Part 10
"Gooi eens een touw uit!" riep Palmer. "En maak je niet zoo dik, oude jongen. We komen alleen maar een beetje olie halen."
"Jullie hebt hier niets te halen," antwoordde de vertoornde schipper.
"We zullen er natuurlijk een goeden prijs voor betalen."
"Dank je wel, mijn olie is niet te koop."
"Dan zullen wij ze moeten nemen."
"Zoo, dus jullie zijn zeeroovers, dan weet ik wat me te doen staat. 'k Heb geschut aan boord en ik zal jullie een lesje geven, dat je lang zal heugen. Hoe heet eigenlijk je schip?"
"De Olijftak!"
De uitwerking van die mededeeling was wonderbaarlijk: de bemanning van het vrachtschip sprong van de verschansing, de kapitein verliet de brug en zorgde ervoor, dat onmiddellijk de valreep werd neergelaten.
In een ommezien waren Palmer en zijn mannen aan boord en namen bezit van het schip, terwijl de boot werd teruggezonden. Voorzichtig manoeuvreerend kwam nu de Olijftak langszijde en men begon dadelijk de olie over te laden.
Slangen werden aangeschroefd en zes groote centrifugaalpompen begonnen te werken en vulden de tanks van de Olijftak, die zes honderd ton konden bevatten.
Toen het werk was afgeloopen, stelde kapitein Brookes den gezagvoerder een wissel op een Engelsche bank ter hand, ruimschoots de waarde vertegenwoordigend van de overgenomen olie en ten overvloede gaf hij hem nog een kist whisky ten geschenke.
Zoodra de Olijftak zich nu op eenigen afstand van het vrachtschip bevond, deelde kapitein Brookes mee, dat het zijn plan was, den gezagvoerder nog even kennis te laten maken met de uitwerking van de Z-stralen.
Gerald maakte de opmerking, dat er dan misschien schade zou worden toegebracht aan den onderzeeschen kabel tusschen Reggio en Messina, maar de kapitein merkte op, dat men, als er stoornis ontstond, zeker wel aan andere oorzaken zou denken. Daar ginds immers lag de Etna en vulkanische verschijnselen konden ook invloed op den kabel hebben.
Gedurende tien minuten liet men de Z-stralen werken, terwijl de Olijftak de in de oudheid zoo beruchte Scylla en Charibdis voorbijvoer op weg naar de haven van Catania, zestig mijlen ten zuiden van de straat.
"Een wrak vooruit, Sir," riep de man op den uitkijk.
Dadelijk grepen de officieren naar hun kijkers en spoedig hadden ze een voorwerp ontdekt, dat op het eerste gezicht veel geleek op een zeilboot, die op zijde lag.
"Als dat zoo is, dan is het een heel vreemde boot," merkte Stockton op.
"'t Is een monoplan," riep kapitein Brookes. "De vlieger is met zijn toestel in zee gevallen. Opgelet, vooruit!"
Er werd bevel gegeven de vaart van het schip te minderen, terwijl de bemanning de noodige maatregelen voor het reddingswerk nam. Na enkele minuten was de afstand al zooveel kleiner geworden, dat men van het schip af met het bloote oog duidelijk het verongelukte vliegtuig zien kon. Het dankte zijn behoud aan twee cilindervormige drijvers van aluminium, maar het lag toch voor het grootste deel onder water. Van de motor was niets meer te zien, de beide schroeven staken nog even uit boven 't watervlak en de toppen der vleugels doken onder bij iedere golving van de zee.
De vlieger, in een rubber overjas gestoken, zat tot aan zijn middel in het water. Hij had al begrepen, dat er redding kwam opdagen en dat had hem blijkbaar geheel op zijn gemak gesteld, want hij had met de grootste bedaardheid een kolossale sigaar uit zijn koker genomen. Een automatisch toestelletje verschafte hem een vlammetje en nu zat hij te rooken, zoo rustig, alsof een val met een vliegtuig in zee het meest alledaagsche avontuur is, dat een vlieger kan overkomen.
