De Koran Voorafgegaan Door Het Leven Van Mahomed Eene Inleiding

Chapter 45

Chapter 454,073 wordsPublic domain

1. Ya Sin. Ik zweer bij den onderrichtenden Koran. 2. Dat gij een der gezanten van God zijt. 3. Gezonden om den rechten weg te toonen. 4. Dit is eene openbaring van den machtigen, den barmhartigen God. 5. Opdat gij een volk zoudt waarschuwen, welks vaderen niet gewaarschuwd waren en dat in achteloosheid leeft. 6. Ons oordeel [1767] is rechtvaardig uitgesproken tegen het meerendeel. Immers, zij zullen niet gelooven. 7. Wij hebben jukken [1768] op hunnen nek gelegd, die tot aan hunne kin reiken, en zij zijn gedwongen hunne hoofden overeind te houden; 8. En wij hebben een staak vÛÛr hen, en een staak achter hen geplaatst, en wij hebben hen met duisternis bedekt; daarom zullen zij niet zien. 9. Het zal hun gelijk zijn, hetzij gij al of niet tot hen predikt: zij zullen niet gelooven [1769]. 10. Maar gij zult alleen met goeden uitslag prediken tot hem, die de vermaning van den Koran volgt, en den Barmhartigen in het geheim vreest. Breng dus goede tijdingen van genade tot hen en eene eervolle belooning. 11. Waarlijk, wij zullen de dooden tot het leven terugbrengen, en hunne werken opteekenen, welke zij voor zich uit zullen hebben gezonden, en hunne voetstappen, die zij achter zich zullen hebben gelaten [1770]; en iedere zaak plaatsen wij in een duidelijk register. 12. Stel hun, als een voorbeeld, de bewoners der stad van AntiochiÎ voor, toen de Apostelen van Jezus daarheen kwamen [1771]. 13. Toen wij twee van deze tot hen zouden; maar zij beschuldigden hen van bedrog. Daarom versterkten wij hen met een derden. En zij zeiden: Waarlijk wij zijn u door God gezonden. 14. De inwoners antwoordden: Gij zijt niet anders dan menschen, zooals wij zijn; nimmer heeft de Barmhartige u iets geopenbaard: gij maakt slechts een leugen bekend. 15. De apostelen hernamen: Onze heer weet, dat wij werkelijk tot u zijn gezonden. 16. En onze plicht is alleen in het openbaar te prediken. 17. Die van AntiochiÎ zeiden. Waarlijk, wij voorzien kwaad van u; indien gij niet met prediken ophoudt, zullen wij u zekerlijk steenigen, en u zal eene smartelijke straf door ons worden opgelegd. 18. De apostelen antwoordden: Uwe kwade voorspelling is met u zelven [1772]; doch gij wilt in uwe dwalingen volharden, niettegenstaande gij gewaarschuwd zijt. Waarlijk, gij zijt een volk, dat overmatig zondigt. 19. En zeker man [1773] kwam angstig van de verder gelegen gedeelten der stad, en zeide: O mijn volk! volgt de gezanten van God. 20. Volgt hen, die geene belooning van u vragen; want deze worden op den rechten weg geleid. 21. Welke reden heb ik er voor, hem niet te vreezen, die mij geschapen heeft, en tot wien gij allen zult terugkeeren. 22. Zal ik andere goden buiten hem kiezen? Indien het den Barmhartige behaagt, mij te bedroeven, zal hunne bemiddeling mij volstrekt niet baten, ook kunnen zij mij niet bevrijden. 23. Dan zou ik in eene duidelijke dwaling verkeeren. 24. Waarlijk, ik geloof in uwen Heer; luistert dus naar mij. 25. Maar zij steenigden hem en toen hij stierf, werd tot hem gezegd: Treed het paradijs binnen. 26. En hij zeide: O, dat mijn volk wist, hoe genadig God mij is geweest! want hij heeft mij hoogelijk vereerd. 27. En nadat zij hem hadden gedood, zonden wij geen leger van den hemel tegen zijn volk af, noch de andere werktuigen van vernietiging, welke wij in vroegere dagen tegen de ongeloovigen afzonden. 