De Koopman van Venetië: Drama in vijf bedrijven

Chapter 2

Chapter 23,775 wordsPublic domain

SHYLOCK: Hij nam die niet in letterlijken zin, Neen niet rechtstreeks: let op wat Jakob deed. Toen Laban met hem afgesproken had, Dat al de lammeren gestreept en bont Als loon aan Jakob zouden komen, zocht Het bronstige ooienvolkje in laten herfst De rammen op; en toen het telingswerk Door deze woll'ge fokkers werd verricht, Schilde de list'ge scheper twijgen af, En bij 't vervullen van de paringsdaad, Stak hij hen voor de tochtige ooien op, Die, toen ontvangend, in den lammertijd Gevlekte lamm'ren wierpen, Jakobs deel.[16] Hij werd gezegend op zijn weg tot winst, En winst is zegen, als men haar niet steelt.

ANTONIO: Zoo diende Jakob voor een kans van 't lot; Niet hij had dezen uitslag in zijn macht, Maar 't werd beschikt, bestuurd door 's Hemels hand. Prijst deze plaats der Schrift den woeker aan? Of is uw goud en zilver ooi en ram?

SHYLOCK: 'k Weet niet: maar 't fokt bij me even spoedig aan. Maar luister, Signor.

ANTONIO: Merkt ge 't wel, Bassanio, De duivel haalt de Schrift aan voor zijn doel.[17] Een booze ziel, bij 't heilige getuigend, Gelijkt een schurk, den glimlach op 't gelaat, Een mooien appel met ontstoken hart. Wat zet de valschheid toch een mooi gelaat!

SHYLOCK: Drie duizend--en dukaten!--'t is een som! Drie maanden van de twaalf; hoeveel percent?

ANTONIO: Nu, Shylock, mogen wij u dankbaar zijn?

SHYLOCK: Signor Antonio, menig menig maal Hebt gij op den Rialto mij beschimpt Om 't woek'ren dat ik met mijn gelden deed: Steeds droeg 'k het lijdzaam, trok mijn schouders op, Want lijden is het kenmerk van ons ras: Gij noemt mij "ongeloov'ge," "moord'naarshond," En spuwt op mijnen Joodschen tabbaard mij, En dat, wijl ik mijn eigen goed gebruik. Nu blijkt het dan dat gij mijn hulp behoeft, Vooruit maar; gij komt bij mij, en gij zegt, "Shylock, wij willen geld," en dat zegt gij, Gij die uw speeksel spuwdet op mijn baard, Mij traptet, als ge een vreemden hond verschopt Van uwen drempel: nu vraagt gij om geld. Wat moet ik u nu zeggen? Moet 't niet zijn: "Heeft een hond duiten? Is het moog'lijk dat Zoo'n mormel drie duizend dukaten leent?" Of zal 'k diep buigend, op een slaventoon Met ingehouden adem need'rig fluist'rend, Zóó spreken: "Mijnheer, verleden Woensdag spoogt ge op mij; Gij traptet me op een and'ren dag; dan weer Heette ik een hond; en voor die hof'lijkheid Leen ik u zooveel geld?"

ANTONIO: 't Is mogelijk dat ik u weer zoo noem, En weder op u spuw en u vertrap. Zoo gij dit geld wilt leenen, leen dan niet Als aan uw vriend; wanneer nam vriendschap toch Winst van onvruchtbaar zilver van een vriend?[18] Maar leen het liever aan uw vijand uit; Want doet hij zijn belofte niet gestand, Dan kunt ge met te meer vrijmoedigheid De boete vergen.

SHYLOCK: Kijk nu hoe ge raast: Ik wensch uw vriendschap en genegenheid, Den smaad vergetend waar 'k meê werd besmet, Ik wil u helpen in uw nood, geen duit Als int'rest nemen, en ge luistert niet. Dit is een vriend'lijk aanbod.

ANTONIO: Ja, dat is 't.

