De Koopman van Venetië: Drama in vijf bedrijven
Chapter 3
LANCELOT: Ik smeek u, Meneer, ga: mijn jonge meester wacht op uw bekomst.[34]
SHYLOCK: En ik ook op de zijne.
LANCELOT: En zij hebben een afspraak gemaakt:--ik zal niet zeggen dat u een maskerade zult zien; maar als u er een ziet, dan was het niet voor niemendal dat mijn neus verleden Paaschmaandag om zes uur 's morgens begon te bloeden, terwijl 't zoo uitviel dat 't dàt jaar op Aschdag[35] vier jaar 's middags was.
SHYLOCK: Wat? Maskerades?--Luister, Jessica, Sluit alle deuren; hoort ge trommelslag, En 't piepend janken van de kromhals-fluit, Klauter me dan niet tegen 't venster op, Steek niet uw hoofd op de publieke straat Voor Christengekken met geverfd gezicht, Maar stop de vensters, de ooren van mijn huis; Laat tot mijn ernstig huis 't geluid niet toe Van holle zotternij.--Bij Jakobs staf, 'k Wou liefst van avond niet van huis naar 't feest, Maar toch zal 'k gaan.--Jongmensch, ga voor mij uit: Zeg, dat ik kom.
LANCELOT: Ik zal vooruit gaan, Meneer.--(_Ter zijde tot_ JESSICA). Juffrouw, kijk met dat al toch uit het raam; Want een Christen komt voorbij, Waard dat een Jodin hem vrij'. (_Af._)
SHYLOCK: Wat zegt die zot van Hagars nakroost, hè?
JESSICA: Hij zei niets anders dan "Vaarwel Juffrouw."
SHYLOCK: De zotskap is wel vrindlijk, maar een vraat, Slak-traag in 't winnen, en hij slaapt bij dag Meer dan een boschkat: hommels wil ik niet; Daarom laat ik hem gaan, en 'k laat hem gaan Naar een dien hij naar 'k hoop 't geleende geld Verkwisten helpt.--Naar binnen, Jessica; Misschien kom ik onmiddellijk terug. Doe als 'k je zeg, en sluit de deuren dicht: "Wat vastgehouden wordt, vast weergevonden wordt," Spreuk die door zuin'gen nooit geschonden wordt. (_Af._)
JESSICA: Vaarwel, en is 't geluk mij goed gezind. Mis ik een vader, en mist gij een kind. (_Af._)
TOONEEL VI.
_Dezelfde Plaats der Handeling._
GRATIANO _en_ SALARINO _komen gemaskerd op._
GRATIANO: Dit is de luifel, waar Lorenzo vroeg Dat men hem wachten zou.
SALARINO: Zijn uur is bijna om.
GRATIANO: En 't is een wonder dat hij 't uur verlet, Want minnaars loopen steeds de klok vooruit.
SALARINO: O! tienmaal vlugger vliegen Venus' duiven Om nieuwe banden te bezeeg'len, dan Om de eens beloofde trouw gestand te doen!
GRATIANO: Steeds komt dat uit: wie staat van 't feestmaal op Met d'eetlust waar hij mede zitten gaat? Waar is het paard, dat met het felle vuur, Waarmêe het door de lange renbaan reed Zijn stappen nog eens zet? Al wat bestaat Wordt greet'ger nagejaagd dan 't wordt genoten. Als een verkwistend jonker gaat de bark, Getooid met wimpels, uit de moederbaai, Omhelsd, geliefdkoosd door den wulpschen wind! Hoe keert ze als de verloren zoon terug, Met ribben losgebeukt en flarden zeil, Verarmd, ontredderd door den wulpschen wind!
LORENZO _komt op._
SALARINO: Daar komt Lorenzo:--later meer hiervan.
LORENZO: Geduld, mijn lieve vrienden, nu 'k zoo talm; Niet ik, de omstandigheden zijn de schuld. Zoodra gij uwe vrouwen stelen gaat, 'k Zal even lang op u dan wachten.--Komt; Hier woont de Jood, mijn vader.--Hola, daar!
