De Koopman van Venetië: Drama in vijf bedrijven

Chapter 6

Chapter 63,840 wordsPublic domain

GRATIANO: Smeek om verlof u op te hangen, Jood; En toch, daar uw bezit den staat verviel, Hebt ge de waarde van een strop niet meer;-- Gehangen moet ge op kosten van den staat.

DOGE: Dat gij 't verschil van onzen aard moogt zien, Schenk ik u 't leven eer gij er om vraagt. Antonio krijgt de helft van uw bezit; En de and're komt aan het gemeenebest, Die need'righeid in boete kan verand'ren.

PORTIA: Ja, voor den staat, niet voor Antonio.[60]

SHYLOCK: Neen, neem mijn leven, alles; schenk 't mij niet: Gij neemt mijn huis, als gij 't den stut ontneemt Die 't ondersteunt; gij neemt mijn leven ook, Als gij de midd'len neemt waardoor ik leef.

PORTIA: Schenkt gij hem ook een gunst, Antonio?

GRATIANO: Een worgkoord gratis; anders niet, bij God.

ANTONIO: Mijnheer de Doge en 't hof, 't behage aan u De helft hem wéér te schenken van zijn goed; Ik ben voldaan, als hij mij de and're helft In bruikleen geven wil, om bij zijn dood Het te vermaken aan den edelman Die onlangs zijne dochter stal; Nu nog twee dingen,--dat voor deze gunst, Hij zonder oponthoud een Christen wordt; En dat hij hier voor 't hof een schenking doet Van alles wat hij bij zijn dood bezit Aan zijnen zoon Lorenzo en zijn dochter.

DOGE: Dat moet hij doen, of anders trek ik weer De vrijspraak, die 'k zooeven toezegde, in.

PORTIA: Zijt gij tevreden, Jood? Wat antwoordt gij?

SHYLOCK: Ik ben tevreden.

PORTIA: Klerk, een schenkingsakte.

SHYLOCK: Ik bid u, sta mij toe van hier te gaan. Ik ben niet wel; zend de akte me achterna. En 'k zal haar teek'nen.

DOGE: Ga, maar doe 't dan ook.

GRATIANO: Twee peters zult gij hebben bij den doop; Ware ik hier rechter, tien kreegt gij er bij, Om galgwaarts u te brengen, niet naar 't vont.[61]

(SHYLOCK _af._)

DOGE: Mijnheer, 'k verzoek u bij me op 't middagmaal.

PORTIA: Ik vraag Uw Hoogheid need'rig mij te ontslaan. Ik moet vanavond nog naar Padua; En 'k ben genoodzaakt daad'lijk heen te gaan.

DOGE: Het spijt me dat uw tijd het niet gedoogt. Antonio bewijs dien heer uw dank, Want, naar mij dunkt, zijt gij hem veel verplicht.

(_De_ DOGE, _Magnifico's en Gevolg af._)

BASSANIO: Zeer waard'ge Heer, door uwe wijsheid zijn Mijn vriend en ik op dezen dag bevrijd Van zware boeten; en in ruil daarvoor Vergelden wij met drie duizend dukaten, Den Jood verschuldigd, uw beleefden steun.

ANTONIO: En bovendien zijn wij uw schuldenaars In liefde en dienst voor alle eeuwigheid.

PORTIA: Wie wel tevreden is, is wel betaald, En ik, u reddend, ben daarmeê tevreên, En daardoor acht ik mij genoeg betaald: Mijn geest was nooit op groot're winst bedacht. Ik bid u, kent mij, als we elkaar weer zien. Ik wensch u 't beste; hiermeê moet ik gaan.

BASSANIO: Ik moet het nogmaals trachten, waarde heer; Neem een herinnering aan ons, als hulde, En niet als loon: sta mij twee dingen toe, Géén weigering en wèl vergiffenis.

PORTIA: Gij dringt er zeer op aan, dus geef ik toe. Geef me _uw_ handschoenen, 'k draag ze om uwentwil; (_tot_ ANTONIO) Uit vriendschap neem ik dezen ring van _u._ (_tot_ BASSANIO.) Trek niet uw hand terug; ik neem niets meer; En uwe vriendschap weigert mij dit niet.

