De Koning der Zee

Part 11

Chapter 113,965 wordsPublic domain

Op de tafel stond een koffiepot, waarvan de inhoud dienst gedaan had bij de behandeling van de opiumvergiftiging en op den grond een galvanische batterij, die ook door Dr. White gebruikt was.

"Komaan, Mr. Palmer, vertel nu eens op."

"Het spijt mij, Sir, meer dan ik zeggen kan, dat dit nu gebeuren moest."

"Zoo ver ik kan nagaan, is er niets, waarover ge spijt dient te hebben. Vertel nu maar rustig, wat ge u nog van de zaak herinnert."

"Dat is niet zoo heel veel, Sir. De Yankee kwam in mijn hut, om afscheid te nemen en bood me een sigaret aan. Toen ik een paar trekken gedaan had, voelde ik eensklaps een groote loomheid over me komen en was het net, of ik alles door een nevel zag. Flauwtjes herinner ik mij, dat Flew mij op mijn slaapbank neerlei. Hoe lang ik daar heb gelegen, weet ik niet, maar ik ben toch weer overeind gescharreld en ben er in geslaagd de deur open te maken en door de frissche lucht, die binnenstroomde, kwam ik weer wat tot mijzelf. Het eerste, wat ik toen opmerkte, was, dat de sleutel van de marconi-kamer niet meer op zijn plaats hing. Dadelijk begreep ik, dat er een schurkenstreek was uitgehaald en ik besloot aan dek te gaan om alarm te maken. Toen ik daar kwam, hoorde ik dat de vlieger al weg was."

"Hoe waren de seingevers vastgemaakt?"

"Ze bevonden zich elk in een kleinen cylinder, waaraan een ring zat, terwijl door die ringen een stalen ketting liep, die aan den wand was bevestigd."

"Zouden ze losgemaakt zijn, toen ze zijn weggenomen?"

"Dat denk ik niet, Sir!"

"Dat maakt het werk heel wat eenvoudiger, wanneer we ernaar gaan dreggen. Nu ga ik weer eens aan dek kijken, hoever men daar gevorderd is."

De sloep was al afgevaren en beschreef langzaam voortdurend kleinere kringen om de ankerboei, die de plaats aanwees, waar het vliegtuig gezonken was. Aan den voorsteven hing aan een stevig touw de dreg.

Op een gegeven oogenblik stopte de sloep en de bemanning begon het touw in te palmen, maar toen eenmaal de kabel strak stond, kon men onmogelijk verder komen: de dreg wilde niet omhoog. Alle krachten werden ingespannen maar alle pogingen waren vergeefsch. Toen besloot men een boei vast te maken aan de lijn van de dreg en het dieplood op te halen. Dit was ingericht voor diepzee-onderzoek, drong met een punt door in den bodem en bracht dan in een kegelvormig bakje eenige deeltjes van dien bodem mee naar boven. Toen het toestel boven water kwam, werd met de grootste nauwkeurigheid de inhoud van het bakje onderzocht, die tot groote verwondering van de officieren bleek te bestaan uit ijzerschilfers, die met roest bedekt waren.

Kapitein Brookes kon die vreemde vondst niet verklaren en gaf bevel de tweede dreg een eind verder uit te werpen. Het dieplood werd opnieuw neergelaten en wees nu aan, dat er zich op vierenzeventig vademen een dikke modderlaag bevond. Met de tweede dreg ging het precies als met de eerste, ze raakte in iets verward en kon niet worden opgehaald. Een poging met de derde dreg was even vruchteloos.

"Daar beneden moet iets bijzonders zijn," zei kapitein Brookes, "en ik ben bang, dat we onze seingevers niet zullen terugzien."

"Mag ik u wat vragen, Sir?"

De kapitein draaide zich snel om en stond nu tegenover Palmer, die nog wel bleek zag, maar overigens geheel hersteld was.

"Wel?"

"Ik ben aansprakelijk voor al wat er gebeurd is en ik hoop in staat te zijn, mijn fout te herstellen. Mag ik met de duikboot dalen?"

"Met de duikboot? Maar ben je niet wijs? Weet je wel, hoe diep het hier is? Tachtig vademen, zoodat de druk op een vierkanten centimeter 224 pond bedraagt."

"De duikboot is bestand tegen een druk van 230 pond, Sir."

"Ik stel uw ijver zeer op prijs, en ik had gaarne onze marconigraaf weer in orde, maar het waagstuk, dat ge voorstelt, mag ik niet toelaten."

