Chapter 9
En zij dreigden met opgestokene adderkopjes, met flonkerende oogen. Zij waren beiden razend, en, half gekleed nog, wierpen zij zich beiden, plots, als met éene ingeving hunner tweelingzielen, op den "paraziet." Er was éen helsch geschreeuw, een tumult; ginds, in den donkeren theaterput, immensen halfcirkel vol schaduw, vaag maan-doorvloeid, zat dichter en dichter het binnen gedrongen volk te kijken. De een na den ander drong binnen; het was reeds als een voorstelling. Maar de tweelingen hadden den "paraziet" op de planken gegooid en hamerden er met hunne ronde meisjesvuisten op los. Ze speelden de vrouwerollen, maar ze waren sterk genoeg om dien "paraziet" op zijn donder te geven, schreeuwden ze. Hunne hooge stemmen galmden al het gejoel en lawaai bòven uit en ze hamerden, ze hamerden.... Lavinius Gabinius, Latinus, de anderen, trokken hen weg, hielpen den "paraziet" op; de "paraziet" stond razend, vuisten gebald; de twee jongens over hem, vuisten gebald; alle drie weêrhouden door al de joelende en lawaaiende anderen.
Op de præcinctiones joeg de janitor, met zijn slaven, het volk weg. Door welke poort waren zij binnen gedrongen? Er was geen orde te houden, als het zoo donker was. Kom, de repetitie was uit! Weg met iedereen, wèg ook met de komedianten; toe, dominus, de janitor moest sluiten....
Boven, in den hemel, straalde de maan fèl uit. De nacht was blauw. De zilveren vloed stroomde den half ronden theaterput binnen. Langs de schaduwlijnen der zitrijen en ommegangen dreef de janitor de donkere schimmen der binnen-gedrongenen. De komedianten verlieten achter elkaâr het proscænium. Er was nog vloeken, razen, dreigen, lachen, schertsen en ophitsen; er klonken gemeene uitroepen.
--Cecilius, riep de dominus. Waar zijn nu de drie goudstukken van dien edelen Plinius?
--Maar dominus, die heb ik je in de hand gedrukt.... alle drie voor jou....
--Me in de hand gedrukt....??
--Ja.... Je hebt ze in je gordel gestoken....
--Je liegt, ik geloof er niets van. Je hebt ze nog, jij kwâjongen. Maar weet je, die antieke maskers.... hoû ik. Hoû jij dan maar je goudstukjes....
--Zeg, dominus?
--Wat, bengel?
--Spelen we overmorgen niet.... de Bacchides??
--En wanneer repeteeren?
--Morgen.... Toe, dominus; je hebt òns toch niet in je caterva om ons achterbaks te houden....?
--Dominus.... vleide Cecilianus met zijn liefste stemmetje. Je hebt ons toch niet in je caterva om ons achterbaks te houden??
--We zullen zien, mompelde, brauwefronsend, de dominus.
Buiten, in de manenacht, druk pratend, lachend, dreigend, met een vloek er nog tusschen door van den "paraziet", vervloeide de caterva, in de richting van de Suburra. Zij ging naar Nilus, avondmalen.
V.
