De Koning der Zee

Part 7

Chapter 73,935 wordsPublic domain

"Alle vier van een verouderd type, ze zijn niet veel meer waard," merkte kapitein Brookes op. "Ze zijn nog net geschikt voor den gewonen dienst, voor vlagvertoon maar als 't op vechten aan zou komen, zou 't er slecht voor deze schepen uitzien. 't Is tenminste gelukkig, dat ik niet van plan ben van onze krachten gebruik te maken. 't Is me echter een raadsel, hoe de commandant er toe gekomen is met zulke schepen een aanval te willen doen op de Olijftak. De man moet gek zijn, of hij weet niet, over welke strijdmiddelen wij beschikken."

"Moet men gek zijn, als men een bevel van zijn meerderen opvolgt?" vroeg Gerald rustig.

"In sommige gevallen wel, en hier had de commandant zich stellig moeten verzetten tegen zulk een onmogelijke opdracht. -- Maar, daar is een boot."

Werkelijk naderde een stoompinas, die de witte vlag voerde, de haven.

"Laat de groote valreep neer," commandeerde de officier van de wacht.

"Verzoek den officier in mijn hut te komen," zei kapitein Brookes, terwijl hij zich gereed maakte, het campagne-dek te verlaten.

De pinas draaide bij en een luitenant in groot tenue, vergezeld door een onderluitenant, kwam aan boord. Onberispelijk, maar een beetje onwillig, beantwoordde hij den militairen groet, die hem werd gebracht.

"Duivels, Tregarthen, wat voer jij hier uit?" riep de Britsche officier in de uiterste verbazing. -- "Zeg eens, je kent me toch nog wel?"

"Dat zou ik denken, Blake."

"Maar beste kerel, hoe kom jij nu hier in burgerkleeren onder zeeroovers?"

"Buiten mijn schuld," antwoordde Gerald. "Eigenlijk ben ik hier een gevangene, maar alleen in naam. En dan heb ik op het oogenblik verlof, maar ik twijfel er wel aan, of ik binnen drieëntwintig dagen weer aan boord van de Calder zal kunnen zijn."

"Daar behoef je niet bang voor te zijn; we zullen je spoedig je vrijheid weer teruggeven."

"Daar ben ik nog zoo zeker niet van. Ik zou je nog heel veel over mijn lotgevallen kunnen meedeelen, maar hier is een brief, daar staat de heele geschiedenis in verhaald. Ga nu naar den kapitein, die je in zijn hut wacht."

Dit zeggende, overhandigde Gerald den luitenant het schrijven, dat hij had gereed gemaakt en zocht toen weer zijn vriend Stockton op, die met gemengde gevoelens stond te kijken naar de pinas van de Niobe, die langszijde lag.

Binnen het kwartier verscheen de Britsche luitenant weer met kapitein Brookes op het campagnedek. Na een kort afscheid begaf hij zich aan boord van de pinas, die met volle kracht terugstoomde naar de Niobe.

Kapitein Brookes verzamelde zijn officieren om zich heen en sprak: "Mijne heeren, gij hebt het recht, geheel op de hoogte te zijn van den waren stand van zaken. Ik heb er op gewezen, dat ik nimmer vijandig ben opgetreden tegen de Britsche regeering, alleen van mijn handelwijze ten opzichte van Mr. Tregarthen en Mr. Stockton zou ze verantwoording kunnen vorderen. Daarenboven heb ik mijn twijfel uitgesproken, of de commandant van het eskader wel het recht heeft, de overgave van ons schip te eischen. Bij het volvoeren van de taak, die ik mij zelf gesteld heb, ben ik ongelukkiger wijze verplicht geweest, krasse maatregelen te nemen tegenover de Afrika, maar dat is een zaak, die alleen de Duitsche overheid en mij aangaat. Op dien grond heb ik protest aangeteekend tegen de handelwijze van den commandant."

Een uur later keerde de pinas terug en de luitenant bracht een mondelinge boodschap van den commandant. Deze verklaarde, dat hij hier was om een bevel uit te voeren en niet om te twisten over het al of niet rechtmatig zijn van de opdracht. Wel was hij bereid, het protest van den kapitein bij de Admiraliteit te steunen, indien de overgave van het schip onmiddellijk plaats had.

De boodschap was door den luitenant uitgesproken ten aanhoore van alle officieren, in de hoop, dat ze op deze den gewenschten indruk zou maken.

