De Koran Voorafgegaan Door Het Leven Van Mahomed Eene Inleiding

Chapter 3

Chapter 33,271 wordsPublic domain

De oude schriften der Himyarieden (van _Yemen_) waren bijkans verloren gegaan; die der Hebreeuwen en der SyriÎrs gingen alleen de IsraÎlietische Christelijke Arabieren aan, en datgene wat bekend is onder den naam van _Dejzm_, en in _Mekka_ weinig tijds voor Mahomets geboorte werd ingevoerd, was alleen aan een klein getal bekend. De Arabieren der woestijn kenden derhalve geene andere bezigheid dan den oorlog, geene andere geschiedenis dan die van hunne geslachtsrekening. Zij bekreunden zich dan ook om niets dan om hunne kudden schapen en kameelen; zij beoefenden geene andere kunsten dan de dichtkunst en hunne taal, die buigbaar, bovenal zeer rijk en, naar men zou zeggen, sedert hare geboorte aan zeer vaste regels gebonden was. Ten tijde van Mahomet bestonden de hartstochten, zeden en gebruiken der Arabieren in dobbelspelen, het dikwijls onmatig gebruik van wijn, de veelwijverij, welke overigens aan alle volken van het Semitische ras gemeen was, het sluiten van huwelijken, die elders voor bloedschande werden gehouden; in liefdesavonturen en persoonlijke wraakoefeningen, die dikwijls in hardnekkige oorlogen tusschen geheele stammen ontaardden; het gebruik om de meisjes levend te begraven, ten einde zich zoo van vele monden te ontdoen, die in tijden van schaarschte overbodig zouden zijn; het stelen en rooven, dat dikwijls met gastvrijheid en edelmoedige vormen gepaard was. Op dat tijdstip werd de aldus gevestigde Arabische maatschappij door niets ter wereld tot eenige daad naar buitengedreven. In zulke oogenblikken van kalmte heeft de maatschappij meer tijdruimte om in eigen boezem te zien. Zoowel het Joden- als het Christendom maakten weinig proselieten, maar beiden traden vrijelijk op en predikten, juist onder begunstiging van de godsdienstige onverschilligheid of den twijfel, die meer verbreid was dan men wel denkt. Juist uit die innerlijke werking eener heidensche maatschappij heeft het voorgevoel kunnen ontstaan van eene op handen zijnde hervorming, welke door eenige schrijvers ten tijde van Mahomet werd aangeduid, maar welke ons toeschijnt, noch aan dat tijdstip eigen, noch genoegzaam betoogd te zijn. Mahomet was niet de eenige die zich door den beklagenswaardigen, zedelijken toestand der Arabieren getroffen voelde, maar hij was de eenige, die de vastberadenheid bezat en vooral de roeping gevoelde, daarin verandering te brengen. Indien men op de overlevering afgaat, die uit zijn eigen verhaal is geput, dan openbaarde zich dat besluit in hem als een plaatselijke lichtstraal. Mahomet, die ernstig van aard was en van nature tot peinzen overhelde, dwaalde dikwijls in de ravijnen rond die nabij _Mekka_ lagen, en werd toen ongetwijfeld reeds door het denkbeeld beheerscht, dat God uit het binnenste eens bergs tot hem zou spreken, even als tot Mozes, over wien hij op zijne reize naar SyriÎ, of in zijne gesprekken met de Joden en de Christenen, of wel met een' Arabier--Waraka, zoon van Nowval, een neef van Khadidja--een man die, gelijk wij boven zeiden, in de schrift bedreven was [9], had hooren spreken. Tot dien tijd kon hij ter goeder trouw wezen.

