Chapter 7
--Knapen! riep Plinius. Willen jullie niets eten?
Zij verontschuldigden, op een afstand, beleefd, bedankten.
--Wandelt de tuinen dan rond, niet waar, zei Plinius vriendelijk. Of langs de zee.
De beide jongens bogen, gingen de trappen af. Zij dwaalden langs het strand en kwamen langs de keukens; de damp steeg van de pannen, die stonden op de verschillende, kleine, steenen oventjes.
--Cecilius, kreunde Cecilianus met zijn hand aan zijn mond; ik krijg zoo een verschrikkelijken honger....!
--Straks misschien, krijg je wat, troostte Cecilius en beiden snoven de geuren op.
--Wie zijn jullie? riepen, zeer bezig, de keukenslaven, verbaasd.
--Wij zingen straks en spelen....
--Komediantjes? vroegen de keukenslaven. Histriones?
--Zeg ze toch niet, dat wij comoedi zijn, zei Cecilianus zijn broêr, die boos werd. Ze begrijpen immers het onderscheid niet. Ja, we zijn histriones, hoor!
--Zing en speel dan eens wat voor ons!
--Vraag je meester of je ons mag komen zien, in het Pompeïus-theater, over twee dagen! En applaudisseer ons dan!
--Dat zullen we doen, hoor.... Wil je vast snoepen?....
--Neen, neen! kreet Cecilianus wanhopig, toen een schotel hem toe gestoken werd.
--We mogen niet eten als we spelen moeten, lichtte Cecilius in en trok zijn broêrtje weg van de verleiding.
De jongens dwaalden langs het strand.
--Hoe is het ook weêr, als Hero klaagt van den toren af? vroeg Cecilianus.
Zij repeteerden, aan den zoom van de zee. Hunne hooge stemmen klonken op, in recitatief, half zingende.... Zij zagen een jongen, bleeken man naar hen toe komen en zwegen.
--Ik ben Zozimus, zeide de jonge man. Ik ben vrijgelatene van mijn heer en hij verzocht mij jullie te zoeken. Ik draag voor en ik bespeel lier en fluit. Ook lees ik mijn meester dikwijls voor, geschiedenis en poëzie....
Hij hoestte en vervolgde:
--Zingen mag ik niet meer sedert ik bloed op geef, maar mijn gezondheid is veel beter sedert mijn heer mij zond naar Foruli, bij zijn vriend Paulinus. Berglucht heeft mij goed gedaan.
--Je heer, de edele Plinius, is wel een goèd meester? vroeg Cecilius.
--Hij is inderdaad onze pater familias, zei Zozimus; vader van heel zijn gezin van vrijgelatenen en slaven. Hij beschouwt ons, met allen eerbied gezegd, als kinderen, zoo goed is hij voor ons, die zelf geen kinderen heeft. Hij heeft mij gezegd jullie spel te begeleiden met lier of fluit.
--Wij repeteerden juist, zei Cecilius.
--Ja, wij repeteerden, herhaalde Cecilianus.
--Als je mij op de hoogte brengen wilt van het verloop van het kleine mimus-spel.... Terwijl dan de heeren eten....
--Ja, zeide Cecilius. Wij moeten ook een paar pallia hebben.
--Om ons te drapeeren, zei Cecilianus.
Intusschen werd in het triclinium den gasten het voorgerecht opgedischt. Plinius hield van geen overdaad: een dergelijke samenkomst met letterkundige vrienden was meer een voorwendsel tot kout dan tot het verorberen van tallooze spijzen. Maar verzorgd, met kunst toebereid waren toch de, zoogenaamd, landelijke spijzen. Iedere gast, op de hem voorgezette schaal, kreeg drie in sneeuw gekoelde slakken, met latuwe omringd en twee harde eieren; op een anderen schotel, olijven, komkommers en gefarceerde uitjes en dit was een eenvoudiger begin dan oesters en biggetepeltjes geweest zoû zijn. En de wijn, die geschonken werd, was de zelfde, die aan de tafel der cliënten en vrijgelatenen werd geschonken: geurige maar lichte landwijn van Plinius' landgoed te Toskane.
