Part 6
"Jammer genoeg, want geen van mijn officieren is er ooit geweest, en toch moeten we er binnenvallen, want er is een droogdok, het eenige aan de westkust van Zuid-Amerika, dat groot genoeg is, om ons schip op te nemen. En of ze er in zin hebben of niet, ik ben van plan daar de Olijftak weer geheel zeewaardig te laten maken."
Vroeg in den volgenden morgen kwam de haven van Talcahuano in zicht. Kapitein Brookes begon met de stad te isoleeren, door met de Z. stralen alle telegraphische verbindingen te verstoren. Buiten de haven bevond zich ook een klein koopvaardijschip en de kapitein liet den gezagvoerder daarvan bij zich aan boord komen en verzocht hem als loods dienst te doen om de Olijftak binnen te brengen.
"Dank u wel, senor, dat durf ik niet!" riep de man doodelijk verschrikt. "De havenmond ligt vol mijnen; daarom ben ik ook buitengaats gebleven."
"Zijt ge daar zeker van?"
"Ja, senor."
"Nu heeren, ge hoort, wat de man zegt," vervolgde kapitein Brookes, zich tot zijn officieren wendend. "Wat moet er gebeuren?"
"We laten de beslissing geheel aan u over, Sir," antwoordde luitenant Sinclair.
"Dat had ik wel verwacht. En nu, senor, aan het roer, we gaan vooruit, of er één of vijftig mijnen liggen, voor zonsondergang moeten we in het droogdok zijn. Mr. Palmer, maak de duikboot gereed."
HOOFDSTUK XII.
DOOR HET MIJNENVELD.
Toen Gerald dit bevel hoorde, maakte zich een eigenaardige gewaarwording van hem meester. 't Was een verrassing voor hem, dat de Olijftak ook zulk een krachtig wapen bezat, maar die bevreemding werd geheel overstemd door de onstuimige begeerten om aan de avontuurlijke tocht van zoo'n vaartuig deel te nemen.
Maanden geleden reeds had hij zich opgegeven voor den dienst aan boord van een onderzeeër en hij was op de lijst van vrijwilligers geplaatst, maar zijn hoop, om aan de beurt te komen, was nog niet verwezenlijkt.
"Mag ik Mr. Palmer vergezellen, Sir?" vroeg hij.
"'k Denk niet, dat het gaan zal. Dit is alleen werk voor geoefende mannen."
Gerald voelde zich heel onaangenaam getroffen door de weigering, maar gewend, zich te schikken naar de bevelen van zijn meerderen, liet hij niets van zijn teleurstelling blijken.
De Olijftak bevond zich nu op ongeveer twee mijlen van den ingang van de haven, die aan weerszijden beschermd werd door steenen forten en aarden werken, waarboven de Chileensche vlag wapperde; rood, wit en blauw met een witte ster in den rechter bovenhoek. Daar achter zag men de stad en aan den horizon in een blauwig waas de Andes, waarvan de besneeuwde toppen zich verhieven tot een hoogte van 1400 voet.
"Denkt ge, dat ze zullen vuren, Mr. Sinclair?" vroeg kapitein Brookes, wijzende naar de forten.
"Daar ben ik niet bang voor, Sir; ze zullen het wel op de mijnen laten aankomen. Sedert den laatsten oorlog hebben ze hier den grootsten eerbied voor pantserschepen en ze zullen zich tweemaal bedenken, vóór ze zich aan een artillerie-duel wagen."
"Goed, daar zullen we dan op rekenen. Zijn uw mannen klaar, Mr. Palmer?"
"Ja, Sir."
"Denk er dan om, dat we vóór zonsondergang in het dok moeten zijn. -- Wat ik zeggen wil, Mr. Tregarthen, hebt ge wel eens deelgenomen aan oefeningen in sluipgevechten?"
"Dikwijls, Sir, toen ik diende aan boord van de Vernon."
"Dan kunt ge toch Mr. Palmer vergezellen."
In gezelschap van Stockton, wien het speet niet in de gevaren te kunnen deelen, nu zijn vriend aan de expeditie zou deelnemen, volgde Gerald den luitenant en een twaalftal manschappen naar het middendek.
Ongeveer midscheeps bevond zich daar een ovale, stalen kast, die drie voet boven het dek uitstak. Een van de mannen schoof een zwaren grendel weg, drukte op een knop en langzaam draaide het reusachtige deksel om zijn scharnieren omhoog.