BASSANIO: De ring, Mijnheer? ach, 't is een bagatel; Ik zou mij schamen als ik hem u gaf.

PORTIA: Ik wil niets anders hebben dan dien ring; 'k Heb er mijn zinnen eenmaal op gezet.

BASSANIO: 't Geldt meer den ring zelf dan de waarde ervan. Den duursten in Venetië geef ik u, 'k Roep openlijk er door de stad om uit; Verschoon mij, bid ik u, nu 't dezen geldt.

PORTIA: Ik zie dat gij zeer gul met aanbod zijt; Eerst leert gij mij een beed'laar zijn, en nu Hoe men een bedelaar te woord moet staan.

BASSANIO: De ring werd mij geschonken door mijn vrouw; Bij 't aandoen zwoer ik haar dat ik hem niet Verkoopen, geven of verliezen zou.

PORTIA: Zoo spreekt wel menig man die liefst niets geeft. Indien uw vrouw niet gansch dolzinnig is, En weet hoe goed ik dezen ring verdien, Dan is zij niet voor altijd boos op u, Omdat ge mij hem gaaft. Nu vaar gij wel.

(PORTIA _en_ NERISSA _af._)

ANTONIO: Mijnheer Bassanio, schenk hem den ring; Laat zijn verdienste en mijne vriendschap ook, Meer gelden dan 't bevel van uwe vrouw.

BASSANIO: Ga, Gratiano, loop en haal hem in; Geef hem den ring; en breng hem, zoo gij kunt, Meê naar Antonio's huis:--Voort! haast u wat.

(GRATIANO _af._) Kom, laten wij daar daad'lijk henen gaan; En in den vroegen morgen zullen wij Naar Belmont vliegen: kom, Antonio. (BEIDEN _af._)

TOONEEL II.

_Venetië. Een Straat._

NERISSA _en_ PORTIA _komen op._

PORTIA: Zoek 't huis op van den Jood, geef hem dit stuk, En laat hem teek'nen. Wij vertrekken straks, En zijn een dag vóór onze mannen thuis. Deze akte zal Lorenzo welkom zijn.

GRATIANO _komt op._

GRATIANO: 'k Heb u gelukkig ingehaald, mijnheer: Bij nader inzien zendt Bassanio U dezen ring en vraagt of gij met hem Wilt middagmalen.

PORTIA: Neen, dat zal niet gaan: Ik ben hem zeer, zeer dankbaar voor zijn ring, En 'k bid u, zeg hem dat. Wees thans zoo goed, En wijs mijn klerk waar de oude Shylock woont.

GRATIANO: Zeer gaarn.

NERISSA: Mijnheer, ik wilde u even spreken:-- (_tot_ PORTIA) 'k Zal zien of ik den ring krijg van mijn man, Dien hij mij zwoer nooit weg te zullen doen.

PORTIA: Ik wed dat gij het kunt. Wat zullen zij Nu zweren dat zij hem aan mannen gaven! Wij zullen echter hun te slim af zijn. Voort, haast u wat; gij weet waar ik u wacht.

NERISSA: Kom, waarde Heer, en wijs mij nu het huis. (_Allen af._)

VIJFDE BEDRIJF

TOONEEL I.

_Belmont. Een Laan naar Portia's Buiten._

LORENZO _en_ JESSICA _komen op._

LORENZO: De maan schijnt klaar:--in zulk een zomernacht, Toen zoele wind de boomen zachtjes kuste, Zoodat geen ruischen klonk,--in zulk een nacht Klom Troilus, naar ik meen, op Troje's muur, Zijn ziel uitzuchtend naar het Grieksche kamp, Waar Cressida toen sliep.

JESSICA: In zulk een nacht Ging Thisbe angstig tripp'lend op den dauw; En zag vooruit de schaduw van den leeuw, En liep verschrikt van daar.

LORENZO: In zulk een nacht Stond Dido met een wilgentak omhoog Op 't wilde strand, en wenkte tot haar lief Om weer aan wal te gaan.