"Recht het roer!" commandeerde kapitein Brookes, toen de hooge romp van de Olijftak langzaam voort gleed aan de lijzijde van het drijvende vliegtuig en toen riep hij over de verschansing: "Ahoy, daar! Hoe lang zijn je vleugels?"
"Vijftien voet," klonk het antwoord.
Geruischloos draaide één van de groote kranen buitenboord en het blok met den haak, die door een electrisch werktuig werd bestuurd, zakte langzaam. Juist in het midden werd het vliegtuig gegrepen en een oogenblik zweefde het in de ruimte, terwijl een stroom van water en olie eraf gutste.
"Dat is een leelijk ongeval," merkte kapitein Brookes op, toen de vlieger met een vlugge beweging uit zijn toestel op het dek sprong.
"Niet noodig me dat te vertellen, Sir," zei de ander met sterk Amerikaansch accent, "en ik gaf er graag een paar dollars voor, als ik te weten kon komen, wat er eigenlijk de oorzaak van is. Mijn motor is van de Maxfield Universal Gold Star Motor Company te Petersburg, een prachtig stuk werk, waarop ik volkomen vertrouwde en die heeft me nu zulke parten gespeeld. Maar laat ik me eerst even voorstellen, Sir: Sidney P. Flew, van New-York; ik was met mijn vliegtuig op weg van Queenstown naar Cairo. En aan boord van welk schip ben ik nu, Sir?"
"Aan boord van de Olijftak!"
"De bekende zeeroover? Sir, laat ik u de hand drukken; wat een buitenkans!"
"Hebt u dan van de Olijftak gehoord?"
"Ervan gehoord? Heel Europa en de Vereenigde Staten waren er vol van. Toen ik New-York verliet, waren de laatste woorden, die mijn vader bij het afscheidnemen sprak: 'Sidney, jongen, blijf die ellendige Olijftak uit den koers en zorg, dat die je niet te pakken krijgt.' ''k Wou, dat het al zoo ver was,' zei ik, 'dat zou het mooiste oogenblik van mijn leven zijn en gij waart de beroemdste man van Broadway, als ge zoudt kunnen zeggen: mijn zoon is aan boord van de Olijftak.' En kijk, nu is mijn wensch vervuld."
"Dat is zeker," merkte kapitein Brookes op, "en ik hoop voor u, dat uw verblijf hier aan boord geen teleurstelling zal zijn. Eén van mijn officieren zal u naar onze kajuit brengen, waar ge alles zult vinden, wat men voor een stevig ontbijt kan wenschen."
"Dank u, Sir, 'k heb nog geen twee uur geleden te Cosenza ontbeten. Als ge het mij toestaat, wil ik liever mijn machine uit elkaar nemen en de motor nazien, voor het zeewater er nadeelig op inwerkt. Die motor liep als een klok, tot ze opeens stopte en begon te gloeien. Als een aangeschoten vogel, gleed ik toen naar beneden."
"'k Geloof, dat ik de verklaring van uw ongeval geven kan," zei kapitein Brookes. "Om bepaalde redenen zag ik mij genoodzaakt een electrischen stroom af te geven en ongelukkigerwijze zijt ge onder den invloed daarvan gekomen."
"Ongelukkigerwijze, Sir? Integendeel tot mijn onuitsprekelijk groot geluk!" riep de jongeman geestdriftig uit. "Denk eens aan, Sir, wat een prachtig bericht voor de New-York Herald: Sidney P. Flew, van New-York werd getroffen door de electrische kanonnen van de Olijftak, de wereldberoemde kruiser."
