De Koning der Zee

Part 12

Chapter 123,846 wordsPublic domain

De schade, die aan de inrichting voor de Z.-stralen was toegebracht, bleek zeer belangrijk. Om ze te herstellen moest het groote bord in den commando-toren worden losgebroken, om de draden tusschen de dynamo en den toren te kunnen bereiken. Gedurende die werkzaamheden zou er ook geen gebruik kunnen gemaakt worden van de Z.Z.-stralen, zoodat het geen wonder was, dat kapitein Brookes aanspoorde tot den grootsten spoed bij den arbeid, om zoo gauw mogelijk weer over al zijn krachten te kunnen beschikken.

Men bevond zich in de nabijheid van de Santorineilanden en de kapitein besloot daar voor anker te gaan, om dan meteen van dit oponthoud gebruik te maken om de kiel van het vaartuig te reinigen.

De eilandengroep was van vulcanischen oorsprong, wat duidelijk bleek uit de aanwezigheid van talrijke zwavelbronnen. Een groot voordeel was het, dat het water van die bronnen uitstekend geschikt was om het zeewier en de schaaldieren, die zich aan de kiel hadden gehecht, te dooden en weg te nemen. Langer dan anderhalf etmaal zou men niet noodig hebben voor de reiniging van het schip.

"Wat zoudt ge zeggen van een bezoek aan het grootste eiland, mijne heeren?" vroeg kapitein Brookes in den kring van zijn officieren. "De krater op Megalos moet zeer belangwekkend zijn."

"Ik zal graag van de partij zijn," riep Sinclair, "als ik tenminste van boord kan gemist worden."

Gerald, Stockton, Temple en Slade meldden zich ook aan, om deel te nemen aan het uitstapje.

"Best," zei de kapitein, "maar denkt eraan niet te dicht in de nabijheid van de heete springbronnen te komen. Blijft ook zooveel mogelijk in zicht van ons schip en keer dadelijk terug, wanneer ik daartoe een sein geef."

Na een moeilijken en afmattenden tocht van twee uur hadden de officieren den rand van den krater bereikt. Ze zetten zich neer om uit te rusten en kwamen onder den indruk van de doodsche stilte en verlatenheid te midden van dit woeste natuurtooneel.

Eensklaps echter sprong Jack Stockton op en riep: "Kijk eens, wat is dat daarginds?" Hij wees naar een langwerpig geelachtig voorwerp, dat op een afstand van eenige honderden meters in een diepe vallei in de lucht zweefde.

"Dat is een luchtschip -- een van het Zeppelin-type," zei Gerald. "Wat zou dat ding hier komen uitvoeren?"

"Je hebt gelijk," riep Sinclair, die zijn zeekijker gebruikte. "Dat is wel een zonderlinge ontdekking. Het luchtschip ligt blijkbaar voor anker."

"Kijk en daar komen een paar mannen dezen kant uit; ze kwamen langs een touwladder naar beneden. 'k Ben benieuwd, of ze ons hebben opgemerkt."

"Dat denk ik niet. Ze doen anders wel geheimzinnig! 'k Geloof niet, dat ze veel goeds in den zin hebben. We moesten ons verdekt opstellen, om te zien, wat ze in hun schild voeren."

De eenige dekking van beteekenis werd gevormd door een boschje verdorde doornstruiken. Er zaten geen bladeren aan, maar als de officieren er achter gingen liggen, plat op den grond tusschen de verspreide rotsblokken, dan waren ze vrij goed verborgen en konden de bewegingen volgen van de mannen van het vreemde luchtschip.

Deze hadden het blijkbaar ook op het doornboschje gemunt. Ze waren met hun drieën, zwaar gebouwde mannen in bruine uniformen. Eén van hen droeg een revolver in een foudraal op zijde, terwijl de anderen ongewapend schenen te zijn en alle drie droegen ze veldkijkers aan een riempje om den hals.

