De koraal-eilanden: fragment uit het dagboek van een natuuronderzoeker De Aarde en haar Volken, 1875
Part 2
Bij het eiland Bora-Bora, bij voorbeeld, in de Stille Zuidzee, is de koraalbank in land veranderd; maar de witte lijn van hooggaande schuimende branding, hier en daar afgebroken door kleine, lage, onzamenhangende eilandjes, met kokosboomen beplant, vormt een scherpe scheiding tusschen de donkere golven van den oceaan en de kalme oppervlakte van het binnenkanaal, waarvan de heldere wateren een strook alluviaal-grond besproeien, uitgedost met de rijkste en weelderigste scheppingen der keerkringen. Deze strook lands, prijkende in de schitterendste kleurenpracht, ligt aan den voet van steile en woeste rotsen en bergen, die het middelpunt des eilands innemen.
Deze gordels van koralen verschillen onderling zeer in lengte. Het koraalrif, dat de kust van Nieuw-Caledonië aan de eene zijde omgeeft, heeft eene uitgestrektheid van niet minder dan honderddertig tot honderdveertig mijlen. Elk rif omvat, op ongelijke afstanden, een, twee of meer rotsige eilanden van ongelijke hoogte; in een dezer riffen telt men ongeveer een dozijn zulke eilandjes.
Niet minder ongelijk is de diepte van het kanaal; gemiddeld bedraagt zij van tien tot dertig vademen, maar somwijlen daalt de bodem tot zes-en-vijftig vademen. Aan de binnenzijde loopt het rif doorgaans met zachte glooiing in het kanaal of de lagune af; zeer zelden daalt het loodrecht naar beneden, als een muur van twee- of driehonderd voet. Even als bij de attolen stijgt ook hier, aan de buitenzijde, de steile rots, van den bodem der zee, loodrecht naar boven. Verwonderlijk schouwspel! Wij zien een eiland, als eene sterke vesting op een hoogen onderzeeschen berg gebouwd, beschermd door een reusachtigen wal van koraalrotsen, altijd aan de buitenzijde steil afvallende, waarvan de top een breed terras vormt, en waarin van afstand tot afstand, wijde openingen zijn gelaten, om vaak zelfs den grootsten schepen toegang te geven tot de breede kalme grachten.
Wat overigens het koraalrif zelf betreft, bestaat er, wat gedaante en constructie aangaat, hoegenaamd geen onderscheid tusschen een attol en zulk een bank. Zoo als de geograaf Balbi zeer te recht opmerkt, is een eiland, door een koraalbank omsloten, niets anders dan een attol, uit welks lagune een tweede eiland oprijst; denk u dit laatste weg, en ge hebt een zuiveren attol.
Eindelijk moeten wij nog melding maken van de zoogenoemde koraalbanden, die de eilanden en vastelanden omgeven, wanneer zij niet omzoomd zijn met alluviaal terreinen. Daalt de bodem plotseling in zee af, dan vormen die smalle riffen, nauwelijks eenige ellen van het strand verwijderd, als het ware een lint of franje langs de kust. Loopt het strand met zachte glooiing naar beneden, dan strekt het rif zich verder uit; somwijlen zal het zich tot een à twee kilometers van den oever verwijderen; dan kan men zich door peilingen overtuigen, dat aan de buitenzijde van het rif de helling van den bodem zich voortzet, daar het koraal nooit dieper daalt dan dertig el beneden de oppervlakte der zee. Ook zulk een rif verschilt niet wezenlijk van de attols of de koraalbanken; daar zulke banken echter smaller zijn, hebben zij ook minder eilanden gevormd. De ontwikkeling der koralen, altijd het sterkste aan de buitenzijde, en het terugvallen der bezinksels steeds aan de binnenzijde, werken samen om den buitenrand van het rif meer te verhoogen; tusschen den koraalband en den oever bevindt zich een kanaal van eenige voeten diepte, met zandigen bodem.
