Part 1
Produced by R.G.P.M. van Giesen
[Illustratie: kaft]
DE KONING DER ZEE
DE KONING DER ZEE
DOOR
PERCY F. WESTERMAN
NAAR HET ENGELSCH BEWERKT DOOR A. F. PIECK
MET VIER PLATEN VAN ANDRÉ VLAANDEREN
[Illustratie: logo]
N.V. JOHANNES MÜLLER -- AMSTERDAM
INHOUD:
I. Het wonderlijke geval met de "Zieten" II. Waarin we kennis maken met de "Playmate" en haar schipper III. In den grond geboord IV. Gevangen aan boord van het geheimzinnige schip V. Kapitein Brookes VI. De commando-toren van de "Olijftak" VII. Geruchten van oorlog VIII. Verraad IX. Zeeroof X. Gereed voor den strijd XI. De strijd met twee vloten XII. Door het mijnenveld XIII. In een hinderlaag gevallen XIV. Door de Spitsroeden XV. Woord gehouden XVI. Bij de Patagoniërs XVII. De list van Gerald XVIII. De wraak van den kapitein XIX. In de Middellandsche Zee XX. De Amerikaansche vlieger XXI. De Marconigraaf gestolen XXII. Gevaarvolle oogenblikken XXIII. Toch nog gered XXIV. Een mislukte aanslag XXV. De groote zeestrijd XXVI. De Olijftak toont haar kracht
ILLUSTRATIES:
Tregarthen zag den Duitscher wankelen.
Het ongelukkige schip was uit elkaar geslagen.
dat ze hun speeren wierpen naar het vreemde vaartuig.
en stortte met duizelingwekkende vaart naar beneden.
HOOFDSTUK I.
HET WONDERLIJKE GEVAL MET DE "ZIETEN".
Het was een snikheete middag in de maand Augustus.
Fel blikkerden de zonnestralen op de spiegelgladde watervlakte van de haven van Portsmouth. Slap hingen de witte vlaggen van de talrijke oorlogsschepen in de bijna windstille lucht.
Eventjes schommelend aan haar ankerketting op de eerste rimpeling van het opkomend getij, lag daar de torpedoboot-vernieler "Calder". Ze maakte nu een veel minder trotschen indruk, dan toen ze een paar dagen geleden de haven verliet. De machine was onklaar geraakt en daardoor had ze moeten terugkeeren om de vrij ernstige schade op de werf te laten herstellen. Dat zou stellig wel een paar maanden in beslag nemen. De officieren hadden verlof gekregen het schip te verlaten, want een enkele torpedist was voldoende voor het toezicht.
Ting-ting! Ting-ting! Ting-ting! Ting-ting!
Acht keer rinkelde met een hard geluid een schel en toen kwamen twee mannen op 't dek, behendig klauterend uit het kleine luik, dat toegang gaf tot de groote kajuit.
De eerste was een slanke man, met een mager en scherp-geteekend gezicht: de kapitein-luitenant ter zee, die het bevel voerde over de "Calder". De ander was luitenant Gerald Tregarthen, met wien we wat meer van nabij zullen kennismaken.
Hij was zoo wat even lang als de kapitein, dat wil zeggen ruim vijf voet, als hij op zijn kousen stond en zijn breedte was daarmee evenredig. Zijn gezicht, gebruind en verweerd door zon, wind en zeeschuim, was glad geschoren en had een jongensachtige uitdrukking met iets schalks in zijn diepblauwe oogen.
Toch was het hem wel aan te zien, dat hij de flinkheid, die zijn gevaarlijk beroep eischte, niet miste.
In zijn nog korte, maar zeer voorspoedige loopbaan had hij talrijke bewijzen gegeven van vastberadenheid, koelbloedigheid en onversaagdheid, zoodat men in de toekomst nog veel van den jongen officier verwachten mocht. Zijn voorspoed had hij ook en vooral te danken aan ijverige studie en harden arbeid, waardoor hij zich een goeden naam als artillerist en torpedist had verworven, terwijl zijn zeemanskunst in de marine algemeen bekend was. Zoo was hij reeds op jeugdigen leeftijd voor bevordering in aanmerking gekomen.