Zonder iets kwaads te vermoeden, kwamen ze naar het doornboschje en plaatsten zich ervoor, zoodat ze slechts door enkele takken van Gerald en zijn vrienden gescheiden waren. Ze namen hun kijkers ter hand en richtten die nieuwsgierig op de Olijftak. Doordat ze zich voor het boschje geplaatst hadden, staken ze niet af tegen de heldere lucht en liepen dus geen gevaar door de schepelingen te worden opgemerkt.

"Daar ligt dan het schip," riep een van de vreemdelingen in een taal, die Gerald en Sinclair gemakkelijk aan de keelklanken herkenden. "Adolf heeft dus wel gelijk gehad."

"Zoo gezien lijkt het schip niet bijzonder sterk."

"'t Uiterlijk bedriegt dikwijls, kapitein Dorge. Maar laten we daar niet over twisten. In allen gevalle ligt daar het schip en hebben we een prachtige gelegenheid om het uit den weg te ruimen."

"Zou veertig kilogram van de springstof voldoende zijn?"

"Genoeg om het schip geheel te vernietigen. Vóór de maan om twee uur opkomt moeten we klaar zijn."

"En als we missen?"

"Onmogelijk. Ik zal de 'Vorwärts' vlak boven het vaartuig brengen en laten dalen tot op dertig meter afstand van het dek. Ze zullen daar aan boord op deze plaats geen aanval verwachten en stellig niet uit de lucht."

Gerald stootte Sinclair veelbeteekenend aan en deze waarschuwde Temple met een gebaar, dat geen naderen uitleg behoefde en dat ook door Stockton begrepen werd.

"Vooruit!" fluisterde Sinclair.

Tegelijk sprongen de vier mannen overeind, drongen door de struiken en wierpen zich op de verbaasde vreemdelingen.

De man, die als kapitein Dorge was aangesproken, probeerde zijn revolver te trekken, maar Gerald had zijn armen om hem heen geslagen en Jack Stockton maakte zich meester van het wapen. Hij werd op den grond geworpen, waar Stockton hem gemakkelijk in bedwang hield.

Temple, een pootige Schot, had het gauw klaargespeeld met zijn tegenstander, maar Sinclair had meer moeite en deze slaagde eerst na een woedend vuistgevecht erin zijn vijand neer te vellen.

"Wat moeten we nu doen?" hijgde Gerald, terwijl hij het zweet van zijn voorhoofd wischte.

"De kerels naar boord brengen," meende Sinclair. "We hebben dan drie gijzelaars in handen, die ons een goed gedrag van de verdere bemanning van het luchtschip waarborgen."

"Gemakkelijker gezegd dan gedaan."

"'t Zal meevallen. Maar we moeten op onze hoede zijn, want die vriend daar begint ook al bij te komen, 't lijkt dat de opstoppers, die ik hem toegediend heb, hebben uitgewerkt."

Al pratende had Sinclair den twee gevangenen beduid, dat ze moesten opstaan. Hij plaatste ze vlak naast elkaar en bond toen den rechterarm van den een met een riem aan den linkerarm van den ander. Als meerdere voorzorg bond hij nog de duimen aan elkaar met een dun touwtje.

Intusschen hadden Gerald en Stockton den nog half bezwijmden officier op de been geholpen en tusschen hen in genomen, en toen werd de terugtocht naar het schip ondernomen. Temple hield met de revolver in de vuist, de gevangenen scherp in het oog, zoodat ze niet aan eenig verzet denken konden.

Twee uren hadden de vrienden noodig gehad om den krater te bereiken, maar den terugweg legden ze af in twintig minuten en toen ze het strand bereikten, vonden ze daar een boot om hen naar boord terug te brengen.

"Wat is er aan de hand heeren?" vroeg kapitein Brookes, toen het gezelschap het campagne-dek bereikte. "Ik had al door den kijker gezien, dat er iets bijzonders gebeurde."

