De Koran Voorafgegaan Door Het Leven Van Mahomed Eene Inleiding

Chapter 4

Chapter 43,366 wordsPublic domain

Krachtens die overeenkomst moesten de KoreÔshieten, inwoners van _Mekka_, en de Arabieren van _Medina_ voortaan slechts een enkel volk uitmaken. Onder die bepalingen kwamen er ook voor, van eenen aard, welke men niet alleen in dat verwijderd tijdstip en uitsluitend in het Muzelmansche burgerlijk wetboek aantreft, maar waarvan nog negen, tien en elf eeuwen daarna en nog later, de wetboeken van de meeste Europeesche volken bedroevende en menschonteerende stalen opleveren, terwijl die nog in den tegenwoordigen tijd--om maar iets te noemen--ten aanzien der Russische lijfeigenen enz. in Europa voorkomen; van andere werelddeelen willen wij niet eens spreken. De bedoelde bepalingen waren, b.v., dat een Muzelman geen' Muzelman mocht dooden, om den dood van een' ongeloovige te wreken, en ook niet voor een' ongeloovige tegen een' Muzelman partij mocht trekken. Voorts moesten de rijke en machtige lieden de zwakken eerbiedigen. Geene partij der geloovigen mocht afzonderlijk vrede met de ongeloovigen sluiten. De IsraÎlietische bondgenooten der Muzelmannen moesten voor alle beleedigingen of afpersingen beveiligd worden, en mochten hunnen godsdienst vrijelijk uitoefenen; maar zij moesten zich ook bij de Muzelmannen voegen, om _Medina_ tegen alle aanvallen te verdedigen, of moesten tot de oorlogskosten bijdragen. Eindelijk vond men er eene bepaling, volgens welke iedere twist, die er mocht ontstaan tusschen hen, welke het verbond hadden gesloten, aan het oordeel van God en van Mahomet zou worden onderworpen. Om elken naijver tusschen de _Ansar_ en de _Moehadjirs_ te voorkomen, vormde Mahomet eene soort van broederschap, in welke een ieder van de _Ansar_ bij een' _Moehadjir_ gevoegd was. Op dat tijdstip waren vele godsdienstige instellingen en voorschriften nog niet gevestigd: zoo wendde men zich, b.v., bij het gebed naar de zijde van _Jeruzalem_, dat noordelijk lag, gelijk men de IsraÎlieten zich daarheen zag wenden, in stede van zich zuidelijk, naar den _Caaba_ te keeren. De _edhan_ of _izan_--de oproeping tot het gebed--werd eerst eenige maanden na Mahomets vestiging te _Medina_ vastgesteld, maar er bestond reeds eene zekere organisatie, die alleen de bezegeling der zegepraal noodig had om te wortelen. Zoodanige overwinning kwam Mahomets werk weldra ter hulp. Het was in de maand _Ramadhan_ van het jaar 624 en in het tweede jaar der _hedjira_. Mahomet had toen vernomen, dat eene karavaan van _SyriÎ_, tusschen _Medina_ en de zee, naar _Mekka_ terugkeerde. Hij nam het besluit haar aan te vallen; maar het hoofd der karavaan, die van Mahomets voornemen onderricht werd, deed ijlings te _Mekka_ hulp vragen. Die van _Mekka_ kwamen, ten getale van omtrent duizend manschappen en honderd paarden, de karavaan helpen. Mahomet had niet meer dan driehonderd veertien manschappen, die slechts zeventig kameelen bezaten; dit was dus ÈÈn kameel op vier of vijf personen, die den kameel beurtelings bereden. Bij dien troep waren slechts drie paarden, wier namen, zoowel als de kleinste bijzonderheden dier onderneming, bewaard zijn gebleven. In weÍrwil van het mindere aantal zijner lieden, viel Mahomet de KoreÔshieten te _Bedr_ aan en sloeg hen, na een' tamelijk warmen strijd van eenige uren, op de vlucht. Dat gevecht had plaats den 16den dag der maand _Ramadhan_ in het tweede jaar der _hedjira_. De Muzelmannen, die zelven over hunne zegepraal verbaasd stonden, schreven die aan de hulp der engelen toe, welke zij, naar hun zeggen, de ongeloovigen hadden zien bestrijden; en Mahomet zegt uitdrukkelijk in den Koran (III, 119 en VIII, 9), dat God drieduizend engelen te zijner hulpe had gezonden. In het begin van het gevecht onthield Mahomet zich in eene hut, en zond vurige gebeden tot God op; doch zoodra de strijd algemeen was geworden, kwam hij er uit, en terwijl hij zich onder de strijdenden mengde, wierp hij eene handvol zand op de vijanden. Die trek wordt onder de door Mahomet verrichte wonderwerken geteld.

