De Koning der Zee

Part 2

Chapter 24,060 wordsPublic domain

Hij moest even glimlachen, toen hij erover dacht, hoe hij daar nu aan den gang was. Hij, officier van Z. M.'s Marine, stond in een ongemakkelijke houding gebukt in een kombuisje, bezig met werkzaamheden, die hij anders aan zijn oppasser overliet. Wat zouden zijn wapenbroeders wel gezegd hebben, als ze hem zóó hadden kunnen zien. Maar hij had er pleizier in, juist om het ongewone van het geval.

"'k Zou me wel eens willen wasschen!" zei hij, toen hij klaar was met zijn werk.

"Daar kan je naar fluiten," zei Jack. "Niet vóór we in een haven zijn, want we mogen geen water verspillen. Maar wat zou je zeggen van een zeebad?"

Gerald keek eens naar het kielwater. De Playmate vorderde zoowat drie knoopen en zeilde rustig door het kalme water van het Kanaal.

"Hoe wil je dat opknappen? -- Allebei tegelijk?"

"Neen, ieder op zijn beurt. Pas jij maar eerst op."

Jack trok vlug zijn kleeren uit, greep stevig een afhangend touw en slingerde zich over boord. Daar hing hij in 't water de golven sloegen over zijn hoofd. Toen hij er genoeg van had, klauterde hij weer vlug aan boord.

"Heerlijk," riep hij, toen hij druipend op het dek stond. "Maar het water is veel kouder, dan je denken zoudt, in dezen tijd van het jaar."

"Dat is altijd zoo in diep water," antwoordde Gerald, terwijl hij zich gereed maakte om het voorbeeld van zijn makker te volgen.

Toen hij ook klaar was, kwamen ze overeen, dat Stockton nu een poos zou gaan rusten en dat Gerald hem wekken zou, zoodra er iets bijzonders gebeurde.

Gerald plaatste zich aan het roer. De Playmate had nu al ruim dertig mijlen van haar tocht dwars door het Kanaal achter den rug. De hemel was helder in de richting van de Engelsche kust, maar vooruit hing aan den horizon een grijzig waas, waardoor zee en lucht niet meer te onderscheiden waren. De wind was zwak en nam nog voortdurend af in kracht, zoodat het jacht niet veel meer dan twee knoopen maakte.

Hoe meer de wind ging liggen, des te dikker werd de mist, en twee uur, nadat Gerald aan het roer gekomen was, bevond zich de Playmate in een dichten, ondoorzichtigen nevel.

"Jack, oude jongen, heb je een misthoorn aan boord?"

Stockton was oogenblikkelijk klaar wakker.

"Wat een mist!" riep hij, toen hij bemerkte, dat het einde van de boegspriet niet meer zichtbaar was in den witten, drijvenden damp. "Neen, een misthoorn heb ik niet, ik gebruik altijd maar een roeiklamp. Hier is er één. Laten we die overeindzetten en vastklemmen in het rolluik."

Toen dat gedaan was, gaf hij met een hamer een paar slagen tegen het hout.

"Dat maakt leven genoeg om een vaartuig op een afstand van een kabellengte te waarschuwen," ging hij voort.

Gerald meesmuilde. Hij dacht er anders over dan zijn vriend en meende, dat een stoomschip, dat met een vaart van acht knoopen, zooals ze gewoonlijk hadden, door den mist voer, alleen gewaarschuwd kon worden door middel van een sirene.

"All right," zei hij, "'k ben er benieuwd naar; je kunt nu nog wel wat gaan slapen."

"'k Heb genoeg geslapen naar mijn zin," antwoordde Jack. "Laten we samen wacht houden. Hier; trek aan, anders wordt je nat tot op je huid." Hij gaf Gerald een oliejas en nam er voor zich zelf ook één uit het kastje.

"Wat is dat?" vroeg Gerald, na een poosje, toen een dof, regelmatig geluid, dat veel geleek op 't gerucht van de machine van een groot stoomschip, zwak door den mist tot hen doordrong.