Gerald Tregarthen droeg nu geen uniform, hij was in politiek, maar de burgerkleeding deed niet te kort aan zijn flinke houding. Hij had een verlof van zes weken gevraagd en verkregen, nu de "Calder" toch tijdelijk werkeloos moest blijven en het klinkt wel een beetje vreemd, maar het was zijn voornemen om het grootste deel van dien tijd op het water door te brengen.
Algemeen bekend is de geschiedenis van den koetsier van een Londensche omnibus, die eens een vrij dagje had, wat maar uiterst zelden gebeurde en die zijn vacantiedag niet beter wist te gebruiken, dan door als passagier met zijn eigen voertuig te gaan meerijden. Dezelfde gevoelens, die dezen koetsier er toe brachten uit rijden te gaan, bezielen honderden blue-jackets en mariniers, als ze op verlofdagen bootjes huren om te gaan spelevaren.
In alle oorden van de wereld, waar zich Engelsche matrozen bevinden, kan men dan ook vroolijke pekbroeken aantreffen, die hun vrijen tijd in gehuurde bootjes doorbrengen, alsof deze vorm van uitspanning de meest aantrekkelijke voor hen is. En zoo behoeft het ons dan ook niet al te zeer te verwonderen, dat Gerald Tregarthen het plan maakte, zijn verlof te gaan doorbrengen aan boord van de 4-tons kotter "Playmate", die op dat oogenblik in de haven van Poole lag en toebehoorde aan zijn ouden schoolmakker Jack Stockton.
Zoodra de twee officieren op het dek verschenen, klonk de heesche stem van den kwartiermeester, die bevelen gaf. Vlug voerden de mannen van de ploeg voor de boot die bevelen uit en de kleine boot werd aan stuurboord naast het schip gebracht. De bagage van Tregarthen, alleen bestaande uit een volgepakt valies, werd erin geworpen en nadat de luitenant zijn commandant had vaarwel gezegd, nam hij plaats in den stuurstoel.
Vlug gleed de boot over het vlakke water en een kwartier later stapte Gerald Tregarthen aan wal bij de Koningstrap.
Gevolgd door den matroos, die zijn valies droeg, liep hij naar den hoofdingang van de werf. Eén van de chauffeurs, die met hun wagens dicht bij de poort stonden, kreeg hem dadelijk in het oog en bracht zijn taxi naar de plaats, waar Tregarthen stond.
"Naar het station!" riep de luitenant, terwijl hij instapte. Maar voor hij het portier achter zich had toegetrokken, kwam er een krantenjongen naar hem toehollen.
"Avondblad, mijnheer? De laatste scheepstijdingen!" Dat trok natuurlijk den zeeman.
Tregarthen kocht de krant, stapte toen in de taxi en voort ging het naar het station.
De chauffeur zette flink aan, maar tweemaal hadden ze een klein, onvoorzien oponthoud op hun rit door de drukke straten en dat was juist genoeg om de plannen van Tregarthen in de war te sturen. Toen hij aan het station kwam, bemerkte hij, dat hij precies twee minuten te laat was voor den trein van 4.45 naar Bournemouth. Dat het verlies van die twee minuten een geduchte verandering zou brengen in zijn loopbaan in de naaste toekomst, kon hij toen zelfs niet vermoeden.
"Volgende trein 6.2, mijnheer," antwoordde een kruier op zijn vraag.
"Dat tref ik. Meer dan een uur wachten," bromde Tregarthen.
Hij zocht een gemakkelijk plaatsje op een van de banken op het perron, zette zijn valies naast zich, vouwde de krant open en was al heel gauw in de lezing verdiept.
