Part 8
"Goed," zei Slade, "maar of we nu hier al staan praten, daar heeft de man niet veel aan; we moeten hem gaan opzoeken. Mij is het bevel over den landingstroep opgedragen en ik acht me er dus verantwoordelijk voor. Mr. Tregarthen, wilt u het bevel over den kotter overnemen en de schroef aan boord brengen, dan ga ik met een half dozijn mannen onzen vriend Black opzoeken."
Jack Stockton wilde Slade vergezellen om den vermiste op te sporen; twaalf man zouden de smidse bewaken en de overigen den kotter bemannen. Terwijl Gerald zijn opdracht uitvoerde en den kotter naar de Olijftak stuurde, volgde luitenant Slade de duidelijk zichtbare voetstappen in de sneeuw.
Het korte tochtje met den kotter liep niet zoo heel gemakkelijk af, want plotseling schoot er een rukwind langs de bergen over de kreek. Zoo krachtig was die windstoot, dat de Olijftak draaide en dwars kwam te liggen, zoodat haar lengtezijde naar het land was gekeerd, terwijl de golven over het dek van den kotter sloegen. Gerald kon zijn boot niet langszijde van den kruiser brengen, voor hij het vrij rustige water aan de luwe zijde had bereikt.
Hij keek wel vreemd op, dat de mannen aan boord heel geen aandacht over hadden voor den kotter: niemand vertoonde zich en niemand dacht er blijkbaar aan, den mannen bij het aan boord komen behulpzaam te zijn. Toen Gerald aan dek kwam, begreep hij dadelijk, wat de oorzaak was van deze vreemde houding der bemanning. Alle schepelingen bevonden zich aan de andere zijde van het schip en tuurden naar den wal, waar zich gebeurtenissen afspeelden, die wel de algemeene aandacht waard waren.
De wacht, die bij de tijdelijk opgerichte gebouwen was achtergebleven, had een schuilplaats gezocht tegen den wind achter de smidse en was nu geheel onkundig, van wat er zich op een twee honderd meter afstand van hen afspeelde.
En de bemanning van de Olijftak, die het wel zag, was niet bij machte om tusschenbeide tekomen.
Eén van de mannen van Slade was van zijn makkers afgeraakt en trachtte nu, wadend door de rulle sneeuw, te ontkomen aan een troep Patagoniërs, die hem vervolgden. Ze zaten hem vlak op de hielen en ieder oogenblik leek het, of ze hem de scherpe, lange speren in den rug drijven zouden, maar dan hielden ze zich weer in, om het genot van de woeste jacht nog wat langer te kunnen smaken. De matroos zou niet veel kans hebben, te ontkomen aan de vlugge vervolgers, die ongeschoeid als ze waren, geen last schenen te hebben van de rulle, zachte sneeuw. Op eens echter keerde hij zich om, richtte zijn revolver en vuurde. Eén van de wilden viel en de uitwerking van het geluidlooze schot deed de andere een oogenblik afdeinzen. Maar toen er verder niets noodlottigs gebeurde, hadden ze spoedig hun vrees voor het kleine, onaanzienlijke wapen overwonnen en drongen weer vooruit.
Klaarblijkelijk was het zijn laatste patroon, die de man verschoten had, want hij slingerde de revolver, die hem verder tot niets nut was, den voorsten van zijn vervolgers naar het hoofd en zette toen weer zijn hopelooze vlucht voort, totdat hij op een twintig meters van zijn niets kwaads vermoedende makkers, struikelde en viel. Hij slaakte een kreet om hulp en dat was zijn geluk. De mannen bij de smidse grepen hun geweren en snelden toe ter bescherming van hun kameraad en de uitslag van den strijd, die nu volgde, was niet twijfelachtig: de lansen moesten wijken voor de geweren, de Patagoniërs zochten in wilde vlucht een schuilplaats in hun dennenbosch.
"Hijsch het signaal om de mannen terug te roepen en breng den voorsten toren in gereedheid voor het gevecht," commandeerde kapitein Brookes. "We zullen dien troep schelmen een geduchte les geven."
De mannen van de bewakingspatrouilles kwamen met de pinas langszijde. Drie van hen waren licht gewond in het gevecht aan de kust en dat wekte de woede der geheele bemanning van de Olijftak op. Ze wilden aan wal gaan om hun vermiste makkers te bevrijden en wraak te nemen op de Patagoniërs. Maar de kapitein wilde daar niet van hooren, hij was van oordeel, dat men het er niet op mocht wagen, nog meer verliezen te lijden en was besloten van zijn kanonnen gebruik te maken.