"Wat een geestdrift!" zei kapitein Brookes met een glimlach tot Gerald, toen de aviateur met zijn gehavende machine bezig was. "Wilt u hem rondleiden en de gedeelten van het schip laten zien, die geen geheimen bevatten. Zoodra zijn vliegtuig weer in orde is, zullen we hem zijn reis laten vervolgen. En dan wilde ik u meteen nog vertellen, dat ik gehoord heb, dat de Turksche vloot kalm in den Gouden Hoorn ligt en dat er in de eerste dagen niets bijzonders te wachten is. Wat zoudt ge er van zeggen, als ik u in de gelegenheid stelde, om in dien tijd een bezoek te brengen aan het eiland Malta?"
"Als het geen last veroorzaakt, zou ik dat zeker heel graag doen."
"Heelemaal geen last. We zetten u met uw vriend Stockton af in de haven van Catania, vanwaar een geregelde stoombootdienst op La Valette onderhouden wordt."
De twee vrienden hadden nu ongeveer vijftien uur voor hun bezoek en ze gebruikten dien tijd goed: ze lieten geen minuut verloren gaan. Gerald wist den weg op het eiland en deed dus dienst als gids bij het tochtje. Een voorname reden, waarom hij 't aanbod van den kapitein zoo gretig had aangenomen, was, dat hij wilde trachten op Malta een uniform te krijgen. Nu de Admiraliteit geen bezwaar maakte tegen zijn verblijf aan boord van de Olijftak, meende hij ook gerechtigd te zijn tot het dragen van een Britsche uniform met de onderscheidingsteekenen van zijn rang. Inderdaad slaagde hij erin een militairen kleermaker te vinden, die zich verbond, zulk een uniform binnen twaalf uren te leveren, natuurlijk tegen een veel verhoogd tarief.
Toen Gerald van zijn uitstapje terugkeerde, werd hij door kapitein Brookes ontvangen met de mededeeling, dat de Turksche vloot de Dardanellen verlaten had. "We zullen spoedig de handen vol hebben," zei hij, "ga eerst naar kooi en slaap een paar uur, want dat zult ge wel noodig hebben."
"Een oogenblikje nog, Sir -- hoe gaat het met onzen vlieger."
"Ja, dat wordt een vervelende geschiedenis. Hij is er niet in geslaagd, zijn machine zoo ver te herstellen, dat hij ze weer gebruiken kan, maar ik geloof, dat hij praatjes verkoopt en dat het er hem alleen om te doen is, hier te kunnen blijven. En zoo zijn we met hem opgescheept: ik heb de onderdeelen van het vliegtuig laten bergen onder het pantserdek. Als we onze zaken hier hebben afgedaan, kunnen we hem ergens aan land zetten, als hij nog in staat is te vliegen. Kijk, daar is hij in gezelschap van Palmer: hij lijkt zich bijzonder aangetrokken te gevoelen tot dien jongeman. -- Maar ga nu rusten, Mr. Tregarthen, want morgen vroeg gaan we aan den dans."
HOOFDSTUK XXI.
DE MARCONIGRAAF GESTOLEN.
De smalle Straat tusschen de eilanden Negropont en Andros vertoonde een ongewoon schouwspel aan de bemanning van de Olijftak.
Vier Turksche slagschepen: de Azizieh, Mahmoudieh, Orkanieh en Osmanieh kwamen aanstoomen met een snelheid van negen knoopen. Alle krachten moesten worden ingespannen om deze uiterste grens van snelheid door de oude schepen te doen bereiken. Op de flanken van de flottielje, zeker om haar te beschermen, voeren de kruisers Abdul Mejid, Fezibahri en Hamidieh, die wel vlugger vooruit hadden gekund, maar haar gang moesten matigen met het oog op de slagschepen. De slagschepen waren opgeknapt en schoongemaakt en uiterlijk was er niets te zien van de gebreken, die moesten zijn ontstaan in den langen tijd, dien ze ongebruikt en verwaarloosd in den Gouden Hoorn hadden doorgebracht. Of ze opgewassen zouden zijn tegen de kleinere, maar meer zeewaardige Grieksche schepen, stond wel te bezien.