JESSICA: In zulk een nacht Verzamelde Medea 't tooverkruid, Dat Aeson gansch verjongde.

LORENZO: In zulk een nacht Stal Jessica zich van den rijken Jood, Ontliep Venetië met haar roek'loos lief, En kwam op Belmont aan.

JESSICA: In zulk een nacht Was 't dat Lorenzo haar zijn liefde zwoer, Stelend haar ziel met meen'gen eed van trouw, En geen van alle waar.

LORENZO: In zulk een nacht, Belasterde de kleine Jessica, Die snib, haar liefste' en hij vergaf het haar.

JESSICA: Ik overtroefde u, als daar niemand kwam; Maar, luister, 'k hoor de stappen van een man.

STEPHANO _komt op._

LORENZO: Wie komt zoo snel in 't stille van den nacht?

STEPHANO: Een vriend.

LORENZO: Een vriend? wat vriend? uw naam, ik bid u, vriend?

STEPHANO: Mijn naam is Stephano, en 'k meld u dat Mijn meesteres voor 't krieken van den dag Te Belmont zijn zal: nu nog doolt zij rond Langs heil'ge kruisen, waar zij knielt en bidt Voor een gelukkig huw'lijk.

LORENZO: Wie is bij haar?

STEPHANO: Haar dienstmaagd en een heil'ge kluizenaar. Ik bid u, is mijn meester reeds terug?

LORENZO: Neen, en wij hebben niet van hem gehoord. Maar gaan wij binnen, 'k bid u, Jessica, En laat ons hoffelijk een welkomstgroet Bereiden voor de meesteres van 't huis.

LANCELOT _komt op._

LANCELOT: Hola, hola, hei, ha, ho, hola, hola!

LORENZO: Wie roept daar zoo?

LANCELOT: Hola! Hebt gij meester Lorenzo en meesteres Lorenzo ook gezien? Hola! Hola!

LORENZO: Houdt op met je gehola, man;--hier.

LANCELOT: Hola! Waar? waar?

LORENZO: Hier.

LANCELOT: Zeg hem dat er een koerier van mijn meester is gekomen, met zijn hoorn vol goede tijding! Mijn meester zal hier vóór den morgen aankomen. (_Af._)

LORENZO: Ga binnen, liefste, wachten wij hun komst. Neen, 't is niet noodig;--waarom zouden wij? Vriend Stephano, ik bid u, meld in 't huis Dat uwe meesteres in aantocht is; En breng dan ook de muzikanten hier. (STEPHANO _af._) Wat slaapt het maanlicht op deez' helling zoet! Hier zittend laten wij muziekgespeel Ons oor insluipen; zachte stilte en nacht Past bij 't geluid van zoete harmonie. Kom, Jessica. Zie hoe des hemels vloer Is ingelegd met plaatjes schitt'rend goud,-- En zelfs de kleinste bol, dien gij aanschouwt, Zingt bij zijn went'ling met een eng'lenstem In koor met cherubijnen, jong-geoogd: Ook de eeuw'ge ziel heeft zulk een harmonie; Maar daar 't vergankelijke kleed van stof Haar dicht omsluit, vernemen wij die niet.--

_De Muzikanten komen op._

Ha, komt, en wekt Diana[62] met een zang; Dringt met uwe zoetste tonen in het oor Van uwe meest'res, en lokt haar door muziek.

JESSICA: Nooit beurt een lieflijke muziek mij op. (_Muziek._)

LORENZO: Dat komt omdat uw geest gespannen is; Want let eens op een wilde en dart'le kudde Of op een troep jonge, ongetemde veulens, Dol springend met gehinnik en geloei, Wat wijst op 't vurig stroomen van hun bloed;-- Als slechts bij toeval een trompetgeluid Of soms een melodie hun ooren treft, Dan zult gij merken hoe zij blijven staan, Hun woeste blik in zedig zien verkeerd Door zoete tonenmacht: zoo zong de dichter[63] Dat Orpheus boomen, steenen, stroomen trok, Daar niets zoo houten, hard en bruisend is, Dat niet muziek een poos 't verand'ren doet. De mensch die geen muziek heeft in zijn ziel, Noch wordt geroerd door zoete harmonie, Hij is in staat tot list, verraad en roof, De gangen van zijn geest zijn zwart als nacht, En donker is zijn hart als de Erebus;[64] Vertrouw zoo'n mensch niet.--Let op de muziek.

