De komedianten

Chapter 5

Chapter 53,684 wordsPublic domain

--.... Wel patriciërs? Wie weet? We zijn vondelingen of gestolen kinderen.

--In Syracuze verkocht....

--Ja, we zijn gestolen patricische kinderen. Wie weet, onze moeder is misschien de Keizerin!!

--En onze vader....

--Een komediant. De Keizerin heeft Pâris, den mimus, tot minnaar....

--.... Ja, tot minnaar gehàd. De Keizer heeft hem laten kruisigen.

--Ja, kruisigen. Wij zijn misschien....

--Wie weet....

Zij staken, bij die veronderstellingen, den neus in den wind, liepen terug langs Colosseum en Meta-Sudans. Bij de fontein stond aan een stalletje een koopman met oliebollen.

--Ik heb honger, zei Cecilianus.

--Ik ook....

Zij kochten de oliebollen en aten ze. De voorbijgangers zagen hen aan, zoo als zij oliebollen aten, gedost in hun gele tunieken, geborduurd en met de lokken zoo blond en lang. En de voorbijgangers riepen. Het waren werklui, kleine kooplui. De jongens staken hun tongen uit. Toen gingen zij verder, den Boog van Titus door en zagen naar de bas-reliëfs binnen den Boog.

--De Joodsche Kandelaar .... grinnikte Cecilius.

--Gek ding, die Kandelaar, beaâmde Cecilianus en zij liepen den weg af.

--Kijk, wees Cecilius. De Palatinus!

--Mooi! bewonderde Cecilianus.

Het Flavische Paleis schitterde tegen de blauwe lucht. De zware zuilen verluchtigden glinstergreinig in het reeds van lentezoelte trillende licht, daar boven op den paleisheuvel. De geveldriehoek, vol beeldhouwwerk, teekende zich monumentaal meetkunstig af: een epiesch gedicht, in marmer, allegorie vol trotsende majesteit. De bronzen pannen schitterden als gulden kronkels en een vlucht van trappen geleidde naar boven, naar de Area Palatina, het plein, waar de zon gloeide over de helmen der Prætoriaansche wachten, die er stonden, geleund op hun lange speren. Rood-omrande toga's, kleurige mantels bewogen daar, dalende ....

--Daar woont de Keizer! zei Cecilianus.

--Ja .... Domitianus ....

Zwarte slaven schreeuwden om plaats te maken. Zij cirkelden met zweepen; draagstoelen drongen achter hen aan en carpenta met éen paard of twee paarden. Voetgangers weken voor de voertuigen. Cecilius en Cecilianus werden opgedrongen, op de nauwe vluchtrichels van de Sacra Via. De trappen af kwamen de Senatoren, Consulaire-personen, Aanzienlijken: zij waren ter morgen-salutatio bij den Keizer geweest: hunne gelaten stonden bleek en strak: niemand wist ooit....

De jongens voelden, dat dit grootsteedsch was.... Zij hielden zich tegen elkaâr aan, maar werden gedrongen, opgedrongen, weggedrongen....

--Komedianten! scholden verontwaardigd de Aanzienlijken, die hun draagstoelen onder aan de paleistrappen-vlucht bereiken wilden. Jaàgt ze weg, die komedianten!

De slaven cirkelden met de zweepen.

--Gemeene negers! vloekte Cecilius. Vuile roetkoppen! Zal je niet slaan? Zal je mijn broêrtje niet slaan?!

--Uit den weg!!

--Komedianten! schold het volk, nu de Aanzienlijken hadden gescholden. Kijk ze, met hun lange haren en hun gele meidejassen! Kijk ze met hun dansschoenen loopen over de Sacra Via! Schamen ze zich niet!? Koordedansers! Komedianten! Schàndejongens! Wat doen ze hier, op de trappen van het Paleis! Jaagt ze weg! Dat minne spullevolk! Wat doet dat op het Forum! Jaagt ze wèg!