SHYLOCK: Welnu, 'k bewijs u deze vriend'lijkheid. Ga meê naar een notaris, zegel daar Uw overeenkomst zonder meer,[19] en als Gij niet op een bepaalden dag en plaats De som of sommen in 't kontrakt genoemd Terugbetaalt, moet gij voor de aardigheid Een pond, daarmêe gelijkstaand, van uw vleesch Mij netjes laten snijden uit dàt deel Van uw mooi lichaam waar het mij behaagt.

ANTONIO: Dat neem ik aan: ik zegel zoo'n kontrakt; 'k Moet zeggen dat de Jood zeer vriend'lijk is.

BASSANIO: Dat moogt gij niet on mijnentwille doen: Veel liever blijf 'k in ongelegenheid.

ANTONIO: Kom, vrees niet, man; 'k verbeur de boete niet: Binnen twee maanden, dat 's een maand aleer 't Kontrakt verloopt, verwacht ik driemaal meer Terug dan heel de waarde van 't kontrakt.

SHYLOCK: O, vader Abram! Zie die Christ'nen toch, Wier eigen hardheid and'rer denkwijs hen Wantrouwen leert! Ik bid u, zeg mij dit; Kwam hij 't kontrakt niet na, wat won 'k dan nog Door 't eischen van wat door hem werd verbeurd? Een pond van 't vleesch gesneden uit een mensch Heeft minder waarde, wordt ook min geschat Dan schapen-, rund-, of geitenvleesch. 'k Herzeg, Door deze groote vriendschap koop 'k zijn gunst; Wil hij haar hebben, goed; zoo niet, vaarwel; En krenkt mij niet voor al mijn vriend'lijkheid.

ANTONIO: Ja, Shylock, ik bezegel dit kontrakt.

SHYLOCK: Vind mij dan snel bij den notaris weêr. Maak hem bekend met 't grappige kontrakt. Ik steek onmiddellijk het geld bij mij, Neem thuis een kijkje, waar een spilziek mensch Het toezicht houdt (en dat maakt mij bezorgd,) En ik zal aanstonds komen. (_Af._)

ANTONIO: Haast u wat, Beminnelijke Jood.--Hij zal bepaald Een Christen worden, want hij wordt zoo lief.

BASSANIO: De liefde staat mij tegen in een dief.

ANTONIO: Kom, wees niet bang; een maand vóór den termijn, Zal heel mijn vloot weer in de haven zijn. (BEIDEN _af._)

TWEEDE BEDRIJF

TOONEEL I.

_Belmont. Een Vertrek in_ PORTIA'S _Huis._

_Hoorngeschal. De_ PRINS VAN MAROCCO _komt op met zijn_ GEVOLG: PORTIA, NERISSA _en_ BEDIENDEN.

MAROCCO: Wees niet van mij afkeerig om mijn kleur, De schaduw'ge livrei der vonkelzon; 'k Ben haar gebuur, geboren bij haar licht. Breng mij den blanksten uit de Noorderstreek, Waar Phoebus' vuur de pegels nauw ontdooit, En laat ons de aad'ren oop'nen voor uw min, En zien wiens bloed het roodst is, 't zijn of 't mijn. Ik zeg u, jonkvrouw, dit mijn uiterlijk Heeft dapperen onthutst: 'k zweer, bij mijn min, De meest gezochte maagden van mijn land Beminden 't ook. Ik maak die tint niet weg, Dan om uw hart te stelen, mijn vorstin.

PORTIA: 'k Word bij de keuze niet alleen geleid Door 't keurig[20] schatten van een meisjesoog: En bovendien belet de loterij Om mijn bestemming, 't recht van vrije keus: Maar als mijn vader mij niet had beperkt, En door zijn wil verplicht dat ik mij gaf Aan hem die me op gezegde wijze wint, Uw kans, befaamde Prins, stond even mooi Als die van een'gen minnaar dien ik zag, Op mijne liefde.