PORTIA _en_ NERISSA _verschijnen op eenigen afstand._

PORTIA: Het licht dat we daar zien, brandt in mijn zaal. Wat werpt die kleine kaars haar stralen ver! Zoo blinkt een goed werk in een booze wereld.

NERISSA: Bij 't maanlicht zagen wij de kaarsvlam niet.

PORTIA: Zoo maakt de groot're glans den mind'ren dof: Een onderkoning schittert als een vorst, Totdat de vorst verschijnt en dan verliest Zijn statie zich, zooals een binnen-beek In 't ruime zeegebied. Maar hoor! Muziek!

NERISSA: 't Is uw orkest, Mevrouw, de huismuziek.

PORTIA: De omstandigheden maken eerst iets goed.[65] Me dunkt zij klinkt veel zoeter dan bij dag.

NERISSA: De stilte geeft haar die bekoorlijkheid.

PORTIA: De leeuw'rik zingt niet beter dan de kraai, Slaat niemand op hen acht; mij dunkt, men stelde Den nachtegaal, zong hij bij dag zijn lied, Als elke gans aan 't kaak'len is, gelijk Als muzikant met 't winterkoninkje. Hoe menig ding krijgt door den juisten tijd Zijn juisten lof in ware uitnemendheid! Stil daar! de maan slaapt met Endymion,[66] En zij wil niet gewekt. (_De muziek houdt op._)

LORENZO: Dat is de stem, Als 'k mij niet zéér bedrieg, van Portia.

PORTIA: Hij kent mij aan mijn slechte stem, zooals De blinde man den koekoek.

LORENZO: Welkom thuis.

PORTIA: Voor 't welzijn onzer mannen hebben wij Gebeden opgezonden, en ik hoop Dat ons gebed hun voorspoed heeft gebracht; Zijn zij terug?

LORENZO: Mevrouw, zij zijn 't nog niet; Een bode is echter vóór hen uit gegaan, En meldt hun komst.

PORTIA: Nerissa, ga in huis; Gelast mijn dienaars dat ze in geen geval Iets zeggen over onze afwezigheid;-- Noch gij, Lorenzo:--Jessica, noch gij.

(_Een trompetstoot._)

LORENZO: Uw man is naderend; ik hoor zijn sein: Wij zijn geen klikkers, wees niet bang, Mevrouw.

PORTIA: Mij dunkt deez' nacht is 't zieke daglicht slechts: Hij ziet een weinig bleeker: 't is een dag Gelijk de dag is als de zon niet schijnt.

BASSANIO, ANTONIO _en_ GRATIANO _komen op met Gevolg._

BASSANIO: Wij hadden met de tegenvoeters dag, Als gij woudt schijnen bij gebrek aan zon.

PORTIA: Licht geven wil ik, maar licht zijn wil 'k niet; Een lichte vrouw toch maakt haar man het zwaar, En dat doe ik Bassanio nimmer aan; God geve 't beste! Welkom hier, gemaal.

BASSANIO: Mijn dank, Mevrouw: verwelkom ook mijn vriend.-- Dit is de man, dit is Antonio, Aan wien ik mij zoo machtig voel verplicht.

PORTIA: Met reden voelt gij u zeer aan hem verplicht, Want meer dan plicht heeft hij voor u gedaan.

ANTONIO: Niet meer dan waar 'k gelukkig vrij van kwam.

PORTIA: Mijnheer, gij zijt zeer welkom in ons huis: Maar 'k staak die hoff'lijkheid van taal, omdat Het anders blijken moet dan door mijn woord.

GRATIANO (_tot_ NERISSA): Gij doet mij onrecht, 'k zweer 't u bij de maan; Geloof me, ik gaf hem aan den klerk van 't hof: Gesneden mag hij wezen, die hem heeft, Als 't u, mijn liefste, zooveel zorgen geeft.

