De komedianten

Chapter 3

Chapter 33,788 wordsPublic domain

Die laatste kreet van den dominus was er een van verluchting, weelde, zaligheid. De voordeur daar ginds was geopend. Het regende niet meer. De opene deur gaf uitzicht op de nauwe Suburra-straat, waarboven de uitgeregende lucht zich donkerblauw verdiepte, een reep van nacht in de deur omlijst. Er tintelden zelfs twee, drie starren op. De lage huizen brokkelden en braken hun grauwe daken- en murengewarrel donker groezelig onder die nachtereep of glommen met lange weêrschijnen van druipende vocht in rossigen glans van de lantaren voor het huis van Taurus. Hoewel reeds laat in de nacht, zaten--zichtbaar van uit de taveerne--er drie, vier vrouwen voor, op hooge gestoelten; naam, prijs, iets van hoedanigheid was ruw geschreven, obsceen geschilderd boven hare zitplaats. Zij keken verlangend de taveerne in, achter de ruggen langs der twee knapen, die juist de deur hadden geopend.... Of er niemand uit kwam, te gelijk dat er binnen gingen die twee blonde jongens, in éen wijde abolla gehuld. De mantel omgaf hun beider ondeugende tweelinggezichten. De zittende meiden, daar ginds, riepen de taveerne in. Riepen zelfs naar de blonde ventjes. Maar deze hielden hunne ruggen, in dien éenen mantel, gekeerd naar de meiden, terwijl hunne oogen schalks de taveerne in keken. In de schaduw van den mantel over hunne hoofden gluurden schuin, ondeugend, hunne vier donkere, lang gespleten kijkers den smook en walm der volle zaal zoekende binnen. Blank, jong, frisch, in den gloor van hun stouten glimlach van bedorven-jongens. En hielden zij elkaâr, in de mantelplooien, arm om schouder, terwijl zij op den drempel toefden.

--Eindelijk dan! riep de dominus en de heele troep, juichend, ironiesch, plagend hun meester, dien zij ongerust wisten te zijn geweest, herhaalde:

--Eindelijk, eindelijk dan, Cecilius en Cecilianus!

.... Zoo dat allen, de matrozen, de meiden, de gladiatoren, de Gallen, al die opeengepakte gasten riepen, als hadden zij de nieuw aangekomenen ook al sedert lange verwacht:

--Eindelijk, eindelijk dan, Cecilius en Cecilianus!

--Zijn jullie daar dan eindelijk, Cecilius en Cecilianus? riep de dominus opstaande, met zijn stem van ontevreden veldheer. En wáar zijn jullie dan toch geweest?

Cecilius en Cecilianus waren binnen gekomen; de deur kwakte dicht op het perspectief van de straat en der zittende, afwachtende meiden van Taurus. De knapen lieten zich niet dadelijk uit waar zij waren geweest, antwoordden met, in het geroep, onverstaanbaren scherts en sloegen hun wijden mantel af. Aller oogen gingen naar hen toe. Iedereen wist, dat zij de "eerste-vrouwe"-rollen speelden. Zij waren beiden even groot, niet klein, zeer slank, toch kinderlijk en tevens met iets over zich, dat dadelijk herkenbaar was als dat van den jongen "histrio": een ironie, een gemak, een ondeugendheid, iets brutaals, al waren zij "veracht" en slaaf. Niets verlegens was aan deze kinderen-der-planken: thuis schenen zij overal zich dadelijk te voelen, deze stoute zwervertjes van het "verachte beroep", die al zoo veel gezworven hadden. Of het nu was Canope bij Alexandrië, of Baiæ bij Neapolis of de Suburra in Rome, het was voor hen alles het zelfde. Rijke villa's, grootsche terrassen of Nilus' taveerne, niets zoû hun meer veel indruk kunnen maken. Zij schertsten dadelijk met Nilus of zij hem jaren hadden gekend. Zij doopten, als ondeugende kinderen, hun vingers in de sausen om die te proeven....