Hij had de gewoonte de maand _ramadhan_ op den berg _Hira_, nabij _Mekka_, in afzondering door te brengen. Op zekeren nacht (in December 610 of Januari 611), zond Khadidja, toen zij hem niet meer naast zich vond, bedienden uit om hem op te zoeken. Ondertusschen kwam Mahomet terug en verhaalde haar het volgende: "Ik lag in diepen slaap, toen een engel mij in droom verscheen. Hij hield een stuk zijden stof in zijne handen dat met schriftkarakters bedekt was; hij bood het mij aan met de woorden: '_Lees!_'--_Wat zal ik lezen?_ vroeg ik. Hij omwikkelde mij toen met die stof en herhaalde zijn gezegde _'Lees!'_ Ik herhaalde mijne vraag; _Wat zal ik lezen?_ Hij antwoordde: _'Lees! In den naam van den God die alle dingen heeft geschapen, lees; bij den naam van uwen Heer, die edelmoedig is; Hij is het die het schrift onderwezen heeft. Hij heeft den mensch geleerd wat deze niet wist'_ [10]. Ik sprak die woorden na den engel uit en hij verwijderde zich. Ik ontwaakte en ging uit om naar de berghelling te gaan. Daar hoorde ik boven mijn hoofd eene stemme die sprak: 'O Mahomet! _gij zijt de gezant van God en ik ben_ GabriÎl.' Ik sloeg de oogen op en bemerkte den engel; ik bleef onbewegelijk staan, met den blik op hem gevestigd, tot hij verdween."

Khadidja was door dat verhaal getroffen, en deelde het aan Waraka mede, van wien wij boven hebben gesproken. Sedert dien tijd ontving Mahomet, die naar _Mekka_ terug was gekeerd, gedurig goddelijke openbaringen, door tusschenkomst van den engel GabriÎl (Djebreil). De eerste zaak welke de engel hem onderwees, bestond in het gebed, door wasschingen voorafgegaan. Op zijne beurt onderwees Mahomet dit aan Khadidja, die langs dien weg de eerste proseliet van het Islamisme werd: zijn tweede bekeerling was Ali, de zoon van Aboe-Talip. Vervolgens ZeÔd of SeÔd, zijn aangenomen zoon, die de eenige van Mahomets volgelingen is, welke in den Koran wordt vermeld [11]. Bovendien wordt aangehaald Abdelcaaba, bijgenaamd _el-Atik_, (de edele), een man, wien, uithoofde zijner kennis van de Arabische geslachten, groote eerbied werd toegedragen. Hij was bekleed met een ambt van boet- of lijfstraffelijk rechter, en moest uitspraak doen in zaken van moord en boeten, en men wendde zich tot hem tot het uitleggen van droomen. Toen Abdelcaaba (dienaar van den _Caaba_) het nieuwe geloof aannam, welks grondslagen nauwelijks gevormd waren, nam hij ook den naam aan van Abdallah (dienaar Gods, en dus gelijk staande met Gottschalk en Godschalk), terwijl hij later, toen hij zijne dochter AÔcha aan Mahomet ter vrouw gaf, den naam van Aboebekr (vader der maagd) aannam. Dit nu is dezelfde, die vervolgens de eerste _Khalif_, of opvolger van Mahomet werd. De eerste bekeeringen tot het nieuwe geloof, welks voornaamste en steeds zeer gewichtig leerstuk, de volstrekte eenheid Gods was, en hetwelk de strekking had tot afschaffing der afgoderij [12] geschiedden in het geheim, en gedurende drie jaren was Mahomets zending alleen bij zijne aanhangers bekend. Dit wordt door den geloofwaardigsten geschiedschrijver van Mahomets zending gezegd. Deze omstandigheid verdient opmerking: zij verklaart ten deele het zeer treffende verschil, dat er bestaat tusschen de laatste hoofdstukken van den Koran (die, wat den stijl betreft, zeer veel overeenkomst hebben met het hoofdstuk, dat, volgens Mahomets verhaal, het eerste geopenbaard is geworden) en de hoofdstukken die, volgens de tegenwoordige redactie van den Koran, de voorste plaatsen innemen. Deze dragen den stempel van eene godsdienstige geestdrijverij, die zich in het onbepaalde uitgiet en zich aan niets stelligs hecht, terwijl de lange hoofdstukken afkomstig zijn van een' man, die met zijne tegenstanders aan het worstelen is; van een' zendeling, die voor een volk spreekt; van een' wetgever.