PORTIA: Hoe, nu al twist? Wat is er aan de hand?

GRATIANO: 't Is om een boogje goud, een poov'ren ring Dien zij me gaf, waarvan, verbeeld u eens, Het motto was, als smeden-rijm'larij Op 't mes,[67] "Bemin mij en verlaat mij niet."

NERISSA: Wat praat ge van het motto of de waarde? Ge zwoert me, toen ik u hem gaf, dat gij Hem dragen zoudt tot 't uur van uwen dood; Dat hij met u zou liggen in het graf: Schoon niet om mij, toch, om uw duren eed, Hadt gij u moeten hoeden en hem houden. Gegeven aan een klerk! nu, ik weet wel Dat die geen haartje krijgt op zijn gezicht.

GRATIANO: Dat zal hij wel, wordt hij maar eerst een man.

NERISSA: Ja zeker, wordt een vrouw maar eerst een man.

GRATIANO: Wel, bij mijn hand, ik gaf hem een jongmensch,-- Een soort van knaap; een kleinen half-was knaap, Niet grooter dan gij zelf, een rechtersklerk; Een babbeljongen, die hem vroeg als loon; 't Hem weig'ren kon ik voor mijn leven niet.

PORTIA: Gij waart te laken, 'k zeg het u ronduit, Dat gij van 't eerste dat uw vrouw u gaf Lichtvaardig scheiden kondt, dat met een eed Aan uwen vinger werd gestoken, zoo Met trouw werd vastgeklonken aan uw vleesch. Ik gaf mijn liefste' een ring, waarbij hij zwoer Er nimmer van te scheiden; zie hem daar,-- Ik zweer u, nooit doet hij er afstand van, Of trekt hem van zijn vinger voor al 't goud Op heel de wereld. Werk'lijk, Gratiano, Gij geeft uw vrouw onvriend'lijk grond tot smart; Gebeurde 't mij, ik was door 't dolle been.

BASSANIO (_ter zijde_): Ik kapte graag mijn linkerhand er af, En zwoer dat 'k in een strijd den ring verloor.

GRATIANO: Bassanio gaf _zijn_ ring aan den rechter Die er om vroeg, en hem ook inderdaad Verdiende, en toen verzocht de knaap, zijn klerk, Die moeite deed met schrijven, dien van mij: En heer noch dienaar wilden anders iets Dan de twee ringen.

PORTIA: Welken gaaft gij dan? Toch niet dien gij van mij kreegt, heer gemaal?

BASSANIO: Kon ik een leugen voegen bij een fout, Dan zou 'k het looch'nen, maar mijn vinger, zie, Bezit den ring niet langer; hij is weg.

PORTIA: Zoo is uw valsch hart ook van trouw ontdaan. Ik zweer het u, ik kom niet in uw bed, Eer ik den ring zie.

NERISSA: Ik in 't uwe niet, Eer ik den mijne weerzie.

BASSANIO: Portia lief, Wist gij wien ik plezier deed met den ring, Wist gij voor wien 'k vaarwel zei aan den ring, Begreept ge waarom 'k afzag van den ring, En hoe onwillig 'k scheidde van den ring, Toen niets werd aangenomen dan de ring, Gij zoudt de kracht wat temp'ren van uw toorn.

PORTIA: Als gij de kracht gekend had van den ring, Of wat de schenkster waard was van den ring, Of hoe uw eer gemoeid was met den ring, Dan waart gij niet gescheiden van den ring. Wie is de man van zoo'n onreed'lijkheid Die, hadt gij er met ijver voor gewaakt, Zoo onbescheiden waar' geweest om iets Te _willen_ hebben dat u heilig was? Nerissa leert mij wat ik denken moet, 'k Zal sterven als een vrouw den ring niet kreeg.