28. Er was slechts een kreet van GabriÎl uit den hemel en, zie, zij werden geheel uitgeroeid. 29. O, hoe ellendig zijn de menschen! Geen gezant kwam tot hen of zij lachten hem met verachting uit. 30. Overwegen zij niet, hoeveel geslachten wij vÛÛr hen hebben verdelgd? 31. Waarlijk, zij zullen niet tot hen terugkeeren. 32. Maar allen, in het algemeen, zullen voor ons worden verzameld. 33. Een teeken der opstanding voor hen is de verdroogde, doode aarde [1774]; wij verkwikken die door den regen, en doen daaruit verschillende soorten van granen voortkomen, waarvan zij eten. 34. En wij vormden daar tuinen van palmboomen en wijngaarden, en wij deden er fonteinen ontspringen. 35. Opdat zij van hunne vruchten en van den arbeid hunner handen zouden mogen eten. Zullen zij daarvoor niet dankbaar wezen? 36. Geloofd zij hij, die alle soorten heeft geschapen, zoowel van de planten welke de aarde voorbrengt, als onder de menschen en onder de dingen, welke zij niet kennen. 37. De nacht is mede een teeken voor hen: wij nemen den dag daarvan weg en, zie, zij zijn met duisternis bedekt. 38. En de zon spoedt zich naar hare rustplaats [1775]. Dit is de beschikking van den machtigen, den wijzen God. 39. En voor de maan hebben wij zekere verblijfplaatsen aangewezen [1776], opdat zij verandere, en weder gelijk worde aan den ouden, gekromden tak van een palm [1777]. 40. Het is der zon niet gegeven de maan in haren loop te bereiken, noch dat de nacht den dag vooruitstreeft; maar ieder dezer lichten beweegt zich in eene afzonderlijke sfeer. 41. Het is ook een teeken voor hen, dat zij hunne nakomelingschap in een schip bewaarden met alles gevuld [1778]. 42. En dat wij voor hen andere, daaraan gelijke inrichtingen hebben gevormd [1779], waarop zij rijden. 43. Indien het ons behaagt, verdrinken wij hen, en er is niemand om hen te helpen; ook worden zij niet bevrijd. 44. Tenzij door onze genade, en opdat zij zich nog eenigen tijd in dit leven zouden mogen verheugen. 45. Toen tot hen werd gezegd: Vreest hetgeen vÛÛr u en hetgeen achter u is [1780] opdat gij genade moogt verwerven, keerden zij van u weg. 46. En gij brengt hun geen teeken van de teekenen van uwen Heer, of zij wenden zich daarvan af. 47. En als hun wordt gezegd: Geeft aalmoezen van het geen God u heeft geschonken, zeggen de ongeloovigen, spottenderwijze, tot hen die gelooven: Zullen wij dengenen voeden, dien God kan voeden, zoo het hem behaagt [1781]? Waarlijk, gij verkeert in eene duidelijke dwaling. 48. En zij zeggen: wanneer zal deze belofte der opstanding vervuld worden, indien gij de waarheid spreekt? 49. Zij wachten slechts op een klank van de trompet [1782], die hen zal overvallen, terwijl zij met elkander twisten. 50. En zij zullen geen tijd hebben om eenige beschikking over hunne bezittingen te maken, en zij zullen niet tot hun gezin terugkeeren. 51. De trompet zal weder klinken; en ziet, zij zullen uit hunne graven voortkomen en zich naar hunnen Heer spoeden. 52. Zij zullen zeggen: Wee over ons! wie heeft ons van ons bed gewekt [1783]? Dit is wat de Barmhartige ons heeft beloofd, en zijne gezanten spraken de waarheid. 53. Het zal slechts ÈÈn klank van den trompet zijn, en ziet, zij zullen allen voor ons worden verzameld. 54. Op dien dag zal geene ziel in het minste onrechtvaardig worden behandeld; ook zult gij niet anders vergolden worden, dan overeenkomstig hetgeen gij zult hebben verricht. 