Eerst de "Marine-berichten", waarin hij nieuwtjes vond omtrent enkele van de talrijke officieren, die hij persoonlijk kende. Toen kwamen de "Scheepstijdingen" aan de beurt en daarna viel hem een berichtje in 't oog, dat dadelijk zijn belangstelling trok.
"Het nieuwe pantserschip, Almirante Constant, verliet gisteren de Tyne. Een hardnekkig gerucht heeft in zekere kringen geloopen, dat het vaartuig, gebouwd in 't geheim, bestemd is voor de Braziliaansche Marine. Uw correspondent heeft de meest nauwkeurige nasporingen op dit punt gedaan, maar de betrokkenen weigeren, inlichtingen te geven. Eén ding is zeker: het schip moet onbewapend worden geleverd aan een Amerikaansche firma."
"Wat zouden die Zuid-Amerikaansche Republieken met zulke nieuwerwetsche oorlogsschepen moeten uitvoeren?" dacht Tregarthen, terwijl hij de weerbarstige bladen van de krant omvouwde. "'t Is een veel te gevaarlijk speelgoed voor die menschen, net of je een kind een scheermes in handen geeft. Voor een Europeesche zeemogendheid zou een half dozijn van die schepen nog niet veel beteekenen, maar dat is heel wat anders.... Hé, wat hebben we daar verder?...."
"Een telegram uit Wilhelmshaven, gedateerd den 2en dezer, meldt, dat de Keizerlijke kruiser derdeklasse Zieten daar is binnengevallen, blijkbaar in moeilijkheden verkeerend. Twee sleepbooten brachten het schip in de haven. Kapitein Schloss ging onmiddellijk aan land en verzond een uitgebreid rapport aan de Admiraliteit. Niemand van de bemanning mocht het schip verlaten, zoodat uw correspondent niet in staat was verdere bijzonderheden te verkrijgen over het ongeval. We hebben reden aan te nemen, dat er een ernstig ongeluk aan boord gebeurd is."
"Later bericht. -- Van den gezagvoerder van de sleepboot Vulkan vernemen we, dat de kruiser Zieten, twee honderd mijlen westwaarts van Helgoland, plotseling werd overvallen door een magnetischen storm van ongekende kracht. Alle geleiddraden aan boord waren gesmolten, de installatie voor draadlooze telegraphie en de kompassen weigerden allen dienst. De gevechtswaarde van de Zieten is voor het oogenblik teruggebracht tot die van een kruiser, zooals er dertig jaar geleden gebouwd werden. Het staat vast, dat het schip nog sterk geladen is met electro-magnetisme en geruimen tijd zal moeten dokken. Kapitein Schloss moet er ernstig aan twijfelen, of het wel ooit weer geheel zeewaardig zal kunnen worden."
Gerald Tregarthen had het bericht met de grootste belangstelling gelezen. Eerst was hij geneigd er mee te spotten, want hij dacht, dat de gezagvoerder van de Duitsche sleepboot zich een sprookje op de mouw had laten spelden. Hij had zelf in de tropen herhaalde malen hevige electrische stormen meegemaakt, maar nooit hadden de kompassen en fijne electrische instrumenten beduidende schade geleden. Mocht het echter waar zijn en zou het verschijnsel meer voorkomen, dan zouden de gevaren en moeilijkheden aan de zeevaart verbonden, nog geducht toenemen.
Toen hij zijn krant had opgeborgen kwam het Gerald in de gedachte, dat hij nog wel even aan zijn vriend Jack Stockton kon telegrafeeren, om zijn overkomst te melden.
Hij wandelde op zijn gemak naar het telegraafkantoor om zijn voornemen uit te voeren. De tijd schoot daardoor meteen nog wat op en zoo kwam er toch ook weer een eind aan het vervelende uur.
