De komedianten

Chapter 4

Chapter 43,758 wordsPublic domain

Ook Nilus' taveerne, met een geknars van grendels, opende. Nilus was daar en drilde de slaven. Zij ontsloten alle de luiken en haalden uit een put ter zijde van de schuur, in een omheinden hof, emmers vol water op. Zij verschenen met groote bezems, wierpen in het lokaal hun emmers uit en veegden schoon het lokaal, over den drempel heen den afval uitbezemend op de straat. Met dien afval, scheen het wel, dat zij de nog slaapdronken Gallen weg veegden. De bedelpriesters, den bezem soms in hun rug, verschenen op wankele beenen, zich rekkende, de geschoren koppen schuin, de stoppelbaardige, ongeschoren gezichten verwrongen van nadronkenschap.... Nilus, bij de open schuurdeur, beval hen hun ezel te halen, eindelijk weg nu te gaan. De laatste, de Archigal, kwam met het kastje, waarin de godin.

De slaven kletsten met de emmers water en bezemden, bezemden, trokken de banken en tafels over den drempel, wreven ze schoon.... Nilus zadelde zijn eigen ezel en de beide ezels balkten. Toen zij balkten, blaften de honden. En Nilus steeg op en reed weg, twee enorme leêge manden ter zijde van zijn zadel hangende. Twee zijner slaven volgden hem, op hun slavendrafje. Hij ging naar het Velabrum, naar de Groote Markt, om inkoopen te doen, minachtend de winkeltjes in de buurt, hoewel even belangstellend loenschend naar den stapel scharlaken tomaten....

De Gallen, ondankbaar, brommende, nagejouwd door de bezemende slaven, die riepen van luizen, liepen den hoogeren heuvel op, waar zich de Suburra verwijdde. Op den ezel hadden zij het kastje gesnoerd. Onwillig verwijderden zij zich, scholden achter zich naar de slaven terug. De honden blaften hen aan.... Het huis van den leno opende op zijn beurt. Taurus verscheen een oogenblik, zag naar den hemel, knikte bemoedigd tegen de lucht: na dien regen een mooie dag en zeker een mooie avond: een mooie avond moèst je hebben om je meiden te laten troonen: met een mooien avond dwarrelde de Suburra vol wandelaars en pleizierzoekers en scholen ze niet allen bij Nilus. Van het Toeval, van de godin der Toevallige Fortuin, Fors Fortuna, moest je het hebben als leno.... Gisteren had ze hem nauwelijks toe gelachen.

Hij riep naar binnen. De meiden, slaperig, kwamen. Zij waren ongekapt: doeken om de schouders, begonnen zij den dag, onwillig als de Gallen, die daar ginds, om hun ezel, loom verdwenen in het zon-doorpoeïerde stijgend verschiet van de straat. En Taurus schold haar, in hare ruggen, dat zij zich reppen zouden. Zij gingen, acht moede, slepende meiden. Zij liepen de Suburra af, tusschen de straatjongens, die vloekten omdat zij dwars door hun spel moesten gaan en die gemeene woorden riepen; zij riepen achter zich gemeene woorden terug.

Zij gingen, de acht, naar de tonstrix, van Gymnazium, die woonde het dichtst. Maar toen zij aankwamen, zagen zij, dat de meiden van het huis van Pampus er reeds waren vóor haar. Gymnazium, op haar drempel op een schabel gezeten, zag toe, hand voor oogen, dik blank het vettige, reeds geblankette gelaat; gekapt reeds, zij, door de tonstrix, hield zij een oogje op haar kapzaakje over de deur. Haar slavin kapte al de meiden uit de buurt. Die van Pampus waren van daag het eerst. Die van Taurus moesten wachten. En waarachtig, daar kwamen die van Galla, die van het oude wijf op den hoek, beneden! Die van Galla zouden het langste wachten.