"Sir, ik ken de gevaren, waaraan ik mij ga blootstellen en we zullen alle mogelijke voorzorgen nemen. Het zal ook niet noodig zijn, dat we tot op den zeebodem dalen, want we kunnen immers gebruik maken van de electrische dreg."

"Mr. Palmer, ik ken u als een koelbloedig en bekwaam officier en als ge mij wilt beloven, zoo voorzichtig mogelijk te handelen, dan zal ik me verder niet verzetten tegen de uitvoering van het plan. Ge zult vijf man noodig hebben, om de boot te bemannen; we zullen vrijwilligers vragen, dan kunt ge daaruit een keus doen."

"Ik ga mee," zei Gerald vastbesloten.

"Dank je," antwoordde Palmer en stak hem de hand toe, die Gerald hartelijk drukte.

De oproep van vrijwilligers werd niet te vergeefs gedaan, want alle mannen, die wel eens een tocht met de duikboot hadden meegemaakt, meldden zich aan en het was niet zoo gemakkelijk, daaruit een keus te doen. Maar eindelijk kwam men er toch mee klaar en Palmer, Gerald en drie matrozen maakten zich gereed om den avontuurlijken tocht te wagen.

Kapitein Brookes wees hen nog eens op het gevaarlijke van de onderneming en raadde hun aan goed na te denken over den stap, dien ze gingen doen. Hij verzocht Palmer, in geen geval langer weg te blijven dan een uur; was na verloop van dien tijd de boot niet weer boven, dan zou hij het ervoor houden, dat hun een ongeluk was overkomen. En ten slotte gaf hij hun in overweging, eerst een kwartier rust te nemen. Mocht iemand in dien tijd van gedachte veranderen, dan kon hij zich altijd nog terugtrekken.

Toen het kwartier om was, waren de mannen echter nog even vastbesloten en met een krachtigen handdruk namen ze afscheid van hun makkers en scheepten ze zich in.

Langs een spiraalvormige baan met groote kromming daalde de duikboot. Voortdurend zwakker werd de bleek-groene lichtschemering, die door het water drong en de toenemende druk bemoeilijkte meer en meer de beweging van de schroef. Er werd bijna geen woord gesproken, alleen hoorde men de stem van Palmer, die door middel van de draadlooze telephoon kapitein Brookes op de hoogte hield van de vorderingen, die de duikboot bij de daling maakte.

Toen een diepte van vijf en dertig vademen bereikt was, werd het zoo donker, dat men zijn toevlucht moest nemen tot het krachtige electrische zoeklicht. Er was niets te zien, dan een onbegrensde watermassa, die door haar onbeweeglijkheid en verlatenheid een beangstigenden indruk maakte. Zestig vademen! De motor werkte krachtig en er werden groote vonken gevormd, wanneer de schroef door den druk van het water op de bladen, geheel stilstond.

"Wat is dàt?" fluisterde Palmer, terwijl hij naar een dikke streep wees, die de stralen van het zoeklicht doorsneed.

Gerald keek uit en haalde vlug het roer om, ten einde de boot om de lijn heen te sturen.

"'t Is het touw van één van de dreggen."

"Onmogelijk!"

"Toch wel, je hebt niet gedacht aan het gezichtsbedrog, waardoor alles onder water grooter lijkt. We weten nu meteen, dat we niet uit den koers zijn geraakt."

"Is alles in orde beneden, Halliday?"

"Ja, Sir."

"Meld me dadelijk, als er aan 't een of ander te zien is, dat de wanden gebogen worden."

De matroos was even bedaard, als hij geweest zou zijn, wanneer hij veilig en wel op het dek van de Olijftak gezeten had. Hij stelde onvoorwaardelijk vertrouwen in de beide officieren in den toren, ofschoon hij heel goed wist, dat de stalen boot ieder oogenblik in elkaar kon gedrukt worden als een eierschaal door de ontzaglijke kracht van het water.

Plotseling, op een diepte van vijfenzestig vademen, bracht Palmer de boot tot stilstand. Hij en Gerald zagen een tooneel, dat hen beide met vrees vervulde.

Hun vaartuig lag tegenover den top van een berg van zeegras en schaaldieren, waarvan de kern bestond uit het wrak van een prachtig stoomschip.