Wat al ontroering, dien volgenden morgen, dadelijk op straat, voor het huis van voller en slavenkoopman, toen de caterva, mèt Cecilius en Cecilianus dit maal, hun woning verliet, allen te zamen, om te baden in de Thermen van Titus, om iets te eten, om daarna te repeteeren. Ten eerste de ontroering, die ging door de straten, omdat er die nacht een moord was gebeurd in de Carinæ en een inbraak; meer bizonderheden ontbraken nog: de misdadigers waren gevat, zei de een; zij waren ontvlucht, beweerde de ander. Dan de ontroering in de caterva zelve, dat de Bacchides toch zouden worden opgevoerd.... Misschien de Bacchides èn de Menæchmi beiden, had de dominus met gezag verklaard, terwijl de slavenkoopman, Autronius, dit maal een troep van twaalf buitenlandsche slaven en slavinnen, meest Daciërs, ter markt zoû geleiden en de voller in den blanken weêrschijn van zijn uitgehangene toga's op den drempel van zijn winkel verscheen om Lavinius Gabinius te begroeten. Intusschen trok de "paraziet" den dominus ter zijde, en tusschen de bolderende karren vol marmerblokken, door muilen getrokken, onder een geklikklak van zweepen der karrevoerders, poogde de "paraziet" zijn dominus fijntjes te bepraten.... Zoû het toch werkelijk niet beter zijn, meende de "paraziet", àls de Menæchmi dan werden opgevoerd, géen tweede stuk van Plautus te nemen maar, ter afwisseling, een stuk van Terentius: de Formio of de Heautontimorùmenos? Woedend, in stilte, nog steeds op de tweelingen, stelde hij van alles in het werk hun dat successtuk der Bacchides te ontnemen. In die Bacchides speelden zij de tweelingzusjes, de twee courtizanen-tweelingen en hadden zij steeds, maskerloos, meer dan gewonen bijval.... Hij trok den senex er bij en beiden zeurden nu aan des dominus' ooren; uit nijd en afgunst de senex, die, jong, altijd gemaskerd moest spelen; uit wraakzucht de "paraziet", al zoû hij zijn mooie rol in de Menæchmi toch misschien kunnen luchten.... Neen, zeide de dominus: Terentius hadden zij in Neapolis heelemaal niet gespeeld; Plautus zat er beter in bij heel den troep.... Terentius was zoo fijn, meende de "paraziet", zoo beschaafd, zoo Attiesch, zoo welluidend van titels: Heautontimorùmenos.... Jawel, jawel, meende de dominus.... Terentius èn Plautus beiden waren de genieën, de klassieken--modern was er niets. Maar toch, er wàs geen tijd Terentius op nieuw heelemaal in te studeeren en de voorstellingen, zie je, moesten puik zijn; denk toch, voor de Megalezia, te Rome....! Achter hun drietal stieten de tweelingen elkander aan, hadden de samenzwering wel in de gaten, maar waren reeds zeker van hun Bacchides. Koesterden niet de minste vrees meer.... Dien middag werden de Bacchides gerepeteerd en ze zouden nu niet meer er van door gaan, zelfs al riep de genadige Domitianus zelve hen in zijn keizerlijken draagstoel.... Zij bleven vlàk achter hun dominus en zouden hun zaak niet meer bederven: zij zouden nu oppassen, hoor! En zoodra zij kans zagen senex en "paraziet" weg te duwen, voegden zij zich aan weêrszijden van den dominus vol zoete woordjes, gevlei, flikkeflooiden zij hun meester, beloofden héel mooi te spelen en te zeggen, en Cecilius vroeg en Cecilianus vroeg na, of het niet aardig zoû zijn hun koppen te maken, hun gezichten te schilderen naar de antieke maskers van den edelen Plinius? De dominus bewonderde hun inval: toch wel aardige, knappe jongens; ze hadden talent meer dan gewoon, zèker geërfd van hun vader Manlius, die een histrio was geweest.... En hij zei van ja, altijd ingepalmd door die twee. En zoo bleven zij den geheelen tijd om hun dominus: "dominus" hier en "dominus" daar; in de Thermen verlieten zij hem niet, maakten grapjes en iedereen keek naar hen, omdat zij zoo mooi naakt in het water waren en de dominus was trotsch op hen en verheerlijkte tusschen hen beiden. Een oude bader, half kaal, met grijzen ring haren en een dikken buik boven zijn altijd afvallenden badmantel bombeerend, wenkte den dominus en de capsariï zeiden, hij was de schatrijke Sextilianus en daarom ging de dominus naar den dikbuik toe. En Sextilianus bood den dominus tweehonderd-vijftigduizend sestertiën voor de beide tweelingen, als hij ze verkoopen wilde. Het zal niet gaan! riepen Cecilius en Cecilianus na, overtuigd van hun onverkoopbaarheid. Het was toch een goèd bod; een gewone