55. Op dien dag zullen de bewoners van het paradijs geheel met vreugde vervuld zijn. 56. Zij en hunne vrouwen zullen in schaduwrijke boschjes rusten, tegen heerlijke zetels leunende. 57. Daar zullen zij vruchten hebben, en zij zullen alles verkrijgen, wat zij zullen begeeren. 58. Vrede zal het woord zijn, dat den rechtvaardige door den barmharigen God zal worden toegesproken. 59. Maar hij zal tot de zondaren zeggen: Weest gij, o zondaren! dezen dag van de rechtvaardigen gescheiden. 60. Beval ik u niet, o zonen van Adam! dat gij Satan niet zoudt aanbidden, daar hij voor u een openlijke vijand was. 61. En zeide ik niet: Vereert mij; dit is de ware weg. 62. Maar thans heeft hij een groot aantal uwer verleid; begrijpt gij het niet? 63. Dit is de hel, waarmede gij werdt bedreigd. 64. Heden wordt gij er in geworpen om verbrand te worden, omdat gij ongeloovig waart. 65. Op dien dag zullen wij hunne monden dichtzegelen, opdat zij die niet te hunner eigen verdediging kunnen openen, en hunne handen zullen tot ons spreken, en hunne voeten zullen getuigenis afleggen van hetgeen zij hebben bedreven. 66. Indien het ons behaagde, konden wij hunne oogen uitsteken, en zij zouden naijverig op den weg voorthollen, dien zij gewoon zijn te kiezen; en hoe zouden zij hunne dwaling zien? 67. En indien het ons behaagde, zouden wij hen in andere gedaante kunnen hervormen; zij zouden niet instaat zijn te vertrekken, en zij zouden geen berouw gevoelen [1784]. 68. Hem, wien wij een lang leven schenken, doen wij het lichaam door ouderdom krommen. Zullen zij dit niet begrijpen? 69. Wij hebben Mahomet de dichtkunst niet geleerd [1785]; ook is het niet nuttig voor hem, een dichter te wezen. Dit boek is slechts eene vermaning van God en een duidelijke Koran. 70. Opdat hij die leeft [1786], daardoor moge gewaarschuwd worden; en het vonnis der veroordeeling zal rechtvaardig op de ongeloovigen worden uitgevoerd. 71. Overwegen zij niet, dat wij onder de dingen, welke onze handen hebben gewrocht, veel van verschillende soorten hebben geschapen, waarvan zij bezitters zijn. 72. En dat wij hun dat hebben onderworpen? Sommige van deze dienen om er op te rijden, en sommige voeden hen. 73. Zij ontvangen daarvan nog andere voordeelen, en drinken van hare melk. Zullen zij dus niet dankbaar wezen? 74. Zij hebben andere goden naast God genomen, in de hoop, dat zij daardoor zouden worden ondersteund. 75. Maar deze zijn niet in staat, hun eenige ondersteuning te verleenen: zij zijn het veeleer, die als leger vÛÛr hunne godheden dienen. 76. Laten hunne woorden u dus niet bedroeven: wij kennen wat zij heimelijk verbergen, en datgene wat zij openlijk ontdekken. 77. Weet de mensch niet, dat wij hem van zaad hebben geschapen? Maar ziet, hij is een openlijke bestrijder der opstanding. 78. Hij stelt ons eene vergelijking voor, en hij vergeet zijn schepping (zijn oorsprong). Hij zegt: Wie zal de beenderen, als zij verrot zijn, tot het leven terugbrengen [1787]? 79. Antwoord: Hij zal ze tot het leven terugbrengen, welke die het allereerst voortbracht: want hij is bedreven in iedere soort van schepping. 80. Wie geeft u vuur uit den groenen boom [1788], waarmede gij uwe brandstof ontsteekt. 81. Is hij, die de hemelen en de aarde geschapen heeft, niet in staat nieuwe wezens gelijk aan hen te scheppen. 82. Zijn bevel, als hij een ding verlangt, is slechts dat hij zegt: Wees! en het is. 83. Geloofd zij dus hij, in wiens hand het koninkrijk van alle dingen is, en tot wien gij op den jongsten dag zult terugkeeren.

ZEVEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

ZIJ DIE ZICH IN ORDE SCHAREN.

Gegeven te MÈdina.--182 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ik zweer bij de engelen, die zich in orde scharen [1789]. 2. En bij hen die de wolken voortdrijven en verspreiden. 3. En bij hen, die den Koran lezen als eene vermaning, 4. Waarlijk, uw Heer is eenig. 5. De Heer van hemel en aarde en van alles wat daartusschen is, en de Heer van het Oosten [1790]. 6. Wij hebben den ondersten hemel met het versiersel der sterrren getooid. 7. En wij hebben daarin een wachter tegen iederen weerspannigen duivel geplaatst. 8. Opdat zij niet luisteren naar het gesprek der verheven vorsten (want zij worden van alle zijden bestormd), 9. En eene zware marteling is voor hen gereed gemaakt. 10. Behalve hij, die een woord steelsgewijze opvangt, en door eene vlammende schicht wordt getroffen [1791]. 11. Vraag daarom den bewoners van Mekka, of zij van nature sterker zijn dan de engelen welke wij hebben geschapen? Waarlijk wij hebben hen van harde klei geschapen. 12. Gij verbaast u over Gods macht en hunne weÍrspannigheid; maar zij spotten over de bewijsmiddelen, welke aangevoerd worden om hen te overtuigen. 13. Als zij gewaarschuwd worden, nemen zij geene waarschuwing aan. 14. En als zij iets zien, spotten zij er mede. 15. En zeggen: Dit is niet anders dan duidelijke tooverij. 16. Nadat wij dood zullen wezen en tot stof en beenderen zijn geworden, zullen wij dan werkelijk tot het leven worden opgewekt. 17. En onze voorvaderen ook? 18. Antwoord: Ja! en dan zult gij veracht wezen. 19. Er zal slechts eenmaal op de trompet worden geblazen, en zij zullen rond zien. 20. En zullen zeggen: Wee over ons! Dit is de dag des oordeels. 21. Dit is de dag der onderscheiding tusschen de rechtvaardigen en de zondaren, dien gij als eene leugen verwerpt. 22. Verzamel degenen, die onrechtvaardig hebben gehandeld en hunne makkers, en de afgoden welke zij aanbaden. 23. Naast God, en leidt hen op den weg der hel. 24. En plaats hen voor Gods vierschaar; want zij zullen geroepen worden om rekenschap af te leggen. 25. Wat deert u, dat gij elkander niet verdedigt? 26. Maar op dien dag zullen zij zich aan Gods oordeel onderwerpen. 27. En zij zullen elkander naderen en onder elkander twisten. 28. En de verleiden zullen zeggen tot hen die hen hebben verleid: Waarlijk, gij kwaamt tot ons met voorspellingen van voorspoed. 29. En de verleiders zullen antwoorden: Neen! gij waart veeleer geene ware geloovigen; want wij hadden geene macht over u, om u te dwingen, maar gij hebt vrijwillig gezondigd. 30. Daarom werd het vonnis van onzen Heer rechtvaardig over ons uitgesproken, en wij zullen zekerlijk zijne wraak proeven. 31. Wij verleidden u, maar wij dwaalden ook zelven. 32. Zij zullen op dezen dag dus beiden deelgenooten van dezelfde straf zijn. 33. Zoo zullen wij met de zondaren handelen; 34. Want toen er tot hen werd gezegd: Er is geen god buiten den waren God, bliezen zij zich op met hoogmoed. 35. En zeiden: zullen wij onze goden voor een bezeten dichter verlaten? 36. Neen! hij komt met de waarheid en legt getuigenis af voor de vroegere gezanten. 37. Gij zult zekerlijk de pijnlijke martelingen der hel proeven. 38. En gij zult niet vergolden worden, dan overeenkomstig uwe werken. 39. Maar wat de oprechte dienaren Gods betreft. 40. Zij zullen een zekeren voorraad in het paradijs hebben: 41. Namelijk heerlijke vruchten, en zij zullen geÎerd worden. 