De trein kwam vóór en Tregarthen zocht een gemakkelijk plaatsje in een eerste-klasse-coupé. Aan het station Southampton-West kocht hij een deeltje goedkoope reislectuur en een avondblad van een Londensche krant. Hij begon met de lezing van het laatste en het eerste wat hem in 't oog viel, was een bericht van Reuter's agentschap, uit Wilhelmshaven, dat alweer handelde over het geheimzinnige geval, waarvan hij straks aan het station gelezen had. Reuter meldde het volgende:
"Het vreemde ongeval van den kruiser Zieten, schijnt veel ernstiger dan men eerst veronderstelde. Het schip is waarschijnlijk zwaar geladen met electriciteit van onbekende soort. Zijn standaardkompas is opgezonden naar het keizerlijk laboratorium te Berlijn. En nu is de groote kruiser, Von der Tann, die in het dok lag in de onmiddellijke nabijheid van de Zieten, ook door den vreemden stroom aangetast. Om verdere nadeelige gevolgen te voorkomen is er bevel gegeven, dat de Zieten het dok moet verlaten en op stroom moet gaan liggen."
Verder stond er nog, dat alle berichten omtrent de Zieten ontvangen waren over Middelkerke en Dumpton Gap, daar de onderzeesche kabel tusschen Borkum en Lowestoft beschadigd was. Een telegraaf-kabelschip had de Theems verlaten met bevel te trachten, de storing tot een bepaald gedeelte van den kabel te beperken en ze daarna te verhelpen.
Tregarthen begon nu toch te denken, dat er wel iets waar zou zijn van de vreemde geschiedenis en hij was verlangend er nog meer bijzonderheden van te vernemen. Hij zocht in de lange, fijn-gedrukte kolommen van de krant en vond ten slotte nog het volgende:
"Omtrent het Zieten-incident wordt via Lowestoft bericht, dat alle sporen van het ongewone verschijnsel verdwenen zijn. Kompassen en electrische instrumenten werken weer normaal."
Meer stond er niet in het blad. Tregarthen vouwde het dicht en stopte het tusschen de riemen van zijn valies. Hij kon er niet toe komen, met de lezing van zijn deeltje spoorweg-lectuur te beginnen, want het voorval met den Duitschen kruiser hield zijn gedachten te veel bezig. Hij verdiepte zich in de vraag, wat hij zelf wel doen zou, als een vaartuig, dat onder zijn bevel stond, in zulke omstandigheden kwam.
Ongemerkt schoot daardoor de tijd op en voor hij het wist, stopte de trein aan het station Poole. De duisternis was reeds gevallen. Gerald stapte uit en zocht op het volle perron naar zijn ouden schoolmakker. Maar geen Jack Stockton was er te zien.
HOOFDSTUK II.
WAARIN WE KENNIS MAKEN MET DE "PLAYMATE" EN HAAR SCHIPPER.
"Er zal niets anders opzitten, dan te probeeren de Playmate te vinden," dacht Tregarthen. "Misschien heeft Jack mijn telegram niet ontvangen. Ik hoop niet, dat hij uitgezeild is, zonder op mij te wachten, maar verwonderen zou me dat niet, want 't is eenmaal zijn vaste gewoonte, om nooit een enkele minuut te wachten, op wien ook."
Toen Tregarthen aan de kade kwam, vond hij daar een groot aantal kustvaartuigen: brikken, schoeners, lichters en vrachtbooten, die in twee rijen rustig voor anker lagen.
Daartusschen merkte hij wel een paar jachten op, maar die waren grooter dan de Playmate.
't Was een wanhopig werk, hier naar het jacht van Stockton te gaan zoeken.
Gerald Tregarthen stond verlegen. Behalve enkele half-beschonken zeelieden, die naar hun vaartuigen terug scharrelden, zag men niemand op de kade en hij stond op het punt, zich naar een nabij gelegen hôtel te begeven, toen hij een stem hoorde, die uit de diepte kwam.
"Een boot, Sir?"