"Ze mogen me hangen, als ik het weet! Hier, oude jongen, ga wat op zij, dan zal ik onze mistklok luiden."

Tregarthen deed, wat hem gevraagd werd en Stockton maakte een oorverdoovend geweld met zijn hamer op de roeiklamp.

Steeds nader kwam het geheimzinnige, trillende gebrom en plotseling klonk vlak bij het schril gillende geluid van een sirene.

"We gaan naar den kelder!" riep Jack, maar hij verloor zijn kalmte niet. Hij overzag het gevaar in zijn geheelen omvang.

Een oogenblik later werd er met een heesche stem geroepen: "Ahoy, daar! Naar stuurboord het roer!"

Jack wierp met een krachtigen ruk het roer om en het jacht beschreef daardoor een wijde boog. Geen tien seconden waren verloopen, of daar daagde uit den mist op een reusachtig gevaarte van grijs geschilderd staal, waarvan alleen het onderste gedeelte zichtbaar was, terwijl de omtrek van het bovenstuk in den grauwen damp verloren ging.

"Krak!"

Het stalen gevaarte, dat een gang had van ongeveer vijf knoopen, bonsde midscheeps tegen het kleine jacht. De stevige planken werden doorgesneden, alsof ze van bordpapier waren, de mast knapte bij het dek af en sloeg met tuig en zeilen over boord en het water golfde door de geslagen opening onstuimig naar binnen.

HOOFDSTUK IV.

GEVANGEN AAN BOORD VAN HET GEHEIMZINNIGE SCHIP.

Door den vreeselijken schok van de aanvaring verloor Gerald het evenwicht en toen de mast over boord sloeg, bonsde hem een katrol tegen het hoofd. Tallooze witte stipjes dansten hem voor de oogen en hij tuimelde in de half ondergeloopen kombuis. Vaag herinnerde hij zich later, dat zijn vriend de armen om zijn middel sloeg, toen hij daar bijna geheel verdoofd neerstortte.

Met inspanning van al zijn krachten, was Stockton er inderdaad in geslaagd, zijn vriend op te beuren en hem in het bootje te smijten, dat naast het jacht dobberde.

Daarna sprong hij zelf in den notedop, trok zijn mes en sneed met een vlugge beweging het touw door -- juist bij tijds.

Het vaartuig, dat den schok veroorzaakt had, stopte onmiddellijk en werkte achteruit. Hoog sloegen de golven op en in een warreling van schuim en luchtbellen zonk de Playmate weg naar haar laatste rustplaats.

Jack Stockton greep de riemen, die gelukkig in de boot lagen en roeide met wanhopige krachtsinspanning in de richting van de oorzaak van de ramp. Het groote vaartuig was al bijna niet meer te zien en vormde slechts een grijze vlek met wazige omtrekken in den dikken mist. Als het schip geheel uit het gezicht verdween, zou de toestand van de twee vrienden niet benijdenswaard zijn, want hun boot was klein en licht gebouwd en ze beschikten over spijs noch drank.

Aan boord van het groote schip heerschte doodsche stilte. Jack slaagde erin het meer en meer te naderen, want het lag blijkbaar zoo goed als stil en toen hij er vlak bij gekomen was, werd hem handig een touw toegeworpen. Hij maakte het aan den ring aan den boeg van zijn bootje vast en toen werd er in alle stilte nog een kabel neergelaten.

Handig sloeg Jack dezen om het lichaam van zijn vriend en maakte het touw onder diens armen vast en als een zak koopwaar werd Gerald omhoog geheschen. Hij kwam even tot zich zelf, maar toen hij op het dek lag uitgestrekt, verloor hij weer geheel het bewustzijn.

Toen hij bij kennis kwam en de oogen opende, bevond hij zich in de bovenste van twee bedsteden in een kleine, maar goed ingerichte hut.