JESSICA _verschijnt boven, in manskleeren._
JESSICA: Wie zijt ge? Zeg 't me voor meer zekerheid, Al zweer 'k ook dat uw stem mij is bekend.
LORENZO: Lorenzo, uw geliefde.
JESSICA: Lorenzo, zeker; mijn geliefde, ja, Want wien heb ik zóó lief? En wie dan gij, Lorenzo, weet of ik wel de uwe ben?
LORENZO: God en uw hart getuigen dat ge 't zijt.
JESSICA: Hier, vang dit kistje: 't is de moeite waard. 't Is nacht gelukkig, gij kunt mij niet zien, Want 'k schaam mij over mijn vermomming zeer; Maar liefde is blind, en minnenden zien niet De dwaze grappen die zij zelf begaan; Want konden zij 't, Cupido bloosde zelf, Zag hij mij zoo veranderd in een knaap.
LORENZO: Daal af, gij moet mijn fakkeldrager zijn.
JESSICA: Wat nu? Mijn schande nog verlichten ook? Zij is van zelf, gerust, al veel te licht. Dat kan slechts tot ontdekking dienen, lief, En 'k moet in 't donker zijn.
LORENZO: Dat zijt ge, schat, Juist door de lief'lijke kleedij van knaap. Maar kom terstond; De duist're nacht gaat heim'lijk op den loop, En op Bassanio's feestmaal wacht men ons.
JESSICA: Ik sluit de deuren, en verguld mij zelf Met meer dukaten; dan zal 'k bij u zijn.
(_Zij verdwijnt boven._)
GRATIANO: Ze is een Godin, in trouwe, geen Jodin.
LORENZO: 'k Mag sterven als ik haar niet hart'lijk min: Ze is schrander, als ik haar naar waarheid schat, Ze is schoon, indien mijn oog mij niet bedriegt, Ze is trouw, zooals zij 't ook bewezen heeft; Dus schrander, schoon en trouw, zich zelf gelijk, Vindt zij in mijn standvast'ge ziel een plaats.
(JESSICA _verschijnt beneden._)
Hoe? zijt ge er al?--Komt, Heeren, het is tijd; Wij worden door den optocht thans verbeid.
(_Af met_ JESSICA _en_ SALARINO.)
ANTONIO _komt op._
ANTONIO: Wie is dat daar?
GRATIANO: Signor Antonio?
ANTONIO: Foei, foei, Gratiano! Waar zijn de and'ren toch? 't Is negen uur! De vrienden wachten u: Geen optocht nu; de wind is omgedraaid; Bassanio gaat onmiddellijk aan boord, Wel twintig boden zond ik naar hem uit.
GRATIANO: Gelukkig; niets lacht mij nu zóózeer aan Dan weg te zeilen en van hier te gaan. (_Beiden af._)
TOONEEL VII.
_Belmont. Een vertrek in_ PORTIA'S _Huis._
_Hoorngeschal._ PORTIA _en de_ PRINS VAN MAROCCO _komen op met hun beider_ STOET.
PORTIA: 't Gordijn nu weggeschoven, en ontdekt Het drietal kistjes aan den eed'len Prins.-- Doe thans uw keus.
MAROCCO: Het eerste, een gouden, dat dit opschrift draagt: "Wie mij kiest, wint wat menigeen begeert." Het tweede, een zilv'ren, dat als volgt belooft: "Wie mij kiest, krijgt zooveel als hij verdient." Dit derde, 't logge lood, met lomp vermaan: "Wie mij kiest, geve en wage al wat hij heeft." Hoe kan ik weten of 'k het juiste kies?
PORTIA: In een van hen ligt mijne beelt'nis, Prins, En kiest gij dat, ik ben er de uwe door.