De karavaan die kennis had van Mahomets bewegingen, vermeed _Bedr_ en naderde de zee, terwijl zij tevens den weg naar _Mekka_ vervolgde. Mahomet, die de hoop had opgegeven haar nog te bereiken, keerde met de gevangene KoreÔshieten en den krijgsbuit naar _Medina_ terug. Behalve het na kort proces en spoedig ter dood brengen van eenige KoreÔshieten, door wie Mahomet voorheen beleedigd en zijne zending bespot was, hadden al de andere gevangenen reden, over de menschelijkheid der Muzelmannen voldaan te zijn. Na verloop van zes weken werden die gevangenen door de bewoners van _Mekka_ losgekocht. Wel verre dat de laatstgenoemden door de nederlaag van _Bedr_ ontmoedigd zouden zijn geweest, besloten zij integendeel daarover wraak te nemen, en besteedden de helft der winst welke de ontzette karavaan had gemaakt, aan het uitrusten der troepen; terzelfder tijd stuurden zij zendelingen uit, om de Arabische stammen ten krijg tegen Mahomet op te zetten. Zij hadden weldra drieduizend strijders vereenigd, waaronder een zeker aantal, die hunne vrouwen mede namen, welke in last hadden op tambourijns te slaan, liederen ter eere van de bij _Bedr_ gedoode krijgslieden te zingen, en door hare aanwezigheid den ijver harer mannen aan te vuren. Het leger der KoreÔshieten trok eerst op _Medina_ aan, toog de stad toen voorbij en nam ten noordoosten, nabij den berg _Ohod_, eene stelling in.