"Een oogenblik, Sir," riep Gerald. "Als we het vuur openen met onze 15 c.M, kanonnen, dan worden vriend en vijand vernietigd, tenminste als onze kameraden nog in leven zijn."
"Wat zoudt ge dan willen doen?" vroeg de kapitein en wenkte den luitenant ter zijde. Er volgde een kort gesprek, waarin Gerald blijkbaar zijn plan uiteenzette en dat eindigde met de verklaring van den kapitein, dat hij vond, dat men het probeeren kon. Tot groote verbazing van de overige officieren en de bemanning werd het bevel gegeven, de ankers te lichten en zeewaarts te stevenen.
Twintig minuten later had de Olijftak haar ligplaats in de weinig gastvrije wateren van Desolation Inlet verlaten.
HOOFDSTUK XVII.
DE LIST VAN GERALD.
Hoe was het intusschen den mannen vergaan, die uitgezonden waren, om den vermisten Black op te sporen?
Het begin van den tocht was vrij gemakkelijk: het spoor van de wilden was duidelijk, maar het werd erger, toen ze in het bosch kwamen. Van een bosch was eigenlijk geen sprake, want het waren meer groepjes boomen, gescheiden door open plekken van vijftig tot honderd meter.
Het spoor werd hier minder goed zichtbaar en de mannen kregen hoe langer hoe meer te lijden van de koude. De snerpende wind bemoeilijkte de ademhaling en drong door de dikke, wollen kleeding der zeelieden. Tot overmaat van ellende begon het te sneeuwen en daar ze niet over een kompas beschikten, dreigde er nu een nieuw gevaar: ze liepen kans aan het dwalen te raken, want de buien beletten hen uit te zien en den terugweg zouden ze onmogelijk kunnen weervinden, doordat hun spoor dadelijk onder de sneeuw werd verborgen.
Gelukkig was er bij het troepje een man, die in de Poolstreken gediend had. Hij had meer dergelijke gevaren doorstaan en hij raadde den luitenant aan, een man terug te zenden om de boomen te merken. Al voortgaande moesten ze hetzelfde doen, dan konden ze in ieder geval den afgelegden weg terugvinden.
De luitenant volgde den raad en droeg den matroos Roberts op, terug te gaan en van elken boom, op het pad, een stuk schors af te snijden. Het troepje vervolgde nu langzaam zijn moeilijken tocht, worstelend tegen wind- en sneeuwvlagen.
Eensklaps bulderde boven het geraas van den sneeuwstorm een bloeddorstig krijgsgeschreeuw uit de kelen van een honderdtal wilden en een hagelbui van trillende speren gierde door de lucht en sloeg neer op de verschrikte zeelieden.
Drie mannen stortten neer, zonder verder een teeken van leven te geven, terwijl nog twee andere licht gewond werden. De overige, van hun oogenblikkelijke ontzetting bekomen, grepen naar hun revolvers, maar vóór ze met hun verkleumde handen in de dikke, wollen wanten van hun wapens konden gebruik maken, hadden de vijanden zich reeds op hen geworpen.
Jack Stockton weerde zich dapper. Elkander hulp verleenen, daar was geen sprake van: ieder was geheel op eigen krachten aangewezen. Hij slaagde er in, zijn revolver te trekken en vuurde op een reusachtigen aanvaller, die hem met een knots bedreigde. De uitwerking van het schot was echter onbeduidend: de kleine kogel, die een zeer groote aanvangssnelheid had, doorboorde den schouder van den wilde, zonder hem pijn te veroorzaken, want de man gaf geen bewijs, dat hij gevoelde, getroffen te zijn.
Als een bliksemstraal vloog Jack de gedachte door het hoofd, dat kapitein Brookes wel andere middelen, dan zijn geluidloosvurende revolvers mocht gebruiken, als hij wilden tot eeuwigen vrede wilde dwingen. Maar veel tijd voor bespiegelingen werd hem niet gelaten; zijn tegenstander greep hem aan en er ontstond een verwoede worsteling. Jack was krachtig gebouwd en beschikte over veel spierkracht, maar nu gevoelde hij zich als een kind tegenover den Patagoniër met zijn stalen spieren. Hij voelde, dat hij het onderspit zou delven: zijn hoofd duizelde onder de slagen en hij kreeg een gevoel, of hem de ruggegraat gebroken werd. Hij viel op den grond en zag dreigende speerpunten en knotsen en toen verloor hij het bewustzijn.