BASSANIO: Neen, bij mijn eer, Mevrouw, bij mijne ziel, Geen vrouw ontving hem, maar een rechtsgeleerde, Die drieduizend dukaten van mij afsloeg En om den ring verzocht, dien 'k weigerde, Waardoor hij mij in slechten luim verliet, Ja, hij die 't leven van een dierb'ren vriend Gered had. Wat moet ik nu zeggen, lief? Ik was genoopt den ring hem na te zenden, Door schaamte en hoff'lijkheid daartoe geleid. Mijn eer liet zich door zulk een ondank niet Bezoedelen: vergeef 't mij, lieve vrouw; Want, bij die heil'ge kaarsen van den nacht, Gij zelf hadt, dunkt mij, me om den ring gevraagd Om hem te geven aan den waard'gen doctor.

PORTIA: De doctor kome niet nabij mijn huis: Nu hij 't mij zoo geliefde kleinood heeft, Dat gij om mijnentwil te houden zwoert, Zal ik vrijgevig worden als ook gij; Ik zal hem niets ontzeggen dat ik heb; Mijn lichaam niet en 't bed niet van mijn man. Ik _zal_ hem kennen, 't is mijn vast besluit: Verlaat uw huis niet 's nachts; bewaak me als Argus[68] En als ge 't niet doet, laat ge mij alleen, Dan, bij mijn eer, die mij nog toebehoort, Maak ik dien doctor tot mijn bedgenoot.

NERISSA: En ik zijn klerk; dus overweeg nu goed Hoe gij mij in mijn eigen hoede laat.

GRATIANO: Nu, doet ge 't, zorg dat ik er dan niet ben, Want heusch, ik breek den jongen klerk zijn pen.

ANTONIO: Ik ben de ellendige oorzaak van den twist.

PORTIA: Trek 't u niet aan; tòch zult ge welkom zijn.

BASSANIO: Portia, vergeef mij de afgedwongen fout; Voor de ooren van de vele vrienden hier, Zweer 'k bij uw eigen schitt'rende oogen u: Waarin 'k mijzelven zie,--

PORTIA: Let wel hierop! Hij ziet zich zelf verdubbeld in mijn oogen: In elk oog één; zweer bij uw dubbel ik,--[69] Een zeer betrouwbare eed!

BASSANIO: Neen, hoor mij aan; Vergeef die fout, en 'k zweer u bij mijn ziel, Dat ik nooit meer mijn eed aan u verbreek.

ANTONIO: Mijn lichaam leende ik eens voor zijn geluk, Dat zonder hem die thans den ring bezit Geheel verloren waar': ik durf nu weer Mijn ziel op 't spel te zetten, dat uw man Nooit meer opzett'lijk zijn belofte breekt.

PORTIA: Wees gij zijn borg dan: geef hem dit, en zeg Dat hij hem beter dan den and'ren houdt.

ANTONIO: Ziehier, en zweer dat gij deez' ring behoudt.

BASSANIO: Hoe? 't Is dezelfde dien 'k den doctor gaf!

PORTIA: Hij schonk hem mij: vergeef Bassanio, Want door 't bezit van dezen had hij mij.

NERISSA: Vergeef gij 't mij ook, waarde Gratiano, Want juist die half-was knaap, de doctorsklerk, Lag dezen nacht door dezen ring bij mij.

GRATIANO: Nu, dit is als 't verbeet'ren van den weg Des zomers, als hij goed en deugd'lijk is: Wij horendragers, eer wij 't nog verdienen?

PORTIA: Spreek niet zoo boud.--Gij staat geheel verbaasd: Hier is een brief, lees hem op uw gemak; Hij komt uit Padua, van Bellario: Gij ziet dat Portia de doctor was, Nerissa daar, haar klerk. Lorenzo zal Getuigen dat 'k gelijk met u vertrok, En juist terugkwam: 'k heb mijn huis nog niet Betreden.--Welkom hier, Antonio; Ik heb voor u nog beter nieuws bewaard, Dan gij verwacht; verbreek deez' brief met spoed; Want gij zult zien dat drie van uw galjoenen Plots binnenliepen met een rijke vracht: Door welk vreemd toeval ik den brief verkreeg, Dat komt gij niet te weten.

ANTONIO: 'k Sta verstomd.