MAROCCO: Een god bestuur' mijn oordeel! Laat mij zien. 'k Loop omgekeerd nog eens de spreuken door: Wat zegt dit looden kistje? "Wie mij kiest, geve en wage al wat hij heeft." Geve--Voor wat? voor lood? hij waag' voor lood? Dit kistje dreigt;--wie alles, alles waagt, Hij doet het hopend op een mooie winst: Een gouden geest bukt niet naar laag metaal; En daarom geef en waag ik niets voor lood. Wat zegt het zilver, maagdelijk getint? "Wie mij kiest, krijgt zooveel als hij verdient." Zooveel als hij verdient?--Marocco, wacht, En weeg uw waarde met een vaste hand. Als gij geschat wordt naar uw goeden naam, Genoeg verdient gij dan; maar dit genoeg Strekt zich misschien niet tot de jonkvrouw uit, Maar toch, bezorgd te zijn voor mijn waardij, Waar' slechts een zwak verkleinen van mijzelf. Zooveel als ik verdien! Nu, 't is de jonkvrouw: 'k Verdien haar door geboorte en door fortuin, Door mijn talenten en beschaafden toon; 'k Verdien haar door mijn liefde 't allermeest. Hoe als 'k niet verder dwalend, dit hier koos?-- Laat nog eens zien de spreuk in goud gegrift: "Wie mij kiest, wint wat menigeen begeert." Nu, 't is de jonkvrouw, die een elk begeert: Uit alle hoeken komen zij der aard, Naar 't altaar hier, dit levend heil'genbeeld. Hyrcanië's[36] woestenij, de wildernis Van 't wijde Arabië zijn de paden thans Voor vorsten, wenschend Portia te zien: Het waat'rig rijk, welks overmoedig hoofd Spuwt in 't gelaat des hemels, stelt geen perk Aan vreemdelingen-moed; zij komen aan Als door een beek om Portia te zien. Een van de drie bevat haar hemelsch beeld. Of 't lood dit doet? Het zou verdoem'lijk zijn Zóó laag te denken: 't lood waar' te gemeen Haar lijkwa zelfs te omkleên in 't donk're graf. Of moet ik denken dat haar 't zilver bergt, Dat tienmaal minder is dan 't lout're goud? Zond'ge gedachte! Zulk een rijk juweel Werd nooit in min dan goud gezet. Men heeft Een munt in Eng'land, met een eng'lenbeeld In goud gestempeld, 't ligt er boven op; Hier ligt een engel in een gouden bed Geheel besloten.--Geef den sleutel aan; Dit kies ik, hoe ook de uitslag moge zijn!
PORTIA: Daar, neem hem, Prins; en ligt mijn beelt'nis hier, Dan ben ik de uwe. (_Hij ontsluit het gouden kistje._)
MAROCCO: O hel! Wat zie ik daar? Een doodshoofd, met in 't ledig oog een rol, Die is beschreven, 'k Lees hier wat er staat:
"Al wat glinstert is geen goud, Luidt een spreekwoord, wijs en oud; Menig waagde 't leven stout, Maar heeft slechts mijn schijn aanschouwd. 't Gulden graf meest wormen houdt. Waart gij even wijs als boud, Jong van lijf, van oordeel oud, Deez' rol ware u niet ontvouwd: Ga, de keus heeft u berouwd."
Ja, berouwd, en moeite om niet: Dus welkom, vorst, nu warmte mij verliet.-- Portia, vaarwel! mijn hart is vol geween; 'k Talm dus niet lang: zoo gaan verliezers heen. (_Af._)
PORTIA: Een vroolijk slot!--'t Gordijn gesloten: gaat. Zoo kieze me iedereen met zoo'n gelaat. (_Allen af._)
TOONEEL VIII.
_Venetië. Een Straat._
SALARINO _en_ SOLANIO _komen op._
SALARINO: Wel, man, ik zag Bassanio onder zeil: Met hem is Gratiano meegegaan; In hun schip is Lorenzo zeker niet.
SOLANIO: De hondsjood riep den Doge op door geschreeuw, Die met hem meetoog naar Bassanio's schip.