MAROCCO: Daarvoor dank ik u; Breng mij, ik bid u, naar de kistjes dus, 'k Wil mijn geluk beproeven. Bij dit zwaard,-- 't Versloeg den Sophi[21] en een Perzisch prins, Die driemaal Sultan Soliman verwon,-- Ik stilde 't staren van het grimmigst oog, Trotseerde 't onverschrokkenst hart op aard, 'k Ontrukte 't zuigend jong aan de berin, Ja, 'k tergde zelfs den leeuw die brult om prooi, Om u te winnen, jonkvrouw. Maar, helaas! Als Hercules en Lichas[22] er om dobb'len Wie 't dapperst is, dan kan de hoogste worp Bij toeval komen uit de zwakste hand: Zoo doet Alcides[23] onder voor zijn knecht; Zoo kan ook ik, door 't blind geluk geleid, Dat missen wat een mind're winnen kan, En sterven van verdriet.

PORTIA: Beproef uw kans; En doe òf heel geen poging tot een keus, Of zweer voordat ge kiest, dat, slaagt ge niet, Gij later nooit tot één'ge jonkvrouw spreekt Inzake een huw'lijk: overleg dus goed.

MAROCCO: Dat zal 'k ook niet; kom breng mij naar mijn kans.

PORTIA: Eerst naar den tempel;[24] na het middagmaal Beproeft ge uw kans.

MAROCCO: Dan sta 't geluk mij bij, Waardoor 'k gezegend, of rampzalig zij!

(_Hoorngeschal. Allen af._)

TOONEEL II.

_Venetië. Een Straat._

LANCELOT GOBBO _komt op._

LANCELOT: Natuurlijk zal mijn geweten 't goed vinden dat ik van dien Jood, mijn meester, wegloop. De booze staat naast me, en brengt me in de verzoeking, en zeit tegen me: "Gobbo, Lancelot Gobbo, beste Lancelot, of beste Gobbo, of beste Lancelot Gobbo, neem je beenen op, ga d'r van door, loop weg." Mijn geweten zegt: "Nee; pas op, brave Lancelot; pas op, brave Gobbo;" of, zooals ik daarnet zei: "brave Lancelot Gobbo; loop niet weg: schop weg van je dat idee van wegloopen." Maar kijk, die allerdapperste booze gelast me mijn biezen te pakken. "Via!"[25] zeit de booze; "Weg!" zeit de booze, "in 's Hemels naam, neem een flink besluit," zeit de booze; "en loop weg." Maar jawel, mijn geweten, hangend om den nek van mijn hart, zegt heel verstandig tegen me: "Mijn brave vriend Lancelot, als zoon van een braven vader,"--of liever van een brave moeder;--want welbeschouwd was er een luchtje aan mijn vader,--d'r was iets met hem aan den knikker,--hij was niet zuiver op de graat: nu, mijn geweten zegt: "Lancelot, ga niet op de loop," "ga op de loop" zegt de booze: "ga niet op de loop," zegt mijn geweten weer. "Geweten," zeg ik, "je geeft me een goeden raad;" "booze," zeg ik, "je geeft me ook een goeden raad." Als ik me door mijn geweten laat leiden, moet ik bij mijn meester den Jood, die (God vergeef 't me) een soort van duivel is, blijven; en om van den Jood weg te loopen, moet ik mij laten leiden door den booze, die, met zijn welnemen, de duivel in eigen persoon is. Waarachtig, de Jood is de vleeschgeworden duivel, en op mijn geweten, mijn geweten is een hardvochtig stuk geweten om mij te durven aanraden bij den Jood te blijven. De duivel geeft den vriendelijksten raad: ik zal drossen, duivel, mijn hielen zijn tot uw orders, drossen zal ik.

_De oude_ GOBBO _komt op met een mand aan den arm._

GOBBO: O, zeg eens, Meneertjelief; kun je me asjeblieft den weg wijzen naar Meneer den Jood.

LANCELOT (_Ter zijde_): Goeie Hemel! dat is mijn bloed-eigen vader, en doordat-i meer dan erg kippig oftewel stekeblind is, kent-i me niet:--ik zal ereis probeeren hem er in te laten loopen.

GOBBO: Meneertjelief, zeg me asjeblieft den weg naar Meneer den Jood.