BASSANIO: Waart gij de doctor, en ik kende u niet?

GRATIANO: Waart gij de klerk, die mij de horens geeft?

NERISSA: Ja, maar de klerk, die 't nimmer denkt te doen, Tenzij hij in een man verand'ren mocht.

BASSANIO: Geliefde doctor, wees mijn bedgenoot, En als ik weg ben, lig dàn bij mijn vrouw.

ANTONIO: Gij gaaft mij 't leven, dierb're, en 't onderhoud, Want dat mijn schepen veilig zijn geland, Lees 'k hier als zeker.

PORTIA: Kom, Lorenzo, nu Heeft ook voor u mijn klerk een goede troost.

NERISSA: Ja, en ik zal ze u geven zonder loon.-- Hier geef ik dan aan u en Jessica Een schenkingsacte van den rijken Jood, Die na zijn dood u al zijn goed vermaakt.

LORENZO: Gij schoonen druppelt manna op den weg Van 't hong'rend menschdom.

PORTIA: Het is bijna morgen, En toch, 'k ben zeker, zijt gij niet geheel Omtrent den loop voldaan: gaat binnen dus; En neem ons plechtiglijk daar in verhoor, Wij geven trouw op alles u bescheid.

GRATIANO: Zoo zij het dan; maar de allereerste vraag, Die mij Nerissa moet bezweren, is Of 't tot den nacht te toeven haar behaagt Of nu naar bed te gaan, twee uur voor 't daagt? Maar 'k zou het duister wenschen, waar' 't ook dag, Wanneer ik bij de klerk des doctors lag. Zoolang ik leef, ben 'k voor geen ander ding Zoózeer bezorgd als voor Nerissa's ring. (_Allen af._)

VOETNOTEN:

[1] Romeinsche oorlogsgod, ook god van het begin van het jaar, met twee aangezichten, waarvan het eene vaak jeugdig en glimlachend en het andere oud en gefronsd was.

[2] Koning van Pylos (Navarino), een der Grieksche helden die aan den Trojaanschen oorlog deelnamen; de type van ouderdom, wijsheid en ernst.

[3] Toespeling op een grafteeken.

[4] Vgl. Mattheus V, 22.

[5] Nl. den dunk van wijsheid dien de menschen van u krijgen moeten, juist iets voor maltentige lieden om naar te streven.

[6] Onder aanvoering van Jason zeilden de Argonauten naar Kolchos (of Kolchis,) ten Oosten van de Zwarte Zee om de gouden vacht te halen.

[7] Nl. Venetië.

[8] Spreuken XVII, 5.

[9] d.i. hem waarborgde, er borg voor bleef.

[10] Zekere profetessen. Een van hen had van Apollo, die op haar verliefd was, verkregen dat zij evenveel jaren zou leven als hij zandkorrels in zijn hand hield.

[11] Er waren er eigenlijk zes: de Napolitaansche Prins, de Paltsgraaf, de Franschman, de Engelsche baron, de Schotsche lord en de Duitscher, maar dit is een van die "slips" welke Shakespeare meer overkomen.

[12] De Venetiaansche dukaat gold ongeveer een rijksdaalder.

[13] d.i. op de beurs, die zich bevond op de Isola del Rivo alto (eiland van den diepen stroom,) uit welke laatste woorden Rialto is ontstaan. In Shakespeare's tijd bestond de brug van dien naam nog niet.

[14] Toespeling op Jezus' wonder in 't land van de Gadarenen, Lukas VIII, 33.

[15] Genesis XXVIII, 13 en 14.

[16] Genesis XXX, 31 vgg.

[17] Mattheus IV, 6.

[18] d.i. wanneer eischte een vriend, die een anderen vriend geld leende, winst van hem in den vorm van interest, daar toch het geld als een van nature onvruchtbaar iets zich niet vermenigvuldigen kan?--Reeds Aristoteles en Bacon wezen hierop.

[19] d.w.z. een overeenkomst zonder verdere voorwaarde van verbeurte in geld.

[20] Hier in den zin van kieskeurig.

[21] De Shah van Perzie.