe stem niet boven de stem van den profeet, en spreekt niet luid tot hem, zooals gij luide onder elkander spreekt, opdat uwe werken niet ijdel worden, zonder dat gij het bemerkt. 3. Waarlijk, degenen die hunne stemmen in de tegenwoordigheid van Gods gezant doen dalen, zijn zij, wier harte God tot vroomheid heeft geneigd; zij zullen vergiffenis en eene ruime belooning erlangen. 4. Wat hen betreft die uit de binnenste vertrekken om u roepen, het meerendeel huner begrijpen den eerbied niet, dien zij u verplicht zijn. 5. Indien zij met geduld wachten, totdat gij onder hen verschijnt, zal dit zekerlijk beter voor hen zijn; maar God is vergevensgezind en barmhartig. 6. O ware geloovigen! Indien een zondig mensch met een verhaal tot u komt, doet dan nauwkeurig onderzoek naar de waarheid daarvan, opdat gij anderen niet door onwetendheid benadeelt, en naderhand berouw zoudt gevoelen, om hetgeen gij hebt gedaan [2004]. 7. Weet, dat Gods profeet onder u is. Indien hij u in vele dingen zou gehoorzamen, zoudt gij zekerlijk schuldig zijn aan eene misdaad, door hem in dwaling te brengen. Maar God heeft het geloof aanlokkend voor u gemaakt; hij heeft dat in uwe harten behagelijk gemaakt, en heeft ontrouw, oneerlijkheid en ongehoorzaamheid verachtelijk voor u doen worden. Dit zijn zij die den rechten weg bewandelen. 8. Door barmhartigheid van God en genade en God is alwetend en wijs. 9. Indien twee partijen der geloovigen met elkander twisten, tracht hen dan te vereenigen. Indien de een den ander eene beleediging aandoet, strijdt dan tegen de partij, die de beleediging heeft aangedaan, tot zij tot Gods voorschriften terugkeert. Indien zij terugkeeren, maak dan vrede tusschen hen met eerlijkheid, en handel rechtvaardig; want God bemint hen die rechtvaardig handelen. 10. Inderdaad, de ware geloovigen zijn broeders; verzoent dus uwe broeders, en vreest God, opdat gij genade moogt verwerven. 11. O ware geloovigen! laat de menschen geene andere menschen bespotten en uitlachen, die misschien beter dan zij zelven zijn; en laat de vrouwen even min andere vrouwen spottend uitlachen, die mogelijk beter dan zij zelve zijn. Lastert elkander ook niet, en geeft elkander geene kwetsende bijnamen. Een slechte naam is het, met zonde te zijn beladen, na het geloof te hebben omhelsd, en zij die geen berouw gevoelen, zijn boosdoeners [2005]. 12. O ware geloovigen! vermijdt zorgvuldig elkander te verdenken; want sommige verdenkingen zijn eene misdaad. Onderzoekt niet te nieuwsgierig de feilen eens anderen, en laat geen uwer, in des andere afwezigheid, kwaad spreken. Zou een van u begeeren het vleesch van zijn dooden broeder te eten? Zekerlijk, gij zoudt er afschuw van koesteren. Vreest dus God; want God is gezind tot verzoening en genadig. 13. O menschen! waarlijk, wij hebben u uit een mannelijk en een vrouwelijk wezen geschapen, en wij hebben u in volkeren en stammen verdeeld, opdat gij elkander zoudt kennen. Waarlijk, de achtingwaardigste uwer in Gods oog, is de vroomste, en God is wijs en alwetend. 14. De Arabieren van de woestijn zeggen: Wij gelooven. Antwoord: Gij gelooft volstrekt niet, maar zeg: Wij hebben den Islam omhelsd [2006]; want het geloof is uwe harten nog niet binnengetreden [2007]. Indien gij God en zijn gezant gehoorzaamt, zal hij u van geen deel der verdienste uwer werken berooven; want God is vergevensgezind en barmhartig. 15. Waarlijk, de ware geloovigen zijn zij alleen, die in God en zijn gezant gelooven en later niet twijfelen, en die hunne bezittingen en personen voor de verdediging van Gods waren godsdienst gebruiken: dit zijn zij die oprechtelijk spreken. 16. Zeg: Wilt gij God nopens uwen godsdienst inlichten [2008]? Maar God kent alles, wat zich in den hemel en op aarde bevindt; want God is alwetend. 17. Zij verwijten u (als een weldaad), dat zij den Islam hebben omhelsd. Antwoord: Verwijt mij niet, dat gij den Islam hebt omhelsd; God kon u veeleer verwijten, dat hij u naar de waarheid heeft gericht [2009]. Erkent dit, indien gij oprechtelijk spreekt. 18. Waarlijk, God kent de geheimen van hemel en aarde, en God ziet wat gij doet.

VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

K.

Geopenbaard te Mekka.--45 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Kaf [2010] Bij den glorierijken Koran; 2. Waarlijk, gij verwondert u, dat een prediker uit hun midden, tot hen is gekomen, en de ongeloovigen zeggen: Dit is eene wonderlijke zaak. 3. Nadat wij dood en tot stof zullen wezen, zullen wij in het leven terugkeeren. Dit is een ver van de gedachte verwijderde terugkeer. 4. Nu weten wij wat de aarde van hen verteert, en wij bezitten een boek dat ons daarvan onderricht. 5. Maar zij beladen de waarheid met leugen, nadat de eerste tot hen is gekomen; daarom zijn zij in een verwarde zaak gestort [2011] 6. Zien zij niet op, tot den hemel boven hen; en overwegen zij niet, hoe wij dien verheven en opgetooid hebben, en dat daarin geene gebreken zijn? 7. Wij hebben ook de aarde uitgespreid, en daarop vastgewortelde bergen geworpen [2012], en wij doen elke schoone soort van planten daarop voortspruiten. 8. Als een onderwerp ter overweging, en eene vermaning voor iederen mensch, die zich tot ons wendt. 9. En wij zenden den regen als eene zegening van den hemel neder; waardoor wij tuinen doen voortspruiten en het graan dat men oogst. 10. En de rijzige palmboomen met takken vol dadels, die boven elkander hangen. 11. Als een voorraad voor den mensch. Wij verkwikken daardoor een dood land; zoo zal de opstanding der dooden uit hunne graven wezen. 12. Het volk van Noach, en zij die te Al Rass [2013] woonden, en Thamoed en Ad en Pharao beschuldigden de profeten van bedrog voor de bewoners van Mekka. 13. Alsmede de broeders van Loth en de bewoners van het woud nabij Midian en het volk van Tobba [2014]; die allen beschuldigden de profeten van bedrog; daarom werden de vonnissen, waarmede ik dreigde, hun rechtvaardig opgelegd. 14. Is onze kracht door de eerste schepping uitgeput? daar zij verbaasd zijn, omdat hun eene nieuwe schepping is voorgesteld: namelijk de opwekking der dooden. 15. Wij schiepen den mensch en weten wat zijne ziel hem influistert, en wij zijn hem nader dan zijne strotader. 16. Als de twee engelen welke hij afvaardigt, om rekenschap te vragen van het gedrag van een mensch, dit verrichten, terwijl de een aan de rechter- en de andere aan de linkerhand zit. 17. Uit hij niet een woord, of er is een bespieder bij hem, gereed om het op te schrijven [2015]. 18. En de bewusteloosheid des doods zal in waarheid komen: dat is, o mensch! wat gij getracht hebt te ontgaan. 19. En de trompet zal klinken: dit zal de dag zijn, waarmede gedreigd werd. 20. En iedere ziel zal komen; en bij haar zal een geleider en een getuige zijn. 21. En de eerste zal tot den ongeloovige zeggen: Gij waart vroeger achteloos omtrent dezen dag; maar wij hebben uwen sluier van u afgenomen, en uw gezicht is heden helderziende geworden. 22. En zijne makkers zullen zeggen: Dit is wat gereed is, verklaard te worden. 23. En God zal zeggen: Werp elken ongeloovige en ieder verdorven mensch in de hel. 24. En iedereen die het goede verbood, en iederen zondaar en twijfelaar omtrent het geloof; 25. Die een anderen god naast den waren God oprichtte. Doe hem eene gestrenge marteling ondergaan. 26. Zijn makker [2016] zal zeggen: O Heer! ik heb hem niet verleid; maar hij verkeerde in eene groote dwaling [2017]. 27. God zal zeggen: Twist niet in mijne tegenwoordigheid, nu ik u vooraf heb bedreigd met de martelingen, welke gij thans voor u ziet gereed gemaakt. 28. Het vonnis is niet bij mij veranderd; even weinig behandel ik mijne dienaren onrechtvaardig. 29. Op dien dag zullen wij tot de hel zeggen: Zijt gij vol? en zij zal antwoorden: Moet er nog iets bijgevoegd worden [2018]? 30. En het paradijs zal den vromen nader gebracht worden. 31. En men zal tot hen zeggen: Dat is wat u beloofd werd; en een iedereen die zich tot God wendde, en zijne bevelen volgde; 32. Die den Barmhartige heimelijk vreesde, en met een bekeerd hart tot hem kwam. 33. Treedt hier in vrede binnen; dit is de dag der eeuwigheid. 34. Daar zullen zij alles hebben wat zij begeeren, en daar zal eene meer dan overvloedige bijvoeging van gelukzaligheid met ons zijn. 35. Hoevele geslachten hebben wij vÛÛr de bewoners van Mekka verdelgd, die machtiger dan zij in sterkte waren? Trekt daarom door de streken der aarde, en ziet of er eene schuilplaats tegen mijne wraak is. 36. Waarlijk, hierin is eene vermaning voor hem, die een hart heeft om te begrijpen, of zijn oor leent, en met een aandachtig gemoed aanwezig is. 37. Wij schiepen de hemelen en de aarde en alles wat er tusschen is, in zes dagen, en geene vermoeienis bereikte ons [2019]. 38. Verdraag dus geduldig wat zij zeggen, en verkondig den lof van uwen Heer voor zonsopgang en voor zonsondergang. 39. Prijs hem in een gedeelte van den nacht, en volbreng de toegevoegde deelen der vereering [2020]. 40. Luister naar den dag, waarop de uitroeper de menschen, van eene nabijgelegen plaats, tot het oordeel zal oproepen [2021]. 41. De dag, waarop zij den klank der trompet in waarheid zullen hooren, zal de dag zijn, waarop de menschen uit hunne graven zullen voortkomen. 42. Wij geven leven en doen sterven. Tot ons zullen alle schepselen terugkeeren. 43. De dag, waarop de aarde plotseling zal worden gespleten, zal de dag der verzameling zijn. Het is gemakkelijk voor ons, hen te verzamelen. 44. Wij weten wel, wat de ongeloovigen zeggen; en gij zijt niet gezonden, om hen met geweld tot het geloof te dwingen. 45. Waarschuw dus door den Koran hem, die mijne bedreiging vreest.