42. Zij zullen in tuinen des vermaaks geplaatst worden. 43. Leunende in tegenover elkander geplaatste zetels [1792]. 44. Een beker zal onder hen worden rondgereikt, gevuld aan eene heldere fontein; 45. Een heerlijkheid voor hen, die er van zullen drinken. 46 Het zal het verstand niet benevelen, en zij zullen er niet door bedwelmd worden. 47. En nabij hen zullen de maagden van het paradijs liggen, hare blikken, behalve van hunne bruidegommen, van ieder een afwendende, hebbende groote, zwarte oogen, en gelijkende op de eieren van een struisvogel, zorgvol met vederen bedekt [1793]. 48. En zij zullen zich tot elkander wenden, en elkander vragen doen. 49. En een van hen zal zeggen: Waarlijk, ik had een vertrouwden vriend, terwijl ik op de wereld leefde. 50. Die tot mij zeide: Zijt gij een van hen, die de waarheid der opstanding betuigen? 51. Nadat wij dood zullen zijn, en tot stof en beenderen veranderd wezen, zullen wij dan zekerlijk worden geoordeeld? 52. Dan zal hij tot zijne makkers zeggen: Wilt gij nederzien? 53. En zij zullen nederzien en hem in het midden der hel ontwaren. 54. En hij zal tot hem zeggen: Bij God! er ontbrak weinig aan, of gij hadt mij verdorven. 55. En was het niet door de genade van mijnen Heer, dan ware ik zeker aan eene eeuwige marteling overgeleverd geworden. 56. Zullen wij een anderen dan onzen eersten dood sterven? 57. Of ondergaan wij eenige straf? 58. Waarlijk, wij genieten eene groote gelukzaligheid. 59. Laten de arbeiders arbeiden om eene gelukzaligheid gelijk deze te verwerven. 60. Is dit een beter onthaal, of de boom van al Zakkum? [1794] 61. Waarlijk, wij hebben dien aangeduid als eene aanleiding tot twist onder de onrechtvaardigen [1795] 62. Het is een boom die aan den bodem der hel ontspruit. 63. De vrucht daarvan gelijkt op de hoofden van duivelen [1796]. 64. De verdoemden zullen daarvan eten, en hunne buiken daarmede vullen. 65 Vervolgens zal hun een mengsel van vuil en kokend water te drinken worden gegeven. 66. Daarna zullen zij in de hel terugkeeren. 67. Zij bevonden dat hunne vaderen dwalende waren [1797]. 68. En zij traden haastig in hunne voetstappen; 69. Want het meerendeel der oude volken dwaalden vÛÛr hen. 70. Wij zonden vroeger waarschuwers tot hen; 71. Maar zie hoe ellendig het einde was van degenen, die gewaarschuwd werden. 72. En die niet onze oprechte dienaren waren. 73. Noach riep ons in vroegere dagen aan, en wij verhoorden hem genadiglijk. 74. En wij bevrijdden hem en zijn gezin uit de groote ellende. 75. Wij deden zijne nakomelingschap den zondvloed overleven, om de aarde te bevolken. 76. En wij lieten hem de volgende begroeting door de verste nakomelingschap geven: 77. Vrede zij op Noach onder alle schepselen! 78. Zoo beloonen wij de rechtvaardigen. 79. Want hij was een van onze dienaren, de ware geloovigen. 80. Daarna verdronken wij de anderen. 81. Abraham was mede van zijnen godsdienst [1798]; 82. Toen hij met een volkomen hart tot zijn Heer kwam. 83 Toen hij tot zijn vader en zijn volk zeide: Wat vreest gij? 84. Kiest gij bij voorkeur valsche goden boven den waren God? 85. Wat is dus uwe meening opzichtens den Heer aller schepselen? 86. En hij beschouwde de sterren. 87. En zeide: Waarlijk, ik zal ziek wezen [1799] en niet bij uwe offeringen tegenwoordig zijn. 88. En zij keerden zich af en verlieten hem [1800]. 89. En Abraham wendde zich in het geheim tot hunne goden, en zeide spottende tot hen: Eet gij niet van het vleesch dat u is voorgezet? 