"Wat drommel, waar ben ik?" bromde hij slaperig.

Hij ging overeind zitten en toen kwam hij tot de ontdekking, dat de pyjama, die hij aanhad, niet tot zijn eigen garde-robe behoorde. Zijn hoofd deed pijn en toen hij de pijnlijke plaats betastte, voelde hij een reep pleister.

Toen schoot hem ineens te binnen, wat er gebeurd was en angstig drong zich de vraag aan hem op: "Waar is Jack?"

Met moeite boog hij zich buiten zijn kooi, zoodat hij in de andere kon kijken, maar de onderste slaapplaats was ledig.

Vermoeid door de inspanning ging hij weer rustig liggen en probeerde zijn gedachten te verzamelen en zich te herinneren, hoe en waar hij zijn vriend voor 't laatst gezien had.

Spoedig echter werd zijn aandacht van die overdenkingen afgeleid. Midden boven de bedstede bevond zich een luchtkoker, waarin een luchtstroom floot als een wervelwind en van de plaats, waar hij lag, kon hij opmerken, dat de scheepswand beschermd werd door een pantserplaat van minstens 7 c.M. dikte. Hij moest zich dus aan boord bevinden van een zwaarbewapend oorlogsschip en dan nog was die pantsering, zoo hoog boven op waterlijn, niet te verklaren.

De nieuwsgierigheid van den luitenant was opgewekt en hij probeerde nu, door het kleine, ronde venster te kijken en hij slaagde daarin ook werkelijk. Hij zette groote oogen op. De mist was geheel opgetrokken, en de zon schitterde van een wolkloozen hemel op het blauwe water. Maar die geheele verandering van het weer hield zijn aandacht niet lang gespannen, want met de grootste verbazing merkte hij op, hoe het water zich schijnbaar zeer snel bewoog.

Voor zoover Tregarthen er over oordeelen kon met zijn gebrekkige waarneming, moest het vaartuig de golven klieven met een verbazingwekkende snelheid. Het moest wel een kruiser zijn van het grootste type en hij schatte de snelheid niet beneden de vijfenveertig knoopen. De Calder, die veel lichter van bouw was, kon die snelheid niet bereiken en kwam niet hooger dan achtendertig. En bij het vreemde van die buitengewone snelheid kwam het ontbreken van alle trilling en geluid. Niets werd vernomen dan het geruisch van den wind, veroorzaakt door de vaart van het schip zelf; het gerucht van de machines, waardoor het schip zich in den mist had aangekondigd, had ook geheel opgehouden.

Verder deed Tregarthen nog een ontdekking. Te oordeelen naar den stand van de zon, bewoog zich het geheimzinnige vaartuig in zuidwestelijke richting. Hij werd dus met een fabelachtige snelheid weggevoerd van de kusten van zijn vaderland -- maar waarheen?

Toen besloot Gerald de hut eens aandachtig te onderzoeken, maar daar was niets, wat eenige aanduiding kon geven van de nationaliteit of den aard van het vaartuig, dat hem had opgenomen. Hij dacht wel, dat hij zich aan boord van een Engelsch schip bevond, want vóór de aanvaring had men immers in 't Engelsch geroepen, maar zekerheid gaf dat nog niet. Hij had menigmaal gehoord, hoe Duitsche en Hollandsche officieren hun orders gaven aan een loods in volmaakt zuiver Engelsch, wanneer ze zich in de Britsche wateren bevonden.

De inrichting van de hut was zeer eenvoudig. Er stond een waschtafel en aan de zoldering hing een badkuip. Verder bestond het meubilair uit een kleine latafel, twee rieten stoelen en een spiegel. Op één van de stoelen hingen zijn kleeren, die heelemaal droog waren.

Gerald besloot nu een poging te doen om op te staan en met veel inspanning slaagde hij daarin. Hij kleedde zich aan en scharrelde naar de deur, die hij open duwde.