Cecilianus werd bang. Hij drukte zich tegen Cecilius, die hem omhelsde. En Cecilius werd woedend en speelde op:

--Ellendige vlegels jullie! Als we spelen, komen jullie wèl aanloopen, hè? Dring je je doòd, op de bovenste rangen, om òns te zien, om òns te zien! Moet je ons schelden, als we niet spelen? Moet je ons douwen, stomme volk! Jij mij douwen, jou leelijke neger! Roetkop! Roetkop!!

--Theateruitvaagsel, jullie! Schreeuwleeliken van de planken! Mombakkesen! Verbergen jullie je achter je maskers! Komedianten!

Cecilianus begon te huilen tegen zijn broêr aan: het volk begon met vuil te werpen, maar de Aanzienlijken schreeuwden hooger nièt te werpen; zij stegen boos, verontwaardigd, in hunne draagstoelen; er was een hevig gedrang, een geklikklak van zweepen; wie getroffen werd, schold de zweepslaven.

--En of ze nu komedianten zijn, bromde kalm een rauwe, barsche stem. Wat zoû dat dàn nog! Gaan jullie je weegs hè, of ik schrijf een epigram op de Romeinsche ploerten en gapers onder aan het paleis van onzen goddelijken Jupiter-Domitianus en rànsel jullie er meê om de ooren!

De omstanders lachten, ontwapend.

--Wie? vroegen er.

--Wel, weet je niet? Martialis, de Spanjaard....

--Neen, Romein.... Al zoo lang.

--Nou ja, de dichter. Hij dicht epigrammen....

--En gemeene, hoor. Speldeprikken....

--Maar waar je aan dood gaat....

De omstanders gaapten toe, bekoord lachende, hunne stemming gewaaid met dien wind. De slaven klikklakten met de zweepen. De eene draagstoel na den andere vertrok, in voorname wiegeling....

--Zijn jullie komedianten? vroeg Martialis.

--Ja, heer, bekende Cecilius, een arm om Cecilianus, die, bang nog, huilde tegen hem aan. En tot Cecilianus:

--Huil toch niet.

--Spelen jullie....?

--Tijdens de Megalezia, heer. In het Theater van Pompeïus.

--Bij Pollux, jullie zijn een paar aardige komediantjes dan. Slaven?

--Ja, heer, van onzen dominus-gregis; u weet wel, Lavinius Gabinius: zijn troep is heel beroemd....

--Lavinius Gabinius, zeer zeker!

--Juist....!

Cecilius glimlachte vertrouwelijk. Dit was ten minste een ontwikkeld man, deze meneer in zijn niet lange, wel even gevlakte, niet zoo heel blank gevolde toga.... deze Martialis, die "epigrammen" scheen te schrijven, waar je aan dood ging.... Zeker een bekènde dichter in Rome.... En Cecilius, hoewel hij nooit van Martialis gehoord had, waagde:

--Ik ken u ook.

--Zoo? zei Martialis glimlachende.

--Natuurlijk! Wie kent Martialis niet, den epigrammen-dichter. Nou, u schrijft er venijnige....

--Las jij ze dan....?

--Of ik ze las! loog Cecilius, bang, dat Martialis hem er een vragen zoû te reciteeren....

Maar Martialis tastte in den plooi van zijn gordel:

--Hier heb je dan de laatste, die je nog niet gelezen hebt en die je dan niet bij de boekhandelaars in het Argiletum hoeft te koopen.

En Martialis gaf Cecilius een dun, zeer klein, perkamenten boekje, in dien vorm, waarin kleine, luchtige litteratuur verscheen, in onderscheid met de lange rollen, van meer gewicht en pretentie.

--Ik dank u, heer, zei Cecilius blij, en schoof het boekje weg tusschen zijn gordel.

Maar een rustige stem, op de trappen, riep:

--Martialis....

Martialis, haastig, wendde zich. Het volk zag wel toe maar schreeuwde en schold niet meer. De draagstoelen, de een na den ander, vertrokken; in sommige stegen matronen.