Onderwijl had Slade zich manmoedig verweerd. Drie vijanden had hij met vuistslagen buiten gevecht gesteld: ondanks zijn wanten werkten zijn knuisten als stoomhamers en een oogenblik scheen het, of hij in het gevecht de baas zou blijven. Onverwacht echter werd hij van achteren aangevallen en kreeg een knotsslag op het hoofd. Hij had letterlijk en figuurlijk een harden kop en bij deze gelegenheid was dat nu eens een groot geluk voor hem, want voor ieder ander zou de slag doodelijk geweest zijn en bij hem was het gevolg slechts, dat hij bewusteloos in de sneeuw viel.
Toen Stockton weer bijkwam, bemerkte hij, dat hij met Slade en een matroos onder een overhangend rotsblok was neergelegd. Zij lagen vlak tegen elkander aan en dat was hun geluk, want ze deelden elkander van hun lichaamswarmte mee en ontkwamen daardoor aan het gevaar te bevriezen.
In het rond zaten wel een honderdtal Patagoniërs, waarvan er eenige luid aan het krakeelen waren over de verdeeling van den buit.
Langzamerhand kwamen hem nu de bijzonderheden van het gevecht weer voor den geest en hij kon het niet best verklaren, waarom de wilden hem en de beide andere gewonden niet den genadestoot hadden gegeven. Misschien waren ze van plan hun slachtoffers een marteldood te laten sterven. In deze weinig opbeurende overpeinzing werd hij gestoord door Slade, die begon te bewegen. De luitenant stond op, deed een paar stappen en rolde toen in de sneeuw. Een uitbundig en ruw gelach van de wilden beantwoordde deze vertooning en toen pakten twee van de kerels den luitenant op en legden hem weer op zijn vorige plaats.
"Hallo, Slade!" begon Jack, maar als eenig antwoord uitte de luitenant een reeks, meerendeels onverstaanbare woorden. Hij lag te ijlen en het was duidelijk, dat hij zich in de koortshitte verbeeldde aan boord te zijn, bezig met zijn gewone werkzaamheden. Plotseling ging hij overeind zitten en steunde om water, viel weer achterover en lag doodstil, alsof alle leven uit zijn lichaam was geweken.
Stockton voelde een loome onverschilligheid voor wat er om hem heen gebeurde, over zich komen, toen zijn aandacht gewekt werd door de komst van een Patagoniër, die, te oordeelen naar de algemeene opschudding, die er ontstond, buitengewoon belangrijk nieuws bracht. De wilden trokken haastig af en lieten hun gevangenen alleen: ze wisten toch wel, dat deze niet in staat waren te vluchten. Wat was er gebeurd? De man, die daar even was aangekomen, had de tijding meegebracht, dat het schip met de blanke mannen vertrokken was. Achterdochtig als ze zijn, vertrouwden de wilden den boodschapper niet en gingen zich met eigen oogen overtuigen, of hij de waarheid had gesproken.
Binnen het uur waren de meesten weer terug. Ze waren opgewonden vroolijk, want inderdaad was het groote schip vertrokken en de kreek dus vrij. Zij konden nu overvaren naar hun dorpje zonder gevaar te duchten. Vlug maakten ze drie eenvoudige draagbaren van speren en dierenhuiden, de blanke gevangenen werden erop gelegd en toen onder het bulderen van een ware zegezang werd de tocht aanvaard naar de kust.
Toen ze daar aangekomen waren, was het eerste werk de kano's om te keeren en te water te laten. Met moeite vonden alle mannen een plaats in de booten, die overvol, midscheeps niet meer dan 15 c.M. boven water uitstaken.
Stockton en zijn beide medegevangenen waren neergelegd op den bodem van een van de grootste kano's.
't Was gelukkig, dat de storm even snel was gaan liggen, als hij opgestoken was, en dat nu het water kalm was, want anders zouden de beweeglijke vaartuigjes alle kans geloopen hebben, om te slaan.
Door de krachtige slagen van een twintigtal pagaaien voortbewogen, schoot de boot van Stockton de andere een eind vooruit. Een eentonig gezang van de roeiers gaf de maat aan voor de regelmatige beweging van de pagaaien.
Eensklaps echter verstomde het gezang en er klonk een kreet van schrik. De roeiers lieten hun pagaaien vallen, sprongen overeind en stonden verlamd ten gevolge van een onuitsprekelijk afgrijzen; toen ze een oogenblik later weer tot bezinning kwamen, sprongen ze overboord.