--Hi-ha! kwam de ezel balken en de jongens balkten terug en schaterlachten. Toen zij zich ontdaan van hun mantel hadden, trof het hun medespelers--voor zoo ver iets van deze knapen de anderen treffen kon--dat zij niet als alle anderen in hun bezoedelde, vuile, bruine, natte reistunieken waren. Zij droegen beiden lichtgele tunieken van fijn lijnwaad, borduursel om mouwen en rand en hun lichtgele schoenen, geriemd tot de knieën, waren nauwlijks van de straat vochtig geworden. Waar waren zij geweest? Hoe hadden zij occazie gehad zich te verkleeden? Waarom waren die mooie schoentjes zoo ongerept? Hadden zij misschien in Rome dadelijk een draagstoel te hunner beschikking? Die vragen uit mond van senex, adulescens, "paraziet", "slave"-rol en wie zij meer waren, overstelpten hen, de kwâjongens. Zij schertsten die vragen van zich weg, zoo als zij vliegen hadden weg getikt.

Hadden zij een bad genomen, dat zij zoo frisch waren? Zij lieten zich er niet over uit. Hi-ha! balkten zij met den ezel meê; zij dansten zelfs even met de Gallen meê; Cecilianus, de "jongste"--want hij was "de jongste" tweeling--sloeg met de vlakke hand onder het laadje met naveltjes, dat de Archigal hem aanprijzend toonde en de naveltjes vlogen op, vielen her en der neêr en allen lachten en de Archigal vloekte en Fabulla en Nigrina wenkten belangstellend de knapen en het was een geroes van stemmen en een dol geroezemoes om hen heen.

--Van waar kom je? vroeg Nigrina, wijdbeens en breedarms, haar mannevuist gesteund op de tafel.

--Van het paleis van den Keizer, edele vechtster! blufte Cecilius, waarop de dominus, dadelijk opgestaan, verschrikt hem fluisterde in het oor:

--Pas toch op: die patricische dáár komt werkelijk uit het paleis van den Keizer!!

--Ecastor! vloekte fijntjes Cecilius, die het fijner vond te vloeken bij Castor dan bij Pollux of, zoo gròf, bij Herkules.

Fabulla, nicht van de Keizerin Domitia en steeds op Colosseros' knie, zag Cecilius nieuwsgierig aan....

Allerlei denkbeelden en eerzuchten joegen haar door het hoofd, onder haar grove, blonde meidepruik. Denkbeelden, eerzuchten, die zij reeds zoo dikwijls zich bewust was geweest, sedert Nigrina zwaardvechtster geworden was. En dat mèt vergunning van den Keizer, haar neef, Domitianus.... Het leven was duf, zonder aandoeningen. Het leven in het Palatium was somber, sedert Domitia, de Keizerin en Domitianus, elkander steeds vijandig, nu elkander haàtten.... Er waren geen vroolijke feesten meer....

Er hing steeds die atmosfeer van somberheid, vol dreiging, als de Keizer, plots, zich vertoonde, als hij dagen afwezig bleef en zich bezig hield met vliegen aan een lange naald te rijgen. Fabulla, jong, smachtend naar leven, in die sombere dreiging, verveelde zich. De Keizer, na een gril, die geen twee nachten geduurd had, zag niet naar haar om, sprak zelfs niet tegen haar meer.... Domitia behandelde haar soms als een slavin.... Domitilla, 's Keizers zusterkind, eveneens.... Als zij Nigrina niet had gehad en de nieuwe emotie der vriendinne-passie, had zij nièts gehad van levensbelang in dat duffe, doffe bestaan, met die dreiging steeds boven aller hoofden van des Keizers plotse ongenade.... De Suburra, de kroegen, de bordeelen, Nilus' taveerne, dat alles had Nigrina haar geopenbaard. Het leven van het volk, het minste, van nabij te zien en zich, in het openbaar, te laten omhelzen door een jongen gladiator, omdat het zoo nauw was, dat Nigrina wel dulden moest, dat ze zat op Colosseros' knie, dat deed haar vergeten dien altijd durenden angst op eenmaal, onverwachts, gegrepen te kunnen worden door Domitianus' beulen.... Zonder reden.... Omdat zij gelachen of niet gelachen had.... Ja, hier vergat zij.... Hier zag zij de histriones, vlak bij, hun soep eten.... Zij vond dat belangwekkend.... En dan de eerzuchten, die voor een patricische uit het huis Flavius zoo vreemd ontzenuwde verlangens maar die belang aan het leven gaven.... Als Nigrina zwaardvechtster was, waarom kon zij, Fabulla, niet optreden als tooneelspeelster? In een stuk van Terentius, van Plautus? Zij zong, zij reciteerde; zij deed tòch al die dingen, die een patricische nooit deed.... Die alleen dure slavinnen deden.... Zùlke dingen gaven nieuw belang, wekten vreemde eerzuchten bij haar op.... Te worden toegejuicht door de menigte in een theater, zèlfs te worden uitgejouwd door een menigte, zij, de nicht van Domitia....