SALARINO: Hij kwam te laat, het schip was onder zeil; Maar daar ontving de Doge op eens 't bericht: Lorenzo en zijn lieve Jessica Zijn in een gondel met elkaar gezien; En ook verklaarde Antonio den Doge Dat zij niet waren in Bassanio's schip.
SOLANIO: Ik hoorde nooit een hartstocht, zoo verward, Zoo vreemd, uitbundig en afwisselend, Als 't Joodsch stuk vee deed galmen door de straat: "Mijn dochter!--Mijn dukaten!--O mijn dochter! Weg met een Christen!--Christ'lijke dukaten! Wet! Recht! O mijn dukaten en mijn dochter! Eén zak, twee zakken goed verzegeld, vol Dukaten, door mijn dochter mij ontstolen! Juweelen ook, twee rijke, kost'bre steenen, Gestolen door mijn dochter! Spoort haar op! Zij heeft de steenen en dukaten meê!"
SALARINO: De jongens in Venetië volgen hem En roepen: "Steenen, dochter en dukaten!"
SOLANIO: Antonio houde zich aan zijn termijn, Hij boet er anders voor.
SALARINO: Ja, zeg dat wèl. 'k Had gist'ren met een Franschman een gesprek, Die mij vertelde dat in 't nauw stuk zee Dat Engeland van Frankrijk scheidt, een schip, Met rijke vracht, uit ons land, was vergaan. 'k Dacht aan Antonio, toen ik dat vernam, En wenschte in stilte dat het hem niet trof.
SOLANIO: 't Is raadzaam dat gij 't aan Antonio zegt; Maar niet te plots'ling, 't griefde hem zoo licht.
SALARINO: Er loopt geen vriendelijker man op aard'. 'k Zag 't afscheid van Bassanio en hem. Bassanio zei dat hij zich haasten zou Terug te komen, maar hij zei: "Doe 't niet; Verknoei uw zaak nu niet om mijnentwil. Maar wacht totdat de tijd haar heeft gerijpt: En wat mijn afspraak met den Jood betreft, Zij store uw geest, die liefde koestert, niet. Wees vroolijk: maak het hof met hart en ziel, En toon uw liefde op zulk een schoone wijs Als bij de rol past die ge ginds vervult." Toen wendde hij, zijn oog van tranen zwaar, 't Gelaat om, gaf hem afgewend de hand, En diep getroffen, vol genegenheid, Greep hij Bassanio's hand; zoo scheidden zij.
SOLANIO: Mij dunkt, hij heeft slechts de aarde lief om hem. Ik bid u, gaan we en zoeken we hem op En fleuren wij met een of ander spel Den weemoed die hem knelt wat op.
SALARINO: Zeer goed. (_Beiden af._)
TOONEEL IX.
_Belmont. Een Kamer in_ PORTIA'S _Huis._
NERISSA _komt op met een_ DIENAAR.
NERISSA: Vlug, bid ik u, schuif daad'lijk weg 't gordijn; De Prins van Arragon zwoer reeds den eed, En nadert aanstonds om zijn keus te doen.
_Hoorngeschal. De_ PRINS VAN ARRAGON _en_ PORTIA _komen op met hun_ STOET.
PORTIA: Aanschouw, daar staan de kistjes, eed'le Prins, En kiest gij dat waarin 'k besloten ben, Dan wordt terstond ons huw'lijksfeest gevierd; Maar als gij faalt, dan moet gij zonder meer Onmiddellijk van hier vertrekken, Prins.
ARRAGON: 'k Ben tot drie dingen door mijn eed verplicht: Ten eerste maak ik niemand ooit bekend Welk kistje ik koos: dan, als ik falen mocht In 't juiste kistje, zal 'k zoolang ik leef, Geen maagd ten huw'lijk vragen: eindelijk, Als ik mocht falen in 't geluk der keus, Ga ik, onmidd'lijk u verlatend, heen.
PORTIA: Op die verplichtingen zweert ieder, die Een kans waagt voor mijn waardelooze zelf.