Palmer bracht de boot in beweging, die nu langzaam rond het sombere gevaarte voer. Spookachtig speelden de stralen van het zoeklicht langs de massa roestig ijzer en staal, overdekt met zeewier. Donker gaapte een geschutspoort, waaruit de loop van het stuk dreigend naar buiten stak, een vervaarlijke toren teekende zijn omtrek af en toonde den loop van twee monsterkanonnen, terwijl een eind verder de overblijfselen van de brug te zien waren, dragend de voor eeuwig zwijgende semaphoren.

Spookachtig was de indruk, die het gezonken vaartuig maakte daar op den bodem der zee. Twee groote schoorsteenen half in elkaar gezakt, hingen nog aan stevige metalen draden en een mast met twee marsen stak omhoog.

Palmer bracht de duikboot achteruit, om niet in aanraking te komen met de gevaarlijke brokstukken van het wrak, die in den omtrek verspreid lagen en de beide officieren riepen tegelijk: "De Victoria!"

Inderdaad hadden ze daar de treurige overblijfselen gezien van een prachtig slagschip, dat twintig jaar vroeger was ondergegaan. Een groot verlies had die ondergang veroorzaakt voor de Britsche vloot. Op een diepte van tachtig vademen rustte de Victoria, nadat ze geramd was door de Camperdown en door een zonderlingen samenloop van omstandigheden was de duikboot van de Olijftak op dezelfde plek gedaald.

"Als de seingevers tusschen de overblijfselen van het wrak zijn terecht gekomen, zijn we ze stellig kwijt," zei Palmer.

"Daardoor konden we de dreggen niet ophalen, ze raakten hier vast," voegde Gerald erbij. "Maar, wat de seingevers aangaat, ik geloof niet, dat ze op het wrak zijn terecht gekomen, want de vliegmachine zal bij 't zinken door den weerstand van de vleugels wel een spiraalvormiger weg gevolgd zijn. We moeten maar goed in de omgeving rondkijken. Zijn we ver genoeg achteruit gegaan om te keeren?"

"Ik denk het wel," antwoordde Palmer, die nu bevel gaf langzaam vooruit te gaan, terwijl hij het roer omzette.

Vijf en zeventig vademen; nog maar dertig voet van den zeebodem! Het zoeklicht, hoe sterk ook, kon slechts een zwak lichtschijnsel doen dringen door de modderlaag, die den bodem vormde van deze water-woestijn.

"De boot houdt zich prachtig," zei Palmer met voldoening. "Er is nergens een zwakke plaats te vinden."

"Ja, we behoeven niet bang te zijn. Laten we nu maar goed uitkijken."

In groote cirkels ronddraaiend, zette de boot haar onderzoekingstocht voort.

Het zoeklicht bescheen een plek, die de meest denkbare verlatenheid te aanschouwen gaf. In niets kwam het hier overeen met de afbeeldingen, die kunstenaars maken van de ruimte onder den zeespiegel. Geen zacht, groenig licht, geen wapperend zeewier en zilver- of goudgeschubde visschen, maar een uitgestrekt gebied van dikken modder en daarboven donker water, dat geen licht doorliet.

Gerald begon te wanhopen aan den uitslag van hun onderneming, want ze dwaalden op goed geluk in den doolhof van modder, zonder eenige aanwijzing voor den weg, dien ze hadden te volgen. Hij keek op zijn horloge en zag, dat het kwartier vóór vijven was. Binnen vijf en twintig minuten zou de boot weer aan de oppervlakte moeten zijn, anders zou kapitein Brookes gaan denken, dat er een ongeluk gebeurd was.

"Hoe is het met de lucht beneden?" riep Palmer.

"Zuiver genoeg, Sir; de muizen zijn zoo vroolijk als 't kan," antwoordde een van de matrozen.

Gerald greep op dat oogenblik Palmer bij den arm en wees naar buiten en toen de luitenant de aangewezen richting met de oogen volgde, bemerkte hij een verwarde hoop gebogen aluminiumstangen en zeildoek. Daar lag het vernielde vliegtuig. Tusschen de overblijfselen van zijn machine lag het lijk van den aviateur.

De eerste opwelling, die de beide jongemannen kregen, was er een van afschuw van dit treurige tooneel en onwillekeurig wendden ze het hoofd af, maar ze begrepen toch, dat ze moesten uitkijken naar de seingevers, hoezeer het hun ook tegenstond. De boot was tot stilstand gebracht en rustte met de kiel op de modderlaag, terwijl het koude zoeklicht strak gericht bleef op het beklagenswaardig slachtoffer van het treurspel.

"Daar zijn ze, geloof ik; daar onder zijn jas. Zie je die bobbels wel?" riep Palmer.