--Wij, redenaars, zeide Quintilianus; wij, die in het publiek vaak het woord voeren, het zij als advokaat in een proces, het zij in louter letterkundige oratie of voordracht onzer werken, kunnen van de tooneelspelers wel het een en ander leeren, als wij zorgen niet te theatraal te worden. Onze stèm, bij voorbeeld, kunnen wij zeer zeker scholen naar de methode, waarnaar de tooneelspelers de hunne scholen....
--Maar hoe jòng, zeide Verginius Rufus; zijn die knaapjes, die Plinius en Martialis ons mede brachten! Moeten zij reeds, op hun leeftijd, nauwlijks zestien, dunkt mij, groote vrouwerollen spelen en zèggen in een immens theater als dat van Pompeïus is. In mijn jongen tijd speelden oudere tooneelspelers die rollen.... Worden hunne stemmen, zoo jong, niet gebroken!?
--Ik meen, zeide Martialis, die met smaak zijn voorgerecht at; dat hun dominus hen ook om hun mooie smoeltjes die groote rollen laat spelen.
--En de vrouwerollen van de klassieke komedie, zei Plinius; zijn niet zoo heel lang en zwaar. Zij moeten goed gezegd worden en die knapen spreken zuiver. De kluchtige mimus-rollen zijn eigenlijk veel zwaarder, vermoeiender; dat zijn dan ook akrobaten, die die spelen....
--Decimus, vroeg Martialis den slaaf achter zich; schenk mij gekoeld water in....
De slaaf schonk hem een gecizeleerden, kristallen beker vol met gekoeld water.
--Een epigram, Martialis? vroeg Frontinus.
--Een epigram? zei Martialis. Volgaarne; hoor dan!
En hij improvizeerde, den beslagen beker vol sneeuwkoud water omhoog:
--Bewonder 't genie des Egyptenaars, want hoe vaak brak de kunstenaar, Wenschende meerdere kelken te scheppen, zijn brooze schaal.
De gasten klapten de handen, juichende.
--Na zoo sierlijk epigram op den vorm, Martialis, vraag ik er een op den inhoud! vroeg Suetonius.
--Op den inhoud? bedacht zich Martialis. Hoor toe, o jonge vriend!
En, steeds den beker hoog, zegde hij:
--Sneeuw niet te drinken maar water, door sneeuw slechts gekoeld, Is verfijning te prijzen van vernuftigsten dorst.
Zij juichten; zij klapten de handen.
--Gasten, meende Plinius; eischt niet méer van onzen goedgeefschen vriend: onbescheiden zouden wij worden....
Maar Martialis ging door, toen Decimus hem enkele droppelen zéer geurigen Massilianer in zijn schaal wilde schenken:
--Meng niet, o schenker, in mijn omsneeuwde water, Geur van Massilia; water blijve witter dan wijn....
Juvenalis zei tot Tacitus, fluisterend:
--Zie hem daar liggen, een oude Silenus al, maar nièt oud. Een man van ondeugden, vriend, als geen onder ons. Maar een dichter, fijn als geen onder ons ook....
--Hij drinkt water, zei Tacitus; omdat hij weet, dat Plinius matig is....
--Hij is matig uit vleierij....
--Hij vleit, maar in epigrammen.
--In Latijn, fijner gecizeleerd dan zijn Egyptische drinkschaal.
--In disticha, sierlijk als vóor hem niemand ooit schreef....
--Het is niets wat hij zegt....
--Maar als hij het zegt, wordt het iets....
--En men weet nauwlijks waarom het bekoort....
--Maar het bekoort....
Zij glimlachten Martialis toe, die iets van hun woorden had opgevangen.
--Ge oordeelt beiden uw vriend Martialis, dreigde hij met den vinger. Ik hoorde u wel....
--Dan zult ge gehoord hebben, dat ik u prees, zei Juvenalis.
--En ik je benijdde, zei Tacitus. Blijf jong, steeds levenslustig.... luchtig....