LANCELOT: Ga bij den naasten draai rechts af, maar bij den allernaasten draai links af; maar aan den allerallernaasten draai sla je nergens af, maar je draait indirekt[26] het huis van den Jood binnen.

GOBBO: Allemachies, dat zal een moeielijke weg zijn om te vinden. Kan u me ook zeggen of eene Lancelot, die bij hem woont, bij hem is of niet?

LANCELOT: Bedoel je den jongeheer Lancelot?--(_ter zijde_) Let nu goed op, nu zal ik de poppen laten dansen.--Bedoel je den jongeheer Lancelot?

GOBBO: Geen _Jongeheer_, Meneer, maar een armemans zoon: z'n vader is, al zeg ik 't zelf, een heele eerlijke arme man, maar die, Goddank, toch kan rondkomen.

LANCELOT: Goed, laat z'n vader wezen wie die wil, we hebben 't nu over den jongeheer Lancelot.

GOBBO: Uw gehoorzame dienaar, en Lancelot, Meneer.

LANCELOT: Maar ik bid je, _ergo_, ouwe man, _ergo_, ik smeek je, heb je 't over den jongeheer Lancelot?

GOBBO: Over Lancelot, met uw heerschaps welnemen.

LANCELOT: _Ergo_ over den jongeheer Lancelot. Praat niet over jongeheer Lancelot, vader; want de jongeheer is (volgens lot en beschikking, en dergelijke vreemde gezegden, de drie zusters,[27] en dergelijke geleerdhedens) overleden; of, zooals men het in ronde woorden zou zeggen, naar den Hemel gegaan.

GOBBO: God beware me! die jongen was heelemaal de staf van mijn ouwen dag, zoo heelemaal mijn steun.

LANCELOT: Zie ik er uit als een knuppel of een dakpaal, of een steun?--Ken je me ook, vader?

GOBBO: Ach heeremetijd, neen, ik ken je niet, Meneertje; maar ik bid je, zeg me toch, is mijn jongen (God mag z'n ziel genadig wezen!) levend of dood?

LANCELOT: Ken je me niet, vader?

GOBBO: Ach, Meneer, ik ben stekeblind; ik ken u niet.

LANCELOT: Neen, en ook al hadt u je oogen, dan zou je me misschien toch niet kennen: dàt is eerst een knappe vader die zijn eigen kind kent. Komaan, ouwe man, ik zal je nieuws van je zoon vertellen. (_Hij knielt._) Geef me je zegen: de waarheid komt toch aan 't licht; moord kan niet lang verborgen blijven, maar wel van wien iemand de zoon is; maar in 't eind komt de waarheid toch aan den dag.

GOBBO: Sta asjeblieft op, Meneer. Ik ben er zeker van dat u mijn jongen Lancelot niet bent.

LANCELOT: Laten we er asjeblieft geen gekheid meer over maken, maar geef me uw zegen: ik ben Lancelot, je jongen die was, je zoon die is, je kind dat zal zijn.

GOBBO: Ik kan niet gelooven dat u me zoon bent.

LANCELOT: Ik weet niet wat ik daarvan zeggen moet; maar ik ben Lancelot, de knecht van den Jood, en ik ben er zeker van dat uw vrouw, Grietje, mijn moeder is.

GOBBO: Waarachtig, haar naam is ook Grietje; en ik zweer d'er op, dat als jij Lancelot bent, je mijn eigen vleesch en bloed bent. Mijn Hemel, de jongen zou EdelAchtbare kunnen wezen! Wat heb je een baard gekregen! Je hebt meer haar aan je kin dan mijn karrepaard Dorus aan z'n staart.[28]

LANCELOT: Dan groeit Dorus z'n staart bepaald tegen z'n rug op; want ik weet zeker dat hij meer haar in zijn staart had dan ik op mijn gezicht, toen ik hem 't laatst zag.

GOBBO: Heere, Heere, wat ben je veranderd! En kan je 't nogal goed met je meester vinden? 'k Heb 'n cadeautje voor 'm meêgebracht. Hoe sta je nu met hem?