De Helleensche vloot bestond uit drie slagschepen: de Hydra, de Psara en de Sparai benevens drie moderne kruisers. Tot op zeven mijlen waren de vijandelijke machten elkander genaderd en aan beide zijden maakte men zich gereed, den strijd te beginnen.
Met een groote, witte vlag in top, verscheen plotseling de Olijftak tusschen de twee vloten en stopte op ongeveer drie kabels lengte van het Turksche vlaggeschip, de Azizieh.
Ieder was op zijn post. Op de brug en in den commando-toren bevonden zich kapitein Brookes, Gerald, Slade en een bootsman met twee maats voor het hijschen van de signalen.
Met de grootste snelheid rezen en daalden de signaal-vlaggen en deelden het volgende mee:
"Van den kapitein van de Olijftak aan de bevelhebbers van de Turksche en de Grieksche vloot.
Valt niet aan, maar keert terug naar uw havens. Ieder schip, dat mijn bevel niet opvolgt, doch het vuur opent, zal worden vernietigd."
De Turksche Admiraal was buiten zich zelf van woede.
Hij had van de Olijftak gehoord en hij wist, hoe ze tegen de Peruaansche vloot was opgetreden, maar zijn trots als Muzelman liet niet toe, dat hij zich liet bevelen door een Giaour. Langzaam draaide de toren voor den mast van de Azizieh rond, totdat het 9,2 Krupp-kanon dreigend gericht was op de Psara. Tien seconden bleef de vuurmond in dien stand: de Admiraal aarzelde blijkbaar het bevel tot vuren te spreken.
Toen kwam er weer beweging in den toren en een oogenblik later was nu het kanon op de Olijftak gericht.
"Zoekt dekking, heeren," zei kapitein Brookes volmaakt bedaard, "De oude heer daarginds schijnt heelemaal buiten westen te geraken."
Daar viel het vijandelijk schot. De Turksche kanonnier was echter niet op de hoogte van de kwaliteit van de lading: hij had gerekend op slecht kruit en nu was het toevallig veel beter dan de gewone soort.
Het gevolg daarvan was, dat de granaat zonder eenige schade aan te richten over de Olijftak heen vloog, maar op zoo geringen afstand, dat de mannen, die zich op de brug bevonden, door den luchtdruk op den grond werden geworpen.
"Voorste toren: laden met projectiel n°. 2," commandeerde kapitein Brookes en zich tot Gerald wendend, ging hij voort: "die kanonnier daar weet beslist niet, wat hij wil, maar wij zullen hem laten zien, dat het hier anders gesteld is."
De kapitein dacht er blijkbaar niet aan, het Turksche schip te sparen. Het schot was door den Turkschen admiraal met voorbedachten rade afgevuurd en toen er geen antwoord kwam, maakte hij zich gereed voor de tweede maal te vuren.
Vóór het echter zoo ver kwam, zou de Olijftak ook een woord spreken Het rechtsche kanon van den voorsten toren sloeg even achteruit en een blauwig rookwaas steeg omhoog, terwijl de granaat den weg naar het Turksche vlaggeschip doorliep.
De Azizieh was een oud schip, gebouwd aan de Clyde in 1864. De pantsergordel had een dikte van 5 1/2 c.M. en de Turken dachten, dat dit voldoende was om het schip tegen elken aanval te beveiligen.
De granaat van de Olijftak trof juist midscheeps. Een klein gat werd slechts in den wand van het schip geslagen, maar een oogenblik later volgde de ontploffing waarvan de uitwerking verschrikkelijk was. Inwendige deelen van het vaartuig werden hoog de lucht ingeslingerd en een zware rookzuil warrelde omhoog.
Met hun gewone zorgeloosheid hadden de Turken niet voor reddingsmiddelen gezorgd. De houten booten stonden in vlam, voor ze konden worden uitgezet en de mannen sprongen voor 't grootste deel in zee, toen ze zagen dat de ondergang van het slagschip zeker was. Redding vonden ze echter niet, want ze konden niet vrij komen uit het woest bewogen water om het zinkende schip. Eerst zakte het achterschip, maar plotseling werd dit met de woest rondslaande schroeven hoog opgeheven en met den kop vooruit verdween het gevaarte in de golven, de ongelukkige drenkelingen meesleepend in de warreling van het water. Een brullend geluid steeg omhoog, toen het zeewater in aanraking kwam met de stoomketels en toen werd het doodstil. De Azizieh had haar graf in de golven gevonden.