EEN EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

DE VERSPREIDING.

Geopenbaard te Mekka--60 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Bij de winden, die het stof verspreiden [2022] en verstrooien. 2. En bij de wolken, die een last van regen dragen [2023]; 3. Bij de schepen, die de zee snel doorklieven [2024]. 4. En bij de engelen, die dingen uitdeelen, noodig voor het onderhoud van alle schepselen [2025] 5. Inderdaad, datgene waarmede gij bedreigd zijt, is zekerlijk waar, 6. En het laatste oordeel zal gewis komen. 7. Bij den hemel met paden voorzien [2026]. 8. Gij verschilt zeer in hetgeen gij zegt [2027]. 9. Men zal zich afwenden van dengeen, die van het ware geloof is afgekeerd! 10. Vervloekt mogen de leugenaars zijn. 11. Die in diepe wateren van onwetendheid waden, terwijl zij hun heil verwaarloozen. 12. Zij vragen: Wanneer zal de dag des oordeels komen? 13. Op dien dag zullen zij in het hellevuur verbrand worden. 14. En men zal tot hen zeggen: Proeft uwe straf; dit is hetgeen gij verlangd hebt, dat verhaast zou worden. 15. Maar de vromen zullen tusschen tuinen en fonteinen wonen. 16. Datgene ontvangende, wat hun Heer hun zal geven, omdat zij vÛÛr dezen dag rechtvaardigen waren. 17. Zij slapen slechts gedurende een klein gedeelte van den nacht [2028]. 18. En vroeg in den ochtend vragen zij vergiffenis van God. 19. Een voegzaam deel van hunne welvaart werd hem gegeven, die vroeg, en aan hem, die door schaamte teruggehouden werd te vragen. 20. Er zijn teekenen van goddelijke macht en goedheid op de aarde, voor de menschen van goed begrip. 21. Ook in u zelven: zult gij dus niet overwegen? 22. Uw onderhoud is in den hemel; en evenzeer bevat hij datgene, wat u werd beloofd [2029]. 23. Daarom zweer ik bij den Heer van hemel en aarde, dat dit zekerlijk de waarheid is; overeenkomstig datgene, wat gij zelf zegt [2030]. 24. Is de geschiedenis van Abraham's geachte gasten [2031] niet tot uwe kennis gekomen? 25. Toen zij tot hem ingingen en zeiden: Vrede? antwoordde hij: Vrede! bij zich zelven zeggende: Dit zijn onbekende menschen. 26. En hij ging heimelijk tot zijn gezin, en bracht een gemest kalf. 27. Hij zette het voor hen neder, en toen hij zag, dat zij het niet aanraakten, zeide hij: Eet gij niet? 28. En hij begon vrees voor hen te koesteren. Zij zeiden: Vrees niet [2032], en zij verklaarden hem de belofte van een wijzen zoon. 29. Zijne vrouw kwam nader; zij gaf een gil, sloeg zich in het aangezicht, en zeide ik ben een oude vrouw en onvruchtbaar! 30. De engelen zeiden: Dit zeide uw Heer; en waarlijk, hij is de Wijze, de Alwetende. 31. En Abraham zeide tot hen: wat is dus uwe boodschap, o gezanten van God? 32. Zij antwoordden: waarlijk, wij worden tot een zondig volk gezonden. 33. Opdat wij steenen van gebakken klei op hen zouden nederzenden. 