De tonstrix, handig, vlug, liefjes, kapte de eene meid na de andere in haar heel klein, open winkeltje. Er waren daar niets dan een tafel en een schabel, waarop de meid zat. Een gladde metalen spiegel. Een koperen pot vol gloeiende kolen op den drempel, waarin de ijzers staken. De aarden potjes en pannetjes, de vaatjes en vaasjes op de tafel en de tonstrix achter het te kappen hoofd, altijd bezig, den heelen morgen. Altijd op haar beenen. Altijd met een aardig woordje tegen de meid. De tonstrix van Gymnazium bracht iedere meid, des morgens, in goed humeur. Het haar werd dan ook geborsteld, gekamd, geglansd; dan werd het gebrand, gekruifd, dan werd het opgewrongen, hoog, breed, met vele spelden bevestigd, met glanzige spangen versierd, met gemaakte bloemen soms aan de slapen; het gezicht werd overtogen met gestampte gerst-in-eiwit, den blos aangegeven door schuim van roode nitrium, de oogen omblauwd, de brauwen verzwart met blauw en zwart antimonium, de lippen gepurperd met goedkoope papaverpommade.

De tonstrix deed het alles als werktuiglijk zoo vlug, zoo handig, een beetje grof met dit grove blanketsel, dat wel eens herhaald moest worden als het met de bezigheden van den dag zoo uitkwam voor de meid, maar zij deed het liefjes, glimlachende en met smaak en de meid, er na, trok, zich schikkende, behaagziek, haar palliolum om hare schouders, schudde haar franjes uit, betaalde Gymnazium en ging terug naar het huis, om, als de waard het wenschte, voor zich te zetten op het hooge gestoelte, waarboven naam, prijs, hoedanigheid.

Lavinius Gabinius kwam aan en Taurus' meiden, wachtende, zittende op straat tegen den muur aan, wezen hem dadelijk Gymnazium en de anderen.

--Dat is de dominus van den grex, die komt spelen: hij was gisteren avond met de heele caterva bij Nilus....

Gymnazium keek nieuwsgierig uit. De dominus kwam nader en hij groette en sprak beleefd, maar als een man van beteekenis, Gymnazium aan.

--Ik ben bij Gymnazium, niet waar?

--Ja, beaâmde de dikke voormalige, met vetten glimlach, beleefd terug. En gij zijt de dominus?

--Die ben ik. Ik heb uw hulp noodig, Gymnazium.... Ik heb bij mijn troep op dit oogenblik geen kapper. Kunt gij mij helpen met de kapsels voor mijn komedianten, die geen masker dragen? Over drie dagen is de eerste voorstelling in het Theater van Pompeïus....

--Als gij mijn tonstrix kunt aanwijzen hoe de kapsels moeten zijn....

--Ik heb de pruiken en de Grieksche afbeeldingen, Gymnazium. Dat zal gemakkelijk gaan, voor zoo een knappe tonstrix als de uwe. Kom dan, zoo ge kunt, dezen middag, tegen het negende uur, in het Theater. Ik moet nu naar de ædilen.

--Dat is een heele weg, dominus.

--Vooral voor wie te voet moet gaan: een draagstoel, helaas, is niet voor een dominus-gregis, Gymnazium: zelfs niet een carpentum op twee vlugge wieletjes en een paardje er voor....

--Een ezeltje dan, dominus....

--Ik zal maar loopen, Gymnazium; dàt houdt lenig en jong voor wie zóo veel te doen heeft. Mag ik dan rekenen op u? Mèt de tonstrix? Tegen het negende? En in het Theater?

--Bij Pollux, ik zal niet u doen wachten, dominus.

De dominus, na groet, ging verder. Hij was dien morgen het eerst opgestaan, in zijn kamertje, hoog in het hooge, vijf verdiepingen hooge huis, achter de Suburra, niet ver van de Thermen van Titus, waar hij zijn bad had genomen.

Hij had zijn troep achter gelaten onder de hoede van den senex, den eenigen vrijgelatene onder de komedianten, en hem geld gegeven om hen allen te doen baden, te doen eten: vlak bij de Thermen was daar gelegenheid voor. En in de stijgende Aprilzon ging hij verder, naar het Forum, naar de ædilen, die hem boodschap hadden gezonden, dat zij hem wachtten....