LANCELOT: Goed, goed; maar, nu ik er mijn zinnen op gezet heb weg te loopen, heb ik voor mij geen zin stil te zitten voordat ik een eind heb geloopen. Mijn meester is op en top een Jood: hem een cadeau geven! Geef hem een strop: ik word uitgehongerd in zijn dienst; je kunt al m'n vingers met mijn ribben tellen. Vader ik ben blij dat je gekomen bent: geef je cadeau liever aan 'n zekeren menheer Bassanio, die bizonder mooie livreien geeft. Als ik hem niet mag dienen, dan zal ik zoover loopen als God me grond geeft.--O wat 'n mooi buitenkansje! daar komt hij zelf aan;--naar hem toe, vader: want ik ben een Jood, als ik den Jood langer wil dienen.

BASSANIO _komt met_ LEONARDO _en ander_ GEVOLG _op._

BASSANIO: Dat kun je wel doen:--maar laat er zóó'n haast achter gezet worden, dat 't souper op z'n laatst om vijf uur klaar is. Laat deze brieven bezorgen; laat de livreien maken, en vraag of Gratiano dadelijk bij me aan huis komt.

(_Een_ BEDIENDE _af._)

LANCELOT: Naar hem toe, vader!

GOBBO: God zegen UEdele!

BASSANIO: Dank je zeer. Wou je wat van me hebben?

GOBBO: Dat is mijn zoon, Meneer, een arme jongen--

LANCELOT: Géén arme jongen, Meneer, maar de bediende van den rijken Jood; en ik wou wel graag, Meneer, zooals mijn vader 't u zal expliceeren--

GOBBO: Hij heeft, on zoo te zeggen, Meneer, heel veel senie om bediende te zijn bij--

LANCELOT: Ja, om het nu maar eens in één woord te zeggen, ik ben bediende bij den Jood, en ik verlang, zooals mijn vader 't u zal expliceeren--

GOBBO: Zijn meester en hij zijn met UWEdele's welnemen lang geen koek-en-ei met elkaar--

LANCELOT: Om kort te gaan, het is de heuzelijke waarheid dat de Jood, omdat-i me gemeen heeft behandeld, mij dwingt, zooals mijn vader, die een oud man is, naar ik hoop u zal parlementeeren--

GOBBO: Ik heb hier een schoteltje duiven, dat ik UEdele wel zou willen cadeau doen; en mijn verzoek is--

LANCELOT: Kort en goed, het verzoek comprommeteert[29] mezelf, zooals UEdele zult te weten komen van dezen braven ouwen man; en, al zeg ik het zelf, al is-i 'n ouwe man, toch mijn vader, de arme man.

BASSANIO: Laat één voor allebei spreken.--Wat wil je?

LANCELOT: U dienen, Meneer.

GOBBO: Dat is juist het defectieve[30] van de zaak, Meneer.

BASSANIO: Ik ken je goed: 't verzoek is toegestaan. Je meester Shylock sprak mij nog vandaag, Je aanbevelend; als 't een aanbeveling Mag heeten weg te gaan bij 'n rijken Jood Om knecht te zijn van zoo'n arm edelman.

LANCELOT: Het oude spreekwoord[31] is net mooi verdeeld tusschen mijn meester Shylock en u, Meneer: u hebt Gods genade, Meneer, en hij heeft genoeg.

BASSANIO: Heel goed gezegd.--Ga, vader, met je zoon:-- Neem afscheid van je vroeg'ren heer, en zoek Mijn woning;--geeft hem een livrei (_tot zijn_ GEVOLG) Met meer garneersel dan zijn kameraads.

LANCELOT: Kom, vader.--Ik kan geen dienst krijgen, o nee! En ik heb heelemaal geen tong in mijn mond!--Ziezoo; (_zijn handpalm bekijkend_) als er nu toch één mensch in Italië is die een mooiere palm heeft! Ze zou op den Bijbel durven zweren dat ik goed geluk zal hebben!--Kijk ereis aan; is me dat een levenslijntje! Daar zit me een bagatelletje vrouwen in: ach! vijftien vrouwen is zoo goed als niets: elf weduwen en negen maagden is maar 'n eenvoudig vooruitzicht voor één man; en dan, driemaal van 't verdrinken gered te worden, en in levensgevaar te zijn aan den rand van bedje van veeren:--dat zijn geen kleine buitenkansjes! Nu, als de fortuin een vrouw is, dan is 't op zoo'n manier een beste meid.--Kom, vader. Ik zal als een haas van den Jood afscheid nemen.