slaaf-van-waarde kostte zoo ongeveer honderdduizend sestertiën. Maar de dominus, vlug, berekende toch, dat de tweelingen hem in de caterva niet minder opbrachten en hij zeide Sextilianus, dat hij ze niet missen kon, nu vooral niet, in de Megalezia.... Of ze dan niet eens konden komen voordragen, tijdens een banket.... Neen, neen, fluisterden de tweelingen tot den dominus, lieve dominus, en dat ze niet konden: ze moesten immers de Bacchides repeteeren, en morgen spelen? Dag aan dag spelen.... Misschien niet dàg-aan-dàg, meende de dominus, als de Menæchmi.... Dus toch de Menæchmi? fluistervroegen de jongens en duwden dikken, schatrijken Sextilianus, die tweehonderd-vijftigduizend sestertiën voor hen geven wilde, met den elleboog weg. Om de beurt: Menæchmi en Bacchides? Om af te wisselen? Nu goed dan, maar dan ook de rol van Erotium, aardige deerne-rol, nu eens door Cecilius, dan eens door Cecilianus laten spelen, hè? Clarus, die hem gisteren gerepeteerd had, was toch eigenlijk beter in een matrona-rol, had niet de intonatie van de meretrix. Vond de dominus niet? En ze vleiden en ze flikkeflooiden en de dominus, hoewel steeds met een autoritairen frons tusschen de brauwen, gaf toe, gaf alles toe, op éen voorwaarde; dat ze nooit meer zoo een heelen dag weg liepen en hem in ongerustheid lieten.... Een moord, ja een moord en een diefstal.... In de Carinæ.... Het was een ontroering: Rome was niet veilig; de Viermannen zorgden heelemaal niet voor de nachtelijke veiligheid; schorrie-morrie dwarrelde 's nachts altijd rond tusschen de zuilen der portieken; dat waren de columnariï, zoo als de Romeinen hen reeds noemden: dieven en moordenaars en 's nachts krioelden ze in de Suburra, in al de kroegen, taveernen, bordeelen. Ja, zeiden de jongens en sneden op: gisteren nacht, toen zij langs de Portiek van Octavia waren gegaan, had het er gekrioeld van columnariï, allemaal moordenaars en dieven. En de eene dronkelap, dien zij hadden gezien en uitgescholden, werd in hunne verbeelding een bende boeven en roovers en zij vertelden ervan hoe zij waren nagezeten, hoe zij hadden gevochten en de baders verzamelden om hen. Zij stelden zich aan, hingen ieder aan een arm van hun dominus om toch goed te laten zien, hoe goede vriendjes zij met hem waren en de dominus liep er in, geloofde, dat zij gevaar hadden geloopen, vloekte, dat zij zoo onvoorzichtig waren, drukte hun op het hart voortaan niet alleen door die groote stad te dwalen. Een man vermoord....? Ja, een man.... neen, tòch een vrouw.... En plotseling, op den drempel van de Thermen, die zij verlieten, om vlak bij, staande, in een taveerne, gestremde melk en honigkoek te eten, hoorden zij wie er die nacht vermoord was in de Carinæ.... Het was Nigrina....! Wie, Nigrina? Wel, de zwaardvechtster, je weet wel; ze trad in het Colosseum op tegen een beer of een tijger, soms tegen een anderen zwaardvechter of -vechtster en zelfs kerels hadden ontzag voor haar; ze was een patricische en de vrouw van een senator, die was al lang om het een of ander door den Keizer verbannen en zij was nu vermoord.... Nigrina, die met Fabulla....? vroegen de jongens. Ja, die natuurlijk, diè, en de jongens beweerden wereldwijs, dat zulke hooge vrouwen ook niet onder het volk moesten komen; dat liep altijd slecht af.... En onder elkaâr smoesden zij, toch even beïndrukt, als het wèrkelijk Nigrina zoû zijn, dat zij het er altijd goed hadden afgebracht, van hun nachtelijke avontuurtjes en onverwachte uitnoodigingen.... En, voor de taveerne bij de Thermen, bestormd door de baders, die er de roode kommetjes gestremde melk uitslurpten, besprak de caterva, bespraken alle de ontbijters het geval.... Neen, het wàs nièt Nigrina, hoorden zij nu weêr.... Wie het dan wel was....? Crispina, de Egyptische, de zuster van Crispinus, den gunsteling van den Keizer. En de dominus schrikte wel, toen hij hoorde, dat het Crispina was! Crispina, de moeder van de tweelingen, die met Manlius, den histrio, in der tijd.... Maar het was niet Crispina.... Er was heelemaal geen moord gepleegd.... Jawel, jawel.... Dus toch de Bacchides? Die verdomde jongens, ze kregen toch altijd hun zin. En de komedianten overluisterden ook een twist van Clarus en Cecilianus:
--Jij bent maar een matrona-jongen, zei Cecilianus hoog; alleen mijn broêrtje of ik kan Erotium spelen....