De jonge officier keek naar beneden. Op de plaats, waar hij stond, was een trap gemetseld, die naar het water leidde. Het was eb en de treden zagen er alles behalve uitlokkend uit: vuil en glibberig. Aan den voet van die landingstrap, tusschen den voorsteven van een brik en het roer van een Theems-vrachtboot, lag een roeiboot en daarin stond de man, die geroepen had. Door middel van een korten bootshaak, dien hij in een ijzeren ring in den kademuur gepikt had, hield hij de boot op haar plaats.
"Een boot, Sir?"
"Weet je ook iets van een jacht, Playmate genaamd?" vroeg Tregarthen.
"'t Spijt me, Sir, maar 'k heb er nooit van gehoord," antwoordde de jolleman. "Maar 'k zal mijn maat roepen; die weet het misschien." Hij bolde zijn handen om zijn mond en schreeuwde: "Cartridge, waar zit je?"
De nagalm van de krachtige stem van den jolleman was nauwelijks weggestorven, of er kwam een roep van den overkant.
"Hallo, daar!" dadelijk gevolgd door 't zwak geplas van riemen in 't water.
"Cartridge weet stellig, of er een vaartuig van dien naam in de haven ligt," merkte de jolleman op en toen de boot van den ander den neus schuurde langs het boord van de jol, werd de vraag overgebracht.
"Wat? -- De Playmate, van iemand, die Stockton heet? Zeker, die ligt bij de ducdalven!"
"Kan je mij aan boord brengen?" vroeg Tregarthen, blij, dat zijn vriend nog niet was uitgezeild.
"Met alle pleizier, Sir," antwoordde Cartridge.
Tregarthen gaf zijn valies aan den jolleman, die het zijn makker toewierp en toen stapte hij in de eerste boot en wipte daarna in de tweede.
De lange, rustige slagen van den roeier, voerden de boot over het gladde water langs de rij van vaartuigen en toen het kanaal in. Hier, in bijna open water, blies de avondwind krachtig en frisch uit het N.W., zoodat Tregarthen huiverde. Op de brug van zijn torpedoboot was hij aan weer en wind gewend, maar daar had hij zijn dikke stuurmansjekker en de draaibare tent.
De boot voer tusschen lange, lage banken van dampenden modder door, totdat ruim een kwart mijl van de kade, de schemerige omtrekken opdoken van een half dozijn jachten van verschillende grootte. De ankerlichten beschenen het vochtige dek en de overtrekken van zeildoek en trokken lichtende strepen op het kabbelende watervlak.
"Daar is de Playmate, Sir," riep de roeier, rustend op de riemen en over zijn schouder kijkend. Tregarthen volgde de richting van zijn blik.
Ongeveer twintig meter verder lag een sierlijk, klein, wit vaartuig. Door het ronde venster van de kajuit scheen een helder licht over 't water, dat bij Tregarthen een beeld wekte van vriendelijke gezelligheid. Zijn ergernis over 't niet vinden van Stockton en de troostelooze aanblik van de kille, verlaten kade, -- alles was vergeten. Hij had een veilige plaats gevonden, waar hij zijn anker kon uitwerpen.
"Playmate, ahoy!"
De roeier trok een van zijn riemen binnen boord en bracht met de andere zijn boot naast het jacht.
"Hallo, daar! Ben jij het, Cartridge?"
"Ja, Sir, 'k heb iemand meegebracht, die U komt bezoeken."
Er werd een geluid gehoord van schuifelende voeten, het luik werd half op zij geschoven en er kwam een hand te voorschijn, die een lantaarn vasthield en daarna het hoofd en de schouders van den eigenaar van de Playmate.
"Hallo, ben jij het?" riep hij uit, toen hij zag, wien hij voor had. "'k Had je niet meer verwacht!"
"Dat heb ik al wel in de gaten," antwoordde Tregarthen, "heb je mijn telegram niet ontvangen?"
"Telegram? -- Wat voor telegram? -- Maar blijf daar niet staan, kom aan boord!"