--Als wìj niet zijn, voltooide Juvenalis.
En hun aller vergoêlijkende glimlach ging naar den dichter toe, met den toedronk hunner uitgestokene bekers.
Maar een groote, lange steur werd rond gediend, weelde tòch, na den eenvoud der voorgerechten.
--Steur!! riep verrukt Martialis uit. Edele gastheer, wat keizerlijke weelde!:
--Zend dezen steur, gastheer, ter Palatijnsche taaflen; Zoo zeldzame spijs siere ambrozischen disch!
--Hij is onverbeterlijk! lachte Plinius.
--.... Maar eten wij hem éerst zelf op! vervolgde Martialis in proza.
Zij aten den steur en zonden hem niet naar Domitianus, als diens Egyptische gunsteling de beroemde Tarbot gedaan had, die Juvenalis in stilte reeds had bezongen.
Jong-evergebraad volgde....
Martialis, op dreef, riep dadelijk:
--'t Borsteldragende dier gelijk, dat Meleagros Velt met Ætolische spies....
En terwijl zij aten, vertelde de gastheer, dat hij een brief van Plutarchos had, uit Athene.... En dat hun aller vriend, de dichter Statius, steeds ziek was....
--Wat dunkt u, gasten? vroeg Plinius. Zullen wij, in afwachting van naspijs, onze komediantjes hooren?
De gasten beaâmden. Plinius klapte in de handen, drie malen. Hermes stond van der vrijgelatenen tafel op en naderde:
--Heer....?
--Kunnen de komediantjes nu iets ten beste geven?
--Ja, heer, zeide Hermes.
--Hebben zij wat zij noodig hebben?
--Zij hebben met Zozimus hun spel voorbereid en Plautilla heeft hun twee stukken lijnwaad gegeven, die zij noodig hadden.
--Is dat alles, wat zij behoeven?
--Ja, heer....
--Zeg hun dan te beginnen.
--Heer, zij vragen verlof te spelen tusschen de zuilen, tegen de zee aan.
--Wij zullen ons dan allen een weinig wenden. Wenden wij ons allen, lieve gasten, om de komediantjes te zien.
Zij schikten zich op de bedden zoo dat zij allen naar de zee toe zagen. Die trok zich zomerblauw en Zuidelijk recht tusschen de zuilen. Zozimus, met zijn dubbelfluit, zette zich bij de trap, op een marmeren zuilvoetstuk. Hij preludeerde....
--Geef Zozimus een kussen, beval Plinius, in zorg voor zijn vrijgelatene, wiens gezondheid zwak was....
Zozimus speelde: aan éen mondstuk klonken de twee fluiten van zijn instrument ongelijk; de rechter- was de hooge, de linker- was de basfluit en hij improvizeerde zijn melodie rechts en begeleidde haar links. Het was een teeder, weemoedig ingezet voorspel. Maar spoedig, op een hooge schabel, die een slaaf gezet had op de bovenste traptrede, even achter een zuil, verscheen Cecilianus. Met weinig middelen had de knaap zich vervrouwelijkt tot Hero, de priesteres van Afrodite. Enkele witte haarbanden, die de huishoudster, Plautilla, hem had verschaft, omgaven zijn breed uit gekamde blonde krullen en met een rooskleurig stuk lijnwaad had hij zich sierlijk omwikkeld en het vast gesnoerd om zijn middel. Het viel tot zijn voeten; zijn armen waren vrij, rond en blank als van een meisje. En toen hij op de schabel verschenen was, achter de zuil te voorschijn, tegen de blauwte der zee, zeide Hero's hooge stem van de kalmte dier zee en dat zij verwachtte wie iedere nacht den Hellespont overzwom, als zij haar lamp als lichtbaken op dezen toren geplaatst had. En Cecilianus, half zeggende, gesteund op het fluitspel van Zozimus, die weêr volgde het recitatief van den knaap, scheen verlangend te roepen van liefde, den Hellespont over, naar Leandros, die toefde.