--Zoo, ben ik maar....? begon Clarus woedend; hij was al in de twintig, zijn stem werd al te mannelijk; hij moest die forceeren naar de hoogte toe.
--Ja, en jij hebt de stem van een vènt, minachtte Cecilianus en Clarus werd rood van boosheid maar de senex wenkte hem en zij smoesden, terwijl allen nu, langzaam, slenterend, op weg gingen naar het Pompeïus-theater, voor de repetitie.
De tweelingen lieten niet af van den dominus. Zij lieten zich niet meer afleiden door al het geklets en gekakel over den moord, hier, vlak bij de Carinæ, wier rijke huizen zich daar ginds verloren, weg verschoten in een fijn geschaduw van tuinen, van sycomorengeschemer en platanengeblaârte, doorzond door de nog jonge, gouden zon. Voorname draagstoelen wiegelden aan, aangekondigd door geklikkak van zweepen. Bevallige carpenta, met een of twee paarden, deden de voetgangers haastig schuil zoeken op de nauwe vluchtrichels; zwarte slaven, laatdunkend, stieten hun schreeuw van aankondiging uit. De caterva, vaak na gekeken, herkend soms toe geroepen: histriones!, slenterde onverschillig voor de algemeene minachting, langzaam een eind de Sacra Via op, door den Titusboog....
--De Joodsche Kandelaar! wezen de tweelingen den dominus.
--Hebben jullie dan àlles al weêr in Rome gezien? vroeg de dominus, steeds tusschen hen beiden in, langs de trappenvluchten van het Flavische Paleis....
--Daar woont de Keizer, wezen de jongens; en hier heeft de edele Plinius ons in zijn draagstoel meê genomen....
De dominus wist wel, dat de Keizer daar woonde, maar sommige komedianten, die nooit in Rome waren geweest, stonden stil, gaapten naar die prachtige, Olympische woning, zuilende op den Palatinus, tegen de doorzichtigheid van blauw kristallijnen Aprillucht.... En de jongens wezen, pedant, omdat ze het wel wisten, meér hadden gezien, aan servus en andere beminde caterva-leden....
--Het paleis van den goddelijken Domitianus....
Zonder dien beroerden "paraziet" en senex met een blik te verwaardigen....
En zij slenterden door de drukte verder. Nu was het zoo druk, voor het Huis van Vesta, en den ronden Vesta-tempel, bij den Tempel van Castor en Pollux, dat zelfs hun groote troep niet meer in het oog viel. Zij werden niet meer opgemerkt; zij zagen er bijna uit als iedereen; zij werden niet meer nagejouwd; hier verdrong zich en woelde de menigte. Steeds schreeuwden de voorloopers van draagstoelen en carpenta, klakten de zweepen, en de drukke stemmen lawaaiden luider, lachende, twistende, schertsende tegen elkaâr in. De tweelingen lieten den dominus niet meer los, hielden hem ieder aan een slip van zijn tuniek.... Zij genoten van de volte, de drukte. Zij wezen den dominus de Basilica Julia; zij wisten dadelijk in iedere vreemde stad den weg. Waarlijk, Rome herinnerden zij zich weêr, van drie jaren her, toen ze nog ukjes waren geweest.