Mahomet trok _Medina_ aan het hoofd van duizend man uit, om de KoreÔshieten aan te vallen. De Muzelmannen putten hun vertrouwen uit de herinnering van den gelukkigen uitslag te _Bedr_; de KoreÔshieten daarentegen vonden zich bemoedigd door hun getal en hunnen haat; en hun aanvoerder had twee afgodsbeelden met zich gevoerd, om den moed zijner troepen aan te wakkeren. De strijd was zeer hardnekkig, en reeds waande Mahomet dat hij overwinnaar was, toen een gedeelte zijner troepen bij het vervolgen van den vluchtenden vijand zich op de bagage wierp om die te plunderen. De KoreÔshieten hereenigden zich toen en vielen de Muzelmannen aan. Mahomet stort in een ravijn en wordt door een' steen getroffen, die hem een tand aan stukken slaat; desniettemin roept hij zijn krijgsmakkers toe: "wie wil zijn leven voor mij geven? Hij die zijn bloed met het mijne vermengt, zal niet door het helsche vuur bereikt worden." Men snelde te zijner hulp, maar eenigen van zijne dapperste krijgsmakkers werden daarbij gedood, en de Muzelmannen trokken naar een hollen weg terug, waar zij door de KoreÔshieten niet vervolgd werden. Het gevecht bij _Ohod_ was verloren en men vatte van wederzijde het voornemen op, het volgende jaar elkander te _Bedr_ nogmaals te ontmoeten. In den Koran heeft Mahomet de oprechtheid gehad, de nederlaag van _Ohod_ niet te verzwijgen, maar toe te schrijven aan het te groot vertrouwen der Muzelmannen op hunne krachten en aan de groote hebzuchtigheid, waarmede zij zich op den buit hadden geworpen. Bij die gelegenheid was het, dat Mahomet verbood de dooden van het slagveld te vervoeren om die elders te begraven. Hij verbood zelfs hun het bloed af te wasschen, daar hij zeide, dat de martelaars op den dag der opstanding met hunne bloedende wonden verschijnen en eene muskuslucht van zich geven zouden. Hij beval hun slechts aan, een gebed voor de lijken te doen. Wij zouden de grenzen van deze levensschets te buiten gaan, door hier een omstandig verhaal te geven van de tochten, de marschen en gevechten, waartoe Mahomet, in de jaren die op de gevechten van _Bedr_ en _Ohod_ volgden, bij zijne botsingen, vooral met de afgodendienaars, verplicht was. Wij zullen ons derhalve bij een zeer beknopt verslag van die worstelingen bepalen. De KoreÔshieten kwamen in het vierde jaar der _hedjira_ niet opdagen voor het treffen bij _Bedr_, gelijk men elkander in het vorige jaar beloofd had, doch daarentegen vormde zich tegen Mahomet een verbond van Arabische en Joodsche stammen, naar Mahomets meening vooral op aandrijven der Joden van _Medina_, die den stam van _KoraÔza_ uitmaakten. Dit verbond liep uit op het belegeren van _Medina_ en aangezien de Muzelmannen op drie zijden van _Medina_ eene gracht groeven, is die oorlog bekend onder den naam van _den oorlog der gracht_. Deze gebeurtenis had plaats in het vijfde jaar der _hedjira_ (627), en op dat verbond heeft het hoofdstuk uit den Koran betrekking, het welk _Al-ahzab_ (de verbondenen) heet, zijnde het XXXIIIe. Bij die gracht hadden eenige gevechten tusschen de belegerden en de belegeraars plaats. Het beleg duurde omstreeks eene maand, maar door den naijver welken de heimelijke aanhangers van Mahomet in het leger wisten op te wekken, ging het verbond, dat tienduizend man telde weldra uiteen en het beleg werd toen opgeheven. Aan het hoofd van drieduizend man ging Mahomet nu, terecht of niet, wraak nemen op den Joodschen stam _KoraÔza_--aan den anderen waagde hij zich niet--en belegerde hen in hunne versterkingen. De _KoraÔza_, die geene levensmiddelen hadden, gaven zich na eenigen tijd over. Mahomet deed toen al de hoofden ombrengen en verdeelde al de overigen benevens hunne vrouwen, hunne kinderen en al hunne roerende en onroerende eigendommen, onder de Muzelmannen. In het zesde jaar der _hedjira_ ondernam Mahomet, zoowel in eigen persoon als door zijne krijgsbevelhebbers, eenige kruistochten tegen onderscheidene Arabische stammen, welke hij spoedig onderwierp. Zonder moeite namen deze den Islam aan. Uit dien tijd verhalen Mahomet's levensbeschrijvers een' menschlievenden trek van hem ten aanzien der afgodendienende KoreÔshieten. Er waren eenige pas bekeerde stammen die geweigerd hadden _Mekka_ van levensmiddelen te voorzien, waar toen schaarschte daarvan was, doch Mahomet hief dat verbod op. Het was evenzeer na een' dezer krijgstochten--dien tegen de _Mostaliks_--dat de gebeurtenis voorviel met AÔsha, Mahomets vrouw, die door het algemeen gerucht beschuldigd werd, in misdadige betrekking te staan tot een jong Muzelman. De openbaring nu, vervat in Hoofdstuk XXIV is door Mahomet niet alleen gewijd aan het doel om AÔsha te zuiveren van de lasteringen te haren aanzien verbreid, maar ook om in het vervolg de rechtspleging in gevallen van overspel te regelen. In het zesde jaar der _hedjira_ beschouwden Mahomet en de Muzelmannen, die sedert hunne vlucht uit _Mekka_ niet ter bedevaart naar den heiligen tempel waren geweest, het als plicht, dit te bewerkstelligen. Mahomet deed daartoe de KoreÔshieten verlof vragen, tegelijkertijd verklarende, dat zijne bedoelingen vredelievend waren, hetzij nu dat hij werkelijk geene andere voornemens koesterde, hetzij dat hij op eenige gunstige gebeurtenis wachtte, om zich van _Mekka_ meester te maken, bij gelegenheid dat hij deze bedevaart zou houden aan het hoofd der Muzelmannen, bij welke zich de Arabieren zouden hebben gevoegd, welke nog den afgodendienst waren toegedaan. Maar de KoreÔshieten lieten zich niet gemakkelijk belezen om dat verlof toe te staan, en al de stappen door Mahomet gedaan, hadden alleen tot uitslag, het sluiten eener overeenkomst, welke als eene zedelijke nederlaag kan worden beschouwd. Deze overeenkomst bepaalde: 1∫. een tienjarig bestand zal getrouwelijk tusschen de Muzelmannen en de KoreÔshieten in acht worden genomen; 2∫. ieder persoon die de KoreÔshieten mocht verlaten, om, zonder verlof zijner hoofden, tot Mahomet over te gaan, zal aan de KoreÔshieten uitgeleverd worden; 3∫. zij die van Mahomets partij tot die der KoreÔshieten mochten overgaan, zouden niet uitgeleverd worden; 4∫. den Arabischen stammen wordt vrijheid gelaten, zich met de KoreÔshieten of met de Muzelmannen te verbinden; 5∫. Mahomet en de zijnen zullen onmiddellijk zich uit den omtrek van _Mekka_ terugtrekken; 6∫. het volgende jaar zullen zij den _Caaba_ kunnen bezoeken, maar zij zullen er niet langer dan drie dagen blijven, en geene andere wapens dragen dan hunne sabels, die zij niet uit de scheede zullen trekken. Deze overeenkomst, waarin het gewone verschijnsel--overmoed tegen de zwakken, kruipen voor de sterken zichtbaar was--mishaagde den Muzelmannen zeer, maar Mahomet deed, vooral ten aanzien der artikelen 2 en 3, opmerken, dat God degenen niet zou verlaten, welke aan de KoreÔshieten mochten worden overgeleverd, en wat diegenen betrof, welke tot de afgodendienaars mochten overgaan, dat het openlijke verlaten door eenige huichelaars veeleer voor- dan nadeel was. Deze overeenkomst werd gesloten te _HodaÔbiia_.