Het hoofd van Stockton verdween weer. Tregarthen betaalde den roeier, sprong vlug op het dek en stond een oogenblik later in de kombuis.
Jack Stockton, met een pijp in den mond, was bezig visch te bakken voor zijn avondmaaltijd.
Gerald begon te hoesten. De hitte van de kachel, de tabaksrook en de geuren van visch, soep en zeegras maakten, dat het haast niet was uit te houden. 't Was hier zoo heel anders dan in de kajuit van een oorlogsschip, maar hij zag tegen die bezwaren niet op, hij moest er alleen maar even aan wennen. Die ruwheid was juist een van de aantrekkelijkheden van het leven aan boord van een jacht.
"Excuseer den rommel!" riep Stockton. "Zooals je ziet, had ik je al uitgeschrapt. Maar in een ommezien komt alles in orde. Waar is je bagage?"
"Op 't dek."
"Breng die beneden en ga dan in de kajuit, ik kom gauw bij je. -- Pas op je hoofd!"
De waarschuwing kwam te laat. Tregarthen vergat, dat de kombuis van een vier-tons-jacht maar een hondenhok is, vergeleken bij die van Z. M.'s Calder; maar gelukkig was zijn hoofd goed beschermd door zijn stevige pet, anders had hij zeker een flinke buil opgeloopen.
Hij wierp zijn valies van 't dek op den vloer van de kombuis en transporteerde het toen door het nauwe gangetje naar de kajuit, waar hij nog eens met de zoldering in onzachte aanraking kwam. Nu had hij geleerd, zich met de noodige omzichtigheid te bewegen in de bekrompen ruimte. Hij maakte het zich gemakkelijk op een van de breede banken en toen de eigenaar van de Playmate een krachtig avondeten had klaargezet, vroeg hij: "En wat denk je nu te doen?"
"Ik wou een tocht maken door het Kanaal. Heb je daar wat tegen?"
Tregarthen floot tusschen de tanden en zei: "Een beetje gewaagd, vind je niet?"
"Heelemaal niet. De schuit is zoo stevig als een huis, en al wat we noodig hebben is aan boord," zei Stockton.
"Heb je een kompas?"
"Een klein prachtstuk. Alles is in orde."
"Dan ben ik van de partij. -- Wat ik zeggen wou, heb je de krant van vandaag al gelezen?"
"Neen, 'k ben wel aan wal geweest, maar ik heb heelemaal vergeten er een te koopen. Maar hoe dat -- is er een ongeluk gebeurd?"
"Dat nu niet," antwoordde Gerald, terwijl hij zijn nieuwsblad voor den dag haalde en het bericht aanwees.
"Wat denk je daarvan?"
"Niet veel," zei Jack zonder veel geestdrift, toen hij het stukje gelezen had, "en in allen gevalle hebben wij er niets mee te maken."
Toen Gerald zag, hoe weinig belang zijn vriend stelde in het geval, sprak hij er verder niet over en vroeg: "Wanneer denk je te vertrekken?"
Stockton antwoordde niet dadelijk, maar keek eens naar buiten. -- "Zoodra je maar zin hebt," zei hij toen. "De vloed begint op te komen en met den wind, dien we nu hebben, kunnen we mooi naar buiten komen. Wil je me dat rolletje kaarten eens aangeven?"
Gerald deed, wat hem gevraagd werd en zijn makker zocht de kaart van het Engelsche Kanaal uit.
"Vóór het aanbreken van den dag kunnen we St. Catherine bereiken en als 't dan een beetje meeloopt, zijn we vóór zonsondergang bij Kaap Barfleur. Dat is maar vijftien mijlen hemelsbreed."
"All right; vooruit dan maar," zei Tregarthen.
Twintig minuten later ging de Playmate onder zeil. Haar reis was begonnen, zonder dat de twee vrienden konden vermoeden, dat deze de inleiding zou worden van een reeks heel buitengewone avonturen.
HOOFDSTUK III.