90. Wat deert u, dat gij niet spreekt? 91. En hij keerde zich tot hen, en sloeg hen met zijne rechterhand en vernietigde hen. 92. En zijn volk kwam haastig tot hem. 93. Hij zeide: Aanbidt gij de beelden die gij zelven snijdt? 94. Terwijl God u heeft geschapen en ook datgene wat gij maakt. 95. Zij zeiden: Richt een brandstapel voor hem op en werp hem in het gloeiende vuur. En zij smeedden eene list tegen hem. 96. Maar wij deden hem het onderspit delven en bevrijdden hem [1801]. 97. En Abraham zeide: Waarlijk, ik ga tot mijnen Heer [1802], die mij zal richten. 98. O Heer! geef mij eene rechtvaardige nakomelingschap. 99. Daarom maakten wij hem bekend, dat hij een zoon zou bekomen, die een zachten aard zou hebben. 100. En toen hij den ouderdom der jongelingschap had bereikt [1803], en zich met hem in de verrichtingen van den godsdienst kon vereenigen. 101. Zeide Abraham tot hem: O mijn zoon! waarlijk, ik zag in een droom, dat ik u als eene offerande zoude aanbieden [1804]. overweeg dus wat gij meent, dat ik zal doen. 102 Hij antwoordde: O mijn vader! doe wat u bevolen werd; indien het Gode behaagt, zult gij bevinden dat ik het lijdzaam zal ondergaan. 103. En toen zij beiden zich aan den goddelijken wil hadden onderworpen, en Abraham zijn zoon voorover op het aangezicht had gelegd [1805]. 104. Riepen wij hem toe: O Abraham! 105. Gij hebt aan uw visioen geloofd. Zoo beloonen wij den rechtvaardige. 106. Waarlijk, dit was eene duidelijke proef. 107. En wij losten zijn zoon met een edel slachtoffer uit. 108. En wij lieten hem de volgende groete door de verste nakomelingschap bewaren; 109. Namelijk: Vrede zij op Abraham! 110. Zoo beloonen wij den rechtvaardige; 111. Want hij was een onzer geloovige dienaren. 112. Wij verblijdden hem met de belofte van Iza‰k, een rechtvaardigen profeet. 113. En wij zegenden hem en Iza‰k; en onder hunne nakomelingschap waren eenige rechtvaardigen, en anderen, die klaarblijkelijk hunne eigene zielen nadeel toebrachten. 114. Wij waren ook vroeger genadig omtrent Mozes en A‰ron. 115. En wij bevrijdden hen en hun volk van eene groote ellende. 116. Wij ondersteunden hen tegen de Egyptenaren, en zij werden overwinnaars. 117. Wij gaven hun het duidelijke boek der wet. 118. Wij leidden hen op den rechten weg. 119. En wij lieten de volgende groete door de verste nakomelingschap voor hen bewaren; 120. Namelijk: Vrede zij op Mozes en A‰ron! 121. Zoo beloonen wij de rechtvaardigen. 122. Want zij waren twee onzer geloovige dienaren. 123. En Elias [1806] was mede een dergenen, die door ons werden gezonden. 124. Toen hij tot zijn volk zeide: Vreest gij God niet? 125. Roept gij Baal aan, en verzaakt gij den uitmuntendsten schepper? 126. God is uw Heer en de Heer uwer voorvaderen. 127. Maar zij beschuldigden hem van bedrog. 128. Weshalve zij aan de eeuwige straf zullen worden overgeleverd, behalve de oprechte dienaren Gods 129. En wij lieten de volgende groete door de verste nakomelingschap voor hem bewaren. 130. Namelijk: Vrede zij op Ilyasin [1807]! 131. Zoo beloonen wij den rechtvaardige. 132. Want hij was een onzer geloovige dienaren. 133. En Lot was mede een dergenen, die door ons werden gezonden. 134. Toen wij hem en zijn geheel gezin bevrijden. 135. Behalve eene oude vrouw, zijne huisvrouw, die omkwam met hen die achterbleven. 136. Daarna verdelgden wij de anderen [1808]. 