Voor dat jaar moest Mahomet van de bedevaart naar _Mekka_ afzien, en zelfs weinig tijds na het sluiten der overeenkomst, toen een KoreÔshiet tot den Islam overging en door zijne hoofden opgeÎischt werd, haastte zich Mahomet om hem uit te leveren, waarover de Muzelmannen zeer misnoegd waren; maar hij deed het stilzwijgen der overeenkomst ten aanzien der vrouwen gelden, toen eenige vrouwen na het verlaten van _Mekka_ in zijn kamp den Islam kwamen omhelzen, en gaf haar niet aan hare mannen terug, die haar kwamen opeischen. In hetzelfde jaar, het zesde der _hedjira_, zond Mahomet een' gezant aan den koning van _PerziÎ_, om bij hem aan te dringen tot het aannemen van zijn godsdienst. De brief dien hij CosroÎs toezond, begon met de volgende woorden: Mohammet zoon van Abdallah, gezant van God, aan Kesra (CosroÎs), koning van _PerziÎ_. Men kan begrijpen met welke verachting dat schrijven door de Perzianen ontvangen moet zijn, als men weet, dat deze al de Arabieren als een lomp en barbaarsch volk beschouwden, dat ten deele aan de macht van _PerziÎ_ onderworpen was. De koning en de koningin verscheurden Mahomets brief. Toen deze het vernomen had, riep hij uit: "Dat God zijn rijk verscheure!" en deze vloek werd aangezien als een onfeilbaar voorteeken van den spoedigen val der Perzische monarchie. Die voorzegging werd echter eerst in het achttiende jaar der _hedjira_ onder het khalifaat van Omar vervuld.

Volgens de Muzelmansche geschiedschrijvers werden de gezantschappen, die door Mahomet aan den koning van _Abysenie_ en den gouverneur van _Egypte_ werden gezonden, met eerbied ontvangen. Het zevende jaar der _hedjira_ werd door eene belangrijke overwinning gekenmerkt en wel door die op de Joden van _KhaÔbar_, eene stad die door onderscheidene forten verdedigd werd, en die drie of vier dagreizen van _Medina_, te midden eener vruchtbare landstreek was gelegen. Mahomet toog naar _KhaÔbar_ aan het hoofd van veertien honderd man, waarbij twee honderd ruiters. Het beleg duurde omstreeks twaalf dagen, en de Muzelmannen vonden er een' krachtigen tegenstand; maar na eenige hardnekkige gevechten, in welke Ali, Mahomets schoonzoon zich onderscheidde, werden al de forten, het een na het andere ingenomen, en daardoor de macht der Joden van _KhaÔbar_ vernietigd. Maar aangezien zij aan hun land waren gehecht, bleven zij in het bezit er van; dit was echter niet langer als eigenaars, maar als pachters der Muzelmannen, en dit tengevolge eener met Mahomet gesloten overeenkomst. Deze wederrechtelijke en door niets te weeg gebrachte nederlaag der IsraÎlieten, deed bij eene van Mahomets vrouwen, die ook tot dezen godsdienst behoorde, de zucht ontstaan haar landgenooten te wreken. Zij gaf hem daarom een stuk vergiftigd schapenvleesch te eten, en alleen ternauwernood was het, dat hij aan den dood ontsnapte.