Kapitein Brookes fronste de wenkbrauwen en zijn donkere oogen flikkerden onheilspellend.

"Ga heen, Sir!" bulderde hij. "Zeg aan uw commandant, dat ik zijn eischen niet zal inwilligen. Hier ligt de Olijftak. Als hij haar hebben wil, laat hij ze dan komen halen."

Een goedkeurend gemompel klonk in den kring der officieren en de Britsche luitenant begreep, dat hem niets overschoot, dan naar zijn schip terug te keeren.

"Ik begin berouw te krijgen over de belofte, die ik u heb gedaan, Mr. Tregarthen," zei de kapitein. "Maar in ieder geval zal ik woordhouden. Voor het oogenblik hebben we niets te vreezen, want ze zullen ons nooit in de haven durven aanvallen zonder machtiging van de Chileensche regeering. Vóór die verkregen is, hoop ik weg te kunnen komen in de duisternis, als een krachtige wind van de zeezijde onze aanvallers noodzaakt het ruime sop te kiezen."

Den geheelen dag en den volgenden nacht viel er niets van belang voor en kwam er niet de minste verandering in den toestand. Scherp hielden de schepen van het Britsche eskader de Olijftak in het oog. Maar toen het weer dag werd, bood de haven en de zee een geheel ander schouwspel dan de vorige, zonnige dagen. De wind was gedraaid en nam snel in kracht en hevigheid toe.

Wind en water beukten de kust en hoog op sloegen de schuimende golven van de branding. De hemel was grauw en onophoudelijk kletterden regenvlagen neer. De Engelsche schepen kregen het hard te verantwoorden en als ze geen gevaar wilden loopen te stranden, moesten ze wel zeewaarts stoomen, toen tegen den middag de storm in kracht toenam en de golven steeds hooger werden opgezweept. Toch gaven ze hun plan niet op en toen het donker werd, wierpen ze de bundels van hun zoeklichten weer over de haven van Talcahuano.

Kapitein Brookes begreep wel, dat hij aan geen poging tot ontsnappen kon denken, zoolang de vijand hem op deze wijze in het oog kon houden. Daarom besloot hij er een einde aan te maken en wendde zich tot Tregarthen met de vraag: "Hoe denkt ge er over, Mr. Tregarthen, verbiedt onze overeenkomst me ook, gebruik te maken van de Z.-stralen tegen de Engelsche schepen?"

Gerald wist niet dadelijk, wat hij antwoorden zou. Van een vijandelijke daad kon men eigenlijk in dit geval niet spreken, want er werd geen blijvende schade aangericht: noch de bemanning, noch de schepen hebben ervan te lijden.

"Ge schijnt er even als ik over te denken," vervolgde de kapitein, "en we zullen het dus maar wagen."

Hij gaf bevel, alles gereed te maken voor het vertrek en spoedde zich daarop naar den toren.

Wat hij ging uitvoeren was een wanhoopsdaad, dat zag hij wel in, toen hij zijn blik liet weiden over de kokende zee, zilverig lichtend in de stralenbundels van de vijandelijke zoeklichten. Midden tusschen de Engelsche schepen door moest hij zijn koers nemen, een afwijking van een halve kabellengte zou noodlottig zijn, want dan kwam hij in ondiep water en als de Olijftak strandde, was bij dit weer geen redding mogelijk.

Plotseling, als door den greep van een geheimzinnige hand, werden de zoeklichten gedoofd. Kapitein Brookes had de Z.-stralen laten werken.

De ankers werden geheschen, de telegraaf naar de machine kamer bracht het bevel over: "met volle kracht vooruit" en met haar grootste snelheid gleed de Olijftak zeewaarts; iedere slag van haar schroeven bracht haar nader bij het Britsche eskader.

Ze moest door de spitsroeden. Onbekende gevaren dreigden vooruit en aan beide zijden. Binnen enkele minuten zou haar lot beslist zijn.

HOOFDSTUK XV.

WOORD GEHOUDEN.

In duizelingwekkende vaart kliefde de Olijftak de wild bewogen watervlakte. Geen duimbreed week ze af van den gestelden koers en het leek wel, of geen menschenhand, maar een doode, ongevoelige machine haar bestuurde.