Gerald bracht een kort verslag uit, van hetgeen ze ondervonden hadden.

De kapitein fronste de wenkbrauwen en zei: "dat is slecht nieuws. Het versterkt me in mijn vermoeden, dat er in Europa iets broeit. Toch bericht onze agent in Swanage nog daareven in een marconigram, dat alles rustig is en er geen onmiddellijk oorlogsgevaar dreigt. Maar in allen gevalle is het uitstekend, dat ge het helsche plan van deze lieden verijdeld hebt. Ik zal nu eerst eenige vragen stellen aan uw gevangenen."

Op een desbetreffende vraag, gaf de oudste der drie vreemde officieren te kennen, dat hij Hans von Rippach heette, doch kapitein Brookes meende alle reden te hebben, te veronderstellen, dat hij een lid van een der voornaamste Europeesche vorstenhuizen vóór zich had.

"En," vervolgde hij, "mag ik de reden weten, waarom ge van plan waart, mijn vaartuig verraderlijk te overvallen in neutraal zeegebied?"

"Aan een zeeroover geef ik geen verklaring van mijn daden," antwoordde de ander op onbeschofter toon.

De kapitein brak toen dadelijk het gesprek af en gaf bevel de gevangenen naar beneden te brengen en ze onder gewapend toezicht in een hut op te sluiten.

"En moet nu het luchtschip geen lesje hebben?" vroeg luitenant Sinclair. "We kunnen zonder veel moeite een zesponder aan wal brengen."

"Dan komt de bevolking van het eiland in rep en roer. Ik denk me tegenover de Zeppelin alleen tot verdediging te bepalen. Durven ze ons aanvallen, dan kunnen ze op een warme ontvangst rekenen, maar wij moeten alle krachten inspannen om zoo gauw mogelijk klaar te komen. Onmiddellijk zetten we dan koers naar de Engelsche wateren, want ik heb een voorgevoel, dat er heel spoedig een oorlog in Europa zal uitbarsten."

Vóór de nacht viel had de Olijftak Santorin verlaten en was op weg naar de Straat van Gibraltar. Onophoudelijk werd er naar den agent te Swanage geseind om inlichtingen, zoodat de man eindelijk kort en goed antwoordde, dat er niets gebeurde en dat hij dus verder niets zeggen kon.

Vier uren na het doorvaren van de Straat kwam er echter een marconigram binnen, dat groote opschudding verwekte. Het luidde: "Duitschland en Oostenrijk zijn de vijandelijkheden tegen Engeland begonnen."

HOOFDSTUK XXV.

DE GROOTE ZEESTRIJD.

Binnen een paar uren was de geheele bemanning op de hoogte van den staat van zaken, tenminste voor zoover de Engelsche agent die kon meedeelen. Er hadden belangrijke gebeurtenissen plaats, maar over het geheel was men onkundig omtrent de eerste voorvallen op het tooneel van den strijd.

Drie groote Europeesche Staten hadden een geheim verbond gesloten tegen Engeland en zoo geheimzinnig was men te werk gegaan, dat het Ministerie van Buitenlandsche zaken van het Britsche rijk er niets van te weten was gekomen. Om in staat te zijn den gemeenschappelijken vijand onverwacht op het lijf te vallen, hadden de bondgenooten gelijktijdig groote herfst-manoeuvres aangekondigd voor hun vloten in den Atlantischen Oceaan. Zoo konden ze zonder argwaan te wekken, een groote scheepsmacht bijeenbrengen op een afstand van twaalf uur stoomens van de zuidkust van Engeland.

Terwijl dit plaats had, kruiste het grootste gedeelte van de Britsche vloot op de westkust van Schotland en Ierland en een grooter aantal schepen dan gewoonlijk lag in de havens om de schade te herstellen, die ze bij onvoorziene ongevallen hadden beloopen. Daarover kon dus de opperbevelhebber, Sir Protheroe Hobbes niet beschikken.