De overmeestering van _KhaÔbar_ werd door die van _Fadak_ gevolgd, zijnde dit een vlek dat tot _KhaÔbar_ behoorde. Mahomet maakte _Fadak_ tot zijn bijzonder eigendom, hetwelk aan zijn dochter Fatima overging, die met Ali gehuwd was. De IsraÎlieten van _Wadi-l-Kora_ ondergingen hetzelfde lot, en die van _Taima_, op de grenzen van _SyriÎ,_ achtten het voorzichtig, eene onvermijdelijke vernieling voor te komen, en zonden hunne onderwerping aan Mahomet in. In hetzelfde jaar zond de nieuwe profeet een' gezant aan keizer Heraclius [19] die zich toen, bij zijn terugkeer van den veldtocht naar _PerziÎ_, in _SyriÎ_ bevond. De Muzelmansche levensbeschrijvers zeggen, dat Heraclius den Muzelmansche gezant met onderscheiding ontving; maar de gezantschappen die Mahomet aan twee Ghassanidisch-Arabische vorsten zond, welke leenmannen van het Romeinsche keizerrijk waren, werden met verontwaardiging en verachting ontvangen; in zijne brieven had Mahomet hen uitgenoodigd, het Islamisme te omhelzen.

Op het einde van het zevende jaar der _hedjira_ (629), hetgeen het tijdstip was voor de bedevaart naar _Mekka_, vastgesteld in de overeenkomst, die in het vorige jaar met de KoreÔshieten gesloten was geworden, kon Mahomet eindelijk de gelofte van het bezoeken der heilige plaatsen volbrengen, en hij volbracht haar op vreedzame wijze. Hij trok _Mekka_ binnen, te midden van een grooten toeloop van afgodendienaars. Hij zat op zijn wijfjes-kameel _Koswa_ en werd omringd door zijne leerlingen, die te voet waren en de sabel op zijde hadden. Hij nam al de godsdienstgebruiken waar, en wel niet alleen diegene, welke sedert onheugelijke tijden ingesteld waren, en door niets gekenmerkt werden wat naar afgoderij geleek, maar ook die, welke hij, in zijne hoedanigheid van apostel, zelf pas had ingesteld. De zeven omgangen rondom den _Caaba_, de zeven gangen tusschen de heuvels van _Safa_ en _Merwa_, het slachten der offers in de vallei van _Mina_ en het Muzelmansche gebed, dat door zijn bijzonderen uitroeper aangekondigd werd, kortom alles had vreedzaam en in ongestoorde orde plaats; maar de KoreÔshieten stonden er op, dat hij, onmiddellijk na het verblijf van drie dagen, dat door de overeenkomst was bepaald, vertrekken zou, en wilden zelfs niet de uitnoodiging aannemen tot een gastmaal, dat Mahomet hun voor zijn vertrek wenschte te geven.