Tot zijn groote verbazing zag hij een schildwacht voor zich staan, een stevig gebouwd zeeman, gestoken in een uniform, die veel op de Britsche geleek. Het blauw van zijn baatje was alleen wat donkerder en de witte uitmonstering van de Koninklijke Marine was door een zwarte vervangen. Er stond geen naam op den rand van zijn muts, maar op zijn rechtermouw had hij een onderscheidingsteeken, dat een blad voorstelde. Om zijn middel droeg hij een zwart lederen koppel, waaraan geen bajonet maar een hartsvanger hing. Het geweer, dat hij aan den bandelier over zijn schouder droeg, geleek veel op het laatste model Lee-Enfield, waarvan het echter in enkele kleinigheden afweek.

Tregarthen had dit alles met één oogopslag waargenomen. Hij wilde naar buiten stappen, maar de schildwacht maakte hem met een krachtig gebaar duidelijk, dat dit ten strengste verboden was. Er zat voor hem niets anders op dan dit stomme voorschrift op te volgen. Hij stapte daarom weer naar binnen en onmiddellijk daarop hoorde hij een sleutel in het slot omdraaien. Hij was een gevangen man.

Gerald begreep er niets van en zijn verbazing was zóó groot, dat hij onmogelijk kalm kon nadenken. Allerlei verwarde gedachten verdrongen zich in zijn hoofd: eerst het treurige ongeval met het jacht, dan het geheimzinnige van het vaartuig, dat hem had opgenomen, het nog niet opgeloste vraagstuk van het verdwijnen van zijn vriend en ten slotte het schandelijke gedrag van zijn redders, om hem als een gevangene te behandelen. -- Op eens gevoelde hij een onweerstaanbare behoefte om te rooken. Hij zocht in zijn zak naar zijn pijp, maar hij herinnerde zich, dat hij die verloren had in de kajuit van de Playmate en toen wilde hij zijn toevlucht nemen tot zijn cigarettenkoker, in de hoop, dat de inhoud niet van het zeewater zou geleden hebben. De koker was droog en geheel gevuld, maar met een andere soort dan hij gewoon was te gebruiken: zijn onvriendelijke gastheer had het hem toch wat prettig willen maken.

Uit verveling ging hij nu eens onderzoeken, wat er in de latafel te vinden was, maar dat gaf niet veel afleiding, want ze was leeg, alleen stond er in de bovenste lade een doos met een borstel, een kam en scheerbenoodigdheden, alles fonkelnieuw.

Terwijl hij bezig was met het bekijken van die zaken, werd de deur van de hut opengesloten en na een inleidend tikje trad een man binnen, die in zijn eenvoudige, nette uniform een prettigen indruk maakte. De bezoeker was niet groot en had een vriendelijken oogopslag, die vertrouwen wekte.

"Goedenmiddag, Mr. Tregarthen," zei hij. "Ik hoop, dat ge u wat beter gevoelt? Mijn naam is White en ik ben eerste officier van gezondheid aan boord."

"Dank u, Sir, ik gevoel me redelijk wel. Maar mag ik u eens vragen, op welk schip ik me bevind en waarom men mij hier achter slot en grendel heeft gezet?"

"Het spijt mij, dat ik u op dat punt geen inlichtingen geven kan. Ge zult daarop moeten wachten, totdat ge den kapitein te spreken krijgt."

"Maar mijn vriend -- is die gered?"

"Ja, die is in veiligheid."

"En." --

"Geen vragen meer, als 't u blieft, Mr. Tregarthen," zoo viel hem de dokter in de rede, zóó beslist, dat het duidelijk was, dat alle pogingen om iets te weten te komen, nutteloos zouden zijn.

"In afwachting van een uitnoodiging van kapitein Brookes, om bij hem te komen, zou ik u aanraden, wat te eten. Het doet mij genoegen te zien, dat het ongeval geen ernstige gevolgen voor u heeft gehad."