In de week, die vooraf ging aan het uitbreken van den oorlog, waren er verschillende dingen gebeurd, waarvan men toen de beteekenis niet overzag.

Een groot vrachtschip, dat op naam stond van een Engelsche reederij en geladen met Noorsch graniet voor de havenwerken, raakte bij het binnenvaren van de haven van Portsmouth aan den grond. Dit gebeurde juist tegenover de Round Tower, waar de invaart het smalst is. Onder den invloed van den krachtigen vloedstroom zwaaide het schip rond en tegelijkertijd had er midscheeps een zoo hevige ontploffing plaats, dat het in tien minuten zonk. Hierdoor was het vaarwater versperd en lagen er zes krachtige eskaders van de Britsche marine in de haven opgesloten.

Op denzelfden dag had er een geheimzinnige aanslag plaats in Schotland; de middelste bogen van de brug over de Forth werden opgeblazen. Deze misdaad werd toegeschreven aan anarchisten, die in den laatsten tijd bijzonder krachtig optraden. Gelukkig gingen er geen menschenlevens bij verloren, maar de gevolgen waren ernstig genoeg, want zoolang de vergruizelde steenmassa niet was weggeruimd, was de maritieme basis van Rosyth geheel onbruikbaar.

Den volgenden avond verlieten de gezanten van de verbonden staten Londen en zonder voorafgaande oorlogsverklaring begonnen de vijandelijkheden.

Begunstigd door de duisternis deed een vijandelijke luchtvloot een aanval op de voornaamste zeemagazijnen voor de Engelsche strijdmacht. De aanval op Priddy's Hard Magazine mislukte door het koelbloedig optreden van een jongen luitenant-aviateur, die het luchtschip aanviel en verdreef, maar de vijand slaagde er in de magazijnen van Bedenham, Chattenden en Bull Point te bombardeeren. Het luchtschip, dat den aanval op het laatste punt deed, daalde zoo laag, dat het zelf beschadigd werd door de ontploffingen, die het veroorzaakte en genoodzaakt was te landen. De bemanning werd onmiddellijk gevangen genomen.

Een klein kustvaartuig, dat Plymouth Sound binnenvoer, stootte op een onderzeesche mijn op een paar kabels lengte van de Mewstone en verging met man en muis. Bij onderzoek bleek nu, dat er in het Kanaal een groot aantal drijvende mijnen waren gestrooid, zoodat een oorlogsschip, dat de haven van Plymouth wilde verlaten, een zekeren ondergang tegemoet ging.

Intusschen trachtten de Verbondenen, die beschikten over een meerderheid van zeven Dreadnoughts en super-Dreadnoughts, elf gepantserde kruisers en ruim twintig torpedovernielers, de vloot van Admiraal Hobbes van haar basis af te snijden en te noodzaken tot het aannemen van een zeestrijd. Was de vloot vernietigd, dan zou een gering aantal landingstroepen voldoende zijn om het Koninkrijk in enkele weken te veroveren en dan zouden zeker de ondergang en verdeeling van het rijk volgen.

Admiraal Hobbes kreeg per marconigram bericht van het uitbreken van den oorlog en gaf onmiddellijk bevel aan zijn vloot, koers te zetten naar het Engelsche Kanaal.

Zijn bekende moed en doortastendheid deden hem niet rekenen met de meerdere sterkte van den vijand: hij besloot aan te vallen en wilde trachten een beslissenden slag te slaan.

Bij het aanbreken van den dag, volgende op het vertrek van de Britsche vloot van Bantry Bay, brachten twee kleine torpedojagers, die op verkenning waren uitgeweest, de tijding, dat de vijandelijke schepen zich in slagorde bevonden in noordwestelijke richting.