(LANCELOT _en de oude_ GOBBO _af._)

BASSANIO: Ik bid u, vriend Leonardo, denk hierom: Als alles is gekocht, en goed bezorgd, Kom snel dan weer, want ik onthaal van nacht Mijn meest geachte vrienden: haast u, ga.

LEONARDO: 'k Zal alles naar mijn beste krachten doen.

GRATIANO _komt op._

GRATIANO: Waar is uw meester?

LEONARDO: Zie, daar gaat hij heen. (LEONARDO _af_).

GRATIANO: Signor Bassanio!

BASSANIO: Gratiano!

GRATIANO: 'k Heb een verzoek aan u.

BASSANIO: 't Is toegestaan.

GRATIANO: Weiger 't mij niet. Ik moet met u naar Belmont.

BASSANIO: Dan moet gij ook; maar hoor eens, Gratiano. Gij zijt te wild, te ruw, te boud van taal; Die eigenschappen staan u goed genoeg, En zijn geen fouten in ons oog; maar waar Gij niet bekend zijt, zie, dáár lijken zij Wat _te_ vrijmoedig. 'k Bid u, doe uw best Om met wat koude droppen zedigheid Uw vuur'gen geest te maat'gen; opdat ik Ginds niet miskend word door uw wild gedrag, En zoo mijn hoop verbeur.

GRATIANO: Signor Bassanio, Als 'k mij niet steek in 't kleed van deftigheid, Met eerbied spreek, en nu en dan slechts vloek, Met het getijboek bij me zedig kijk, Ja zelfs bij 't bidden aldus met mijn hoed Mijne oogen dek, en zucht, en amen zeg, En al de regels volg der hoff'lijkheid, Als iemand, die, zijn grootje ten plezier, Een ernst'ge houding goed heeft bestudeerd, Wees dan mijn vriend niet meer.

BASSANIO: Wij zullen zien.

GRATIANO: Behalve dan van nacht. Beoordeel mij Niet naar van nacht.

BASSANIO: Neen, dat zou jammer zijn. 'k Vraag u veeleer on u te dossen in Uw wildste vreugde-pak, ik krijg bezoek Dat zeer naar pret verlangt. Maar vaar gij wel, Ik heb nog iets te doen.

GRATIANO: En ik moet naar Lorenzo en de rest; Maar bij het avondeten zie 'k u weer. (ALLEN _af_).

TOONEEL III.

_Venetië. Een Kamer in Shylocks Huis._

JESSICA _en_ LANCELOT _komen op._

JESSICA: Het spijt me dat je vader zoo verlaat: 't Is hier een hel, jij, opgeruimde duivel, Beroofde 't huis soms van zijn aak'ligheid. Vaarwel dan; hier is een dukaat voor jou. En, Lancelot, spoedig zie je aan 't souper Lorenzo, als uw nieuwen meesters gast; Geef dezen brief aan hem, maar in 't geheim. Vaarwel dan; 'k zou niet willen dat mijn vader Mij met je spreken zag.

LANCELOT: Vaarwel! tranen betoonen[32] mijn tong. Prachtstuk van een heidin,--allerliefste Jodendochter! Als een Christen geen listige streek uithaalt om u te krijgen, dan bedrieg ik me sterk: maar vaarwel! Deze malle droppels verdrinken mijn mannelijke flinkheid min of meer: vaarwel! (_Af._)

JESSICA: Vaarwel, mijn beste Lancelot. Ach, wat een booze zonde is 't toch van mij, Beschaamd te zijn mijn vaders kind te zijn! Maar ben ik al een dochter van zijn bloed 'k Ben 't niet van zijn karakter. O Lorenzo! Als gij uw woord houdt, is mijn tweestrijd uit, Ik word Christin en uw geliefde bruid. (_Af._)

TOONEEL IV.