Nu werd er een tweede kast zichtbaar, in vorm gelijk aan de buitenste, maar iets kleiner; dat was de toren van de duikboot.
Het deksel van den toren werd ook geopend en vijf van de matrozen daalden af in het kleine vaartuig. Palmer noodigde Gerald uit, hem voor te gaan en met een snel handgebaar nam deze stilzwijgend afscheid van zijn vriend Stockton.
Palmer volgde en voor de toren gesloten was, zag Stockton bij het heldere schijnsel van electrisch licht een samenstel van allerlei machines.
"Ga wat op zij, als u wilt, Sir!" zei een van de mannen, die op het dek waren achtergebleven.
Het deksel van de buitenste kast daalde neer, de grendel werd zorgvuldig dichtgeschoven, en Stockton hoorde een zacht geruisch van instroomend water.
"Nu zijn ze weg, Sir," vervolgde de matroos van daar even. "Als u naar het dek gaat, kunt u misschien iets zien, van hetgeen ze gaan uitvoeren."
Stockton volgde dien raad op en vond bij den commando-toren een aantal officieren bijeen. Met belangstelling volgden ze den loop van de periscoop, die zich langzaam voortbewoog aan de oppervlakte van het water. Duidelijk teekende zij den weg af, dien de duikboot volgde, recht op den havenmond toe.
Plotseling werd een waterkolom tot een hoogte van 50 voet opgeworpen. Stockton slaakte onwillekeurig een kreet van schrik, want hij dacht niet anders of de boot was in botsing gekomen met een van de verschrikkelijke mijnen.
Een minuut van angstige spanning ging voorbij. Kapitein Brookes staarde donker voor zich uit: de periscoop was verdwenen.
Weer spoot een machtige waterstraal omhoog en de angst uit de blikken der toeschouwers verdween. Viermalen nog herhaalde zich hetzelfde schouwspel kort achter elkaar en daarna gebeurde er niets meer, en de onzekerheid over het lot van hun onverschrokken kameraden deed de mannen bij den toren in bange verwachting de kijkers richten op den ingang van de haven. En eensklaps, op een kabellengte afstand van de Olijftak, verscheen de grijze romp van de duikboot aan de oppervlakte. Zij wilde blijkbaar door haar verschijning alleen haar behouden terugkeer aankondigen, want dadelijk verdween ze weer in de golven en gleed onder de kiel van het moederschip.
Een half uur later kwam haar bemanning aan dek van de Olijftak.
"Alles is in orde, Sir," meldde luitenant Palmer, "alle mijnen zijn gesprongen, zes in het geheel."
"Zeer goed," antwoordde kapitein Brookes en in den klank van die twee woorden uitte zich duidelijk zijn groote tevredenheid over de houding van de bemanning van de duikboot.
"We zullen over een uur de haven binnenvaren, want dan staat er voldoende water volgens de inlichtingen van onzen loods. Ik ga zoolang naar beneden. Wilt u mij dadelijk bericht zenden, als er iets bijzonders gebeurt, Mr. Sinclair?"
"En hoe is het gegaan, oude jongen?" vroeg Stockton, toen de twee vrienden hun hut hadden opgezocht.
"Prachtig!" antwoordde Gerald met geestdrift. "Deze duikboot is een meesterstuk. Zij was het geheimzinnige toestel, waarvan de kapitein sprak, toen we de Marconi-kamer bezochten. Ik geloof wel, dat ik de inrichting begrijp. Ze is ongeveer 30 voet lang en 8 voet breed en ze bevindt zich in een holte onder in ons schip, die juist groot genoeg is, om de bovenste helft van de duikboot te bevatten, zoodat de onderste helft een voortzetting van de kiel van de Olijftak vormt. Je hebt gezien, hoe we in de duikboot afdaalden, nietwaar?"
"Ja, door een luik in het middendek, dat hermetisch gesloten kan warden en door een dergelijk luik in den toren van de duikboot."
"Nu, toen ik in het kleine vaartuig was afgedaald, merkte ik dadelijk op, dat het werd voortbewogen door electrische motoren, van naar schatting 35 P.K. In het voorste gedeelte bevond zich een buis, van 10 cM. doorsnede, die twintig kleine torpedos kon bevatten. Ik merkte op, dat onze boot door middel van waterballast tot zinken werd gebracht."