Maar boven, in het groote huis, sliepen nog de meeste komedianten. Zij sliepen, luier dan hun dominus, gerijd naast elkaâr op dunne, vuile matrasjes, hun arm vaak hun eenige kussen, hun mantel hun eenige dek. Als kooien stapelden in die nieuwe-wijk-huizen de kamertjes boven en over elkaâr. Het was een speculatiebouw, sedert de Thermen van Titus bijna waren voltooid, om woning te bezorgen aan duizenden minder-burgers en vrijgelatenen, wier levensbestaan van de Nieuwe Baden afhing: metselaars, timmerlui, loodgieters, brandstofkooplui, mozaïek-leggers, schilders, masseurs en geurwerkers; terwijl ook etenswinkeltjes en kleine herbergjes voor al dat volkje waren geïnstalleerd tusschen de prachtige Thermen, den immensen boogbouw van het Colosseum en de fontein van de Meta Sudans, het armoedige, armzalige, op elkaâr gepakte getier en gewirrewar in de schaduw dier moderne, massale, reusachtige architecturen zich bergende in die vlug in elkaâr getimmerde of hooger gebouwde, meer houten dan steenen huizen, die reeds dadelijk na hunne voltooiïng, vreemde, wankele, schotsscheeve lijnen aannamen.... Als de karren vol zware steenblokken in de richting van Thermen en Colosseum, beiden ingewijd, in gebruik, maar niet voleindigd, rammelende aanstommelden over den, van den regen moerassigen, zandweg, scheen geheel het huis, waar de komedianten huisvesting hadden gevonden, te schudden op zijn betwijfelbare grondvesten en rilde het als op een durende aardbeving....

Maar de komedianten, zij sliepen en ook de senex draaide zich om. Zij hadden gisteren avond goed bij Nilus gegeten, zij waren moê van de reis, zij hadden geen zorgen voor dien dag; des avonds alleen misschien repetitie.... Maar nòch de palliatæ, nòch de mimus-spelen waren voor de vertooning vast gesteld. Alleen in het kamertje, dat zij deelden met den dominus en de "eerste-slave"-rol, waren Cecilius en Cecilianus ontwaakt. Zij ontwaakten te gelijker tijd, daar zij tegen elkaâr hadden geslapen, in elkanders rug, onder éen mantel, hun blonde hoofden op éen bundel als kussen. Te gelijker tijd richtten zij zich op en wreven zij zich de oogen uit; de April-zonnestraal prikte hunne vakerigheid. Maar de "eerste-slaaf" sliep nog steeds....

--Dominus is weg, zeide Cecilianus. Hij, de jongste, was in alles iets kleiner, iets fijner dan het broêrtje, maar anders geleken de tweelingen elkander volkomen. Zij zeiden meestal elkanders woorden dadelijk na, zoo zij ze niet te gelijker tijd zeiden.

--Dominus is weg, zeide Cecilius, nog vóor Cecilianus had uitgesproken.

Zij zagen elkander aan.

--Hij is naar de ædilen toe, zeiden zij samen.

--Met de contracten....

--.... de contracten.

--Syrus slaapt nog....

--.... als een os....

--Laat hem maar....

--.... maar slapen.

--Ben je nog moê....?

--.... Jij moê?

--Neen....

--.... Neen....

Zij glimlachten elkander toe, ondeugend. Zij omhelsden elkaâr, als iederen morgen. Toen wipte Cecilius op, zocht in een hoekje, onder wat kleêren....

--.... Pas op! waarschuwde Cecilianus, schuin ziende naar slapenden Syrus.

Maar Cecilius, rug wendend, telde zijn geld.

--Niet veel meer, zeide hij.

--Niet veel meer? vroeg Cecilianus. En de dominus.... Hij grabbelde onder diens verlaten matras.

--Heeft alles meê genomen....

--Alles meê genomen, beaâmde Cecilius.

--De senex zal geld hebben.... zei Cecilianus.