Deze inlichtingen waren wel juist, maar onvolledig, want een andere krachtige vijandelijke divisie stoomde in het zuid-westen evenwijdig aan de waargenomen scheepsmacht. De Engelsche vloot zou zich dus tusschen twee vuren bevinden, zoodra de strijd zou aanvangen.

Admiraal Bloch, die bevel voerde over de vereenigde vijandelijke vloten, had zijn maatregelen dus op uitstekende wijze genomen, maar hij had geen rekening gehouden met de Olijftak. Hij was de man die het plan gevormd had, om dat machtige schip te doen vernietigen door een Zeppelin.

De bemanning van het luchtschip had wel telegraphisch bericht gezonden van het mislukken der onderneming, maar ongelukkigerwijze had een Grieksch postbeambte het codewoord voor "ontsnapt" verwisseld met dat voor "vernield."

Nu meende admiraal Bloch, dat er van de Olijftak geen gevaar meer te duchten was en hij aarzelde niet langer een ontmoeting te zoeken met de Britsche vloot, die wel sterk, maar in aantal schepen zijn mindere was.

Intusschen kliefde de Olijftak de baren van de Golf van Biscaye. Op een afstand van tweehonderd mijlen haalde ze een transportschip in, dat, onbekend met de dreigende gevaren, naar het vaderland stoomde. Kapitein Brookes bracht den commandant op de hoogte van den oorlogstoestand, waarop het vaartuig den steven wendde en onder daverend "hoezee" van de troepen, die het aan boord had, koers zette naar Gibraltar.

Wat er aan de electrische toestellen van de Olijftak ontbrak, was weer geheel in orde gebracht. De 15 c.M. granaten waren geladen met de verschrikkelijke ontploffingsstof en alle waterdichte schotten gesloten. Niets was verzuimd om het schip gereed te doen zijn voor het moeilijke werk, dat wachtte.

Eindelijk werd in de verte in het noordwesten het doffe gerommel van een kanonnade gehoord; de voorhoede van de vloot van admiraal Bloch was in aanraking met den vijand gekomen.

Het werd een langdurige en hevige strijd. De Britsche vloot, die in dubbele linie een frontaanval deed, leed groote verliezen. Admiraal Bloch week onder krachtig vuren terug, gebruik makend van mijnen en torpedo's, totdat de tweede divisie de Engelsche vloot in de flank kon aanvallen.

Binnen twintig minuten waren de Engelsche Orion en Thunderer in den grond geboord, terwijl de Princess Royal, Vanguard, Inflexible en Foudroyant buiten gevecht gesteld waren. Ondanks het uitstekende stelsel van waterdichte schotten maakten de schepen veel water en waren de krachtige centrifugaal-pompen bijna niet in staat ze drijvende te houden. Vooral de Foudroyant was zoo ernstig beschadigd, dat het schip onmogelijk verder aan den strijd kon deelnemen.

Admiraal Hobbes kon er niet aan denken zijn beschadigde schepen te beschermen. Hij moest ze aan hun lot overlaten en gaf den kapiteins het bevel, te trachten Haulbowline te bereiken en een ontmoeting met zwervende kruisers van den vijand te vermijden.

Deze had ook zware verliezen geleden. Het groote slagschip Kronprins Gustav was ernstig beschadigd in een strijd met de King George V en bevond zich in zinkenden toestand. De Askoldin en de Trodet waren ondergegaan en in de diepte verdwenen, terwijl de Styx, de Von der Flack en Gelion, tot wrakken geschoten, met moeite de andere schepen volgden. Ze werden door de Engelsche vloot ingehaald en gaven zich onvoorwaardelijk over, doch admiraal Hobbes kon er niet aan denken, ze in bezit te nemen.

Eensklaps sprong met donderend geraas een kleine kruiser uit elkaar, die op een afstand van twee kabelslengte achter de Donetz -- het vlaggeschip van Bloch -- aanstoomde. Admiraal Hobbes had niet meer verheugd kunnen zijn, wanneer één van de super-Dreadnoughts van den vijand was ondergegaan, want het verongelukte schip was de Hekla, een bekende, gevaarlijke mijnenlegger.