_Venetië. Een Straat._

GRATIANO, LORENZO, SALARINO _en_ SOLANIO _komen op._

LORENZO: Goed, onder 't eten gaan we heim'lijk weg, Vermommen ons bij mij, en keeren weer,-- Dat alles binnen 't uur.

GRATIANO: Wij hebben ons nog niet goed voorbereid.

SALARINO: En fakkeldragers zijn nog niet besteld.

SOLANIO: 't Zal slecht gaan, als 't niet knap geregeld wordt; Mijns inziens ware 't beter 't niet te doen.

LORENZO: 't Is pas vier uur; wij hebben er nog twee Voor toebereids'len.--

LANCELOT _komt op met een brief._ Lancelot, wat voor nieuws?

LANCELOT: Als u 't goed vindt dezen open te breken, dan zal hij u wel iets mêe kunnen deelen. (_Hij geeft den brief af._)

LORENZO: Ik ken de hand: ja, 't is een mooie hand; En witter dan 't papier waarop het schreef, Is 't handje dat dit schreef.

GRATIANO: Een minnebrief!

LANCELOT: Vergun me, Meneer.

LORENZO: Waar gaat ge heen?

LANCELOT: Wel, Meneer, mijn ouden meester den Jood uitnoodigen om van avond bij mijn nieuwen meester den Christen te soupeeren.

LORENZO: Hier, neem dit:[33]--zeg de schoone Jessica Dat ik er zijn zal; zeg het in 't geheim. (LANCELOT _af._) Mijnheeren, Maakt voor de maskerade u straks gereed, 'k Ben van een fakkeldrager reeds voorzien.

SALARINO: Goed, 'k zal onmiddellijk het nood'ge doen.

SOLANIO: Dat zal ik ook.

LORENZO: En in Gratiano's huis Treft gij mij na een uurtje met hem aan.

SALARINO: 't Is goed, wij zullen 't doen. (SALARINO _en_ SOLANIO _af._)

GRATIANO: Zond u de schoone Jessica dien brief?

LORENZO: 'k Vertel u alles:--zij heeft mij bericht, Hoe 'k haar moet halen uit haar vaders huis, Het goud en de juweelen die zij heeft, Welk page-kleed zij in gereedheid houdt. Komt ooit de Jood haar vader in den hemel, 't Zal zijn om zijner lieve dochter wil; Nooit zette 't ongeluk den voet haar dwars, Tenzij het dit om deze reden doet, Dat zij het kind is van een slechten Jood. Ga nu met mij, en lees dit onder 't gaan. De schoone Jessica draagt mijne toorts. (BEIDEN _af._)

TOONEEL V.

_Venetië. Voor_ SHYLOCKS _Huis._

SHYLOCK _en_ LANCELOT _komen op._

SHYLOCK: Nu zul je met je eigen oogen zien Hoe Shylock en Bassanio verschillen.-- Hei, Jessica!--je eet je lang niet vol Zooals je 't deedt bij mij;--hei, Jessica!-- Je slaapt en snorkt niet, slijt geen pakken af;-- Kom, Jessica, zeg ik!

LANCELOT: Kom, Jessica!

SHYLOCK: Wie zegt dat jij moet roepen? Ik toch niet.

LANCELOT: UEdele zei me altijd dat ik nooit iets _kon_ wanneer 't me _niet_ gezegd was.

JESSICA _komt op._

JESSICA: Roept u? Wat is uw wil?

SHYLOCK: 'k Ben uitgenoodigd op een avondmaal: Ziehier mijn sleutels.--Maar waarom zou 'k gaan? Men vraagt me uit vriendschap niet; ze vleien mij: Maar toch zal 'k gaan uit haat om te eten van Den Christ'lijken verkwister.--Jessica, Pas op mijn huis:--ongaarne ga ik heen. Er wordt iets kwaads gebrouwen tegen mij, Want 'k heb van nacht van zakken goud gedroomd.