--Abah, minachtte Cecilius. Ik wil niets van den senex. Sta op, wij zullen gaan baden: ik heb genoeg....

--En dan zullen wij zien....

--.... Zullen wij zien....

Zij slipten het kamertje uit, ieder met een bundeltje in de hand.

In de andere kamertjes, de deur open, zagen zij de andere komedianten nog slapen, ronkende in elkaârs ruggen. De beide jongens tuimelden de smalle, wankele, houten trappen af. Zij gingen langs een kopersmid, die reeds hamerde in zijn werkplaats aan vaatwerk en hel doorklonk de klatere klank het huis, de holle, houten trappen langs.... Op de onderste verdieping was de ruimte rechts ingenomen door een voller: de voller was met zijn knechten reeds aan den arbeid en nieuwsgierig bleven de jongens kijken....

--Wat moeten jullie? riep de vollersbaas.

De jongens, glimlachend, gluurden. Zij zagen in de langwerpige kuipen knechten dansen en springen, zingende, op de maat, over de uitgespreide, gewasschen toga's, die gevold moesten worden. Zij zagen de werksters de gewasschen en met de voeten schoon gedanste, ontvlekte toga's dompelen en drenken in de kuipen vol krijtverzadigde vloeistof. Zij zagen weêr andere knechten over stokken in rekken uit hangen de gevolde toga's. Die hingen daar aan het einde der werkplaats als smettelooze halfcirkels van blankheid, plooiloos uit getrokken, vast gehecht aan de punten en zij vingen, krijtwit, sneeuwblank een bijna blauwigen weêrglans op van het teedere lentelicht, dat door hooge, opene ramen onbelemmerd neêr viel en dat de toga's weêrkaatsten, zoo dat het blauw-blank werd door heel de werkplaats. En het blauwe blank liep over de harige armen der slaven, over hunne dansende voeten, over der slavinnen krijt-wit overdoopte armen, over hare krijt-wit besproete gezichten, over haar ronde hoofden, in witte doeken omwonden; het blauwe blank liep over de blank gekalkte muren: het was éen groote, azurig geschemerde, blanke reinheid, van, in wit licht strak gehangene, toga's, waar tegen de vollers dansten, de volsters wieschen, terwijl het vuile water door een gat weg liep in de overvolle goot buiten op straat.

--Kijk Cecilius, wees Cecilianus.

--.... Hoe de vollers dansen: éen, twee-drie-vier, vijf; éen, twee, drie....

--Eén, twee-drie-vier, vijf; éen, twee, drie, klapte Cecilianus in de handen.

--Het is net dansen als bij mimus-saltatio....

--Neen, niet heelemaal: wij dansten: éen, twee-drie-vier; één, twée: lang, kort-kort-kort, lang, lang....

--Komedianten! scholden de vollers.

--Mannetjes-meisjes! schimpten de volsters.

--Lekkere bekkies! scholden de vollers.

--"Hàdt je me maar!" riepen de jongens.

En de volsters wierpen hen met handenvol krijtvolle vloeistof.

De jongens staken de tongen uit en weken.... Maar uit de ruimte over des vollers werkplaats trad een slavenkoopman met zijne slaven: hij bracht ze naar de markt. Er waren drie zwarte Nubiërs bij en een zeker zeer kostbare slavin: zij was geheel gesluierd.

--Roetkoppen! lachten de jongens de negers uit. Laat je wit vollen bij den voller hier!!

En de volsters wierpen met krijtwater en de jongens spuugden terug. De slavenkoopman schold, omdat het krijtwater even spette over de fijne sluiers van de kostbare slavin. En de volsters lachten. De koopman, met de slavin tusschen de drie negers, vertrok; de "kostbare" lichtte hare sluiers hoog toen zij de overvol stroomende goot overstak.

De jongens stonden op straat.

--Baden? vroeg Cecilianus.

--Ja, baden, beaâmde Cecilius.