Zoo hadden de Verbondenen dus één schip meer verloren dan de Engelschen, maar die uitslag was voor de laatsten verre van bevredigend. Bleven gedurende den verderen strijd de verliezen in dezelfde verhouding, dan zouden de vijanden, na geheele vernietiging van de Engelsche vloot, nog beschikken over een overschot van elf schepen, ongerekend de divisie van Vice-Admiraal Neboff.

Tegen den middag bevonden de vijandelijke vloten zich met een front van ongeveer twaalf mijlen in de nabijheid van kaap Lizard. De Britsche vlootvoogd keek verlangend uit naar versterking voor zijn scheepsmacht en hoopte, dat een eskader uit Devonport een flankaanval zou doen op den vijand. Daar de installatie voor draadlooze telegraphie gedurende den strijd van zijn schip overboord was geschoten, was zijn verbinding met den wal verbroken en kon hij dus niet om hulp vragen.

Zijn hoop werd niet verwezenlijkt. Er kwam geen versterking, maar wel kreeg hij van één van de kleine vaartuigen, die als verkenners dienst deden, het onrustbarende bericht, dat een nieuwe vijandelijke divisie de vloot naderde.

Een half uur later openden de schepen van Admiraal Neboff het vuur.

Admiraal Hobbes begreep nu, dat hij zich in een hoogst gevaarlijken toestand bevond, tusschen twee vuren. Hij zou moeten kiezen tusschen een smadelijke vlucht, of een strijd op leven en dood. De keus viel hem niet moeilijk: hij besloot te strijden, zoolang er nog een enkel schip zich boven water houden kon.

In dit gevaarvolle oogenblik naderde uit het zuidoosten een kruiser, die de golven met verbijsterende snelheid doorsneed. Admiraal Hobbes volgde het vreemde vaartuig met zijn kijker in gespannen verwachting. Toen het op een afstand van ongeveer een mijl voorbij de half ontredderde Herzog voer, loste deze een kanonschot. Onmiddellijk volgde het antwoord: de Herzog werd als een kaartenhuis in elkaar geschoten en verdween in een wolk van rook en stoom onder de oppervlakte der zee.

"De hemel zij gedankt!" riep de Britsche Admiraal in geestdrift uit, "daar is de Olijftak!"

HOOFDSTUK XXVI.

DE OLIJFTAK TOONT HAAR KRACHT.

Gedurende de drie dagen en nachten, die aan de verschijning van de Olijftak op het tooneel van den strijd voorafgingen, was kapitein Brookes haast niet uit de kleeren geweest. Hij had zich tevreden gesteld met een nachtrust van hoogstens twee uur en het leek wel, of hij niet meer slaap noodig had. De ontzettende lichamelijke en geestelijke inspanning, die in deze dagen van hem gevergd werden, deden zich echter van dag tot dag meer gevoelen.

Gerald spoorde hem herhaaldelijk aan, toch meer rust te nemen, maar dan was zijn gewone antwoord: "als we deze zaak hebben afgedaan, zal ik tijd in overvloed hebben om te rusten, dan zal mijn levenstaak volbracht zijn."

Na een van die gesprekken noodigde hij Gerald uit, hem te vergezellen bij een bezoek, dat hij aan de gevangenen wilde brengen.

Vóór de hut, waarin de officieren van het luchtschip waren opgesloten, stonden twee gewapende matrozen. Bij de komst van den kapitein schoven ze de grendels weg en volgden hem naar binnen, maar deze beduidde hen door een gebaar heen te gaan.

"Goede morgen, Herr Hans von Rippach," sprak kapitein Brookes. "Het spijt me, dat ik u lastig moet vallen met het verzoek, te willen verhuizen naar een hut op het hoofddek, met het oog op mogelijke gebeurtenissen in de eerstvolgende dagen."