Met deze woorden verliet de dokter de hut en nu trad een hofmeester binnen, die een smakelijk maal opdiende. Spraakzaam was de man niet: hij zei geen woord meer dan noodig was en ging zoo spoedig mogelijk weer heen.

Toen werd de deur weer op slot gedraaid.

Toen Tregarthen met zijn gedachten alleen was, kwam hij tot het besluit, dat hij nog niet veel wijzer was geworden. Alleen wist hij nu, dat Jack Stockton ook gered was en zich aan boord bevond, zeker als gevangene, net als hij zelf. En verder had hij de zekerheid, dat de bemanning Engelsch sprak, maar of het schip Britsch of Amerikaansch was, kon hij niet uitmaken.

Eindelijk zakte de zon weg achter den horizon, als een roode bol, die goud sprankelde in een blauwen nevel.

Gerald keek op zijn horloge. Het was een uitstekend uurwerk en de kast sloot zóó goed, dat er heel geen water in gedrongen was. De wijzers stonden op kwart voor zevenen.

Dat was alweer een vreemd geval. Hij wist zeker, dat thuis de zon moest ondergaan om kwart over zevenen en het schip voer, voor zoover hij kon nagaan, in zuid-westelijke richting. Hoe was dan dat verschil in tijd te verklaren?

Zou zijn horloge dan misschien toch in de war zijn?

In spanning wachtte hij en luisterde scherp, of hij de scheepsbel ook hoorde. Precies om zeven uur -- het tweede uur van de tweede hondewacht -- klonk het doffe geluid van de bel -- ting, ting -- ting! Zijn horloge ging dus goed en daar het schip niet naar het oosten voer, was het eenig mogelijke, dat de snelheid zoo ongelooflijk groot was, dat ze zich nu reeds op de breedte bevonden van de Golf van Biscaye.

't Werd donker in de hut, maar eensklaps gloeiden helder een paar electrische lampjes.

Gerald voelde grooten zin om te gaan slapen. Hij was vermoeid en den vorigen nacht had hij weinig rust genoten, daarenboven had hij niets om den tijd te verdrijven. Hij besloot dus naar kooi te gaan en was net begonnen zich te ontkleeden, toen weer de sleutel in het slot knarste en een jonge man binnentrad.

"De kapitein wil u spreken, Sir," zei hij, terwijl hij in onberispelijke houding het militair saluut bracht.

HOOFDSTUK V.

KAPITEIN BROOKES.

Op elk schip, van welke nationaliteit ook, is de kapitein koning. Tregarthen wist dit te goed, om in het verzoek, dat hem werd overgebracht, geen bevel te zien en daarom volgde hij zijn geleider zonder tegenspraak buiten de hut.

Ze liepen langs een gepantserd beschot, waartegen een wapenrek stond, gevuld met wapens, geheel overeenkomende met die van den schildwacht. Aan beide zijden van den doorgang waren een aantal deuren van hutten, waarvan sommige op een kier stonden, maar zware gordijnen maakten het onmogelijk naar binnen te zien.

Bij de hut van den kapitein liep een schildwacht rustig op en neer. Vlug bracht hij het saluut, dat door Geralds geleider beantwoord werd, waarop deze aanklopte en wachtte tot een zware stem hem verzocht binnen te komen.

"Mr. Tregarthen, Sir," kondigde de jonge officier aan en ging daarna heen.

Gerald trad binnen en bevond zich nu in een ruime, goed verlichte hut, gemakkelijk en weelderig ingericht. Op den vloer lag een dik tapijt en de wanden waren mat-olijfgroen geschilderd. Het meubilair bestond uit een groote mahoniehouten tafel, twee armstoelen, een goed gevulde boekenkast, een buffet en nog een kleinere tafel, overdekt met papieren en teekeningen.