ARRAGON: 'k Ben ook daartoe bereid. Bekroon, fortuin, Mijns harten hoop!--Goud, zilver, waard'loos lood. "Wie mij kiest, geve en wage al wat hij heeft." Gij moet meer glanzen, eer ik geef of waag. Wat zegt het gouden kistje? Ha! laat zien: "Wie mij kiest, wint wat menigeen begeert." Wat menigeen begeert. Die _menigeen_ kan zijn De dwaze menigte, die kiest op 't oog, Die niet meer weet dan wat haar zotheid ziet, Niet naar 't inwend'ge speurt, maar als de zwaluw In de open lucht bouwt aan den buitenmuur,[37] Juist in 't bereik en op den weg van 't lot. Wat menigeen begeert, dat kies ik niet, Wijl 'k niet gelijk wil staan met het gemeen, Mij niet wil scharen bij de ruwe hoop. Welnu, naar u dan, zilv'ren schatfoedraal; Zeg mij nu ook het opschrift dat ge voert: "Wie mij kiest, krijgt zooveel als hij verdient." 't Is goed gezegd. Want wie streeft naar het doel 't Geluk te paaien, en geëerd te zijn Zonder verdienste's merk! Dat niemand waag' Een onverdiende waardigheid te voeren. Dat rangen, graden, ambten niet zoo vuig Verworven werden! en dat zuivere eer Gekocht werd door verdienste van den drager! Wie dekte er 't ongedekte hoofd dan niet? Wie werd dan niet bevolen, die beveelt? Hoe meen'ge lage boer werd dan geoogst Van 't echte zaad der eer! en hoeveel eer Gelezen uit het kaf en puin des tijds Om nieuwen glans te krijgen! Kom, mijn keus: "Wie mij kiest, krijgt zooveel als hij verdient." Ik neem verdienste:--Geef den sleutel dus, En thans ontsluite zich 't geluk voor mij.
PORTIA: Gij hebt te lang getalmd voor 't geen gij vindt.
ARRAGON: Wat zie 'k? een gek die met zijn oogen knipt, En mij een briefje biedt? 'k Zal 't lezen.--O, Hoe ongelijk zijt gij aan Portia, Aan wat ik hoopte en wat ik waardig was! "Wie mij kiest, krijgt zooveel als hij verdient." Verdiende ik niets meer dan een zottenhoofd? Is dat mijn loon? Heb ik niets meer verdiend?
PORTIA: Rechter te zijn en tevens delinquent Is tegenstrijdig, niet vergund.
ARRAGON: Wat zie ik?
"Zevenmalen in den haard Ben 'k gelouterd; 'k evenaar 't Oordeel dat geen keus vervaart: Hem die met een schim zich paart, Heeft 't slechts schim van lust gebaard. Gekken zijn er, naar mijn aard, Overzilverd en niets waard. Neem wie gij maar wilt tot bruid, Mijn hoofd heeft u dat verbruid, Ga dus heen, met u is 't uit."
En hoe langer 'k hier verkeer, Dwazer word ik, meer en meer. Met één zotshoofd kwam ik aan Maar met twee ga 'k hier vandaan.-- Lief, vaarwel. Ik houd mijn eed, En verdraag gedwee mijn leed.
(ARRAGON _af met zijn_ STOET.)
PORTIA: Zoo was de kaars voor 't motje wreed. O, die voorzicht'ge zotten! bij hun keus Blijkt al hun wijsheid niets meer dan een leus.
NERISSA: 't Is waarheid wat ons de oude spreuk verhaalt: Hangen en trouwen wordt door 't lot bepaald.
PORTIA: Kom, schuif 't gordijn nu dicht, Nerissa.
_Een_ BODE _komt op._
BODE: Waar is Milady?
PORTIA: Hier, wat wil Milord?[38]
BODE: Mevrouw, aan uwe poort is afgestapt Een jong Venetiaan, die u vooruit De naad'ring van zijn meester melden komt, Van wien hij tastbare eerbewijzen brengt: Rijke geschenken, waar vol hoflijkheid Hij zich mede aanbeveelt; en 'k zag nog nooit Zulk een aantrekk'lijk liefdesafgezant; Zoo zoet een dag kwam nimmer in April, Als voorboô van het kost'lijk zomertij, Als deze bode vóór zijn meester komt.