Op Gods stellig bevel begon Mahomet zijn' godsdienst in het openbaar te prediken. Zijn eerste predikingen wekten in den aanvang alleen spotternij en gelach op; zijne volharding, zijne lastigheid, zijne stoutmoedigheid om in den _Caaba_ zelven de vernieling der afgoden te prediken, gaf, van de zijde der Arabieren, weldra aanleiding tot beleedigingen, tegen welke hij nochtans door zijne ooms beschermd werd, hoezeer dezen het Islamisme nog niet hadden omhelsd. Mahomet had aanvallen en handtastelijkheden te verduren; somtijds dreigde men hem om te brengen; dikwijls vervolgde de samengerotte menigte hem met geschreeuw en gejouw, en men schold hem dan: logenaar, bedrieger, gek en bezetene. Tot een van die tusschengebeurtenissen zijner zending heeft hoofdst. LXXIV betrekking, dat hem geopenbaard werd om hem over dit hoonen te troosten en hem aan te moedigen, zijn' arbeid voort te zetten. Het aantal zijner aanhangers nam voortgaande toe gedurende de pelgrimsreis naar _Mekka_, toen de bedevaartgangers, die uit alle hoeken van _Arabie_ bijeengestroomd waren, en wien zijne predikingen niet onbekend konden zijn, het verhaal van deze naar hunne woonplaatsen terug brachten. Op deze wijze werd het getal zijner aanhangers te _Yathria_ (_Medina_) door nieuwe aanhangers vermeerderd, welke hem weldra tot groote hulp waren. Ten gevolge der geheime bekeeringen en der openbare predikingen zag men, gelijk dit verschijnsel bij het invoeren van nieuwe godsdiensten, ja zelfs bij wijzigingen en hervormingen van bestaande, zich altijd heeft opgedaan, dikwijls gezinnen in twee godsdienstpartijen verdeeld. In zulke gevallen baarden de vernederingen, die den lasteraar der goden kwistig werden toegevoegd, een onverzoenlijken en hevigen haat. Aangezien nochtans eenige daad van geweld, op Mahomet gepleegd, onmisbaar tot bloedvergieten zou hebben geleid, stelden eenige KoreÔshieten bij hem eene laatste poging in het werk, _Mekka_ te verlaten, of zijne predikingen te staken. Men bood hem rijkdommen en eereplaatsen in zijne geboortestad aan, en wilde eindelijk zich verbinden, de bekwaamste geneesheeren te doen komen, om hem van zijne ziekte te genezen zoo zijne handelingen inderdaad het gevolg van geestverbijstering of van den invloed des duivels waren. Tot eenig antwoord begon Mahomet, voor hen die tot hem spraken, met het opzeggen van het hoofdstuk Ha-mim: _Zie hier de openbaring, die van den grootmoedige over den barmhartige komt_, enz., zijnde hoofdstuk XLI. Toen de KoreÔshieten zagen dat zij hem niet konden overtuigen, vroegen zij hem ten minste eenige wonderwerken van God voor _Mekka_ te verkrijgen. Het antwoord door Mahomet gegeven is, in menig opzicht, hoogst opmerkelijk en spreekt te zijner gunste; want hij zeide, dat zijne zending alleen bestond in het prediken van den eeredienst aan den eenigen God, en de menschen tot de waarheid te roepen, maar dat hem het doen van wonderwerken niet gegeven was.