Maar Tregarthen wijdde niet zoo heel veel aandacht aan de omgeving, zijn opmerkzaamheid werd geheel getrokken door den kapitein. Deze was niet groot, maar toch ging er kracht en overwicht van zijn persoon uit. Zijn gezicht was gebruind en zijn oogen lagen diep, zijn donkerbruin haar was kort geknipt en zijn goed onderhouden snor en puntbaard gaven hem 't uiterlijk van een Britsch zeeofficier. Hij was in een donkerblauwe uniform gekleed, waarop zwart veterband de plaats innam van de gewone gouden galons. Dit was dan kapitein Brookes, de gezagvoerder van den geheimzinnigen kruiser.

Zwijgend stonden de beide officieren tegenover elkander en de kapitein maakte gebruik van dat oogenblik, om den jongen Engelschen luitenant op te nemen, die door een toeval in zijn macht geraakt was.

Gerald Tregarthen had zich in zijn volle lengte opgericht en keek den man, die hem gevangen hield, vast in de oogen, nadat hij hem 't saluut gebracht had, dat door den kapitein beantwoord was.

"Neem plaats, Mr. Tregarthen," begon kapitein Brookes, terwijl hij met een handbeweging een van de armstoelen aanduidde.

Gerald was liever blijven staan, maar de besliste toon van den kapitein deed hem gehoorzamen, al was 't dan ook half onwillig.

"U zijt, naar ik meen, luitenant bij de Koninklijke Marine? Het laatst aan boord van Z. M.'s torpedojager Calder?"

Gerald stond even verbluft, dat de kapitein zoo goed op de hoogte was, maar dadelijk viel hem in, dat Jack Stockton zeker al ondervraagd was. Kort antwoordde hij: "Ja, Sir."

"En ge wordt hier genoemd, als een veelbelovend jong officier," vervolgde de kapitein, terwijl hij wees op een ranglijst van de officieren der Britsche vloot, die vóór hem op tafel lag.

Zonder te letten op het vleiende van de laatste opmerking, antwoordde Tregarthen met de wedervraag: "Mag ik weten, Sir, waarom ik hier aan boord als een gevangene word behandeld en waarom ik dit verhoor moet ondergaan?"

"Door een toeval zijt ge op mijn schip gekomen, Sir, en daar ik in u een man zag, die mijn plannen dienen kon, besloot ik u vast te houden."

"Uw plannen dienen?"

"Zeker. Met een paar woorden zal ik u nader inlichten. Ge zijt aan boord van den kruiser de Olijftak, eigenlijk genaamd de Almirante Constant. Later zal ik u vertellen, hoe dit schip door de Braziliaansche regeering werd aangekocht. De Olijftak heeft geen nationaliteit, voert geen vlag van een bepaalden Staat, maar is in dienst van een wereldonderneming, die aan mij de uitvoering van haar plannen heeft opgedragen. Men zal mij zonder twijfel een dwaas, een waanzinnige noemen, maar dit is het lot van alle weldoeners der menschheid, en ik zal mij niet door het oordeel van de domme menigte van de wijs laten brengen. Mijn zending beoogt het waarborgen van een eeuwigen, algemeenen vrede en mijn titel is: Verdelger van den krijg."

De kapitein hield nu even op om te zien, welke uitwerking zijn woorden hadden, maar hij kon uit Gerald's houding niet opmaken, wat deze dacht bij de vreemde toespraak. De luitenant bleef hem scherp aankijken, als wilde hij ontdekken, of er achter het kalme uiterlijk van den spreker misschien toch werkelijk een gekrenkt verstand school. Maar de heldere oogen van den kapitein stonden zoo ernstig en zijn heele houding was zoo rustig, dat Gerald die gedachte als ongerijmd verwierp.

"Om verder te gaan: De Olijftak spreekt het laatste woord op het gebied van den scheepsbouw. Ik zeg dat niet ondoordacht, maar kan de waarheid van mijn woorden bewijzen. De oorlogsbodems nemen voortdurend toe in kracht van bewapening; als er een van stapel loopt, liggen er al plannen gereed voor een type van nog grootere gevechtswaarde. Wanneer we nu in aanmerking nemen de snelheid, waarmee men op dit gebied voortgaat, dan zullen er toch meer dan honderd jaren moeten verloopen, voordat er oorlogsschepen zullen zijn van dezelfde waarde voor aanval of verdediging als de Olijftak -- indien ze dan tenminste nog noodig zijn."