Daarmee was de zaak afgedaan. De andere Turksche schepen wendden onmiddellijk den steven en zetten koers naar de Dardanellen. De bevelhebber van de Grieksche vloot betuigde door een signaal zijn dank aan kapitein Brookes, doch deze deed alsof hij het niet opmerkte; daarna verdwenen ook de Grieksche schepen, maar in zuidelijke richting.
Zoo was dan de verwikkeling in het Oosten onbegrijpelijk vlug opgelost, maar daarmee was nog volstrekt niet alle gevaar voor een Europeeschen oorlog verdwenen. Er bestond veel kans, dat de brand op een ander punt zou uitslaan.
Een paar dagen, nadat het gevecht met de Mazizieh was geleverd, werd Gerald door den Amerikaanschen vlieger aangesproken. "Ik zou toch zoo graag eens een kijkje nemen in dien geheimzinnigen commando-toren, Mr. Tregarthen," zei hij. "Kunt u mij daartoe niet in de gelegenheid stellen?"
"Ik ben bang, dat het niet gaan zal, Mr. Flew; stellig niet zonder de toestemming van kapitein Brookes. Vraag het hem zelf maar."
"Dank u; dat wilde ik juist liever niet. -- Spreek er ook maar niet over met den kapitein."
Vijf minuten later kwam kapitein Brookes aan dek.
"Waarom zou die Yankee toch zoo nieuwsgierig zijn naar het inwendige van onzen toren, Mr. Tregarthen?" vroeg hij.
Gerald kreeg een kleur van verrassing, nu het bleek dat de kapitein wist, wat de Amerikaan hem had gevraagd. 't Was onbegrijpelijk, hoe hem dat bekend kon zijn.
"Kijk maar niet zoo beteuterd, Mr. Tregarthen. Ge zijt niet de eerste, wien de jongeman met zoo'n vraag aan boord komt. Het begint me te vervelen, hij is lang genoeg hier aan boord geweest en ik denk er hard over hem zijn congé te geven. 't Is best mogelijk, dat hij te goeder trouw is, maar hij speurt me te veel rond."
"Die speurzin is een karaktertrek van de Amerikanen, Sir."
"Dat zal ik niet tegenspreken. Maar waarom komt hij met zijn verzoeken niet rechtstreeks bij mij?"
[Illustratie: en stortte met duizelingwekkende vaart naar beneden Pag. 151]
Flew wandelde met luitenant Palmer het campagnedek op en neer en kapitein Brookes wenkte hem om nader te komen.
"Hoe lang denkt ge noodig te hebben, om den motor voor uw vertrek in orde te maken?"
"Een paar uur, Sir. Waarom vraagt u dat zoo?"
"Kijk, daar ligt de kust van Syrië; ik wilde u voorstellen van dat punt uw reis per vliegmachine voort te zetten Onze vaart langs de kust van Syrië en Palestina is weinig belangwekkend voor u en spoedig zullen we het oostelijk deel van de Middellandsche zee verlaten en dan raakt u heelemaal van uw weg."
Ofschoon deze woorden door den kapitein op vriendelijken toon werden gesproken, maakten ze toch op den vlieger den indruk van een bevel, waartegen hij geen bedenkingen durfde opperen.
Eerbiedig antwoordde hij dan ook: "Zeer goed, Sir. 'k Zal mij zoo spoedig mogelijk gereedmaken."
Binnen anderhalf uur was de eendekker in elkaar gezet en de motor in orde gemaakt, terwijl de Olijftak steeds zuidwaarts voer, evenwijdig aan de kust van Syrië.