Woest schommelde het vaartuig en hoog spatte het water op, dat weer in fijne druppels neerviel op de gekwetsten.
[Illustratie: dat ze hun speeren wierpen naar het vreemde vaartuig. Pag. 117]
Vóór Jack een veronderstelling had kunnen maken, omtrent de reden van hetgeen er gebeurde, hoorde hij een stem, die hartelijk uitriep: "Gelukkig, daar zijn ze!" Op hetzelfde oogenblik sprongen er drie matrozen in de kano.
"Voorzichtig! Til ze eruit!" commandeerde iemand, dien Jack aan het geluid dadelijk als zijn vriend Gerald herkende. Hij voelde, hoe hij vlug, maar zorgzaam van den bodem van de boot werd opgetild en een oogenblik later bevond hij zich op het kleine platform van de duikboot van de Olijftak.
"Goddank, dat je gered bent!" fluisterde Gerald hartelijk.
De drie gewonden werden daarna door het voorste luik naar binnen gebracht en om meer ruimte te maken, besloot Gerald de boot te besturen van het platform dat den toren omgaf.
Er was geen reden om de boot te laten duiken. Ze was geheel onverwacht opgestegen uit de wateren van Desolation Inlet en dat verschijnen had een panischen schrik onder de wilden verwekt en nu stoof de onderzeeër op de kano's aan als een terriër onder een zwerm ratten.
Een deel van de Patagoniërs vermanden zich in zooverre, dat ze hun speren wierpen naar het vreemde vaartuig, maar die troffen geen doel of stuitten af op den wand van de duikboot.
Het was aan geen twijfel onderhevig, of de zwakke, houten vaartuigjes zouden een gemakkelijke prooi worden van het kleine, stalen monster. Na de eerste botsing, konden de wilden zich op het lot, dat hun wachtte, voorbereiden. De grootste kano werd, alsof hij van bordpapier was, middendoor gevaren. De inzittenden waren gedood, ernstig gewond of ze trachtten al zwemmende zich het leven te redden. De vrees deed den Patagoniërs alle voorzichtigheid uit het oog verliezen; in plaats van zich te verspreiden, brachten ze hun booten zoo dicht mogelijk bij elkander, waardoor ze het hun aanvaller gemakkelijk maakten, al hun kano's in den grond te boren.
Gedurende den korten strijd met de laatste boot, slaagde één van de inboorlingen erin op den kegelvormigen boeg van den onderzeeër te springen. Vlug als een kat sloop hij langs het dek en voor Gerald in staat was, zich tegen dezen onverwachten aanval te verdedigen, had de wilde hem om het middel gegrepen.
Gerald schreeuwde om hulp, maar door het geraas van den strijd, werd dat binnen niet gehoord en voor hij zijn kreet kon herhalen, had de wilde hem met de rechterhand bij de keel gegrepen, terwijl hij probeerde hem met den linkerarm van het platform af te werken. Gerald kon voor zijn verdediging slechts beschikken over zijn linkerhand, want met zijn rechter klemde hij zich vast aan 't stuurtoestel.
Liet hij dat eenmaal los, dan was het met hem gedaan.
Krachtig sloeg hij van zich af, maar hij had dikke handschoenen aan, zoodat de Patagoniër tamelijk onverschillig voor zijn stompen bleek. Toen trachtte hij zijn tegenstander van zich af te schoppen, maar ook hierin slaagde hij niet. De Patagoniër besprong hem als een roofdier, sloeg zijn, beenen om Gerald's middel en greep hem met de handen, die hij nu beide vrij had, bij de keel.
Gerald gevoelde, dat zijn krachten hem gingen begeven zijn adem stokte en drong met benauwd, gorgelend geluid geluid naar buiten onder den krachtigen greep van de gespierde vuisten van den wilde. Er kwam een nevel voor zijn oogen, zijn handen lieten het stuurtoestel los en hij stortte met zijn aanvaller achterover.
In plaats van de aanraking met het ijskoude zeewater, voelde hij opeens een greep om zijn been, zóó krachtig, dat zijn enkel bijna brak. Onduidelijk kon hij zich later herinneren, dat hij toen naar binnen getrokken was in den toren, terwijl Watson, de machinist, bezig was aan het stuurtoestel met een grooten schroevendraaier.
HOOFDSTUK XVIII.
DE WRAAK VAN DEN KAPITEIN.