"Dat zal wel zoo zijn," stemde Gerald mee in. "En wat moeten we nu doen, denk je?"

"Recht boven de vliegmachine zien te komen, de electrische dreg in werking brengen en dan de ballast-tank laten leegloopen."

"Ben je niet bang, dat we er tegenaan varen en dat de schroef erin verward zal raken?"

"We zullen voorzichtig zijn. Vooruit, daar gaan we!"

Langzaam bereikte de boot haar doel; de dreg werd neergelaten en greep het verongelukte vliegtuig.

"Langzaam omhoog!"

De motoren, die den druk van het water op de schroefbladen moesten overwinnen, hadden spoedig de grenzen van haar kracht bereikt, maar hoe ze ook werkten, de duikboot bleef onbeweeglijk aan den zeebodem verankerd. Een poosje later zakte ze met korte rukken hulpeloos in de modderlaag.

"Maak de voorste ballast-tank leeg," commandeerde Palmer bedaard.

Twee mannen wilden het bevel uitvoeren, maar al hun inspanning was vergeefsch, want de druk van buiten was zoo sterk, dat het water niet uit de pomp kon worden gestuwd.

"Schei er maar mee uit," zei Palmer, toen hij zag, dat dit middel niet kon worden toegepast. "Wat moeten we nu beginnen?" fluisterde hij tot Gerald.

"Laat met alle kracht achteruit werken."

Een oogenblik scheen het, of deze beweging gunstige gevolgen hebben zou: de boot ging omhoog, maar spoedig kwam de teleurstelling, want ze zakte weer terug naar haar vorige plaats.

"Ook al vergeefsch!" riep Palmer spijtig. "Nu zijn al onze middelen uitgeput; zeg niets, waardoor de mannen den moed zouden kunnen verliezen, maar ik heb geen hoop meer op redding."

Gerald antwoordde niet. Werktuiglijk keek hij op zijn horloge: er was een uur en twintig minuten verloopen, sedert ze de Olijftak hadden verlaten.

HOOFDSTUK XXIII.

TOCH NOG GERED.

"Het zoeklicht kunnen we wel dooven," zei Gerald.

"Het is ons verder van geen nut en we moeten zuinig zijn met de lucht."

"We hebben nog zuurstof voor twee uur," merkte Palmer op, "we moesten de motoren maar met volle kracht vooruit laten werken; schaden kan dat niet en hoe langer we stil blijven liggen, des te dieper zinken we in de modder."

De motoren werden aangezet, maar een gunstige uitwerking had dit niet; de toestand bleef even gevaarlijk.

Palmer stelde nog voor, alle torpedo's uit te werpen, om daardoor het gewicht van de boot te doen verminderen, maar Gerald toonde hem aan, dat dit een zeer gevaarlijk middel zou blijken, doordat er alle kans bestond, dat er dan water in de luchtkamer zou stroomen. Dit plan werd dus ook opgegeven.

"Neem me niet kwalijk, Sir," riep één van de matrozen, "maar zullen we hier voor goed moeten blijven?"

"'t Begint er wel naar te lijken," antwoordde Palmer openhartig.

"Laat mij er dan uit door de luchtklep; ik wil het er op wagen en neem een kabel mee omhoog. We hebben wel honderd vademen touw aan boord."

"Onmogelijk, man, je zoudt worden doodgedrukt."

"We zullen er toch iets op moeten vinden, Sir. De zuurstof lijkt op te raken, want de muizen worden slaperig."

"Ik dacht, dat we nog voor twee uur genoeg hadden."

"Ik ook, Sir, maar dat is bepaald een vergissing geweest."

"Dan moeten we onze toevlucht nemen tot de zuurstofmaskers. Haal ze te voorschijn. Daarmee kunnen we tenminste ons leven een paar uur verlengen, ofschoon ik niet inzie, wat dit ons eigenlijk geeft."

Langzaam kropen de minuten om. Een enkel gloeilampje verlichtte het treurige tooneel, dat het inwendige van de duikboot te zien gaf. De bemanning begreep, dat ze levend begraven waren.

"We moeten toch probeeren, in verbinding te komen met de Olijftak," zei Gerald, met een krachtige poging om zich te verzetten tegen de loomheid en slaperigheid, die over hem kwamen. "Laten we een rapport opmaken van onze wederwaardigheden; we kunnen het in één van de torpedo's sluiten en die naar boven schieten."

"Waartoe kan dat dienen?" vroeg Palmer. "Ze kunnen ons toch niet helpen."