"Alles is in orde, Sir."
"Goed, ga dan naar beneden, om nog wat te eten, voor ge u inscheept. En, wat ik nog zeggen wil, is de afstand van hier tot de kust niet te groot voor een vlucht?"
"Volstrekt niet, Sir."
"En zal er op het dek ruimte genoeg zijn om op te stijgen?"
"Daar ben ik niet bang voor, Sir. Ik heb niet zoo heel veel ruimte noodig en kan zeer steil omhoog vliegen; 't eenige waarvoor ik bang ben, is, dat ik de verf hier en daar zal beschadigen, maar ik zal er zooveel mogelijk voor oppassen."
Toen de kapitein verder niets opmerkte, begaf de vlieger zich met Palmer naar de kajuit, waar ze zich nog een goed half uur ophielden in gezelschap van de andere officieren, die geen dienst hadden. En daarna ging hij zich gereed maken voor de vlucht. Toen hij weer aan dek verscheen, was hij in zijn vliegersuitrusting gestoken; alleen had hij zijn rubber-overjas niet aangetrokken, omdat het te warm was, zooals hij zeide.
De geheele bemanning was op het dek gekomen, om hem te zien opstijgen. Nadat hij alle officieren hartelijk de hand had gedrukt, nam Sidney P. Flew plaats in zijn machine. De motor werd aangezet; een paar schokjes vooruit en toen schoot de eendekker als een reusachtige vogel omhoog onder geestdriftig gejuich van matrozen en officieren.
Met gespannen aandacht volgden allen de beweging van het vliegtuig, toen eensklaps groote opschudding ontstond, want luitenant Palmer kwam doodsbleek en duizelig als een beschonken man de campagne-trap opscharrelen.
"Houdt hem tegen!" riep hij. "Hij heeft de seingevers van onze marconigraaf gestolen!" Meer kon hij niet uitbrengen, hij viel bewusteloos op het dek neer.
Kapitein Brookes verloor bij de algemeene verwarring, die deze mededeeling veroorzaakte, geen oogenblik zijn kalmte.
"Naar den toren, Mr. Tregarthen! De Z.-stralen!"
Gerald volgde onmiddellijk het gegeven bevel. Het vliegtuig moest door middel van den electrischen stroom naar beneden gehaald worden en wilde dat gelukken, dan moest men er voor zorgen dat het niet buiten de zone van de Z.-stralen kon komen, vóór men ze in werking had gebracht. Alles kwam dus aan op snel handelen. De opeengedrongen zeelieden maakten van zelf den weg naar den toren vrij en Gerald snelde er heen.
Vlug, maar bedaard en omzichtig richtte hij de wijzers. Er sprong geen vonk over. Hij probeerde het in een ander vierkant en in nog één, maar nergens vertoonde zich de vonk om het bewijs te leveren, dat de electrische stroom werkte. Het toestel voor de Z.-stralen was dus ook in de war gebracht.
Gerald begreep wel, dat op dit oogenblik een onderzoek naar de oorzaak van de storing tot niets zou leiden. Hij verliet dus den toren en stelde kapitein Brookes op de hoogte van hetgeen hij had ervaren.
De kapitein keek met aandacht naar het verdwijnende vliegtuig en commandeerde: "Laad dien zesponder."
Onmiddellijk waren de mannen, die het stuk moesten bedienen, op hun post en schoven de groote granaat erin.
"Vierduizend meter," riep luitenant Sinclair, zonder bevel af te wachten. Met zijn zak-toestel had hij den afstand tot het vliegtuig opgenomen.
"Vuur!"
"Prachtig schot," riepen eenige officieren tegelijk, toen ze door hun kijkers zagen, dat de granaat sprong vlak boven den vluchteling.
Nog tien seconden vervolgde het vliegtuig zijn weg, maar toen maakte het, als een aangeschoten vogel, een buiteling en stortte met duizelingwekkende vaart naar beneden.