Tengevolge van dien vreedzamen tocht, welke Mahomet wist dienstbaar te maken aan het vermeerderen zijns aanziens in de oogen der Arabieren, en die oorzaak werd dat er vele en belangrijke bekeeringen plaats hadden, ondernam de profeet der Arabieren, die reeds door den glans eens vorsten omringd was, een' krijgstocht tegen het Romeinsche keizerrijk, of om beter te zeggen tegen de Ghassanidisch-Arabische vorsten, die aan de Romeinen schatplichtig waren, en door Romeinsche troepen ondersteund werden. Een Muzelmansch leger, drie duizend man sterk en door zijn' vrijgemaakten slaaf SeÔd aangevoerd, toog naar _Moeta_, een vlek in het zuid-oostelijke uiteinde van _SyriÎ_, en had daar bloedige gevechten te bestaan tegen de Arabieren en Romeinen, die veel sterker in getal waren. De uitslag van dien oorlog was voor de Muzelmannen noodlottig. Nadat zij achtereenvolgens twee opperbevelhebbers hadden verloren, waren zij genoodzaakt naar _Medina_ terug te trekken. Intusschen deed dat verlies Mahomets macht niet verzwakken; want eenige Bedouynsche stammen haastten zich het Islamisme te omhelzen en zich onder zijne banier te scharen; daaronder behoorde de stam _Abs_, waartoe de vermaarde held Antara [20] had behoord. Mahomet, welke de afgezanten van dien stam ontving, zeide hun dat Antara, voor eenige jaren gestorven, de Bedouynsche held was, welken hij het sterkst had verlangd te zien. Om al den voorspoed in ArabiÎ de kroon op te zetten, ontbrak Mahomet nog maar de vermeestering van _Mekka_. Daartoe deed zich in het achtste jaar der _hedjira_, eene gunstige gelegenheid op, toen de stam _Khozaa_, die Mahomets bondgenoot was door de overeenkomst, twee jaren vroeger te _HodaÔbiia_ geteekend, door den stam _DoÔl_ (bondgenoot van _Mekka_) en door die van _Mekka_ zelven werd aangevallen. Mahomet achtte zich daarvoor van alle verplichtingen ontslagen, en besloot dadelijk de meeste partij van die breuk te trekken; daarom wees hij de openingen der KoreÔshieten af, ten aanzien eener voldoening en eener schikking. Hij vertrok uit _Medina_ op den 10den dag der _ramadhan_ van het achtste jaar der _hedjira_ (630) aan het hoofd der _Ansar_ en der _Moehadjir_, en waarbij onderweg zich de stammen kwamen voegen, die kortelings tot zijne leer waren overgegaan. Volgens Mahomets geschiedschrijvers beliep dat leger tien duizend man. Tien dagen later trok het Muzelmansche leger de heilige stad binnen, zonder dat er eenige verdediging plaats had en zelfs zonder veel wederstand; zÛÛ geheim had men den beraamden tocht weten te houden, en zÛÛ snel waren de bewegingen geschied; maar een troep KoreÔshieten, die de Muzelmansche voorhoede bij het intrekken van _Mekka_ aanviel, werd nedergesabeld en alleen Mahomets spoedige aankomst op de slagplaats was in staat, een groot aantal schuldelooze offers te sparen. Zeventien bewoners van _Mekka_ werden van de algemeene kwijtschelding uitgesloten, en Mahomet gaf verlof hen te dooden, al waren zij ook in den _Caaba_ verborgen. Mahomet begaf zich dadelijk naar den tempel, ging er zevenmalen omheen, en raakte met eerbiedigheid den zwarten steen met zijn' _mihdjan_ aan, zijnde dit een staf, die aan het eene einde omgebogen was. Hij vroeg vervolgens den sleutel van den tempel en drong in het binnenste door. Hij zag er beelden en voorstellingen van engelen, die op de muren geschilderd waren, eene houten duif die aan de zoldering was opgehangen en die vermoedelijk ontleend was, hetzij aan de Oud-Testamentaire vrededuif, aan de duif der Samaritanen, of misschien aan het zinnebeeld van het Nieuwe Testament; voorts een beeld, hetwelk men zeide dat van Abraham te zijn, en hetwelk de pijlen in de hand had, door middel van welken de Arabieren gewoon waren het lot te raadplegen. In den tempel waren drie honderd zestig afgodsbeelden vereenigd; naarmate Mahomet deze voorbijging, hief hij zijn _mihdjan_ op, en na dat teeken verbrijzelde men die terstond, terwijl hij de woorden sprak: "De waarheid verscheen en de logen verdween." Op het middaguur klom zijn bijzondere uitroeper, Belal genaamd, op den _Caaba_ en verkondigde het uur van het gebed.

Denzelfden dag werd de geheele bevolking van _Mekka_ verwittigd, dat zij zich had te begeven naar den heuvel _Safa_, om den profeet te erkennen en hem den eed van gehoorzaamheid _bi'at bi'a_ te doen, welke daarin bestond, dat een ieder Mahomet de hand moest geven. Bij die gelegenheid was Omar Mahomets vertegenwoordiger; hij stak elk der omstanders de hand toe, terwijl Mahomet op een' verheven zetel geplaatst was. Na de mannen, werden de vrouwen toegelaten, om evenzeer den eed te doen; zij beloofden, noch schelmerij, overspel, hoererij noch kindermoord te plegen, en zich aan geen liegen of kwaadspreken schuldig te maken.