--Stel je voor, fluisterde Cecilius, om Cecilianus te laten lachen; dat onze moeder misschien zit in een van die draagstoelen!

--Wij zitten er zeker niet in, bromde Cecilianus, nog tusschen zijn tranen door en dicht tegen zijn broêr.

--Edele Plinius! begroette haastig Martialis wie hem geroepen had en de trappen af daalde: een nog jonge man, treffend aanzienlijk, fijn van trekken, voornaam, beminnelijk, aristocratiesch van stem en gebaar, dat zich even met rechterhand beeldde uit zijn breede, blanke toga. Wees gegroet! Als gij ziet, ben ik, gehoorzaam aan uw wensch, u hier wachtende tot gij van onzen goddelijken Flaviër terug zoudt keeren....

--En gaat ge dus meê naar Laurentum, om aan te liggen, met de andere vrienden....?

--Gaarne, beminnelijke vriend en beschermer; de middag zal er een zijn, goden waardig....

--Maar met wie zijt ge....? Wie zijn deze jonge knapen, die er uit zien....?

--Als komedianten, dat ze ook zijn. Ik beschermde ze even voor die ploerten daar en dat gepeupel, dat ze natuurlijk uit schold.

--Ge hebt wel gedaan, volgens uw hart, even goed als uw epigram soms vinnig kan zijn. Zijn zij komedianten dus....?

--Even zeker als zij er als komedianten uit zien, beminde vriend. Van den grex, die met de Megalezia komt spelen, van Lavinius Gabinius....

--Maar dàn.... Ik bedenk mij, Martialis.... Ik heb niemand, geen mimen, geen danseressen voor van middag om ons maal wat op te vroolijken, als wij even van eigene kout willen rusten.... Ik ben een schandelijke gastheer, daar niet eerder aan gedacht te hebben en mijn vrijgelatene, Hermes, verdient ook een berisping mij er niet aan te hebben herinnerd.... En met de aanstaande Megalezia gaat het niet gemakkelijk goede kunstenaars te vinden, nu zij in voorbereiding zijn van hun spel en dans en mimus. Wat dunkt u, zouden deze knapen ons niet kunnen dienen? Zij zien er verstandig uit en beschaafd.

--Ik twijfel niet, beste vriend.

--Hoe heet je? vroeg Plinius aan Cecilius; trots zijn jeugd, even dertig jaar, had Plinius een kalme waardigheid over zich, dat van den vroegeren Romein; iets deftigs, dat toch beminnelijk bleef, omdat het zoo geheel natuurlijk ademde uit zijn voorname uiterlijk, klonk in zijn kalme, wat hooge stem.

--Cecilius, alleredelste heer, antwoordde Cecilius.

Martialis lachte.

--Bij Herkles! Dàt is vermakelijk! Als gij zelve dus, vriend! Want Cecilius, onze hooge beschermer heet Caïus Cecilius Plinius Secundus....

--Ik heet alléén maar Cecilius, edele Martialis, zei Cecilius, zich verontschuldigend; en mijn tweelingbroêrtje Cecilianus....

--Cecilius dan en Cecilianus, hernam Plinius--de Jongere, als hij in onderscheid van zijn overleden oom, den grooten natuurkenner--genoemd werd; kunnen jullie, lieve knapen, meê komen naar onze villa bij Laurentum, om ons gastmaal met zang, dans en voordracht op te vroolijken?

Cecilius en Cecilianus, zeer verrast, raadpleegden elkander, hooge kleur, stralende oogen. Zij begrepen elkander met éen blik....

--Alleredelste heer, zei Cecilius; mijn broertje meent als ik, dat, zeer zeker, het ons hooge eer en groot voordeel zoû zijn.... zoo wij niet vreesden, dat onze dominus.... indien wij zoo lang weg blijven....

--Ongerust zal worden, voltooide Cecilianus schuchter, omdat Cecilius, plotseling verlegen, steken bleef.

--Wij kunnen hem boodschap zenden, stelde Plinius gerust.

--O, dàn, heer....