De KoreÔshieten, die door dit antwoord ongeduldig waren geworden, beschuldigden hem toen, dat hij alleen de weerklank van eenige Christenen was [13], en het ontbrak in _Mekka_ niet aan menschen, voor wie die voorgewende openbaringen des Hemels niets anders waren, dan een onsamenhangend weefsel van verhalen, die, Ën wat vorm Ën wat wezen betreft, veel minder beteekenden dan de godsdienstige boeken en zelfs dan de historische of poÎtische geschriften der andere volken [14]. Volgens eenige levensbeschrijvers van Mahomet, zouden de KoreÔshieten eene deputatie naar de rabbijnen van _Yathrib_ (_Medina_) hebben gezonden, om hun Mahomet af te malen, hun een kort bericht over diens godsdienst te geven en om hun te vragen wat zij er van dachten. De rabbijnen zouden, volgens die levensbeschrijvers, geantwoord hebben: "vraagt hem, wie zekere lieden der verloopen eeuwen zijn, wier voorval een wonder vormt? Wie is de man die de grenzen der aarde ten oosten en ten westen heeft bereikt? Wat is de ziel? Antwoordt hij nu," zouden zij gezegd hebben, "op die en die wijze, dan is hij werkelijk een profeet, zoo niet, dan is hij een bedrieger." Toen de afgezondenen te _Mekka_ terug waren gekeerd, deden zij Mahomet de drie vragen; hij beloofde des anderen daags te antwoorden, maar uithoofde hij vergeten had daarbij te voegen: _als het Gode behaagt_, strafte God hem en deed hem veertien dagen op die openbaring wachten, gedurende welken tijd de ongeletterde man daarop eenig antwoord wist in te winnen. Na verloop van veertien dagen eindelijk antwoordde hij door de geschiedenissen der zeven slapers en van Alexander _de Groote_ (hoofdstuk XVIII). Wat de vraag ten aanzien der ziel betrof, antwoordde hij, juist ter snede, dat God alleen wist, wat deze was [15]. Zijne levensbeschrijvers zeggen, dat die zegepraal van Mahomet op de ongeloovigen de teleurstelling en wrok der KoreÔshieten ten top voerde, en zij toen een' ieder verboden, de predikingen des profeets aan te hooren. Door de strenge maatregelen die men tegen de aanhangers van den nieuwen eeredienst nam, werd een zeker aantal (in het vijfde jaar van Mahomets zending, zijnde in het jaar 615) weldra gedwongen, _Mekka_ te verlaten en een toevluchtsoord in _AbyssiniÎ_ te zoeken. Daar werden zij met welwillendheid door den koning van _AbyssiniÎ_ ontvangen, die christen was. Spoedig werd de eerste landverhuizing door eene tweede gevolgd: in het geheel bedroegen die twee groepen honderd vijftien personen van beiderlei geslacht. De KoreÔshieten zonden eene deputatie naar _AbyssiniÎ_, om de uitlevering dier uitgewekenen te vragen; maar de koning weigerde dit, terwijl hij hun gedrag in zoodanige uitdrukkingen lof toezwaaide, dat zij, volgens de Muzelmansche geschiedschrijvers, tot een bewijs konden strekken voor zijn heimelijk overhellen naar den Islam.

De partij van den nieuwen eeredienst werd op dat tijdstip onvoorziens versterkt, door dat er zich een man bijvoegde, die sedert in de Mohammedaansche jaarboeken zeer vermaard is geworden, en welke, meer dan al de anderen, bijdroeg, om dezen eeredienst te verbreiden. Dit was Omar, de zoon van Khattar, die, even als zijn vader, aanvankelijk Mahomet zeer vijandig was en, uithoofde van zijnen moed en zijne hevigheid, zich bij de Muzelmannen zeer gevreesd had gemaakt. De Islam had in zijne familie, en vooral bij de vrouwelijke leden, toegang gevonden. Onder deze was Fatima zijne zuster; maar de vrees voor haren broeder gaf haar aanleiding om den Koran niet anders dan in het geheim te lezen. Op zekeren dag verraste Omar haar te midden van dat lezen, en vervoerd door toorn kwetste hij haar. Op het zien van het vloeien des bloeds zijner zuster bedaart hij eensklaps; daarop doet hij zich eenige verstrooide bladen van den Koran toonen; hij staat opgetogen van bewondering, is tegelijk verteederd, en begeeft zich dadelijk tot Mahomet, om in zijne handen belijdenis van het Muzelmansche geloof af te leggen. Al die gelukkige gebeurtenissen wekten bij den grooten hoop der KoreÔshieten zwaren wrok op twee takken van den stam, namelijk die der _Hachim_ en die der _Mottalib_, welke uithoofde hunner verwantschap met Mahomet, hem een' machtigen steun gaven. Er werd een verbond tegen die twee takken gevormd, met het doel, hen van alle burgerlijke en handelsbetrekkingen uit te sluiten, en deze soort van ban werd geschreven door eene, op perkament geschreven acte, die in den _Caaba_ nedergelegd werd. Deze maatregel baarde aan de beide in den ban gelegde takken ernstige ongerustheid ten aanzien van hunne veiligheid. Zij besloten derhalve, op een enkel punt van _Mekka_ samen te trekken, in plaats van, gelijk tot hiertoe het geval was geweest, huizen te bewonen, die door de stad verspreid waren. Dit gebeurde in het zevende jaar van Mahomets zending.