Elke theorie omtrent de vorming der koralen, die het ontstaan der strandriffen, der koraalbanden en der attolen onverklaard laat, moet als onvoldoende worden afgewezen. Onze onderzoekingen hebben er ons toe geleid, de voortdurende verlaging aan te nemen van uitgestrekte oppervlakten van den zeebodem, waar nu nog duizende eilanden gevonden worden, die zich niet boven het peil verheffen, waarop wind en golven zand en andere voorwerpen kunnen opwerpen, en die toch het werk zijn van zoophyten, welke niet beneden zekere, vrij beperkte diepte kunnen leven en arbeiden. Stellen wij dat een eiland, door een ring van riffen omgeven, langzamerhand daalt, of wel plotseling eenige voeten zakt, dan zullen de koralen, door de branding der zee besproeid, en krachtig in hunne ontwikkeling bevorderd door den geweldigen schok der hooggaande golven, die hun voedsel aanvoeren, weldra weder de oppervlakte hebben bereikt. Daar intusschen het water voortdurend verder op het strand dringt en het eiland altijd lager en lager zakt, en dus gaandeweg in omvang afneemt, zal de ruimte tusschen het strand en het rif steeds grooter worden; en het aldus gevormde breede kanaal zal meer of minder diepte hebben, naar gelang van de daling van den grond, de opeenhooping van bezinksels, en de ontwikkeling der fijn getakte koralen, de eenigen, die in deze lagunen leven kunnen. Zoo verklaart het zich, dat bij het terugtrekken van het strand, de riffen die den oever omgorden, hoewel nu daarvan losgemaakt, toch de gedaante behouden der kust, waar omheen zij gewrocht zijn; zoo worden de banden van koraal strandriffen, die somwijlen tot vijftien mijlen van de achterliggende kust verwijderd zijn.
Is het nu, in plaats van een eiland, een groot vast land, dat deze daling ondergaat, dan herhaalt zich hetzelfde verschijnsel, maar op grooter schaal. De bergen worden langzamerhand eilandjes, op grooten afstand omringd door het koraalrif, dat, wanneer eindelijk ook de bergtoppen zelven onder de golven verdwijnen, in een attol verandert, dat als een reuzenring een onmetelijken vijver omsluit.
Tot dusverre de beschouwingen van Darwin, die vooral ook over het ontstaan der koraalbanken en riffen een nieuw licht heeft doen opgaan. Het zal wellicht onzen lezers niet ongevallig zijn, iets naders omtrent deze wonderlijke koraalformatiën te vernemen.
Zoo als bekend is, bevat het zeewater ongeveer 3 1/2 pct. vaste stoffen, namelijk kalkzouten, kalium, kiezelzuur, jodium, enz. Hoewel nu de hoeveelheid dezer stoffen op zich zelve uiterst gering is, spelen zij toch, en met name de kalk en kwarts, eene zeer groote rol. Wieren en zeeplanten nemen kalk, kwarts, kalium- en jodiumverbindingen, uit het water, in hare bewerktuigde weefsels op; weekdieren, polypen en schaaldieren maken van kalk en kwarts hunne schelpen, koraalstokken, schalen en schilden. Sommige koraalpolypen, voornamelijk van de geslachten Millepora, Astraea, Meandrina en Cariophyllia, leven, dicht op een gedrongen, in groote massaas nevens en op elkander; en hunne woningen, uit kalkachtige stoffen saamgesteld, vormen de koraalbanken of riffen, waarvan wij boven spraken. Zoo als wij zagen, reiken deze koralen nooit dieper dan tot omstreeks dertig el onder de oppervlakte der zee, en verheffen zij zich evenmin boven het peil van middelbaren vloed. Zij behoeven om wel te kunnen gedijen, een niet al te diepen, vasten grond, en kalkhoudend zeewater, dat echter noch slijk, noch zand moet bevatten, omdat die stoffen voor het leven der polypen schadelijk schijnen te zijn. Darwin zegt, dat de polypen die de buitenranden der riffen vormen, tot eene andere soort behooren, dan die in de lagunen of vijvers worden aangetroffen; voor de eersten is een sterk bewogen zee met felle branding, eene levensvoorwaarde; de laatsten daarentegen kunnen alleen in stil water tot ontwikkeling komen.