"Zoodra alle mannen aan boord waren, opende Palmer een klep, en ik zag een bleek, groen licht schijnen door het glas van den toren, waaruit bleek, dat we vrij gekomen waren van de kiel van de Olijftak. We daalden tot 80 voet diepte, tot dicht bij den zeebodem, zooals bleek uit het troebele aanzicht van het water, waarin door de kracht van de eb heel wat slib werd meegevoerd. Toen we ons op eenigen afstand van de Olijftak bevonden, werden de motoren stopgezet en luitenant Palmer heesch de periscoop."
"Weet ge hoe een mijn eruit ziet?" vroeg hij mij. En toen ik daarop bevestigend antwoordde, verzocht hij mij in den toren plaats te nemen en uit te kijken. Hij zou den loop van het schip bepalen door middel van den periscoop.
Hij daalde een stalen laddertje af en nam plaats voor een tafel, die met gepolijst zilver was bekleed. Deze spiegel gaf een scherp en zuiver beeld te zien van den horizon, zooals die zich voordeed aan de wateroppervlakte.
"Onze vaart bedroeg zes knoopen, maar de kracht van de eb liet zich geducht voelen, zoodat we slechts vorderden met een snelheid van drie knoopen. Deze matige voortgang had meteen het voordeel, dat we nu, zoodra er een hinderpaal in den weg kwam, naar de oppervlakte konden stijgen."
"En hoe ver kon-je wel omhoog zien?"
"Zoowat 100 voet, want het water was zeer doorschijnend door het heldere zonlicht. Als het donker weer geweest was, zouden we gebruik hebben kunnen maken van een krachtig zoeklicht, dat we aan boord hadden."
"Op eens kreeg ik een tonvormig voorwerp in het oog, voorzien van een anker, dat er met een kabel aan verbonden was, waardoor het geheel deed denken aan een reusachtigen paddestoel. Ik waarschuwde Palmer, die dadelijk bevel gaf de motoren stop te zetten. De torpedo's werden weggeschoten op dezelfde wijze als hier aan boord het geschut wordt afgevuurd. Ik zag, hoe het slanke, als een visch gevormde projectiel de buis verliet en zich voortbewoog in de richting van de mijn. Het schot miste: de torpedo ging rakelings langs het doel, zeker doordat dit zoo klein was en niet stil lag.
"Het tweede schot was beter gericht en al konden we de ontploffing van de mijn niet hooren, ze was duidelijk vast te stellen door de hevige schommeling van onze duikboot.
"We herhaalden onzen torpedo-aanval op de mijnen eenige malen, tot we ons in de haven bevonden. Aan de oevers zag het zwart van de menschen, die kwamen kijken naar het vreemde slagschip, dat voor de stad verschenen was."
"En is het nu zeker, dat alle mijnen vernietigd zijn?"
"Stellig, we hebben het vaarwater, dat naar de haven leidt, nauwkeurig afgezocht en er was niets meer te vinden. Maar laten we nu weer aan dek gaan, daar is zeker meer te beleven dan hier."
Op het voorschip troffen ze den Chileenschen schipper aan, die met behulp van luitenant Sinclair, die goed thuis was in het Spaansch, de richting aangaf, die het schip volgen moest. De luitenant bracht de bevelen van den loods over aan den kwartiermeester, die zich in den commando-toren bevond om den Olijftak te besturen.
Langzaam bewoog zich het reusachtige slagschip voort door het ondiepe vaarwater, klaar voor het gevecht met het oog op mogelijken tegenstand van de forten. Dat men daar echter niet aan strijd dacht, bleek duidelijk, toen een eerbiedige groet werd gebracht door het neerhalen van de vlaggen, welke plichtpleging onmiddellijk op dezelfde wijze door de Olijftak werd beantwoord.
"Mr. Sinclair," zei nu kapitein Brookes, "laat een van de booten strijken en bemannen. Ga aan wal en overhandig dit schrijven aan het stadsbestuur. Met uw kennis van het Spaansch, zult u goede diensten kunnen bewijzen, wanneer ze den inhoud niet verstaan. Ik heb erin meegedeeld, wat we verlangen en tevens de verklaring afgelegd, dat we alle onkosten tot den laatsten penning eerlijk zullen betalen. U hebt dan meteen gelegenheid te vertellen, hoe de zaken tusschen de beide republieken staan en welk aandeel wij hebben gehad in den strijd."
Een uur later keerde luitenant Sinclair terug met het bericht, dat het verzoek van kapitein Brookes was ingewilligd en dat het schip dadelijk in het dok kon gaan. Ook deelde hij mede, dat de alcalde en de commandant van de stad voornemens waren een plechtig bezoek aan boord te komen brengen.