"Ze zullen dan tenminste weten, wat we hier ontdekt hebben en dat we onzen plicht hebben gedaan."

"Vooruit dan maar; ik blijf het echter als vergeefsche moeite beschouwen."

Gerald maakte nu een kort verslag op, van hetgeen ze hadden ondervonden, dat door hem en Palmer onderteekend werd. Het stuk werd in een torpedo gesloten, die daarna werd gelanceerd.

Toen er niets meer te doen was, bereidde de bemanning zich voor op het ergste. Een eigenaardig gevoel maakte zich van hen meester. Oogenschijnlijk onverschillig voor het dreigende gevaar, zaten ze bij elkaar met het hoofd gebogen op de armen, die gekruist op tafel rusten. Zoo gevoelden ze de slaap over zich komen, die den dood zou voorafgaan. De witte muizen, zoo uiterst gevoelig voor onzuiverheid in de lucht, waren gestorven en het eenige geluid, dat men hoorde in deze schrikwekkende omgeving, was het gerucht van de dynamo en de moeilijke ademhaling van de ongelukkige zeelieden.

Hoe lang Gerald in dien staat van halve verdooving had doorgebracht, wist hij zich later niet meer te herinneren; begrip van tijd en plaats had hij niet meer. Hij wist welk lot hem wachtte en toch was hij er onverschillig voor.

Plotseling werd zijn oor getroffen door een geluid van twee stukken metaal, die tegen elkander bonsden; hij hoorde het, maar lette er verder niet op. Er schoof iets langs de buitenzijde van de boot en dat bracht hem aan het droomen van één van die reusachtige zeemonsters, die alleen op zeer groote diepte leven en een enkele maal op het strand worden geworpen.

Langzaam begon de voorsteven van het vaartuig te rijzen.

Met een schok richtte Gerald zich op; hij kon niet gelooven aan de juistheid van hetgeen hij meende op te merken. Zijn makkers, die geheel bezwijmd waren, rolden van hun zitplaatsen op den vloer. Hij greep zich vast aan de onderste sport van de ladder, die naar den commando-toren voerde en probeerde zijn gedachten meester te worden en een verklaring te vinden voor het wonderlijke verschijnsel, dat de boot, die hulpeloos op den zeebodem lag, plotseling omhoog steeg.

En weer voelde hij over zich komen, maar nu sterker dan straks, dat gevoel van doffe slaperigheid. Zijn kracht begon hem te begeven, hij zou de ladder moeten loslaten en hij was op het punt neer te vallen bij zijn makkers, die daar over elkaar op den vloer lagen -- dood misschien -- toen er eensklaps een stem duidelijk riep: "Maak de ballasttanks ledig!"

Het geluid kwam uit den ontvanger van de draadlooze telephoon en de boot moest wel een flink stuk gestegen zijn, om het toestel weer geschikt te maken voor zijn dienst.

Met groote inspanning sleepte Gerald zich naar de tank midscheeps en greep den hefboom van de pomp. Hij haalde de stang over en de pomp begon te werken.

Helder zonlicht stroomde plotseling door de venstertjes van den commando-toren. Gerald strompelde tegen de ladder op en schoof den zwaren grendel weg, maar hij was niet in staat de metalen afsluitplaat opzij te krijgen. Het duizelde hem en er kwam een waas voor zijn oogen; doch dat duurde maar een oogenblik. De onderzeeër had de oppervlakte bereikt en een onderofficier van de Olijftak had den sprong naar 't dek van het kleine vaartuig gewaagd. Hij had den commando-toren opengerukt en Gerald naar buiten getrokken, waar deze in de frissche lucht weer tot zich zelf kwam.

"Breng vlug de mannen over!" riep kapitein Brookes. "'t Is te hopen, dat ze nog niet allen dood zijn."

Gerald was het eerst op het dek van de Olijftak en geleund op den arm van zijn vriend Stockton strompelde hij naar de campagneladder om zijn hut op te zoeken.

"'t Is een mooie geschiedenis," hoorde hij kapitein Brookes zeggen. "'k Had nooit gedacht, dat Palmer zich niet aan mijn bevelen zou houden en er is tenslotte niets mee gewonnen ook."

Gerald liet zijn vriend los, richtte zich op uit zijn gebogen houding, liep naar den kapitein en zei: "Neen, Sir, er is wel wat mee gewonnen. Het vermiste deel van de marconigraaf hangt onder de boot."