De list van Gerald was geslaagd. Hij was bekend met de gewoonte van de Patagoniërs, om schepelingen, die in hun handen vielen, gevangen te houden en niet vrij te laten, dan tegen een beduidend losgeld. Zoo zou 't nu ook wel weer gaan, dacht hij. Inderdaad dachten de wilden op deze wijze met de blanke schepelingen te handelen; daarom wilden zij ze naar hun dorp overbrengen. Ook dat had Gerald voorzien en hij wilde de kano's bij hun tocht over het water met den onderzeeër verrassen.
Alles liep goed van stapel; de vijand werd vernietigd, maar we zagen ook, hoe de uitvoering van zijn plan Gerald zelf bijna het leven had gekost.
Toen hij weer bij kwam, lag hij in het vooronder van den onderzeeër met Slade, die bewegingloos lag uitgestrekt.
"Wel, oude jongen, hoe gaat het er mee?" vroeg Mr. Palmer.
"Zoo'n beetje geradbraakt, maar dat is gauw genoeg weer in orde."
"Een zaakje voor den dokter, hè!"
"'k Denk er niet aan. 't Was anders wel een duw, dien ik gekregen heb. En hoe ik er in geslaagd ben, dien woesteling van me af te werken, dat begrijp ik nog niet."
"Dat geloof ik ook best, want je hebt dat niet gedaan. Als Watson geen argwaan gekregen had, toen de boot recht op de kust bleef aanhouden en was gaan kijken, dan zou jij nu niet hier liggen. Hij heeft den schelm geducht met zijn schroevendraaier bewerkt en jou gegrepen, toen je bijna te water raakte."
"En waar zijn we nu?"
"We zijn op den terugweg, we hebben naar de Olijftak getelephoneerd en die komt terug."
Tien minuten later was de kruiser in zicht en spoedig lag de onderzeeër langszijde. Stockton, Slade en de gewonde matroos werden aan boord gebracht en aan de goede zorgen van den dokter overgelaten, terwijl Gerald onmiddellijk zijn rapport omtrent het gebeurde uitbracht aan kapitein Brookes.
"Goed," zei de kapitein, toen hij alles had aangehoord, "we zullen een lading dynamiet aan wal brengen en het dorp in de lucht laten springen."
"Moet dat ook nog gebeuren, Sir?" vroeg Gerald. "Is verdere wraakoefening niet overbodig?"
"Overbodig? Neen. Mijn zinspreuk is: doe nooit iets ten halve. En kunt ge wel een gezonde reden aanvoeren, waarom ik niet geheel met die schelmen zou afrekenen?"
"Die reden ligt nog al voor de hand. Laten we veronderstellen, dat de geheele trouwelooze bevolking van dit dorp wordt uitgeroeid, welke gevolgen zal dat hebben voor de toekomst? De toestand hier aan de kust zal dezelfde blijven, want de naburige stammen zullen nooit vernemen, waaraan hun ongelukkige broeders hun ellendig lot hebben te wijten. Beperken we ons tot een geduchte les, dan zullen ze daaraan later denken en zich beter gedragen."
Kapitein Brookes fronste de wenkbrauwen. Een oogenblik dwaalde zijn blik langs de onherbergzame rotsen aan de kust en toen draaide hij zich met een snelle beweging om en keek Gerald scherp in de oogen.
"Mr. Tregarthen," sprak hij, "ge zijt de eenige hier aan boord, die mij durft tegenspreken. Hoe het komt, weet ik niet, maar van u hindert het me niet, uw rondborstigheid bevalt me. -- Wat zoudt gij dan denken, dat we verder doen moesten?"
"We kunnen een proef nemen met de Z. Z.-stralen, Sir."
"Maar welk verschil maakt dat nu met mijn plan, Sir? De Z. Z.-stralen dooden onmiddellijk en pijnloos, maar de uitwerking is ten slotte dezelfde als die van een ontploffing, zooals ik voorstelde."
"Neen Sir, zoo bedoel ik het niet. We sturen een afdeeling van onze mannen aan wal om onze vermiste makkers op te sporen en die kunnen gemakkelijk een aantal Patagoniërs gevangen nemen."
"En dan?"
"We brengen een flinke hoeveelheid springstof onder gindsche rots, die uit het dorp goed zichtbaar is. De Olijftak vaart tot in den mond van Desolation Inlet en doet door middel van de Z. Z.-stralen de lading ontploffen."
"En de Patagoniërs dan?"