"Prachtig," zei kapitein Brookes, "het kan niet beter. Die twee heeren zullen we hier houden als gijzelaars, zoolang we in het dok liggen."
Zonder verdere avonturen bereikte de Olijftak het dok. Het water werd uitgepompt en zooals de kapitein voorspeld had: vóór zonsondergang was alles in orde.
HOOFDSTUK XIII.
IN EEN HINDERLAAG GEVALLEN.
Het vreemde schip in het dok trok zeer de aandacht van de bewoners van Talcahuano. Burgers en soldaten kwamen kijken naar den geheimzinnigen kruiser; ze toonden groote nieuwsgierigheid, maar er was niets te merken van kwaadwillige bedoelingen.
Niettemin waren alle voorzorgen genomen om het schip tegen elken overval te beveiligen. Twee van de kanonnen waren op het tolkantoor gericht, en de andere bestreken het tuighuis, de forten en verschillende openbare gebouwen in de stad. Een afdeeling matrozen was onder luitenant Sinclair geland en had het telegraafkantoor bezet om te verhinderen, dat er berichten omtrent het verblijf van de Olijftak werden verzonden, want de Z.-stralen konden nu geen dienst doen.
"Er nadert een sloep met officieren, Sir," meldde de officier van de wacht, juist toen men zich gereed maakte om aan tafel te gaan.
"Heel goed, laat dan de eerewacht aantreden. Heeren," zei de kapitein, "we zullen nog een oogenblik moeten wachten."
Hij begaf zich naar zijn hut, om zich in groot tenue te kleeden, welk voorbeeld door de andere officieren gevolgd werd.
Toen Gerald op het campagne-dek kwam, vond hij daar de eerewacht reeds aangetreden en hij zag aan den wal op de kade een troepenafdeeling met een muziekkorps opgesteld. De Chileensche soldaten waren blanken, kleurlingen en negers; ze droegen blauwe uniformen met rood uitgemonsterd en versierd met witte tressen, terwijl de shako's met glimmend metaal en een pluim waren opgetuigd.
De stadscommandant, die vergezeld was door den alcalde en een staf van officieren in prachtige uniformen, wachtte aan de valreep, tot de kapitein van de Olijftak zich op het dek zou vertoonen en zoodra dit gebeurde, presenteerden de soldaten op de kade het geweer en maakte het muziekkorps zich gereed te beginnen.
"'k Ben benieuwd, welk lied ze te onzer eere zullen spelen," merkte Gerald op.
"'k Zou 't ook niet weten te zeggen, want we behooren tot geen nationaliteit en dus kunnen ze niet ----."
Stockton kon zijn zin niet afmaken, want de muziek zette in en krachtig klonk het Engelsche volkslied, terwijl de Chileensche officieren zich aan boord begaven. Toen na het Engelsche ook het Chileensche volkslied was ten gehoore gebracht, volgde de begroeting van de vreemde gasten door de officieren van de Olijftak. Daarna begaven allen zich naar de groote kajuit en men zette zich aan den welvoorzienen disch.
Ondanks de moeilijkheid, dat men elkanders taal niet verstond, heerschte er toch een opgewekte stemming aan tafel. Men behielp zich, als 't noodig was, met gebaren en Sinclair maakte zich verdienstelijk als tolk. Dat was geen prettig werk, want het werd nog bemoeilijkt door het geraas, dat de werklieden maakten, die onmiddellijk met het herstellen van het schip waren begonnen.
Aan het dessert kwam de Chileensche overste, die een langen, prachtigen, Spaanschen naam droeg, tot de ontdekking, dat hij een vergissing had begaan. Tot op dat oogenblik had hij gedacht, dat de Olijftak een Engelsch oorlogsschip was, al voerde ze ook de groenwitte vlag aan den mast. En nu had kapitein Brookes hem op dat punt uit den droom geholpen.
"Ja, overste De Silva, volgens het zeerecht van de voornaamste Europeesche staten is dit schip een roofschip."
"Zijt ge een zeeroover?" stamelde de onthutste krijgsman. "En wat zijt ge dan van plan? Komt ge onze goede stad een schatting opleggen?"
"Geenszins, senor," antwoordde kapitein Brookes. "Onze bedoelingen ten opzichte van Talcahuano zijn vredelievend en oprecht. Zooals ik reeds gezegd heb, al wat we vragen, zullen we eerlijk tot den laatsten penning betalen en zoodra de herstellingen aan ons schip zijn afgeloopen, kiezen we weer zee. Intusschen moet ik u en den geëerden alcalde voorstellen, als mijn gasten hier te blijven, tot het oogenblik van ons vertrek."