Plinius wenkte achter zich éen zijner cliënten, die in dicht gevolg daar marden, over de trappen van het Flavische Paleis. Cecilius gaf het adres.

--De dominus zal in het Theater zijn, als hij van de ædilen terug komt....,

--Hij moest naar Gymnazium, voor de kapsels, dorst Cecilianus in het midden brengen.

--Naar wiè? vroeg Plinius.

--Gymnazium!! schaterlachte Martialis. Ik kèn haar, met haar kapster! Ja, edele vriend, in de Suburra zijn antieke gewoonten èn antieke bijnamen behouden gebleven....

--Of, zei bedenkend Cecilius; hij eet misschien bij Nilus, den Egyptenaar....

De cliënt nam van alles notitie, ging reeds.

--Wij wonen.... riep Cecilianus hem achterna.

--.... Ja, riep Cecilius zijn broêr in de rede; achter de Suburra, in het huis met de vijf verdiepingen, waar de voller...., rechts....

--En links de slavenkoopman!! riep Cecilianus achter zijn hand den cliënt na, die zich weg haastte....

--Kunnen jullie dàn meê, knapen? vroeg Plinius, de Jongere.

--Wij zijn tot uw allerédelsten dienst, heer, zei Cecilius, plichtplegerig. Hij rook goed gewin, lekker eten, pleizier en knipoogde tegen zijn broêrtje.

Plinius wenkte. Een ruim heptaforum, getorst door zes zeer sterke Nubische slaven, maakte zich baan: zes andere telkens hen afwisselende Nubiërs volgden: twee voorloopers klapten met zweepen. De draagstoel, de weinige kleedij der slaven was rijk, smaakvol, eenvoudig.

--Stijg in, Martialis, noodde Plinius.

Martialis, na plichtpleging, steeg. Hij zette zich, half liggend, de arme epigrammendichter glimlachend genietend het mollige kussen. Plinius volgde hem.

--Komt binnen, knapen, noodde Plinius met de hand.

--Wij, heer? aarzelde Cecilius en Cecilianus wees op zich, vragend.

--Komt binnen....

De jongens waren aan alles, vooràl verrassingen, gewend. Zij stegen in, met plichtpleging. Zij zetten zich over dien voornàmen Plinius en dien aardigen Martialis. Plinius wuifde de hand tegen de cliënten--wat had hij er een boel!--die bogen. En de beide jongens, omdat het plebs en de ploerten stonden te gapen van verbazing, trokken de neuzen op, zagen minachtend over de koppen heen.

--Niemand durft meer schelden, fluisterde Cecilianus zijn broêrtje in.

--En jij, fluisterde Cecilius; zit in een draagstoel, net als je moeder....

--Hoe was de salutatio? vroeg, met zachte stem, Martialis.

Plinius fluisterde terug. De Keizer had de ontbodene Senatoren, Consulairen, Aanzienlijken lang laten wachten. Toen was hij, somber, verschenen, had weinig gezegd, was weêr verdwenen, met zijn achterdochtigen blik achter zich om.

--Ik geef hem maar hònig in epigrammen, fluisterde Martialis. Gisteren nacht werd ik ontboden. De Keizer heeft, even, om me gelachen. Ik vergelijk hem maar bij Jupiter.... Vergeef me, edele Plinius, maar ik kan niet anders.... Heusch, het is beter, dat ik den schurk bij Jupiter blijf vergelijken....

--Het is je vergeven, fluisterde Plinius; als je het altijd doet in zulk kunstvol gecizeleerd Latijn. Dàn is je alles vergeven.... Maar laten wij oppassen: die jongens....

--Néen, zijn geen verklikkers!! Ze denken nu alleen aan den draagstoel.... Kijk, ze voelen beiden over de ebbenhouten armleuningen; ze streelen over het ivoor en ze nestelen zich in de kussens.... Neen, die jongens denken aan héél andere dingen....