Hun oogen glinsterden bij dat vizioen van water. Maar zij dwaalden eerst rond, nieuwsgierig. Zij waren Rome vergeten, sedert zij, kleine jochies, gedanst hadden in de mimus-spelen. Sedert hadden zij gereisd met den troep, sedert hadden zij geleerd van den dominus voor de komedie; sedert "schoeiden" zij den soccus, als zij het een beetje hoogdravend noemden: den lagen komedie-schoen, in tegenstelling van den hoog gehakten en gezoolden tragischen cothurnus. Hoe hadden zij niet zich moeten oefenen: hun stem en hun gebaar met arm en hand en voet, hun houding en het sierlijk bewegen uit plooien van mantel en kleed.

--Drie jaren is dat al geleden? vroeg Cecilianus, hoewel hij het wist.

--Drie jaren, beaâmde Cecilius.

--Toen dansten we maar de satertjes of de cupido's in het mimus-spel....

--En nu spelen we de "eerste-vrouwe"-rollen....

Zij glimlachten elkander toe, vol trots.

--Cecilius, zei Cecilianus; spelen we nu de Bacchides, denk je?

--Of de Menæchmi?

--Ik wil liever de Bacchides spelen....

--Ik ook. Dan spelen wij de tweelingzusters, de twee Bacchides, de meretrices.

--En anders? Speel ik....

--Speel jij Erotium, en ik niet, of de matrona, de vrouw van Menæchmus.

--Neen, speel jij maar Erotium, en ik de matrona, de vrouw van Menæchmus.

--De matrona is eigenlijk een rol voor Clarus, minachtte Cecilius.

Zij zagen elkander twijfelend aan. Zij hielden veel van elkaâr; zij gunden elkander de rol van Erotium, die aardige rol van de deerne, maar zij hadden het geen van beiden voorzien op de vervelende rol van de matrona....

--Dominus zal wel beslissen.

--.... Ja, zal wel beslissen, schikte zich Cecilianus. Kijk, hoe mooi het hier is!

Zij zagen beiden om zich rond.

--Toch wèl grooter, grootscher, dan in Antiochië....

--In Damascus....

--In Alexandrië.... zelfs.

Zij stonden om zich rond te kijken. Voor hen, reusachtige, ronde bouw, verhief zich, immense ellips, het Colosseum met zijn drie ommegangen op eerst Dorische, hooger Ionische, het hoogst Corinthische zuilenrijen. Het schitterde in de zon, van het goud-grijze travertijn en tufsteen. Ontzagwekkend dat Flavische Amfitheater, cyclopische moderne bouw, door Vespazianus begonnen, des huidigen Keizers vader, door Titus, "de zaligheid des menschelijken geslachts", ingewijd. Nu door Vespazianus' zoon, Titus' broeder, Keizer Domitianus, bijna voltooid: de karren met marmer- en steenblokken daverden in lange rijen nog aan: de architecten en hun duizenden slaven wriemelden tusschen de bogen, en toch zouden over vier dagen er de Circensische Spelen plaats hebben. En ontelbare marmeren beelden bekroonden den hoogsten ommegang, tegen de lucht, met schitterwit verstard en versteend gebaar, tegen het zich verdiepend azuur.

--Dat is wel mooi....

--En wel groot, hè?

Zij keken op en staarden naar de vele beelden; de karrevoerders schreeuwden en vloekten: overreden werden ze bijna.

--Kijk, de nieuwe fontein! wees Cecilius de Meta-Sudans, die Domitianus had opgericht; de ronde waterstralen parelden als een parasol uit de bronzen bal, die de fontein bekroonde.

--En kijk, daar, de Boog van Titus....

--De Boog van Titus....

En zij zagen naar den Titus-boog, door Senaat en Volk van Rome gewijd den "goddelijken Titus", Triomfator in het Joodsche Land....

En verder dan den Titus-boog zuilde het Forum, schitterde in een vergezicht van zuilen, altijd zuilen, van tempels en bazilieken....

--Willen we gaan zien? noodde Cecilianus.

--Willen we niet eerst baden?