"Onder het pantserdek, denk ik?" vroeg de officier in vloeiend Engelsch met een spoor van vreemd accent. "Dat wil dus zeggen, dat ge denkt aan een zeestrijd deel te nemen?"

De kapitein knikte toestemmend.

"En mag ik dan meteen deze gelegenheid waarnemen," vervolgde de officier, "om mijn spijt uit te drukken over de ruwe wijze, waarop ik u heb bejegend bij mijne komst hier aan boord?"

"Gaarne neem ik die verontschuldiging aan, Sir."

"En laat ik dan uw oorspronkelijke vraag ook beantwoorden en mij zelf voorstellen als --"

"Prins E. von Bülow von Ratalewitz, tweede zoon van --," vulde de kapitein aan.

"Dank u, Lord Stanningborough," viel de prins hem in de rede, met een gezicht als van een schermer, die handig een stoot heeft afgeweerd. "Het is me een behoefte u nog eens te herinneren aan uw welgeslaagde meeting te Weenen in 1909."

"Ge hebt gehoord, wat de Prins zei," sprak de kapitein, toen hij tien minuten later met Gerald de gevangenen verliet. "Houd die wetenschap voor u zelf, want tot elken prijs wil ik vooralsnog onbekend blijven."

Gerald had bijna met een "ja, mylord" geantwoord, maar hij bezon zich nog bijtijds en zei: "ja Sir." Hij had den naam van Lord Stanningborough vaak gehoord en wist dat deze een invloedrijk lid van den Raad voor de Verdediging van het Rijk was geweest. In dien Raad had Stanningborough krachtig gestreden tegen de richting, die men daar volgen wilde en dat maakte hem bij velen gehaat. Zijn persoonlijke vrienden beschouwden hem als een verblinden doordrijver, terwijl de regeering geen aandacht schonk aan zijn ernstige waarschuwingen. Geheel teleurgesteld, nam hij toen ontslag en wilde een onderzoekingstocht maken door Uganda. Een maand na zijn aankomst in Afrika was hij echter spoorloos verdwenen.

Er klonk een hoornsignaal: "Aan de stukken!" Uit den commandotoren kon Gerald de talrijke masten zien van de divisie van Admiraal Neboff, die aan den horizon kwam opdagen.

"Afzonderlijk vuren, voorste toren," commandeerde kapitein Brookes, toen een granaat van een beschadigd, vijandelijk schip op honderd meter voor den boeg van de Olijftak in zee viel.

"Prachtig," riep de kapitein, toen één schot uit den voorsten toren den vermetelen aanvaller in den grond boorde. "Nu naar de schepen, die den flankaanval ondernemen."

Neboff was nog geheel onkundig van de komst van de Olijftak. Hij verkeerde in den waan, dat het schip vernietigd was en dacht er dus niet aan, dat het zich in dezen strijd zou kunnen mengen. Zoodra hij echter zijn dwaling bemerkte, besloot hij vóór alles dezen nieuwen, machtigen vijand te vernietigen. Hij gaf het bevel aan alle schepen van zijn divisie om tegelijk uit alle beschikbare 11 c.M. kanonnen het vuur te openen op de Olijftak.

Gedurende twaalf seconden gierden meer dan vijftig zware granaten door de lucht met een snelheid van ongeveer duizend meter per seconde. Maar de kanonniers hadden niet gerekend met een zeer belangrijke omstandigheid: ze hadden er niet aan gedacht, dat hun vijand zich met een fabelachtige snelheid verplaatste. Het gevolg daarvan was, dat de projectielen, uitgezonderd één, achter de Olijftak in zee vielen, zonder eenige schade aan te richten.

De eenige treffer sloeg in het achterschip en deed het heele vaartuig schokken en trillen.