Deze staat van vijandelijkheid in de Muzelmansche of niet-Muzelmansche gezinnen der KoreÔshieten, duurde tot in het tiende jaar der zending; toen besloot men eene verzoening te bewerken; maar op zekeren dag, terwijl men over deze zaak beraadslaagde, verscheen Aboe-Talib, de oom van Mahomet, en verkondigde aan de afgoden-dienende KoreÔshieten, dat Mahomet door eene openbaring vernomen had, dat de acte van het verbond, die in den _Caaba_ was bewaard, door God aan de wormen ten prooi gegeven was. Men begaf er zich heen en vond, naar het bericht der geschiedschrijvers, het perkament door de wormen geheel weggeknaagd, met uitzondering der woorden: "In Uwen naam, o God," die zich aan het hoofd bevonden. Aangezien de acte nu vernietigd was, viel ook het verbond uiteen, en de gezinnen die in den ban gedaan waren, betrokken hunne oude woningen weder. Het blijkt intusschen niet, dat de afgodendienaars door die voorgewende bewijzen voor het goddelijke van Mahomets zending zÛÛ sterk getroffen zouden zijn geworden, dat zij daardoor den Islam zouden hebben omhelsd. Mahomet, die in zijn geboortestad teruggestooten werd, begaf zich naar _Taif_ eene stad die met _Mekka_ wedijverde; maar zijne predikingen ontmoetten er even sterke tegenkanting, beleedigingen en haat. Mahomet keerde toen weder naar _Mekka_ terug en gedroeg zich voorzichtiger; hij predikte toen niet meer in het openbaar en onthield zich ook van het beleedigen en bespotten der afgoden. Zijn verblijf te _Mekka_ werd nochtans steeds onhoudbaarder, vooral toen hij zich in 619 of 620, door den dood van Aboe-Talib [16] en Khadidja, van hunnen steun beroofd zag. In zulk een gevaarlijken toestand was het voor Mahomet van gewicht, eenige andere stad te vinden, die tot middenpunt voor zijnen werkkring kon dienen. Hij vond deze te _Yathrib_. Die stad was hoofdzakelijk bewoond door twee stammen van afgodendienende Arabieren en twee Joodsche stammen.