PORTIA: Ik bid u, nu niet meer, 'k ben half bevreesd Dat ge aanstonds hem tot bloedverwant benoemt, Gij slaat zoo'n Zondagstoon aan bij zijn lof. Kom, kom, Nerissa, want het maakt mij blij Dien vluggen liefdeboô te zien bij mij.
NERISSA: Cupido, geef, dat het Bassanio zij! (_Allen af._)
DERDE BEDRIJF
TOONEEL I.
_Venetië. Een Straat._
SOLANIO _en_ SALARINO _komen op._
SOLANIO: Wel, wat voor nieuws op den Rialto?
SALARINO: Daar kwam het bericht--en het wordt niet tegengesproken--dat een rijk geladen schip van Antonio in de zeeëngte is vergaan; ze noemen 't daar de Goodwinsbank,[39] geloof ik; een zeer gevaarlijke en noodlottige ondiepte, waar de karkassen van menig kloek schip begraven liggen, naar men zegt, als ten minste mijn babbelende tante Gerucht een vrouw van haar woord is die niet liegt.
SOLANIO: Ik wou wel dat ze hierin een even leugenachtige babbelkous was als er maar ooit een gember knabbelde[40] en haar buren wilde laten gelooven dat zij huilde om den dood van haar derden man. Maar het is waar,--zonder omhaal en rompslomp, en zonder den koninklijken weg van de taal te verlaten--dat de goede Antonio, de brave Antonio,--O, had ik maar een titel die goed genoeg is om zijn naam gezelschap te houden!
SALARINO: Kom, maak er een eind aan.
SOLANIO: Ha!--wat zegt ge daar?--Welnu het slot van de historie is dat hij een schip heeft verloren.
SALARINO: Moge dit ook 't slot van zijn verliezen blijken!
SOLANIO: Laat ik bijtijds amen zeggen, opdat de duivel mijn gebed niet moge dwarsboomen, want daar komt hij aan in de gedaante van een Jood.
SHYLOCK _komt op._
Wel, Shylock, wat is er voor nieuws onder de kooplui?
SHYLOCK: Niemand wist zoo goed als gij, neen niemand, van mijn dochters vlucht.
SALARINO: Ja, dat is waar; ik voor mij kende heel goed den kleermaker die de vleugels maakte waarmeê ze gevlogen is.
SOLANIO: En Shylock wist ook heel goed dat de vogel vliegree was; en dan ligt het zoo in hun aard om van de ouden weg te gaan.
SHYLOCK: Zij zal er voor vergaan!
SALARINO: O zeker, als de duivel haar rechter mag zijn.
SHYLOCK: Mijn eigen vleesch en bloed in opstand!
SOLANIO: Weg er mee, oud carogne! Komt het op zoo'n leeftijd nog in opstand?[41]
SHYLOCK: Ik bedoel dat mijn dochter mijn vleesch en bloed is.
SALARINO: Er is een grooter verschil tusschen jou vleesch en het hare dan tusschen git en ivoor; en tusschen jou bloed en het hare dan tusschen rooden en Rijnwijn. Maar zeg eens, weet ge ook of Antonio een verlies op zee heeft geleden, ja of neen?
SHYLOCK: Daar heb ik een ander koopje meê: een bankroetier, een verkwister, die zijn gezicht ter nauwernood op den Rialto durft vertoonen; een bedelaar, die in zoo'n mooie plunje op de markt placht te komen.--Laat hij maar oppassen met zijn kontrakt: hij was gewoon mij een woekeraar te noemen;--laat hij maar oppassen met zijn kontrakt: hij was gewoon geld uit te leenen uit Christelijke hulpvaardigheid;--laat hij maar oppassen met zijn kontrakt.