Deze laatste inspanning had zijn krachten geheel uitgeput en als luitenant Sinclair hem niet gegrepen had, zou hij op het dek zijn neergevallen.

"We dachten, dat het met jullie allemaal gedaan was, toen het uur verstreken was en de boot niet bovenkwam," zei Stockton den volgenden morgen.

"Dat begreep ik wel, maar hoe zijn ze erin geslaagd ons omhoog te krijgen?"

"Vooreerst doordat de fortuin gunstig was en dan door het flink optreden van kapitein Brookes. Zoodra we vreesden, dat er iets met de duikboot gebeurd was, zond hij een paar mannen naar het kabelruim, om de groote dreg gereed te houden. De dynamometer gaf slechts een zeer zwakken stroom aan. ----"

"Dat moet dan geweest zijn, nadat wij het zoeklicht hadden gedoofd en de motors hadden stopgezet."

"In elk geval was de aanwijzing voor ons voldoende om de ligging van de duikboot te bepalen. Driemalen werd de dreg zonder eenig gevolg neer gelaten en terwijl we daarmee bezig waren, kwam er een torpedo boven."

"Ja, we hebben er één afgeschoten en wel zóó, dat de schroef van het projectiel niet kon werken, waardoor het bijna loodrecht omhoog ging."

"Toen de torpedo boven water kwam en dat gebeurde op een bootlengte van de sloep af, vloog ze nog wel twintig voet de lucht in. Als ik er niet bij geweest was, zou ik het niet hebben willen gelooven. We hebben het projectiel daarna aan boord gehaald en onderzocht, waarbij het schrijven, dat erin geborgen was, te voorschijn kwam."

"We wisten nu, dat jullie waarschijnlijk allemaal dood waart en dat de boot niet door den waterdruk bezweken was, zooals kapitein Brookes gevreesd had. Eensklaps greep de dreg vast en door een ontzettend groote kracht aan te wenden, kregen we den last omhoog. Angstige oogenblikken volgden nog, omdat we niet wisten, of de kabel het wel uithouden zou. Maar alles is goed afgeloopen, zooals je weet."

"Hoe gaat het met Palmer?"

"Slecht. Hij was ook nog niet heelemaal hersteld van die opium-vergiftiging en daarop weer deze geschiedenis. De andere mannen knappen flink op; maar Gerald, neem je scheerspiegel eens en houd hem zóó, dat je je achterhoofd zien kunt."

Tregarthen deed, wat zijn vriend zei, en tot zijn groote verbazing zag hij in zijn donkerbruin haar een witte plek, ter groote van een manshand.

"Dat is vreemd, Jack. Ik herinner me, dat ik naar mijn hoofd gegrepen heb, toen de boot begon te stijgen."

"Je hebt voor je verder leven tenminste een herinnering aan je verblijf op een diepte van tachtig vademen onder het zeevlak."

"Daar heb ik geen uiterlijke herinnering aan noodig," zei Gerald, terwijl hem een rilling overviel.

"Komaan, 't is alles nu voorbij en goed afgeloopen ook. Maar weet je, wat heel vreemd was in de beschrijving van jullie wederwaardigheden, die in de torpedo naar boven kwam? Dat er met geen enkel woord gesproken werd over de seingevers van het marconi-toestel en daar was toch alles om begonnen."

HOOFDSTUK XXIV.

EEN MISLUKTE AANSLAG.

De teruggevonden seingevers hadden niet geleden van het water, dank zij de stalen cylinders, waarin ze besloten waren.

Een duiker had ze met het lijk van den aviateur naar boven gebracht en daarna liet men de beschadigde vliegmachine, waarvan men toch geen nut kon hebben, weer zinken. Den ongelukkigen Flew wilde men met de plechtigheden, die aan boord gebruikelijk zijn, een graf in de golven geven maar voor men daartoe overging, werd er nog een belangrijke ontdekking gedaan. Tusschen de beide lagen van zijn rubber-overjas werden papieren gevonden, waaruit bleek, dat hij geen Amerikaan was. Hij stond als politiek agent in dienst van een van de groote mogendheden van het Europeesche vasteland en had een opdracht, om zich zooveel mogelijk op de hoogte te stellen van alle bijzonderheden omtrent de Olijftak. Zijn vlucht over de Straat van Messina was een onderdeel van een vooraf beraamd plan en hoewel de val van zijn machine onder invloed van de Z.-stralen niet was voorzien, had die hem toch goede diensten bewezen voor het bereiken van zijn doel.