Plinius glimlachte, vergoêlijkend. Hij begreep, alles verontschuldigend, omdàt hij begreep. Hij zuchtte diep, meende, dat hij, op nieuw, ditmaal, onbevreesd kon zijn, dat Domitianus.... En toch, wie wist.... Een gril van den Keizer, die reeds zoo dikwijls onschuldigen.... Hij zette de zorgen van zich, verlangde naar zijn villa, naar zijn vrienden, naar het maal, waaraan hij ze genoodigd had.

--En waarmeê zullen onze blonde komediantjes ons dienen? vroeg hij den knapen.

Cecilius en Cecilianus raadpleegden, gewiegeld in de weeke kussens, elkaâr met de oogen. Zij begrepen elkaâr. Zij begrepen, dat deze heer een héel voorname, heel beminnelijke, heel milde heer was en die nièts anders wenschte dan voordracht en zang en dans.... En zij begrepen ook, met dien eenen blik, van elkaâr wat zij dachten te zullen zingen, dansen, mimeeren....

--"Hero en Leandros", heer, zei Cecilius. Uit het Grieksch. Het is heel mooi.... Maar hoe met de muziek....?

--Zozimus, misschien, mijn vrijgelatene....?

--Bespeelt hij de fluit, heer?

--En goed!

--Dàn....

Cecilius glimlachte, om te zeggen, dat het dàn wel gaan zoû....

Plinius had pleizier in de beide aardige komediantjes.

--Sedert hoe lang spelen jullie reeds, knapen?

Cecilius vertelde het hem en hij hoorde vriendelijk toe, van nature, niettegenstaande zijn voorname hoogheid, beminnelijk tegen minderen, de minsten. Cecilius vertelde hem, dat zij beiden òf vondelingen òf gestolen kinderen waren en op prillen leeftijd reeds in bezit van Lavinius Gabinius, die zéer goed voor hen was geweest, net een vader.

--De dominus heeft ons al dadelijk een goede opvoeding gegeven, edele heer; hij heeft ons bij een grammaticus, op de school in Syracuze, laten leeren, grammatica en spellen en zuivere uitspraak van klinkers en medeklinkers, wanneer men aspireeren moet, wanneer niet en te gelijk met de grammatica leerden wij muziek, fluitspelen en ons bewegen en àlles wat met rhythme te zamen hangt en een knappe rhetor, heer, leerde ons toen in Syracuze zèggen, vertellen, een kort verhaal doen, het hem na vertellen, als hij het verteld had, bij voorbeeld uit de Metamorfozen van Ovidius, heer. Wij hebben Cicero moeten lezen, heer en te gelijker tijd leerden wij dansen. En toen wij dansen konden en mimeeren, leerde Lavinius Gabinius ons van het komediespel en leerden wij Plautus en Terentius spelen en Menander in het Grieksch. Hij leerde ons alle rollen spelen, heer, ook den senex en den milesgloriosus en den "gierigaard", maar hij bracht ons toch op voor de "eerste-vrouwe"-rollen, heer en hij ontwikkelde onze stemmen, zoo dat wij niet bang zijn in groote theaters te spelen. En als ik het zeggen mag, heer, als gij het vergunt mij te zeggen, heer, dan zijn wij, met uw verlof, comoedi, goede tooneelspelers en niet histriones zoo als dat onwetende volk tegenwoordig maar alles noemt!

En Cecilius trok een wijs mondje, een beetje gewichtig en Plinius glimlachte. Achter in zijn kussens, zag hij met zijn welwillenden glimlach de beide knapen aan en had schik in ze. Ze waren beiden zoo fijn en aardig; ja, hunne opvoeding van intellectualiteit had hun iets verfijnds gegeven, dat, gevoegd bij hun treffende, blonde schoonheid, hen onderscheidde van zoo veel andere "kunstemakers"; met welk een gemak en toch bescheidenheid, met welk een tact--fluisterde Plinius tot Martialis,--zaten zij daar tegenover hen; niet te lui liggende, eerbiedig een beetje recht op, toch rustig en op hun gemak en wat spraken zij niet keurig hun Latijn uit, nu zij het keurig spreken wilden, dat niet hoefde in de taveerne of de Thermen--een beetje met kleine, geknepen mondjes, een beetje met de keurige overdrijving van den comoedus van het hoogere blijspel, maar zònder een fout en met een bevallige zinswending, waarlijk met een litterairen draai....