De Arabieren, die de IsraÎlieten hadden hooren spreken van de te verwachten verschijning eens profeets, welke de geheele wereld aan zijn bestuur onderwerpen zou, en waarmede deze natuurlijk den te verwachten Messias bedoelden, voelden zich niet ongeneigd, het verhaal van de predikingen, door Mahomet te _Mekka_ gehouden, gunstig op te nemen. De pelgrimstocht naar _Mekka_ bracht hen gemakkelijk in betrekking met Mahomet, en ten gevolge van eenige enkele bekeeringen van Arabieren uit _Yathrib_, begon de nieuwe eeredienst er weldra talrijke aanhangers te bezitten. In het elfde jaar van Mahomets zending, hadden twaalf personen, die van _Yathrib_ gekomen waren, met hem eene samenkomst op den berg _Akaba_, een' heuvel in de nabijheid van _Mekka_, in welke bijeenkomst hij hun de hoofdpunten van zijn' godsdienst ontvouwde en hen vermaande, die te volgen. Deze bijeenkomst is bekend onder den naam van _de eerste eed van Akaba_, omdat die twaalf personen daar zwoeren, de voorschriften door Mahomet ingeprent te volgen. Op dat tijdstip zijner zending vergde hij van zijne bekeerlingen nog niet, zich ter verdediging van zijn godsdienst te wapenen, maar het duurde niet lang of zij verbonden zich daartoe, en wel bij de volgende gelegenheid: in het volgende jaar, zijnde het twaalfde zijner zending, of het jaar 622, begaf eene karavaan van de inwoners van _Yathrib_ zich naar _Mekka_; zij was samengesteld uit Muzelmannen en afgodendienaars. Onder begunstiging van den nacht, toen de afgodendienaars in diepen slaap waren gedompeld, hadden de Muzelmannen eene geheime samenkomst met Mahomet; daarin beloofden zij hem te ondersteunen en eene schuilplaats te verleenen, ja zij noodigden hem zelfs, zich bij hen te komen vestigen. "Als wij het leven voor u laten, wat zal dan onze belooning zijn?" vroegen zij hem. "Het Paradijs!" antwoordde Mahomet--"Maar als wij tot het welgelukken uwer onderneming bijdragen, zult gij ons dan niet verlaten om naar _Mekka_ terug te keeren?"--"Nooit! Ik zal bij u leven en sterven!" hernam hij, en deze belofte werd met een' handslag bezegeld. Tot eer van Mahomet dient men hier te doen opmerken dat deze belofte nimmer door hem gebroken, maar met de meeste eerlijkheid gehouden is, (wat ook de geschiedenis bevestigt) welke gronden en omstandigheden hem later daartoe ook mochten hebben uitgelokt. Dit was _de tweede, of groote eed van Akaba_ ook de _eed der vrouwen_ genoemd. Welke pogingen men ook moge hebben aangewend, om het verbond met de Arabieren van _Yathrib_ zeer geheim te houden, werd het echter aan de KoreÔshieten bekend, waarop deze besloten, zich van Mahomet te ontdoen. Nademaal Mahomet de mogelijkheid voorzag, dat er geweldige maatregelen konden worden genomen, drong hij bij vele Muzelmannen van _Mekka_ aan, naar _Yathrib_ uit te wijken. Deze Muzelmannen zijn bekend onder den naam van _moehadjirs_ (uitgewekenen). Mahomet zelf, eindelijk, wist de waakzaamheid zijner vijanden te ontgaan, die al zijne stappen bespiedden, en verliet _Mekka_ in de eerste helft van Juni des jaars 622 [17]. Deze vlucht, _hidjret_ genaamd, waarvan wij _hedjira_ of _hegira_ hebben gemaakt, is het aanvangspunt der Mahomedaansche jaartelling. Deze is nochtans zeventien jaren later, onder den Khalif Omar ingesteld. Op zijne vlucht werd Mahomet door Aboe Bekr vergezeld. De twee vluchtelingen, die door een' troep KoreÔshieten vervolgd werden, verborgen zich in eene grot van den berg _Thour_, op drie mijlen zuidelijk van _Mekka_ gelegen. Reeds maakten de KoreÔshieten, die hem vervolgden, zich gereed om er binnen te dringen, toen zij bemerkten, dat eene duif aan den ingang van het hol twee eieren had gelegd, en eene spin haar webbe had gesponnen. Daaruit maakten zij op, dat niemand kort geleden in die grot kon zijn doorgedrongen en verwijderden zich [18]. Mahomet kwam na eenige omwegen, ten noorden van _Mekka_, op den weg naar _Yathrib_, waar hij in het begin van Juli 622 aankwam, nadat hij te _Koba_, een dorp op twee mijlen afstands van _Yathrib_, den eersten steen voor de eerste Muzelmansche moskee had gelegd.

Dadelijk na zijne aankomst te _Yathrib_, begon hij eene moskee te bouwen en vestigde zijne woonplaats in die stad, welke van dien tijd _Medinet-en-nabi_ (stad van den profeet) of _el-Medineh_ (de stad), _Medina_ begon genoemd te worden. De twee Arabische stammen van _Yathrib_, die, na jaren van haat en oorlog, door den Islam verzoend waren, ontvingen de benaming van _ansar_ (helpers, bondgenooten), zoodat Mahomets aanhangers op dit tijdstip bestonden uit de _moehadjirs_ (uitgewekenen van _Mekka_) en de _ansar_ (van _Medina_), die allen begrepen werden onder den naam van _ashab_ (gezellen).

De Muzelmannen die zich op deze wijze te _Medina_ kwamen vestigen, waren niet aan de genade der inwoners overgegeven; maar om hunne veiligheid nog beter te verzekeren, sloot men eene overeenkomst, waarbij hunne wederzijdsche betrekkingen en hunne rechten werden vastgesteld.