En Plinius' gasten verwonderden zich om zijn stem, die hoog, hel, zuiver geschoold, uit galmde de verliefde smachting....
Ter zijde van het triclinium, schuchter, op het strand, kwamen de keukenslaven kijken en hooren. De gebaren van Cecilianus, zijne zich strekkende armen waren eene melodie van lijning, bijna onbewust mede vloeiende met de melodie van de rechterfluit, die telkens terug en terug kwam, meer en meer klagelijk om te vergeefsche wachting. Want de zee scheen te donkeren, te dreigen in woester aanrollende golven en Hero zegde, galmende, uìt haar angst en zij wròng de armen en zonk, aanroepend de godin, in een.... Er was een vreemde hartstocht in de accenten van den jongen knaap, iets niet van zijn leeftijd en sekse: een openbaring van zijn jonge kunstenaarsziel: Plinius en zijn gasten hoorden, elkander toeknikkende, toe, ontroerd....
Maar ter andere zijde, bij een andere zuil, was Leandros zichtbaar geworden. Zozimus herhaalde zijn smachtend verlangen-motief, minder hoog, mannelijker: de basfluit domineerde telkens. Cecilius, die Leandros speelde, zegde zijne liefde, zijne smachting naar Hero. Hij wenkte toen onmerkbaar tot Zozimus, en de fluitspeler, plotseling, gaf met zijn diepste bastonen der linkerfluit weêr de zee, die opstormde, den razenden, stormenden golvenslag. En Leandros--Cecilius--mimeerde, dat hij zich zoû werpen in zee. Hij wierp den mantel af, die hem omplooide, stond naakt. Het blond-blanke knapenlichaam lijnde zich verwonderlijk schoon uit tegen het marmer der zuil, tegen het blauw van lucht en zee....
--Die jongens mimeeren héel goed! bewonderde Tacitus.
--Zij zeggen bizonder zuiver! zei Quintilianus.
--Alleen de zee speelt haar rol nièt goed, zei Martialis.
In der daad, de zee bleef zalig blauw en lentemiddagkalm zich daar strekken tusschen de zuilen.... Maar in het kleine mimus-spel stòrmde de zee en Leandros had zich in de golven geworpen. En toen hij, aan de onderste trappetreden, mimeerde zijn zwem-inspanning, zijne hijging, de krachten, die hem begaven, lette Martialis niet meer op, dat de zee slecht speelde haar rol. Er was in het spel van Cecilius, die zijn stem en gebaar vermannelijkte, de strijd van de menschekracht en het overmachtige element. Er was in zijn kreet de wanhoop van te sterven vèr van zijn liefde.... Weêr verscheen Hero op den hoogen toren: Cecilianus op zijn schabel. Het scheen, dat hij in den donkeren storm onderscheidde den geliefde, die vocht met de baren. En Hero beurde haar lamp op, Hero wuifde met haar sluier, om moed, wie haar toe zwom, te geven, en de beide stemmen, hooger die van Cecilianus, iets lager die van Cecilius, riepen te zamen elkander hun wanhoop, hun angsten, hun smarten toe. Alle de slaven nu, links en rechts, waren toegeloopen.... De beide knapen, op Zozimus' bassigen golfslag, herhaald en telkens herhaald op de linkerfluit, met de arabesk des verlangens, die scheen te verwarren in smartvaag en windvlaag, op de krijschende rechterfluit, klaagden hoog hunne stijging van ontroeringen uit. Toen verdween Leandros; hij verdronk, zijn hand wuifde nog het vaarwel. En Cecilianus riep tot den hemel en Afrodite Hero's verwijtende smart en stortte zich omlaag....
Het fluitspel vervloeide als een zich verzwakkende golfslag....