"Wat, ge wilt ons hier gevangen houden? Maar dat is ongehoord!"
"Zoo moet ge het niet opvatten," antwoordde kapitein Brookes hoffelijk. "Ge zijt mijn hooggeachte gasten. Mijn eigen veiligheid maakt het noodig, u hier te houden als gijzelaars voor de vriendschappelijke houding van de bevolking van de stad."
Toen de overste inzag, dat tegenstand niet zou baten, schikte hij zich in zijn lot, te gemakkelijker, omdat hij wel op een goede behandeling aan boord meende te kunnen rekenen. Hem en den alcalde werden de vertrekken van kapitein Brookes zelf als tijdelijke verblijfplaats aangewezen.
Nadat deze zaak in orde was en de andere Chileensche officieren van boord waren gegaan, nam de kapitein alle verdere maatregelen, die de veiligheid van zijn schip vereischten.
Hij liet door een afdeeling van zijn manschappen het spoorweg-station bezetten en verbood het vertrek van treinen. Hij wilde de stad van het verkeer met de buitenwereld afsluiten, zoolang hij er zich ophield, maar dat gelukte hem niet volkomen. De vertrekkende treinen kon hij ophouden, maar hij beschikte niet over genoeg manschappen om alle uitgangen van de stad te bezetten en zoo kon hij niet verhinderen, dat men zich naar Lota, een kolenstation op ongeveer twintig mijlen van Talcahuano begaf, om vandaar telegraphisch het bericht te verspreiden van de voorvallen in de laatste haven. Dat zou echter tijd kosten en daardoor had hij een voorsprong, die hem misschien in staat zou stellen zijn schip zonder stoornis weer in orde te krijgen.
Er werd hard gewerkt en de schade aan het schip was niet van zoo groote beteekenis, als men eerst had gedacht en daardoor was men er op den avond van den tweeden dag mee klaar en was alles in gereedheid gebracht om de Olijftak bij 't aanbreken van den volgenden dag weer uit het dok te brengen.
De goede gang van zaken verwekte een vroolijke stemming aan boord, die zich ook uitte aan de officierstafel, waar de vreemde gasten mee aanzaten.
"En weet ge nu ook al, Mr. Palmer, dat uw gevaarlijk werk om het mijnenveld op te ruimen, onnoodig was?" vroeg kapitein Brookes.
"Onnoodig, Sir?" riep de verbaasde luitenant. "Hoe dat, Sir, waren het dan soms doode mijnen?"
"Neen, doode mijnen waren het niet, maar wel electro-mechanische. En nu hadden, zooals de overste mij meedeelde, onze Z-stralen de ontploffingsinrichting buiten werking gesteld. Het is dom, dat ik die mogelijkheid niet heb verondersteld, maar ik heb er geen oogenblik aan getwijfeld, dat het contact-mijnen waren."
Tegen het einde van den maaltijd, verzocht de kapitein stilte en richtte het woord tot zijn gasten.
"En nu, overste, moet ik nog eens mijn verontschuldiging uitspreken voor mijn optreden tegenover u en den alcalde. Als alles goed gaat, zullen we morgenochtend van elkander scheiden en ik wilde u verzoeken, mij voor dien tijd een opgave te doen toekomen van alle onkosten, die wij hebben te betalen. En bovendien zult u mij verplichten door dit kleine geschenk van mij aan te nemen, als een bewijs van mijn achting en het te willen bewaren als een herinnering aan uw onvrijwillig verblijf aan boord van de Olijftak."
Dit zeggende overhandigde hij den overste, met een buiging, zóó sierlijk, dat geen Spaansche grande die zou verbeterd hebben, een fijn lederen étui. In het sierlijke doosje lag een prachtig Engelsch uurwerk in gouden kast, waarop een gouden olijftakje, rijk met diamanten versierd, was aangebracht. Dit zoo kostbare en geheel onverwachte geschenk bracht den overste in verwarring, zoodat hij niet dadelijk een passend woord vond om zijn blijde verrassing te uiten.
Den alcalde bood kapitein Brookes een juweelen gesp aan voor zijn sjerp, waarop ook het gouden olijftakje was bevestigd. Het was aan geen twijfel onderhevig, of de beide heeren waren zeer in hun schik met de geschenken en te oordeelen naar hun dankbetuigingen, zouden ze er geen bezwaar tegen hebben gehad, als er iederen dag zoo'n vreemd schip de haven binnenviel.