De geheele bemanning was op haar post, want de kruiser was gereed voor het gevecht, al was vast besloten onder geen omstandigheid een schot te lossen. Gerald bevond zich bij den kapitein in den donkeren toren in gespannen afwachting, of de ijzeren wil van dien man krachtig genoeg zou blijken om hem zijn zelfbeheersching te doen bewaren, dan of de verleiding hem te sterk zou worden, om gebruik te maken van één van die machtige hefboomen, die op armlengte van hem verwijderd waren. Één beweging van zoo'n hefboom en iedere aanvaller zou vernietigd worden. Zou iemand in staat zijn, door de spitsroeden te loopen onder het vuur van vier schepen, bewapend met modern snelvuurgeschut, als hij beschikt over verdedigingsmiddelen, zooals hier aan boord waren?

Kapitein Brookes sprak geen woord. In een ijzeren greep klemde hij het electrische stuurtoestel, terwijl zijn blik door de nauwe spleet in den pantsering drong in de zwarte duisternis daar buiten. Hij stond onbeweeglijk, als een steenen beeld.

't Leek Tregarthen een onmogelijkheid nu zonder kompas het schip te sturen, want de duisternis van den nacht werd nog verhoogd door de dichte regenbuien, die neerkletsten, maar de kapitein scheen den weg, dien hij niet kon zien, bij instinct te voelen.

Juist vier minuten na het vertrek uit de haven blonk opeens aan stuurboord in 't zwarte duister een lichtflikkering, onmiddellijk gevolgd door een knal, die 't geraas van wind en zee overstemde. En daarna gierde met een langgerekt gefluit een granaat over het schip.

Dadelijk daarna kwam van de andere zijde een projectiel aangonzen en viel geen 20 M. voor den boeg in zee, waardoor een zuil van schuimend water boven de golven werd opgeworpen.

Ongestoord vervolgde de Olijftak haar weg met ongelooflijke snelheid. De Engelsche schepen kregen eenigszins een aanduiding van de plaats waar ze zich bevond door de witte streep, die ze trok door de golven. Alle vier openden zij het vuur: de donderslagen van het zware scheepsgeschut brulden door den stormnacht en de projectielen gierden over het vluchtende schip.

"Krak!"

Een granaat sloeg een stuk van de verschansing weg en op hetzelfde oogenblik sloeg een tweede tegen het onderste deel van de pantsering van den toren, zoodat er een trilling liep door het geheele machtige gevaarte.

Gerald moest een oogenblik de oogen sluiten, maar spoedig was die onwillekeurige angst geweken en kalm, maar met gespannen aandacht, volgde hij het gevecht, dat slechts van één zijde gevoerd werd.

Onafgebroken bulderden de kanonnen van de aanvallers en telkens weer werd de Olijftak getroffen door granaten van verschillend kaliber. In den toren was het bijna niet meer uit te houden: de stormwind raasde naar binnen door de gaten der pantsering en vulde de ruimte met scherpen rook en een gewarrel van kleine gloeiende staaldeeltjes.

De bemanning was goed geborgen, zoodat er nog niet viel te treuren over het verlies van menschenlevens, totdat eensklaps een kwartiermeester, die zich onvoorzichtig te ver waagde buiten zijn veilige schuilplaats, door een doodelijk schot werd getroffen. Hij zakte ineen en bij zijn val greep hij krampachtig één van de hefboomen, die zich in den toren bevonden en waarvoor de pantsering door een granaat was weggeslagen.

Gerald zag wat er gebeurde, snelde toe en rukte den stalen stang los uit de vuist van den gesneuvelde. Maar hij kwam te laat; de neergerukte hefboom had zijn werking al verricht. Langzaam rezen de schoorsteen, de windschutten en de bergplaatsen met de booten boven het dek uit. De uitstekende voorwerpen waren echter niet bestand tegen den reusachtigen luchtdruk, die het gevolg was van de snelheid van het schip en binnen enkele minuten was er van dat alles niet veel meer over, dan stukken van stalen platen, die door den wind waren verscheurd, alsof ze van papier waren geweest.

Kapitein Brookes verliet zijn plaats in den toren om uit te kijken, niet naar de schade die de gesneuvelde kwartiermeester zonder het te willen, had veroorzaakt, maar omdat er een ander en veel grooter gevaar dreigde: de Olijftak naderde het gebied, dat onder den invloed van haar Z.-stralen stond. Met een vlugge handbeweging schoof hij de wijzers uit elkaar en nam toen zijn plaats weer in bij het stuurtoestel. Het roer werd snel omgezet en het schip beschreef een scherpen boog, zonder ook maar eenigszins zijn vaart te verminderen, waardoor het verontrustend sterk naar één zijde overhelde. Op hetzelfde oogenblik werden de Engelsche schepen bevrijd van den invloed van de Z.-stralen en helder en zilverig gleden de stralenbundels van de zoeklichten langs het woelige zeevlak, totdat ze den vermetelen vluchteling gevonden hadden.