Martialis, glimlachend, knikkende, gaf het toe. De jongens, belangstellende, zagen uit langs de gordijnen van den draagstoel. De zon was in gloed door gebroken en zomerde. De Porta Capena door, liepen de Nubische dragers den weg naar Ostia toe. De bergen in de verte, ten Oosten, blauwden met zacht opalen ommelijnen tusschen de turkoois-blauwe lucht; de schermpijnen staken tegen die teêrte van tinten hun donkere parasols krachtig af; de aquaducten van de Aqua Claudia, liepen met hun eerst breede, dan zich in verschiet versmallende bogen, als met eerst wijde, dan nauwe passen, daar ginds, met de Via Appia mede; de grafgesteenten blankten er als schelle vlakjes; de villa's verder op, in hare tuinen, bleekten er met, over de hellingen gezaaide, bleekere, blanke vlakken en de grazige heuvelen, ter zijde des wegs, groenden in welige weilanden den horizon toe: de kudden der schapen wolligden er over, weidende, in de weelde der lange, wuivende halmen: een herdersfluit klonk....

--Ze loopen goed, prees Martialis de dragers; het is een lànge weg naar Laurentum.

--De weg is modderig, na den regen van gisteren, zei Plinius; dat is aangenamer voor hen en voor ons, dan het mulle zand. Te paard is het altijd het aangenaamst, maar als ik bij den Keizer ontboden ben, moet ik wel in den draagstoel....

En hij plooide zijn breede toga open, omdat die hem hinderde en herademde in zijn, met gouden palmtakken geborduurde, gala-tuniek. Eenigen tijd, slaapwekkend die wiegeling der dragers, hoe de dragers ook poogden, elkander afwisselend, twee aan twee, den draagstoel in evenwicht op hun schouder te houden, zwegen Plinius en Martialis. De beide jongens echter sliepen niet, vonden dit heerlijk: deze weelderige wiegeling op de telkens wisselende slavenschouders. Zij keken steeds uit: de zweetende slaven glommen als gepolijst brons, als koper glommen zij soms in den zonneschijn. Er liepen gouden glansen over de zweet druipende zwartheid hunner spierige armen, er blauwden de schaduwspelingen over hun harige borst. En als Cecilius of Cecilianus keken, keken zij ook, glimlachende, omdat die komediantjes slaven waren, zoo goed als zij en de jongens, genietende, glimlachten, schuinoogig, terug.

Hoe meer zij de stad achter zich lieten, hoe weliger de heuvelen groenden. Onder de effene, blauwe, al zomerdiepe lucht, waar in hier en daar een groot, blank wolkgevaarte, gestapeld, verdreef--wemelde het lentelicht over het wijde landschap der wijder en wijder wèg verschietende heuvelen.... Wemelde het jonge groen, wemelde gehéel de lente, starrelden de weiden van duizende madelieven, stippelden zij goud van duizende boterbloemen.... De wijd-uit gehoornde buffelen glansden met hun glimzwarte, -bruine flanken, waar over het licht zich uit goot; zij doorloeiden de zwoele atmosfeer; hunne roepende herders, te paard, reden om hen rond, hen telkens te zamen drijvende. Ter zijde, links, vloeide traag de Tiber Ostia te gemoet, breed, geelblond zijn wateren, waar in diep de blank weêrspiegelde weêrschijn der lucht. En een geur van thijm, gras, bloemen, water, licht en lucht bleef met het gegons der hommels steeds drijven om den gelijkmatigen en nu snel voort wiegelenden draagstoel.

--Hè? fluistervroeg waardeerend Cecilianus zijn broêrtje. Dàt is wat ons past: zóo gedragen te worden!

--Ken jij nog "Hero"? vroeg Cecilius. Ik zal "Leandros" dan spelen.