Zij vroegen waar de Thermen van Titus waren. Want het was hier àlles nieuw; zij kenden die pleinen en straten niet; de nieuwe, hooge huizen rezen verbijsterend om hen rond, versch ruikende naar kalk, hout, verf. Maar op een vingerwijzing herkenden zij de Thermen, dadelijk: vierkante muren, waarin nissen met beelden; poorten, tuinen er voor.

--Héel groot alles....

--Mooi....!!

Zij liepen beïndrukt de Thermen toe. Het liep er vol; het drong er binnen. Zij drongen ook langs de ostiariï, de portiers; zij betaalden hunne tesseræ en vonden de entrée duur, meesmuilden tegen elkaâr.

--Naar het tepidarium? vroeg Cecilianus.

--Zal duur zijn, aarzelde Cecilius bedachtzaam. Alleen maar naar het frigidarium.

Cecilianus, als altijd liefjes, schikte zich naar zijn broêr. Koud water dan maar alleen. Zij gaven hun bundeltjes in bewaring, wierpen hun grauwe tuniekjes af, stonden naakt, sprongen in het water.

Het frigidarium was vol van zwemmers; boven, op een ommegang, zaten wie gebaad hadden, te kijken, te lezen. Boven het frigidarium, door een vlechtwerk, wingerden zich klimrozen, bloeiden in snellen lente-bloei, lieten de bloembladeren vallen op den minsten bries, die door woei. Het water, in het nog teedere Aprilmorgenlicht, blauwde, met zilveren verglanzingen, tusschen het witte steen van het vierkante, wijde bassin, kabbelde de schaduwen weg der rozeranken, -bladeren, -bloembladeren en de baders, schrale of dikbuikige, rumoerden, roezemoesden, plasten en grappigden. De beide jongens zwommen, hadden bekijks, omdat zij zoo mooi waren en elkaâr geleken. Naast elkander, genietend het water, als in éen zelfden glimlach van welbehagen, zwommen zij, heen en terug; doken onder, speelden speelsch met elkaâr. Oude kerels riepen hun toe, begeerig van oogen. Zij riepen terug, nooit om een woord verlegen. Scherts sloeg op scherts, kwinkslag op kwinkslag, water plaste in zonnegezeef tusschen kwinkslag en scherts. Telkens hoorden zij zich in het oor fluisteren door andere baders.... waren daaraan gewend.... wierpen een woord terug, soms smerig, of zij spuugden, ten teeken van minachting voor wie hen noodde. En zij waren zwemmende naast elkaâr, de elkaâr gelijkende knapen, treffend, omdat zij zo mooi waren tusschen de dikbuiken en de schralen, zoo blond langlokkig tusschen de kalen, zoo rozig blank tusschen de gallig geligen en de valen. Hun uit het water gehevene hoofden, met de nattige krullen, zoo rond, hun schouders en borst, teêr van vleesch en toch breed, hun armen zoo rond en toch sterk, hun handen breed en toch fijn, hun ruggen zuiver jong en toch krachtig welvend den onderrug, hun beenen slank en toch hard van jeugd. En bij het zwemmen bloeiden telkens hun voeten op, met de zolen rozigend in het zonnegezeef tusschen de neêr zwevende rozebladeren. En glimlachten zij en glansden van welbehagen hun lang gespletene, donkere oogen.

--Vreemdelingen? vroegen de baders de capsariï, die hielpen met uitkleeden en bewaren van kleeding.

--Wie weet....

--Patriciërs? Jonge patriciërs....?

--Neen.... wezen de capsariï op het nisje met vuilvale, grauwe tuniekjes en bundeltjes.

--Wie dan? Wat dan?

De tweelingen waren gezeten nu op den rand van het bassin, met de voeten in het water bengelend.

--Wrijf mij, Cecilianus, zei Cecilius; hier aan mijn hals, voor mijn stem. Dan zal ik jou wrijven....

En zij wreven elkaâr, om beurten, met kleine tusschenpoozen, de halsspieren, voor hunne stemmen. Dat hadden zij zoo geleerd: zoo te wrijven versterkte de stem. Zij wreven elkaâr ook de ruggen, om beurten liggende op den buik, onder de schaduw der rozen, wrijvende de een, speelsch, den ander.