--De zee speelde, onverschillig, niet meê, beâamde Plinius tot Martialis; maar de beide jongens zijn kùnstenaars.... Neen, ik heb, waarde Frontinus, geen vaste narren, vaste fluitspelers, dwergen of andere kunstenaars-kunstenmakers onder mijn familia. Ge weet, wat dit voor volkje is. Zoo zij obsceen waren tegen over mijn gasten, zoû mij dit niet verwonderen, want zij meenen, dat zij het moeten zijn om ons te vermaken, maar hunne obsceniteiten zouden mij toch nooit kunnen behagen. "Prodigia", monsters noemen wij ze dikwijls, niet waar. Aan den anderen kant ben ik toegevend voor anderer smaak en wil ik mij niet verontwaardigen als anderen in hen genoegen nemen. Knapen, zijn jullie moê of draag je ons nog een andere mimus-tweespraak voor?
De jongens waren bereid.
--Wat dunkt u, edele heer, zei Cecilius; van "Adonis en Afrodite?"
Maar Hermes, verschrikt, naderde Plinius.
--Heer, zeide hij.
--Wat is er?
--Er is een boodschapper van het Palatium....
Allen schrikten. Over dit oogenblik van vredig samenzijn dier bezadigde mannen van verstand en smaak, over de bekoring van dit nog niet afgeloopen maal,--de zon daalde ginds rossiger, de kalme zee purperde--over dit ènkele uur van onbezorgdheid tusschen wijn en kout, waarbij de knapen hun gratievolle kunst hadden gevoegd, viel de druk, de altijd weêr terug keerende druk.... Viel plots de sombere melancholie, de stille vrees, de onzekerheid der vreeslijke tijden. Zij waren allen op gestaan, om Plinius heen; zij waren bezorgd voor hun vriend.... Want zij voelden allen de onzekerheid en de vrees, de melancholische somberheid en wie deze nièt voelden, dat waren alleen de beide knapen.... Zij stonden verwonderd, nog denkende van "Adonis en Afrodite," omdat de edele Plinius een tweede mimus-tweespraak wenschte en zij begrepen den druk niet: voor hen was alléen de onbezorgdheid, de luchtige uitoefening van hun "veracht bedrijf," de benijdenswaardige onbekendheid; wiè waren zij, om vrees te koesteren, hoe vreeslijk de tijden ook waren....! Boodschap van Domitianus zoû hen niet deeren: hij wist niet van hen af....
--Wat wenscht de Keizer? vroeg Plinius bleek: de ongenade kon ièder oogenblik treffen.
--De Augustus wenscht, dat Marcus Valerius Martialis op het Palatium kome....
Er was een verademing. Martialis lachte....
--Hij vraagt maar om mij.... Waarde vrienden, vreest niet om mij.... Ik ben maar zijn nar en zijn honigsmeerder. Neen, mij zal niets overkomen. Ik zeg hem mijn zoetste epigrammen en hij slikt ze, hij slikt ze en lacht.... O, waarde vrienden, ik ben het maar, om wien een keizerlijke boodschapper, te dravende paard, naar Laurentum kwam, na mij eerst in Nomentum te vergeefs te hebben gezocht. Ik ben het maar, Martialis, zonder eenigen last van eervolheid op de schouders, nauwlijks behoorende tot onzen kleinen ridderstand--behoor ik er eigenlijk toe?--zelden met meer dan eenige as op zak, die woont in een klein huisje, dat de Keizer hem schonk maar zònder waterleiding, en die nog zoo heel gelukkig is éen aardig slaafje--éentje maar--te bezitten, dat hem zijn water haalt; Martialis, mijn vrienden, die Hermes nu om zijn oud, klein toga-tje vraagt, om ten Hove, op avondbezoek te gaan! Vrienden, vrienden, zit toch weêr in Horatiaansche zielerust neêr en laat mij gaan: werkelijk, mij zal niets gebeuren, dan dat ik van daag te veel eten zal, als Domitianus mij voor het avondmaal noodt. En vreest dan nòg niet o vrienden, want ik haal dat morgen dadelijk in: ik eet morgen dan maar nièt, o vrienden!
De gasten lachten, verademd. Hermes kwam met de kleine toga.
--Martialis, zeide Plinius. Een draagstoel, natuurlijk, is te uwer beschikking.
--Dank, voorzienende vriend....
--Alleen.... Wilt gij de komediantjes meê nemen naar Rome....