"Ik ben ervan overtuigd, dat een zeeoorlog, gevoerd met schepen als de Olijftak, zoo verschrikkelijk zou zijn, dat er geen natie gevonden wordt, die daarvoor de verantwoordelijkheid op zich zal willen nemen. Ik zal waken over de veiligheid ter zee en zonder mededoogen zal ik de vloot vernietigen van iederen staat, die het wagen durft den wereldvrede te verstoren."

"In de jaren, die achter ons liggen, heeft Engeland de zeeën beheerscht en het heeft die heerschappij uitgeoefend krachtig en wijs. Maar de tijden veranderen ----"

"Daar moet ik tegen opkomen, Sir," riep Tregarthen heftig.

"Dat kunt u doen of laten," antwoordde kapitein Brookes met eenige scherpte in zijn stem. "Beschouw de feiten met een koel hoofd, en ge zult moeten toestemmen, dat wat ik zeg, waar is. Waarom gaan andere volken, die heel goed weten, dat ze zonder hinder of last hun zeehandel kunnen drijven, machtige oorlogsvloten bouwen? Waarom willen ze met de Engelsche marine wedijveren? Niet omdat het noodig is, maar omdat ze de heerschappij ter zee van Engeland willen overnemen. Is dat niet zoo?"

"Zijt ge zelf een Engelschman?"

"Ik ben een wereldburger -- een paria zoo ge wilt. Tot welke natie ik behoor, houd ik liever voor me. En om nu tot de hoofdzaak te komen: wilt ge uw lot aan het mijne verbinden gedurende de volgende twee jaren?"

"Neen. Mijn verplichtingen als Engelsch officier --."

"Dan zal ik verplicht zijn u te dwingen."

"Mij dwingen! Onmogelijk."

"Mr. Tregarthen, voor we op deze wijze verder gaan, geef ik u in overweging de zaak van alle kanten te beschouwen. Door een plechtigen eed hebt ge u verbonden uw wettigen vorst, koning George V, te dienen en kunt ge dat beter dan door kennis te nemen van de inrichting van dit vaartuig, waardoor het zulk een onweerstaanbare macht verkrijgt? De Admiraliteit moet er alles voor overhebben, om achter de geheimen van de Olijftak te komen. Nu stel ik in 't kort het volgende voor: ge verbindt u, hier aan boord gedurende twee jaar te dienen, -- ge geeft uw eerewoord mij in alles te gehoorzamen, onder voorbehoud, dat van u geen enkele vijandelijke daad tegen uw vaderland zal gevergd worden. Zijn de twee jaren verstreken, of vroeger, als mijn zending is volbracht, dan kunt ge naar huis terugkeeren en moogt ge vrij beschikken over de wetenschap, die ge hier aan boord hebt opgedaan."

"En als ik weiger?"

"Dat geval zullen we niet nader bespreken."

En om te voorkomen, dat Tregarthen een besliste weigering uitsprak, ging kapitein Brookes voort: "Zeg of doe vooral niets ondoordachts. Neem den tijd, om over mijn voorstel na te denken. Morgen ochtend wacht ik u weer bij mij en dan hoop ik uw antwoord te vernemen."

HOOFDSTUK VI.

DE COMMANDO-TOREN VAN DE "OLIJFTAK".

Precies om tien uur werd Gerald Tregarthen den volgenden morgen weer naar de hut van den kapitein gebracht.

"Wel, Sir, welk besluit hebt ge genomen?" vroeg deze.

"Nog geen besluit, Sir," antwoordde Tregarthen beslist.

"Vóór alles moet ik weten, wat ge met mijn vriend denkt te doen."