"Full speed vooruit," commandeerde kapitein Brookes, terwijl hij zich naar de brug begaf.
Een paar minuten waren voor de Olijftak voldoende om de plek te bereiken, waar de vliegmachine in de golven verdwenen was en die aangewezen werd door de drijvende kap van den vlieger.
Het dieplood werd uitgeworpen en wees tachtig vademen aan.
HOOFDSTUK XXII.
GEVAARVOLLE OOGENBLIKKEN.
"Breng de sloep uit. Laat de bemanning zich inschepen en drie dreggen met de noodige lijnen meenemen," beval kapitein Brookes en daarna wendde hij zich weer tot zijn officieren en zei: "Voor we ons moeite geven, om onze verloren toestellen terug te krijgen, moeten we eerst hier aan boord een onderzoek instellen. Mr. Slade, wilt ge zoo goed zijn de marconi-kamer te inspecteeren en mij meedeelen, wat ge er voor bijzonders hebt opgemerkt.' En Mr. White, mag ik u verzoeken, naar Mr. Palmer te gaan zien; die zal stellig uw zorgen wel noodig hebben. Doe uw best, om hem spoedig zoo ver op te knappen, dat hij ons het een en ander kan vertellen, van hetgeen hem overkomen is. En Mr. Tregarthen, laten wij eens nagaan wat er eigenlijk aan het toestel voor de Z.-stralen hapert."
Het laatste was al heel gauw gevonden. Er was een klein gat geboord in den stalen mantel, die de draden beschermde, die van de batterijen naar het wijzerbord liepen. In dat gat was een metalen staafje gestoken, dat contact tusschen de draden veroorzaakte, waardoor de stroom was afgeleid.
't Was echter onbegrijpelijk, hoe iemand onbemerkt in den toren was kunnen komen en hoe hij daar zoo lang had kunnen blijven, als noodig was, om een gat te boren in de dikke, stalen plaat. Er zouden toch uren noodig zijn geweest, om dat werk te verrichten. Of het toestel voor de Z.Z.-stralen nog in orde was, kon men niet dadelijk zeggen; eerst moest er een gelegenheid komen om er een proef mee te nemen.
Het onderzoek van den toren was dus spoedig afgeloopen en ook luitenant Slade was gauw gereed met zijn inspectie van de marconi-kamer en bracht nu zijn rapport uit aan den kapitein.
"Al de seingevers zijn weg, Sir, behalve die naar Plougastel."
"Is de ontvanger beschadigd?"
"Neen, Sir; ik kon in verbinding komen met Plougastel."
"Daar mogen we wel dankbaar voor zijn. Door het verlies van onze seingevers zijn we van alle verbindingen afgesneden, maar met onzen Britschen agent kunnen we nu toch de gemeenschap onderhouden. -- Laten wij nu hooren, wat Mr. Palmer ons zal kunnen zeggen."
"Mr. Palmer is weer in zoo verre hersteld, dat hij kan ondervraagd worden, Sir," zei de dokter. "Hij is nog een beetje soezerig door de werking van een bedwelmende stof, volgens de verschijnselen opium."
"Zeer goed, Mr. White, dan zal ik hem in zijn hut gaan opzoeken."
Luitenant Palmer zag er nog bleek en ontdaan uit. Hij stond met zichtbare inspanning op van zijn stoel en maakte het saluut voor zijn commandant.
"Ga zitten, Mr. Palmer," zei deze vriendelijk, "en vertel me, wat ge van de geschiedenis weet." Rustig ging hij op een stoel zitten en wachtte, tot de luitenant zijn gedachten zou verzameld hebben en onderwijl keek hij eens rond in de hut. In de kleine ruimte stonden de gewone meubels en de eenige bijzonderheid was een seintoestel aan den wand, waarin nu een blauw licht gloeide. Dit duidde aan, dat de marconigraaf niet in werking was, doch zoodra het blauwe in rood licht veranderde, wist Palmer, dat hij zich naar de marconi-kamer moest begeven.