Kapitein Brookes stuurde Zuidwaarts: in die richting meende hij kans te zien, tusschen zijn aanvallers door te komen, maar bij die beweging keerde de Olijftak voor een oogenblik één van haar zijden geheel naar de Niobe. Onmiddellijk donderde een volle laag van acht 15 c.M. kanonnen van het Engelsche schip, waaraan de Olijftak slechts door een prachtig uitgevoerde wending wist te ontkomen.

Wel werd er veel van de zelfbeheersching van kapitein Brookes gevergd, om in dezen strijd zijn woord te houden. Met één van zijn eigen 15 c.M. kanonnen had hij gemakkelijk de niet gepantserde Niobe in splinters kunnen schieten, maar hij maakte geen gebruik van zijn wapens, hij wilde slechts beproeven aan zijn belagers te ontkomen door de ongeëvenaarde snelheid van zijn vaartuig. En werkelijk slaagde hij erin. Een goed kwartier, nadat hij de haven van Talcahuano had verlaten, was hij zoover van het Engelsche eskader verwijderd, dat het geluid van de laatste kanonschoten in de verte wegstierf als het gebrul van een roofdier.

Toen kapitein Brookes het roer had overgegeven aan een kwartiermeester en het bevel in den toren had overgedragen aan een luitenant, ging hij een ronde doen om te zien, waar en hoe het schip onder de beschieting had geleden. Wel was de schade niet tot in bijzonderheden te overzien, want al de booglampen waren vernield, maar de gloeilichten waren toch voldoende om op te merken, dat de Olijftak er alles behalve zonder kleerscheuren afgekomen was.

De stalen pantsering was niet bestand geweest tegen de kracht van de granaten en op vier plaatsen doorboord.

Drie officiershutten waren geheel uit elkaar geslagen en de waterbergplaats en de bakkerij waren ook beschadigd. De boeg was op eenzelfde plaats door twee granaten getroffen en door het gat was een derde projectiel in het binnenste van het schip doorgedrongen en had een deel van de inrichting voor draadlooze telegrafie vernield.

Behalve de kwartiermeester, die gesneuveld was, had niemand van de bemanning eenig letsel van beteekenis bekomen, wel klaagden velen gedurende eenige volgende dagen over doofheid.

"Dat hebben we nu te danken aan ons lijdelijk verzet," merkte kapitein Brookes niet zonder bitterheid op. "We zullen wel een maand hard moeten werken om ons schip weer in orde te krijgen."

Toen Gerald zich met zijn vriend in hun hut bevond, om naar kooi te gaan, zei hij: "De kapitein is een man van zijn woord, dat moet gezegd worden. 'k Zou er geen kwaad van hebben durven zeggen, als hij het onder deze omstandigheden niet gehouden had."

De Olijftak bleef ook den volgenden dag haar vlucht in zuidelijke richting voortzetten, maar ze had haar snelheid aanzienlijk verminderd, zoodra ze zich veilig voelde voor haar vervolgers. Bij het daglicht bleek de schade, die het schip geleden had, nog veel grooter, dan men den vorigen avond meende. De uitwerking van het Britsche geschutvuur was over het geheele vaartuig waar te nemen.

"En Mr. Tregarthen," vroeg de kapitein, "hoe vindt ge, dat de Olijftak haar zending ten opzichte van den algemeenen vrede volbrengt?"

"Nu ge er naar vraagt, Sir, wil ik u openhartig zeggen, dat ze, naar mijn meening, nog niet veel goeds heeft uitgewerkt. In den oorlog tusschen Chili en Peru hebben wij het eerste schot gelost en een kruiser in den grond geboord."

"Toegegeven. Maar ge moet met de gevolgen rekenen. Door de Independencia op te offeren hebben we een strijd tusschen de twee vijandelijke vloten verhinderd. Ik ken die Zuid-Amerikanen: ze vechten als tijgers en we kunnen gerust aannemen, dat we door ons optreden minstens twintig maal zooveel menschen het leven hebben gered, als er nu bij de ramp van de Independencia zijn omgekomen. Jammer, dat het Engelsche eskader ons genoodzaakt heeft te vluchten, want dat is een aanmoediging voor de twee republieken om elkander naar de keel te vliegen. -- Maar daar komt Mr. Selkirk! Wat ziet hij er ontsteld uit."