137. En gij, o bewoners van Mekka! komt de plaatsen voorbij waar zij eens hebben gewoond, als gij des ochtends reist. 138. En des nachts. Zult gij dan niet begrijpen? 139. Jonas was mede een dergenen die door ons werden gezonden [1809]. 140. Toen hij in een geladen schip vluchtte [1810]. 141. En zij die aan boord waren, lootten onder elkander en hij werd veroordeeld [1811]. 142. En de visch verzwolg hem; want hij had eene bestraffing verdiend. 143 En indien hij niet eene ware geweest van hen die God loven [1812]. 144. Waarlijk, dan ware hij, tot den dag der opstanding, in den buik van den visch gebleven. 145. En wij wierpen hem op het naakte strand, en hij was ziek [1813]. 146. Wij deden een pompoenplant [1814] over hem heen groeien. 147. Wij zonden hem daarna tot een volk van honderdduizend zielen of meer. 148. En zij geloofden: daarom lieten wij hun dit leven nog voor eenigen tijd genieten. 149. Vraag aan de bewoners van Mekka of uw Heer dochters heeft gelijk zij zonen hebben [1815]? 150. Hebben wij ook de engelen van het vrouwelijke geslacht geschapen, en waren zij er getuigen van? 151. Zeggen zij niet, volgens hunne eigene, valsche uitvinding: 152. God heeft eene nakomelingschap gebaard? en zij zijn niet werkelijk leugenaars? 153. Heeft hij bij voorkeur dochters boven zonen verkozen? 154. Gij hebt geene reden aldus te oordeelen. 155. Wilt gij dus niet vermaand wezen? 156. Of hebt gij een duidelijk bewijs voor hetgeen gij zegt? 157. Brengt thans uw boek der openbaringen voor den dag, indien gij de waarheid spreekt. 158. En zij maken hem tot een verwante der geniussen [1816], terwijl de geniussen weten, dat hij, die zulke dingen verklaart, aan de eeuwige straf zal worden overgeleverd. 159. (God is verheven, boven datgene wat zij nopens hem verklaren): 160. Maar niet Gods oprechte dienaren. 161. Maar gij en de goden, welke gij aanbidt, 162. Zullen niemand nopens God verleiden. 163. Behalve hem die bestemd is om in de hel verbrand te worden. 164. Er is niemand van ons, of hij heeft een bestemde plaats. 165. Wij scharen ons in orde, 166. Gods bevelen afwachtende, en wij verkondigen den goddelijken lof [1817]. 167. De ongeloovigen zeiden: 168. Indien wij door een boek met goddelijke openbaringen waren begunstigd geworden, van diegene welke aan de ouden werden geschonken. 169. Zouden wij zeker oprechte dienaren Gods zijn geweest; 170. Maar thans, nu de Koran is geopenbaard, gelooven zij daarin niet; doch hier namaals zullen zij het gevolg van hun ongeloof kennen. 171. Ons woord werd vroeger aan onze dienaren, de gezanten, gegeven. 172. Dat zij zekerlijk tegen de ongeloovigen zouden ondersteund worden, 173. En dat onze legers de overwinning zouden behalen. 174. Wend u dus gedurende eenen tijd van hen af. 175. En zie de rampen die hen zullen bedroeven; want zij zullen uwe toekomstige overwinning en uwen voorspoed zien. 176. Trachten zij daarom onze wraak te verhaasten? 177. Waarlijk, wanneer die in hunne afgesloten hoven zal nederdalen, zal het een slechte ochtend zijn voor hen, die te vergeefs werden gewaarschuwd. 178. Wend u dus voor eenigen tijd van hen af. 179. Hierna zullen zij uwe overwinning en hunne straf ontwaren. 180. Geloofd zij uw Heer, de Heer die verre verheven is boven hetgeen zij van hem verklaren! 181. Vrede zij op zijne gezanten. 182. En geloofd zij God, de Heer van alle schepselen!

ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

S.

Geopenbaard te Mekka.--88 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.