--Ik wil het, zoo gij ze "des draagstoels recht" geeft....
De gasten lachten....
--Knapen, zeide Plinius. Wij kunnen "Adonis en Afrodite", helaas, niet meer hooren. Je moet meê, met Martialis. Verkleedt je en gauw; de Keizer wacht....
De beide jongens haastten zich weg, om hun tuniekjes aan te doen.
--Hermes, beval Plinius. Bereid een mand voor die jongens. Doe er drank in en spijs. Breng mij de citroenhouten kist, die in mijn werkkamer staat. En het zilveren kistje, uit het schatkamertje.
Er was een zenuwige ontroering tusschen gasten en slaven, nu de naam van den Keizer geklonken had. De knapen kwamen, gekleed, terug.... Voor den porticus bereidden de Nubiërs een draagstoel, een kleineren, dan die in statie Plinius ter salutatio vervoerd had. Hermes kwam met het zilveren kistje en de citroenhouten kist.
--Knapen, zei Plinius, kistje en kist ontsluitend. Je hebt ons mooie kunst gegeven. Jong, zijn jullie reeds kunstenaars.... Hier is voor ieder een vergoeding....
Hij gaf ze ieder een goudstuk.
--Hier is een vergoeding voor den dominus: vergeet niet hem die te geven.
Hij gaf hun een derde goudstuk.
--En hier, zeide hij, openend de citroenhouten kist; is nog iets, dat je pleizier zal doen. Hier zijn, tusschen andere Grieksche herinneringen van mijn reis in Hellas, twee Grieksche tooneelmaskers, vrouwerol-maskers.... Zij zijn niet geschikt om te gebruiken als jullie spelen.... Maar ze zullen je misschien van nut zijn, niet waar, en bij mij sluimeren ze maar in deze kist!
--O, heer! kreet Cecilius uit. Het zijn pràchtige Grieksche personæ!! Het zijn maskers, die men zelden meer vindt! O, heer, dank: wij zullen, als wij de Bacchides spelen, onze gezichten schilderen naar déze maskers!
--We zullen allen je dan komen zien, maar nu wèg, wèg!! De Keizer wacht Martialis....
Allen begeleidden Martialis, die zijn toga-tje met zwier had omgeslagen of het een senatoren-laticlavia geweest ware. De knapen volgden hem, met hun mand en de maskers.
Zij stegen in, de gasten wuifden. De zwarte slaven dráafden weg.
--Martialis.... begon Cecilius, wenschend zijn indruk van dien middag mede te deelen.
--Jongens, zei Martialis. Hoû je stil. Dit is een héel gewichtig oogenblik. Ik moet mìnstens vijf nieuwe epigrammen voor den Keizer verzinnen. Laat mij peinzen en dichten in stilte.
--Ja, Martialis, zei Cecilius, eerbiedig, onder den indruk, dat Martialis bij Domitianus ontboden was.
--Cecilius, klaagde Cecilianus; nu sterf ik hèusch van den honger!! Wàt zit er in die mand....?
En hij greep er naar en opende....
Achter de pijnbosschen van Laurentum rossigde de ondergaande zon. De wijde zee baadde zich in een bad van purper. De villa verschimmigde met hare wijkende zuilen. De dragers draafden....
Cecilianus, gretig, gulzig, grabbelde in de mand. Hij vond er de, in latuwe omhulde, slakken, de harde eieren, sneden evergebraad en honigkoeken, veel fijner en geùriger dan die van Nilus. Hij vond er een kruik vol wijn....
En de jongens, in de schemering, die viel over den weg, aten gulzig, zwijgend, gewiegeld op het rhythme der dravende dragers.
Terwijl Martialis, over hen, ernstig in de kussens, achter in den draagstoel, zwijgend ook, zijn vijf epigrammen dichtte....
IV.
Het was donker van vallende nacht, toen de draagstoel door de Porta Ostiensis en langs de Zuidzijde van den Circus Maximus Rome bereikt had: de dragers, hijgende, repten zich langs het Pædagogium der keizerlijke slaven en hielden stil bij een kleine achterpoort, waarbij een wachthuis van Prætorianen; de soldaten, op een bank schrijlings gezeten, dobbelden, om een kruik wijn bij het licht der walmende muurlamp.