"We verhinderen ze te vluchten en zorgen ervoor, dat de gevangenen de vreeselijke uitbarsting zien. Ze zullen dat tooneel nooit vergeten en zich niet licht weer vergrijpen aan vreemde schepelingen, die genoodzaakt zijn, hier te landen. Ten slotte wilde ik u verzoeken, mij het bevel op te dragen over de mannen, die de inboorlingen zullen gevangen nemen en bewaken."
"Ge stelt meer vertrouwen in mijn uitvinding dan ik zelf, Mr. Tregarthen. Bedenk wel, een kleine fout in de berekening van den afstand, kan u en de wacht het leven kosten."
"Als de voorzorgen nauwkeurig genomen worden, ben ik daar geen oogenblik bevreesd voor, Sir."
"Goed dan, als u het wagen wilt, zullen we het beproeven. Alleen stel ik als voorwaarde, dat de mannen, die met u de wacht bij de gevangenen houden, zich vrijwillig daarvoor moeten aangeven, nadat ze geheel op de hoogte zijn gebracht van de gevaren, waaraan ze zich daarbij blootstellen."
Intusschen was de duikboot weer op haar gewone plaats gebracht en de werkzaamheden voor het aanbrengen van de herstelde schroef waren flink gevorderd. Er werd dadelijk begonnen met toebereidselen voor de landing, die den volgenden dag zou plaats hebben.
Bij het eerste ochtendgloren scheepte de landingsdivisie zich in onder bevel van kapitein Brookes, die zelf den tocht wilde meemaken. In de boot werd de zware lading springstof meegevoerd, met de noodige voorzorgen zóó geplaatst, dat geen onverwachte schok een noodlottige ontploffing zou kunnen veroorzaken.
Zonder eenig ongeval had de overvaart naar de oostelijke kust van de kreek en de ontscheping van de afdeeling plaats, die uit tachtig goed gewapende mannen bestond. Het plan was, eerst de plaats op te zoeken, waar de ongelukkige krijgsmakkers in de hinderlaag gevallen waren. Heel gemakkelijk ging dat niet, want het had gesneeuwd, en dus waren alle voetsporen verdwenen en geen van de overlevenden was genoegzaam hersteld om dezen tocht mee te maken. Eindelijk vond men echter een van de merkteekens, die op de boomen waren aangebracht en daardoor was de kapitein zeker van den te volgen weg.
Ofschoon er, na hetgeen er met de kano's was gebeurd, niet te vreezen was voor een overval, achtte kapitein Brookes het toch noodzakelijk, de grootste voorzichtigheid te betrachten. Er werd een kleine voor- en achterhoede gevormd en langzaam trok de troep voorwaarts, den vinger aan den trekker van het geweer, waarvan men den geluiddemper had afgenomen.
Na een poosje zoo te zijn voortgetrokken, maakte de voorhoede halt. Ze hadden iets gevonden, waardoor hun belangstelling in hooge mate was opgewekt. Ze durfden zich blijkbaar niet te lang ophouden, om de marschorde niet te verstoren. Toen de hoofdmacht met kapitein Brookes aan dezelfde plek was gekomen, begrepen ze dadelijk, wat de reden was geweest van het oponthoud van de voorhoede. Half onder de sneeuw bedolven, lagen daar de lichamen van hun ongelukkige kameraden, die gevallen waren als slachtoffers van den verraderlijken overval. Een kreet van woede getuigde van de verbittering, die de matrozen tegen de Patagoniërs gevoelden. Kapitein Brookes had spijt, dat hij zijn voornemen om wraak te oefenen, had opgegeven, maar hij troostte zich met de gedachte, dat de wilden toch een les kregen, die ze niet licht vergeten zouden.
In der haast werd van kleine rotsblokken een grafkelder samengesteld, waarin de lijken van de gesneuvelde matrozen werden neergelegd en toen marcheerde de troep terug naar de kust. Vlug scheepten ze zich in en voeren naar de overzijde. Nu zou de verrassing van het dorp worden uitgevoerd. Het was bijna geheel door rotsen omgeven, die slechts aan één kant een opening lieten, die toegang gaf tot den vlakken bodem van het dal eener kleine rivier. Die opening moest bezet worden door luitenant Sinclair, die met twintig man daarheen werd afgezonden. De overige matrozen beklommen de rotsen en zouden vandaar het dorp aanvallen, zoodra Sinclair door een afgesproken teeken berichtte, dat hij op zijn post aangekomen was.