--De Basilica Julia weet ik ook wel, bromde de dominus.
In de Baziliek verdrongen zich de wandelaars, schuilende voor de al warme zon. De schaduw koelde blauw tusschen de zuilen. Straatjongens speelden damspelletje op de, in de marmeren treden door hen gegroefde, vierkante lijntjes.... Meiden met kleurige toga's om--want de deerne droeg de "toga" en niet als de matronastola en palla--wandelden daar, wapperden met hare franjes, buitensporig gekapt, lonkten met geschilderde oogen.... Pleitbezorgers stonden met hunne slachtoffers te redetwisten, druk over hun hangende processen, met de duimen stavende hun bewijsredenen. Senatoren, in rood omzoomde laticlavia, begroetten elkander, deftig. En het was als kleur een even bont, maar zacht bont getinte, grauwige blankheid, om de weêrschijningen van al het marmer van het dicht op elkander bebouwde Forum: de tempels, de bazilieken, de zuilen, de trappetreden, de tallooze beelden, die alle de blauwige schaduwen sloegen.
--Hoe nu? vroeg de dominus, een oogenblik de kluts kwijt.
--Den Vicus Tuscus door, natuurlijk! oriënteerden zich de jongens dadelijk.
--Den Vicus Tuscus, natuurlijk! herstelde zich spoedig de dominus.
De jongens hìngen aan hem, lieten hem niet meer los, na de les van gisteren avond. Zij zouden hun Bacchides niet meer verliezen. Zij zouden zich vast klampen aan hun Bacchides èn aan hun dominus en zij liepen met hem vooruit: de caterva, slenterend, volgde, vol commentaar.
Langs den Vicus Tuscus, die van het Forum naar het Circus Maximus leidde, rijden zich de winkels. Hier stond het beeld van den god Vertumnus, god van alle wisselvalligheid, god van goed en slecht weêr, god ook van koop en verkoop. Hier waren de voorname zijdehandelaars, en op hun toonbanken plooiden zij voor de koopende vrouwen de kleurige, ritselende lappen uit, juist geschikt voor stola, palla, toga. De matronen verdrongen zich met de deernen, deden de stoffen knisteren in hare vingers. De goud- en zilversmeden stalden hun goudsmeêwerk, hun zilveren vaatwerk uit; de geurwerkers, in tal van kleine vaasjes van onyx, albast of goedkooper steen hadden in zeer kleine winkeltjes op planken hun koopwaar sierlijk uit gestald. Een barbier voor aanzienlijke klanten er naast. Open waren alle de winkels; het was alles klein, druk, vol, rumoerig en roezemoezig op elkaâr. Lavinius liep even bij Cosmus in. Het winkeltje, hoewel open, geurde een nardus-potje gelijk.
--Ik breng alles van daag in gereedheid, dominus! verzekerde Cosmus. Al je zalven, verven en poeiers....
--Maar dènk, vriend Cosmus, dat ik een arme drommel ben, die zijn geld moet verdienen!
--Kom, kom, je zit er goed in! meende Cosmus.
De dominus sloeg de armen op en uit, de tweelingen dicht naast zich. Er goed in?! Hij, een vrijgelatene, die vroeger, zelf slaaf, komediant, nu ja een beetje van alles gespeeld had, vrouwerol, "paraziet," senex, tot hij zich had vrij gekocht en een grex, o een kleine maar, had kunnen verzamelen....