IN DEN GROND GEBOORD.
Een paar jaar geleden heeft, naar men zegt, een admiraal verklaard, dat de Engelsche zeelui de beste zeilers van de wereld zijn, terwijl een ander hooggeplaatst zeeofficier geschreven heeft: "ik geloof niet, dat er eenige marine is, die slechter dan de Engelsche geoefend is in de behandeling van haar booten -- bij ons is het een schande." We kunnen moeilijk zeggen, wie nu wel gelijk heeft, maar in elk geval verwaarloost de Admiraliteit bij de opleiding der zeeofficieren het onderwijs in het zeilen niet: de cadetten te Dartmouth beschikken over een voldoend aantal kotters.
Gerald Tregarthen was dus zeker geen nieuweling aan boord van een zeilvaartuig. Hij had vroeger bij verschillende wedstrijden prijzen behaald en nu hij de inrichting van de Playmate voldoende kende, kon hij gerust de zorg voor het roer op zich nemen, zoodat Jack Stockton de handen vrij had voor andere werkzaamheden.
Kalm gleed de Playmate door het goed verlichte kanaal tusschen de duinen door naar den ingang van de haven van Poole. Daarna volgde ze het vaarwater langs de boeien aan de luwe zijde van Studland Heath en toen ze die aan den havenboom waren omgezeild, schoot het jacht in het ruime sop.
Jack Stockton trok zijn oliejas aan, het roer werd vastgezet en Gerald ging in de kajuit om een paar uur te rusten.
Jack stopte zijn pijp en zocht een goed plaatsje op, om gedurende den nacht wacht te houden. Hij was een uitstekend zeeman: rustig en bedaard bij moeilijkheden, geduldig bij tegenslag, afkeerig van waaghalzerij, maar vol moed en zelfvertrouwen.
Bij het eerste ochtend-lichten was de Playmate in den krachtigen stroom van St. Catherine, waar het getij alleen aan een vaartuig een snelheid van ruim vijf knoopen geeft.
"Jammer, dat 'k hem wakker maken moet," bromde Stockton, terwijl hij het roer omwierp om aan te sturen op de Fransche kust. "Jammer, maar ik kan er niets aan doen."
Door den schok rolde Gerald van de bank op den vloer van de kajuit.
"Hallo! Waar zijn we?" vroeg hij, nog een beetje slaapdronken.
"Jij, ouwe jongen, ligt onder de tafel op den vloer; ik sta aan het roer, in de hoop eindelijk eens te worden afgelost en de Playmate is zoowat twee mijlen zuid-west van St. Catherine. Ben je nu op de hoogte?"
"Prachtig kameraad," antwoordde Tregarthen, terwijl hij zich door de opening van het half gesloten luik heenwerkte. "Daar ben ik al, om de wacht over te nemen."
"Kijk, dezen kant uit: zuid-west ten westen," zei Stockton, den koers aanwijzend; en toen kroop hij in de kombuis en was spoedig ijverig bezig om een ontbijt klaar te maken.
Tregarthen genoot van den prachtigen aanblik van de rustige zee. Een groot oorlogsschip zette koers naar Spithead. Aan de gevorkte masten en den vreemden vorm van schoorsteenen en tuig herkende de luitenant het schip als de Foudroyant, het nieuwste type voor de Britsche marine. Verder op zeilde een schoener en eenige vrachtbooten stoomden rustig door het Kanaal; de omtrekken doezelden weg in den ochtendmist.
"Hoe staat het glas?" vroeg Gerald, toen zijn makker weer te voorschijn kwam, met het ontbijt op een houten bak.
"Zoo vast als een rots. Kom hier en tast toe, ik zal nog even de koffie gaan halen."
Ondanks het stampen van het jacht, deden de twee vrienden het maal alle eer aan. Toen het afgeloopen was, nam Jack zijn plaats bij het roer weer in en Gerald belastte zich met het wasschen van de vaten.