34. Gemerkt door uwen Heer, ter verdelging der zondaren. 35. En wij telden de ware geloovigen, die in de stad waren. 36. Maar wij vonden niet meer, dan ÈÈn gezin van Moslems. 37. Wij verwoesten hen, en lieten een teeken aldaar, voor hen, die de ernstige kastijding van God vreezen. 38. In Mozes was mede een teeken, toen Hij hem met duidelijke macht tot Pharao zond. 39. Maar deze wendde zich met zijne vorsten af, zeggende: Deze man is een toovenaar of een bezetene. 40. Daarom grepen wij hem en zijne soldaten en wierpen hen in de zee: en hij was waard gestrafd te worden. 41. En in den stam van Ad was mede een teeken, toen wij een verwoestenden wind tegen hen zonden [2033]. 42. Die niets aanraakte, waar hij nederkwam, of hij verwoeste het, als een verrot voorwerp, en maakte het tot stof. 43. In Thamoed was eveneens een teeken toen er tot hem werd gezegd: Geniet alles gedurende eenigen tijd [2034]. 44. Maar zij schonden onbeschaamd het bevel van hunnen Heer, waardoor hen een vreeselijk onweder van den hemel overviel, terwijl zij daarheen blikten. 45. Zij waren niet in staat op hunne voeten te staan, evenmin als zij zich van de verdediging konden redden [2035]. 46. En het volk van Noach verdelgden wij voor dezen; want het was een volk, dat vreeselijk zondigde. 47. Wij hebben den hemel met macht gebouwd, en dien eene groote uitgebreidheid gegeven. 48. Wij hebben de aarde daaronder uitgebreid, en hoe gelijkmatig hebben wij dit gedaan. 49. En van alle dingen hebben wij twee soorten geschapen [2036], opdat gij wellicht zoudt overwegen. 50. Vlucht dus tot God; waarlijk, ik ben een openlijk waarschuwer van Hem onder u. 51. Aanbidt geene andere goden behalve uwen Heer. Ik bericht u dit duidelijk uit zijn naam. 52. Op dezelfde wijze kwam er geen gezant tot hunne voorgangers of zij zeiden: Deze man is een toovenaar of een bezetene. 53. Hebben zij dit gedrag achtervolgens elkander als erfdeel vermaakt? Ja; zij zondigen vreeselijk. 54. Houdt u dus van hen af, en gij zult vrij van blaam zijn, indien gij aldus handelt. 55. Maar ga voort met vermanen; want vermaning is den waren geloovigen van voordeel. 56. Ik heb de geniussen en menschen met geen ander doel geschapen, dan opdat zij mij zouden dienen. 57. Ik eisch geenerlei onderhoud van hen; evenmin verlang ik, dat zij mij zullen voeden. 58. Waarlijk, God is degene, die alle schepselen voorziet, en die een aanzienlijke macht bezit. 59. Aan hen die onzen gezant beleedigden, zal een deel gegeven worden, gelijk aan het deel van hen, die zich in vroegere tijden, evenals zij hebben gedragen; en zij zullen niet wenschen, dat dit verhaast worde. 60. Wee dus over de ongeloovigen, om hunnen dag, waarmede zij zijn bedreigd!

TWEE EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

DE BERG.

Geopenbaard te Mekka.--49 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.