Martialis wekte op uit zijne peinzing.
--Jongens, zeide hij. Hier stap ik uit. Dit is de poort, waardoor ik den Keizer bereik. Waar gaan jullie heen?
--Heer, zeide Cecilius. Wij moeten den dominus zoeken....
--.... dominus zoeken, herhaalde Cecilianus.
--Hij zal vermoedelijk in het Theater zijn....
--.... in het Theater zijn van Pompeïus....
--.... van Pompeïus, natuurlijk....
--Kunnen jullie het vinden, jongens? vroeg Martialis. Want jullie mogen alleen niet verder in den draagstoel.... Ik heb zelfs al betwijfelbaar recht in een draagstoel te zitten!
--Natuurlijk, heer; wij zullen wel loopen....
--.... Zullen loopen, echode Cecilianus.
Zij stegen alle drie uit; Martialis gaf drinkpenning den voorloopers. De nacht, na den schitterenden Aprildag, was vochtig: een zilveren waas hing in de lucht, als een immens, doorzichtig spinnerag.... De jongens, in hun lichte tuniekjes, rilden.
--Hier, zeide Martialis--hij greep een witte lacerna, die lag in den draagstoel; doet dezen mantel aan; ik ben overtuigd, dat de edele Plinius hem in den draagstoel heeft doen leggen voor wie van ons drieën het koud zoû hebben.
--Gelooft gij, heer? weifelde Cecilius.
--Ik wel, zei Cecilianus; want de edele Plinius is een bizonder edel heer.
Martialis sloeg de wijde lacerna den beiden jongens om en glimlachte....
--Jullie zien er uit net twee kleine Dioscuurtjes, zeide hij; in dien eenen witten mantel. Ik zal eens een epigram op jullie maken. Maar nu zit ik nog met mijn vijfde in de maag, voor den Keizer.... Vier kan ik er hem niet toe dienen, dàt is geen eerbiedig getal en drie is te weinig. Goede nacht, mijn Prætorianen.... Ik ben bij den Keizer ontboden.
--Ga binnen, Martialis, noodden de Prætorianen, die op stonden; de draagstoel wiegelde al weg....
--Ik haast mij, zei Martialis; hij streelde Cecilius vlug over zijn hoofd, tikte Cecilianus op de wang en slipte het poortje binnen, om den Keizer vooral niet langer te doen wachten dan noodzakelijk was.
--En jullie, jochies? vroegen de Prætorianen, die zich weêr zetten bij de kruik en de dobbelsteenen, schrijlings over hun bank.
--Wij moeten, lichtte Cecilius in; naar het Theater van Pompeïus.... Wij zijn komedianten....
--Kom maar wat bij ons zitten, jochies, noodden de Prætorianen; zij zaten in hun leêren soldatentunieken, de zware caligæ gesnoerd om de voeten, de breede riemen om de kuiten; helmen hadden zij afgezet; zwaarden hingen aan den muur. En zij verveelden zich. Zouden nog lang niet worden afgelost en jonge komediantjes waren altijd aardig.
--Neen, zeide Cecilius; dat "zal niet gaan"! Wij moeten naar onzen dominus....
--"Zal niet gaan".... kwam Cecilianus na.
--En ik hóop, dat die in het Theater is.... We moeten heùsch naar het Theater.... Waar is het?
--Ga dan maar langs het Septizonium.
--Die hooge toren daar?
--Ja, die hooge wachttoren daar.... En dan den Circus Maximus heelemaal langs....
--En dan?
--Het Forum Boarium over....
--Ecàstor! En dan?
--Tusschen den Capitolinus en het Theater van Marcellus....
--Is het dan vèrder dan het Marcellus-Theater?
--Bij Herkles, ja, een goed eind verder.
--En dàn?
--De Portiek van Octavia door en langs het Theater van Balbus....