--Wie zijn jullie? vroegen baders, nieuwsgierig.

--Wie? deed Cecilius dom.

--Jij....

--Hij? wees Cecilius Cecilianus.

--En jij?

--Wie wij zijn?

--Ja, ja....

--Wie wij beiden zijn??

--Bij Herkles, ja, wie jullie beiden zijn?

--O, wie ik ben?

--Néen, zei Cecilianus; wie ik ben!

--Ik ben hij, zei Cecilius.

--En hij is ik, zei Cecilianus; en samen zijn we wij.

--Zijn jullie tweelingen? vroegen de baders: er waren oude kerels bij.

--Of ik een tweeling ben? vroeg, dom doende, Cecilius.

--Of jùllie tweelingen zijn....

--O, of ik een tweeling ben? hield Cecilianus voor den mal.

--Zeg nu eens goed, plaagde Cecilius; wil je weten wie van ons de tweeling is van den ander?

--Hij, wees Cecilianus naar zijn broêrtje; is mijn tweeling.

--En ik ben de zijne, wees Cecilius naar zijn broêr.

En zij proestten het uit en rolden over elkaâr in het water.

--Wat doen jullie? vroegen de baders. Zij begrepen, dat deze grappenmakers, zoo jong, zonder pædagoog of geleide, géen patriciërs waren.

--Wie, ik? vroeg Cecilius.

--Vraag je wat ik doe? viel Cecilianus in.

--Ik ben Præfekt van Antiochië, blufte Cecilius.

--En ik de Keizer van Alexandrië, blufte Cecilianus.

En zij rolden over elkaâr van het lachen.

Maar de baders begrepen....

--Jullie zijn kunstemakers, die voor de Megalezia gekomen zijn, zeiden de baders. Wat doen jullie? Koorddansen?

--Pff! minachtten de beide jongens. Verbéeldt je! Wij!!

--Wat dan? Dansen toch? vroegen de baders.

--Nou ja, dansen....

--Zingen....?

--Nou ja, zingen....

--Nou, wat dan nog meer?

--Zingen èn dansen èn reciteeren....

--Senarische èn septenarische verzen....

--O, zijn jullie.... histriones?

--Komedianten.... Ja, maar comoedi....

--O, komedianten?

--Natuurlijk, stomme ezels!

--.... Het zijn komedianten, lichtten de baders elkaâr in. Het zijn komedianten uit den grex, die is aangekomen.

--Het zijn natuurlijk de "jonge-vrouwe-rollen"....

Cecilius en Cecilianus trokken grimassen:

--En jullie natuurlijk de oude-wijve-rollen!

Maar de baders duldden de brutaliteiten van de jongens, omdat ze zoo mooi en tweelingen waren. Intusschen hadden de jongens hun bundeltjes gevraagd. Zij namen er uit hun gele, geborduurde tuniekjes en hun gele schoenen met lange kuitlinten.

--Bij Herkles! spotten de baders; de jongens kamden elkanders blonde haar, pakten de grijze tuniekjes in den bundel, vroegen den capsarius dat wel te willen bewaren.

--Bij Póllux! Wat zijn ze nù mooi! spotten de baders. Goed succes, hoor; moge Fors Fortuna je helpen! Mogen je de avontuurtjes bekomen! Kijk me die blonde fatjes aan! Kom je niet meê, voor een grapje? Leer je me niet hoe je senarische verzen reciteeren moet? Of septenarische, als je dat liever wilt?

Maar de jongens waren niet op hun mondje gevallen. Zij schertsten terug, brutaal en smerig, als het pas gaf en wipten de Thermen uit.

--Die baders, dat zijn geen voornàme, op dit uur van den dag, minachtte Cecilius.

--Neen, op dit uur van den dag! Hoorde je, dat ze ons patriciërs....??

--.... Dachten. Ja....

--Misschien zijn we....