De wisseling van beleefdheden tusschen gastheer en gasten werd eensklaps ruw gestoord.
De officier van de wacht kwam, bleek van opwinding, de kajuit binnenstormen, "We zijn in een hinderlaag gevallen, Sir!" riep hij uit.
"Er ligt een Engelsch eskader voor de haven, dat zijn zoeklichten op ons gericht heeft. Zoo even kwam er een sein van het vlaggeschip, waarbij onze onvoorwaardelijke overgave tegen morgenochtend geëischt wordt."
HOOFDSTUK XIV.
DOOR DE SPITSROEDEN.
"Blijf bedaard, Mr. Sinclair," zei kapitein Brookes, "we moeten onze gasten niet verontrusten. Sein als antwoord, dat we het signaal begrepen hebben; meer niet. En bericht mij zoo meteen, wanneer precies het schip het dok zal kunnen verlaten."
Toen de luitenant vertrokken was, wendde de kapitein zich tot zijn officieren.
"Dit is een onaangename geschiedenis, mijne heeren, maar we moeten nu eenmaal voorbereid zijn op dergelijke onverwachte ontmoetingen. Ik had in geen geval een Engelsch eskader in deze wateren verwacht en er moet zonder twijfel een telegraphisch bericht uit Lota of Coronel verzonden zijn om de Engelsche vloot op onze aanwezigheid hier opmerkzaam te maken. In alle gevalle zijn ze er wel vlug bij geweest."
"En wat denkt ge nu te doen, Sir?" vroeg luitenant Slade
"We zullen probeeren ongemerkt uit de haven te komen. Mr. Tregarthen," voegde hij er bij, "ik zal me houden aan de belofte, die ik u gedaan heb en wat nog meer zegt, ik heb me voorgenomen geen enkele vijandige daad tegen de Engelschen te verrichten. Ik zou u aanraden, een rapport te schrijven van uw avonturen; als ze ons morgenochtend een boot willen zenden, hebt u dan een prachtige gelegenheid, om het aan de Admiraliteit te doen toekomen."
"Het is al klaar, Sir," antwoordde Gerald. "Wilt u het soms inzien?"
"Neen, volstrekt niet. Ik heb het grootste vertrouwen in uw eerlijkheid en ik zou het een beleediging voor u achten, wanneer ik mij van uw correspondentie op de hoogte wilde stellen."
"Daar kan ik niets tegen inbrengen ----."
"Goed laten we dan verder van deze zaak zwijgen. Ha, daar is Sinclair!"
"Uw bevel is uitgevoerd. -- Het schip is te middernacht gereed om het dok te verlaten," meldde de officier van de wacht.
"Very good -- carry on," was het stereotype antwoord.
En toen begaf de kapitein zich weer naar de groote kajuit, waar het gezelschap nog langen tijd rustig en gezellig bijeen bleef.
Eerst omstreeks elf uur gaf de kapitein het sein om op te breken en begaven de officieren zich aan dek.
De krachtige lichtbundels van de zoeklichten van het insluitings-eskader speelden onophoudelijk op de stad en de haven. Naar het aantal van die stralenbundels te oordeelen, waren er vier schepen, maar omtrent grootte en bewapening kon men door de duisternis niets te weten komen.
Ondanks de zelfbewuste houding van kapitein Brookes, heerschte er toch aan boord onder officieren en manschappen een gedrukte stemming. Iedereen zag heel goed in, dat 't welhaast onmogelijk zou zijn aan de Engelsche schepen te ontkomen, zonder geweld te gebruiken.
Precies te middernacht kondigde het geluid van instroomend water aan, dat de sluizen, die de tunnels afsloten, waren opengezet en drie kwartier later lag het schip, geheel gereed om zee te kiezen, midden in de haven.
De overste De Silva en de alcalde waren aan wal gebracht, alle onkosten en verteringen waren betaald en voorzien van den noodigen voorraad levensmiddelen en drinkwater, schommelde de Olijftak zachtjes aan de ankerkabels in afwachting van het aanbreken van den dag.
"Kent ge de schepen daarginds Mr. Tregarthen?" vroeg kapitein Brookes, toen de zonneschijf zich liet zien boven de bergruggen van de Andes.
"Ja, Sir; het vlaggeschip is de Niobe, een gepantserde kruiser; de andere zijn de Melampus, de Cambrian en de Amethyst."