--Ja, jij Leandros.... Maar de muziek....? twijfelde, fluisterzacht, Cecilianus.

--.... De muziek....? We zullen wel zien....

Plots viel Cecilianus' hoofd op zijn broeders schouder en sliep hij. Ook de beide vrienden dommelden, knikkebolden. Cecilius berekende, dat die voorname Plinius schatrijk moest zijn. Maar die aardige Martialis, met zijn rare, korte toga-tje, geen as moest hebben. En hij keek weêr uit, omdat de dragers af sloegen, links bij de vijftiende mijlpaal. Wat hadden zij vlug en gelijkmatig gedraafd! De helft reeds van den weg meende hij goed te berekenen, zich herinnerend wat hij had opgevangen uit Plinius' en Martialis' woorden, toen zij gesproken hadden van den afstand der villa bij Laurentum. Dichte bosschen van laurier en pijn groenden ter weêrszijden en het gònsde maar steeds in de lucht, als van duizenden insecten. Wat rook het toch lekker, zoo naar buiten! En terwijl hij den lentegeur op snoof, heugde hij zich--vreemd--het eigenaardige komediantenluchtje, zoodra zij speelden, geur van kosmetieken en pruiken, in zijn herinnering vereend met het rhythme van senarische, septenarische verzen en zonder het te betreuren, dat hij den edelen Plinius gevolgd had, bedacht hij tòch, dat de dominus nu zeker in het Theater van Pompeïus was, en dat de cliënt hem er zoû zoeken en werd hij in éens nieuwsgierig hoè het Theater zoû zijn, dat hij immers nog niet kende en waar hij over enkele dagen zoû spelen.

Plotseling woei ziltere bries. Cecilius, zijn broêrtje steeds tegen zich aan, keek om, keek uit. En werkelijk, hij zag ginds blauwen, o zoo diep, de Tyrrheensche. Wat was het blaùw, de zee, de lucht, de heel verre heuvelen van Latium, daar ginds. Donker de zee en dieper; lichter de lucht en hooger; het lichtst de heuvelen en verder, maar àlles blauw en dan het zwartere groen van de bosschen en het gelere van het gras en dan al die boterbloemen, madelieven.... Maar de dominus zag nù alles in het Theater na.... en het was jammer, dat zij niet....

De zweepen der voorloopers klàkten.... Wat was er?

Cecilius keek uit. En hij zag, dat zij de villa bereikt hadden. Tusschen twee poortzuilen een wijde voorhof, groen van streng in stijl gesneden busboompjes.... Een half cirkelige porticus, als een D, van zuilen, waartusschen slaven aanliepen....

--Wij zijn er, zeide Plinius en hij opende de oogen; Martialis ook; en Cecilius schudde Cecilianus wakker....

III.

In de villa van Laurentum wachtten zijne gasten Plinius af. Zij waren reeds een uur daar; hun gastheer had hen genood te komen wanneer het hun schikte, zich verontschuldigend, dat hij niet wist hoe laat hij uit het Palatium, na de salutatio, zoû keeren om met hen aan te liggen aan het middagmaal. Zijn Grieksche vrijgelatene, Hermes, had de gasten ontvangen in zijns meesters plaats, toen zij samen te paard waren verschenen. Afgestegen, de paarden weg geleid, volgden de gasten den vrijgelatene den half ronden porticus door.

--Mijn meesteres laat zich verontschuldigen, edele heeren: zij toeft met haar grootvader in onze Toskaansche villa, lichtte Hermes in.

Hij noodde met de hand de gasten voorwaarts.

--De villa, die onze gastheer in Toskane bezit, meende Quintilianus; is zeker van omvang grooter dan deze en met groote bosschen en wijd jachtterrein er om heen, maar schoonere woning dan dit vorstelijke landhuis bij de zee zoû ik niet weten te noemen.

--Er zweeft hier een antieke atmosfeer rond, zeide de oude Verginius Rufus; en die werkelijk aan Hellas herinneren doet.