--Wees maar niet bang, dominus; Cosmus zet je niet af, verzekerde de geurwerker; ik ben ook vrijgelatene, maar ik ben ook cliënt van een aanzienlijken patroon, van den schatrijken Sextilianus....
--Die ons woû koopen...?
--.... Ja, woû koopen....
--.... Voor tweehonderd....
--.... vijftigduizend sestertiën!! vielen de tweelingen samen in.
Cosmus lachte; Lavinius nam afscheid. Hij liep nu het Argiletum op, waar de boekenwinkels waren en den winkel van Tryfo binnen. Reeds had hij afgesproken met Tryfo, dat hij hem zijn titulï leveren zoû, om aan te plakken op de hoeken der straten en Thermen. En hij woû nog eens gaan hooren, want de tijd vloog om....
--Dag Martialis! Dàg Martialis! begroetten de tweelingen den dichter, die juist bij den boekhandelaar was om te hooren of zijn laatste epigrammenbundel goed werd verkocht. Dominus, dit is Martialis....!
De dominus wist nu wel wie Martialis was. Een moderne epigrammendichter, wiens epigrammen dóoden konden.... Verbeeldt je, als hij eens epigrammen, venijnige, dichten ging op hèm, op zijn grex, op de voorstellingen, die hij zoû geven! En hij dacht, dat het goed zoû zijn, zeer hoffelijk Martialis te groeten.
--Edele Martialis!! groette de dominus. Wat ben ik verheugd u te mogen begroeten, u, den geestigsten Romein onzer dagen! Wat zal ik het waardeeren, zoo niets u verhinderen zal onze voorstellingen bij te wonen! Vooral de eerste, waar alles wat Rome voornaam, aanzienlijk, geletterd, geleerd bezit, zal samen stroomen!
--Ik zal komen, ik zal komen, Lavinius, verzekerde Martialis; en wij zullen allen komen: Plinius, Quintilianus, Tacitus, Frontinus, Suetonius....
--Hooge eer doen de groote schrijvers mij aan en de edele proconsul en de alleredelste Plinius, verzekerde Lavinius Gabinius; en wij zullen de Bacchides, hoop ik, tot hun aller genoegen opvoeren.
--De Menæchmi.... Las ik ten minste op de acta diurna in het Forum, Lavinius....?
--De nieuwsberichten, meende, hoffelijk glimlachend, de dominus; zijn nooit héelemaal juist ingelicht. Wij zullen spelen, edele Martialis, misschien een enkelen keer de Menæchmi, maar vooral de Bacchides, vooràl de Bacchides....
--Daar spelen wij....
--.... Ja, wij....
--De hoofdrollen in! riepen de jongens.
Maar Tryfo rolde-uit een groot perkament.
--Zie hier, dominus....
--Mooi zoo! riep de dominus, dadelijk getroffen.
En zij lazen allen, Martialis, dominus, knapen het groote perkament van den titulus, de didascalia, het programma:
Acta Ludis Megalensibus.
--Vindt je die roode en zwarte letters mooi, dominus? vroeg de boekhandelaar, te gelijk uitgever en vrijgelatene, éen der cliënten van Plinius. Hij was meester van zeer knappe copiïsten: die zaten achter in een zaaltje over te schrijven en keken nieuwsgierig op, hunne stiften in de hand.... Martialis vroeg even, ter loops....
--Uw epigrammen, edele Martialis? Zeker, ik verkoop ze, ik verkoop ze.... De laatste bundeltjes zelfs voor drie-en-een-halve as. Iedereen wil ze hebben, grif gaan ze weg. Dus mooi, niet waar dominus; die roode en zwarte letters en mooi groot, niet waar, dat treft dadelijk:
Acta Ludis Megalensibus. Lucio Sosibiano et Marco Sofronio Ædilibus Curulibus.
--Zoudt ge niet de namen van de ædilen, beste Tryfo, meende de dominus, met iets grootere letters laten schrijven?! Dat doet altijd pleizier, weet ge.... Wat vindt gij, edele Martialis??