"Wel, Mr. Selkirk, wat voor jobstijding brengt ge?"

Selkirk was het hoofd van de machine-kamer, en ging geheel op in zijn vereerde motoren.

"Schroef n°. 3 aan bakboordszijde, Sir, onvoldoende werking."

"Schakel die dan maar uit," antwoordde kapitein Brookes.

"Wilt ge het schip voor een poos laten stoppen, Sir? We kunnen dan de schroef aan boord halen, om te zien wat er aan mankeert. 'k Weet dat nu niet zeker, maar ik geloof, dat uitschakelen alleen niet voldoende zal zijn: we krijgen er dan stellig nog meer last van."

"Dan zit er niets anders op, dan uw raad op te volgen. Mr. Selkirk. Hoe lang denkt ge, dat de geschiedenis duren zal?"

"Minstens twee uur, Sir."

"Goed, ik zal bevel geven te stoppen. Mr. Slade wilt u den bootsmansmaat opdragen de duikers te laten aantreden?"

De Olijftak bevond zich nu buiten het gebied van den storm, maar de barometer was nog zeer onrustig, wat ruw weer voorspelde. De zee was onstuimig, zoodat de opdracht, om de schroef aan boord te brengen, niet gemakkelijk was uit te voeren en veel moeite gaf aan de duikers en aan de mannen, die op het dek moesten meewerken.

Eindelijk kwam men er toch mee klaar en lag het bronzen gevaarte op het dek. Maar nu was mr. Selkirk ook bijna wanhopend, toen hij zag, dat één van de bladen van de schroef een diepe barst vertoonde. 't Was een wonder, dat er geen stuk was afgeslagen.

"Dat is een vervelende geschiedenis," merkte kapitein Brookes op, "want hier aan boord kunnen we onmogelijk de schroef herstellen. We moeten een veilige ligplaats onder de kust opzoeken, daar de schroef aan land brengen en de twee deelen aan elkaar gieten. We kunnen niets beter doen dan koers te zetten naar de Desolation Inlet."

HOOFDSTUK XVI.

BIJ DE PATAGONIERS.

Desolation Inlet is een weinig bezochte kreek aan de kust van Patagonië bij Straat Magelaan. Een enkele stoutmoedige walvischvaarder verscheen er wel eens, maar verder trok deze ligplaats geen schepen. De kreek verdiende haar naam wel, want het was daar een verlaten en vergeten oord. Zij geleek veel op een Noordsche fjord: onregelmatig van vorm, met zeer diep water en omgeven door hooge bergen met besneeuwde toppen. Maar ze miste alles, wat de fjorden zoo schoon maakt; de dalen waren troosteloos van aanblik: geen vriendelijke menschenwoningen en bijna geen plantengroei; alleen enkele verschrompelde dennen en grauw mos.

Het was in het begin van September, toen de Olijftak ankerde in de kreek; de winter op het Zuidelijk halfrond liep ten einde. Het watervlak in de kreek was zoo glad als een spiegel, maar een lang verblijf in die schijnbaar zoo veilige schuilplaats was toch niet geraden. Het kwam voor, dat geheel onverwacht een stormwind kwam neergieren langs de berghellingen, die vooral voor een zwaar vaartuig noodlottig kon worden.

Bij het invaren van de kreek gaf het dieplood meer dan zeventien vademen aan, maar de zeebodem was zeer oneffen, zoodat het bevel gegeven werd te ankeren bij een diepte van acht vademen, terwijl het schip naar alle zijden ongeveer twee kabellengten uit den wal lag.

Nauwelijks lag de Olijftak voor anker, of er verschenen aan de kust een aantal inboorlingen, die met verbazing en nieuwsgierigheid den grooten kruiser opnamen. Zij waren rijzig en krachtig gebouwd en maakten een woesten indruk, hun kleeding was schamel ondanks het ruwe klimaat. Zij waren gewapend met lange, dunne speeren, die ze dreigend schudden, toen op het schip een witte vlag geheschen werd.