SALARINO: Maar ik ben er toch zeker van dat ge, als hij het niet nakomt, zijn vleesch niet zult eischen? Waar zou dat goed voor zijn?
SHYLOCK: Om visch meê te vangen; en als er niets anders meê werd gevoed, dan zou het mijn wraak voeden. Hij heeft mij te schande gemaakt en mij voor een half millioen benadeeld; hij heeft gelachen om mijn verliezen, gespot met mijn winsten, mijn volk gesmaad, mijn handel gedwarsboomd, mijn vrienden koel en mijn vijanden warm gemaakt,--om welke reden? Omdat ik een Jood ben. Heeft een Jood geen oogen? Heeft een Jood geen handen, organen, afmetingen, zintuigen, neigingen, hartstochten? Wordt hij niet gevoed met hetzelfde voedsel, gewond door dezelfde wapenen, bedreigd door dezelfde ziekten, genezen door dezelfde middelen, warm en koud gemaakt door denzelfden winter en zomer als een Christen? Als gij ons prikt, bloeden wij dan niet? Als gij ons kittelt, lachen wij dan niet? Als gij ons vergiftigt, sterven wij dan niet? En als gij ons verongelijkt, zullen we ons dan niet wreken? Als wij in al het andere op u gelijken, dan zullen we u ook daarin evenaren. Als een Jood een Christen verongelijkt, welken ootmoed betoont die dan? Wraak. En als een Christen een Jood verongelijkt, wat voor deemoed moet die dan volgens Christelijk voorbeeld betoonen? Immers wraak. De boosheid die ge mij leert zal ik toepassen; en er zal veel moeten gebeuren als ik uw lessen niet overtref.
_Een_ BEDIENDE _komt op._
BEDIENDE: Mijne Heeren, mijn meester Antonio is thuis, en wenscht u beiden te spreken.
SALARINO: Wij zijn links en rechts geweest on hem te zoeken.
SOLANIO: Daar komt er nòg een van de natie; er is geen derde zoo te vinden of het moest zijn dat de duivel zelf Jood werd.
(SOLANIO, SALARINO _en_ BEDIENDEN _af._) TUBAL _komt op._
SHYLOCK: Wel, Tubal, wat voor nieuws uit Genua? Hebt ge mijn dochter gevonden?
TUBAL: Ik heb meermalen hier en daar van haar gehoord, maar ik kan haar niet vinden.
SHYLOCK: Och kom, kom, kom! En een diamant weg, die me te Frankfort twee duizend dukaten heeft gekost. Vóór dezen viel de vloek nog nooit op ons volk; ik heb het vóór dezen nooit zoo gevoeld:--er zat een waarde van twee duizend dukaten in,--en dan nog meer kostelijke, kostelijke juweelen.--Ik wou liever dat mijn dochter dood voor mijn voeten lag met de juweelen in haar ooren! Liever dat ze voor mijn voeten op de baar werd gelegd, met de dukaten in haar kist!--Geen nieuws van hen?--Daar blijft het dus bij:--en ik weet niet eens hoeveel er bij dat zoeken is uitgegeven: O jou--verlies op verlies! De dief weg met zóóveel, en zóóveel om den dief te vinden, en geen voldoening, geen wraak; en geen onheil in de lucht of het komt op mijn schouders neer; geen zuchten of ik slaak ze: geen tranen of ik stort ze.
TUBAL: Maar andere menschen hebben toch ook wel onheilen. Antonio heeft, naar ik in Genua hoorde,--
SHYLOCK: Wat, wat, wat? Een onheil, een onheil?
TUBAL: --een galjoen dat van Tripoli kwam verloren.
SHYLOCK: Goddank! Goddank! Is het waar? Is het waar?
TUBAL: Ik sprak sommigen van de matrozen die aan de schipbreuk waren ontsnapt.
SHYLOCK: Dank u, goede Tubal.--Goed nieuws, goed nieuws! ha! ha!--Waar? In Genua?
TUBAL: Naar ik vernam verteerde uw dochter te Genua in één nacht tachtig dukaten.