--De namen van de ædilen zoo groot mogelijk, Tryfo, zoo groot mogelijk!
--Goed dan, dominus; zeker, Martialis; de eigennamen iets grooter dan, met iets meer rood er tusschen? Maar ædilibus curulibus?
--Zoo laten, zoo laten, meende Martialis.
--Ja, zoo laten, meende de dominus, en de jongens bauwden na:
--Zoo laten! Niet met grootere letters: ædilibus curulibus!
Tryfo wees en las verder:
Door den beroemden Troep
--Neen, zei de dominus: niet "beroemd". Ik wil niet: "beroemd".
--Je hebt een beroemden troep, Lavinius, verzekerde Martialis. Je bent zelf beroemd.
--Ik bèn het, zeide de dominus, met kalme eigenwaarde; maar het staàt niet.... het staat niet waardig. Het staat zoo weinig letterkundig, artistiek: het doet zoo aan als een opschrift voor koordedansers en berenleiders. Neen, Tryfo, ik wil niet "beroemd"....
--We zullen dan niet "beroemd" zetten, dominus. Dus:
Door den Troep....
--Ja; door den troep....
--Met roode letters: troep....?
--Ja, troep rood: rood en zwart samen doen mooi.
Tryfo ging voort:
Door den Troep van Lavinius Gabinius.
--Goed zoo, meende de dominus, nu "beroemd" was door geschrapt, en las nu zelve:
Hymne en Voorspel met Dans, Zang en Fluitspel. Muziek van Atillius Burrhus voor Rechter- en Linkerfluiten.
--Je copiïsten zijn kunstenaars, Tryfo, meende Martialis.
--Het is heùsch nog al mooi geschreven, bracht Cecilius in het midden, met jeugdige, wereldwijze waardeering.
--In Alexandrië schreven ze de didascalia met gouden letters, fluisterde Cecilianus echter minachtend.
Maar voor de deur van het winkeltje verdrongen zich nu de komedianten en iedereen las op zijn beurt, hard op:
--Acta.... Acta Ludis.... Acta Ludis Megalensibus....
Daarna
lazen de dominus en Tryfo te gelijker tijd:
De Bacchides van Plautus.
--De Bacchides! De Bacchides!! klapten de tweelingen zegevierend in de handen. De Bacchides!!!
En zij zagen om naar de deur: daar verschenen de gezichten van den senex en den "paraziet". Nu, dacht de senex, hij had toch een aardige rol in de Bacchides. Maar de "paraziet" was bleek van woede en beloofde zich zijn lamme, kleine rol slècht te spelen, zelfs al zoû de dominus hem een kwaad ding doen....
--Staan onze namen er nu niet eens onder?? vroegen te gelijker tijd de tweelingen. Waarom staan onze namen er nu niet eens onder?
--Dat is geen gewoonte! zei de dominus beslist.
--Heelemaal niet! zei Tryfo.
--Wijk maar eens van de gewoonte af, ried Martialis aan. Mooi zoo: daar valt mij een epigram op "De Gewoonte" in! Dat heb ik ten minste al weêr!
Maar Lavinius en Tryfo beiden waren het met elkaâr eens, dat een strenge traditie gehandhaafd moest worden in den titulus.
--Didascalia, verbeterde eigenwijs Cecilius, die het Grieksche woord mooier vond.
--.... Didascalia, bauwde Cecilianus, klein mondje, na.
--Ziet u, edele Martialis; de titulus màg niet afwijken van de antieke tutulï, zooals Plautus en Terentius ze gaven.
--Jullie tooneelvolk groeit vast in je "traditie" en gewoonte, meende Martialis.
En hij zelve herhaalde nu:
De Bacchides van Plautus. De geheel Grieksche handeling valt voor te Athene.
Daarna: Verschillende ATELLANÆ met Zang, Dans en Fluitspel. Muziek van....
--De namen van die muziekmakers worden wèl genoemd, viel Cecilianus Martialis in de rede.