Daar bij het gevecht de kleine booten waren verloren gegaan, moest de verbinding met de kust verkregen worden door middel van de motorkotter, en de pinas die zonder veel moeite met een kraan werden neergelaten. Een aantal manschappen maakten zich gereed om met deze vaartuigen aan land te gaan en daar een noodsmidse in te richten, waar de schroef zou kunnen worden hersteld.

Gerald en Jack vroegen verlof mee te gaan en de kapitein stond het hun gaarne toe, maar hij drukte hun toch op het hart, zich vooral niet te ver van de boot te verwijderen en er voor te zorgen, dat ze de inboorlingen geen aanleiding gaven, vijandig op te treden. Gewapend met hun revolver begaven ze zich in de boot.

Bij de nadering van het vaartuig, waarvan de motoren geheel geruischloos werkten, namen de inboorlingen de vlucht en zochten een schuilplaats in een dennenboschje.

Na veel moeite gelukte het door middel van geruststellende gebaren een der mannen naar het strand te krijgen. Telkens nog weer aarzelde hij en toonde neiging om terug te gaan, maar de verleiding van een blinkend stuk koper, dat men hem voorhield, was te sterk. Zoodra hij dit geschenk te pakken had, ging hij echter terug naar zijn makkers. Toen kwamen er twee anderen te voorschijn, die ook, nadat ze elk een wollen deken in ontvangst genomen hadden, dadelijk wegvluchtten. Nu het bleek, dat er van de vreemdelingen geen kwaad te duchten was, vatten de overigen moed en weldra waren de mannen van de Olijftak omringd door een groot aantal inboorlingen, die met teekenen van blijdschap en dankbaarheid de verschillende geschenken aannamen, die hun werden aangeboden.

Nadat men zich op deze wijze van de goede stemming der Patagoniërs verzekerd had, werd een begin gemaakt met het bouwen van de smidse. Toen men met dat lichte bouwwerk gereed was, werd het beschadigde schroefblad geplaatst in een zandbed, waarin het gesmolten metaal moest gegoten worden. Voor dit gedeelte van het werk had men twee dagen noodig en ook 's nachts bleef een aantal mannen in tenten aan den wal, om er voor te waken, dat de inboorlingen niet in donker het metaal wegvoerden. Het leek echter wel, of die voorzorgen geheel overbodig waren, want de Patagoniërs bleven voortdurend bewijzen geven van een vredelievende gezindheid.

Terwijl het gieten aan den gang was, maakten Gerald en Jack met een gewapend geleide uitstapjes in het binnenland. De sneeuwbuien maakten die tochten zeer bezwaarlijk en de koude was vaak zoo doordringend, dat men er niet aan kon denken te gaan zitten om uit te rusten, zonder gevaar van bevriezen te loopen.

"'k Zou wel eens willen weten, waar die arme Patagoniërs eigenlijk slapen," zei Jack, terwijl ze met moeite vorderden door sneeuw, die wel een voet hoog lag.

"In holen of ruwe hutten," antwoordde Gerald. "Het zijn geharde klanten. Hun eenig voedsel lijkt wel te bestaan in schaaldieren, die ze hier in groote hoeveelheid vinden."

"Wat zou dat daar zijn?" riep Jack en wees naar een aantal met sneeuw bedekte heuveltjes, die ongeveer een voet boven den grond uitstaken aan den oever van een kleine kreek.

"Kano's, met den bodem omhoog," zei Gerald, nadat hij geruimen tijd door zijn veldkijker had getuurd. "En aan den anderen kant van de kreek ligt een dorpje; 'k zie wel menschen, maar ik kan niet nagaan, wat ze eigenlijk uitvoeren."

"Misschien zijn ze hierheen getrokken, omdat ze zich in dit verborgen hoekje veiliger gevoelen, dan zoo dicht in onze nabijheid."

Toen ze weer bij de landingsplaats terugkwamen, was de herstelling van de schroef reeds geëindigd en had men het metalen gevaarte al aan boord van den kotter gebracht.

"We hebben al een half uur op jullie gewacht," merkte Mr. Slade scherp op; de koude en het onnoodige oponthoud hadden zijn humeur bedorven. "Komt mannen, aantreden! Nummeren!"

Tot ieders verbazing en schrik bleek nu, dat één van de mannen ontbrak en spoedig werd er uitgemaakt, dat het Black moest zijn, een officier van administratie, die aan den tocht van Gerald had deelgenomen.

"Hij moet op den terugtocht zijn achtergebleven," merkte één van de mannen op, "want daarvóór heb ik hem nog gezien."