--Speel jij, zeide Fabulla tot Cecilius; de "eerste-vrouwe"-rollen, ventje?

--Om je te dienen, kluchtigde Cecilius. Ik, met mijn broêrtje zijn op de planken even zoo mooie meretrices als jij er een bent met je doorzichtige jurk aan....

--Om niet te reppen van wat ze zijn als ze van de planken àf zijn, riep de senex, die, om meer dan een reden, de beide jongens niet uit kon staan.

--Vertel eens.... zeide Fabulla.

--Wat, zusje-lief? schertste Cecilius, brutaal en toch kinderlijk.

--Kom eens dichter....

--Het is zoo vol.... Ik kàn niet dichter....

--Kom hier maar, op mijn àndere knie, bood Colosseros aan.

Cecilius drong door, zette zich op Colosseros' andere knie: de jonge gladiator liet, als kinderen, vrouw en jongen dansen op zijn knieën.

--Sedert hoe lang speel jij die rollen al?

--Met mijn broêrtje, twee-en-een-half jaar!

--Het eerste jaar, dat je in Rome optreedt?

--Ja. Maar we zijn opgetreden in Alexandrië, in Klein-Azië; overal zijn theaters en zelfs grootere dan hier in Rome!

--Lastig, zoo van buiten leeren?

--Voor je rug, als je steken blijft....

Zij wipten om beurten hoog op Colosseros' knieën.

--Ach wat! riep de senex. Dat ventje heeft een veel te lief ruggetje om óoit geranseld te worden!

--En jij bent oud voor je tijd! riep Cecilius om den senex te ergeren, die, jong, nooit adulescens had mogen zijn.

--Heb je lang moeten leeren? vroeg Fabulla vol belangstelling.

--Nou, of we lang moeten leeren, zusje. Eerst dansen, muziek....

--Dat kan ik ook....

--Ecastor! Ben je op de slavinnen-school geweest, daar ginds, in het paleis, lief zusje? plaagde Cecilius de patricische uit het huis Flavius.

--Wat leer je nog meer?

--Metriek! Wat senarius is en wat septenarius en hòe je senarius zegt en hoe septenarius. Hoe je een "stillen zin" moet mimeeren en zeggen en hoe een "bewogen zin". En dan o nog een heele boel meer. Dank je, caupo, ik heb geen honger voor soep en vleesch, maar ik wil wèl van die honigkoeken....

En hij bedankte, nuffigjes, voor de gerechten, die Nilus hem zelve bracht als of hij reeds, geheimzinnigjes, ergens en fijner had geavondmaald, maar hij knabbelde lekkerbeks de honigkoeken, éen in iedere hand en hossende op Colosseros' knie, Fabulla hossende over hem.

--Dominus! wenkte plotseling Fabulla Lavinius Gabinius. Nigrina was met de Threxen verdiept in de methode hoe het zwaard te werpen van rechter- naar linkerhand om den òpsteek te geven, als de rechterarm het schild op ving.

Lavinius Gabinius drong nader.

--Is het volstrekt noodig, dat altijd jòngens de vrouwerollen spelen? vroeg Fabulla.

Lavinius stond verstomd. Dàt was nu zoo een gewichtige vraag, en die nu even hier, tusschen dit onwetend publiek, te behandelen met die "emotie-zoekster", die hoste op de knie van een gladiator, terwijl Cecilius over haar hoste!

--Domina.... verontschuldigde hij zich.

Ik ben geen domina, bitste Fabulla terug. Jij bent dominus, maar ik niet domina. Ik ben maar een gewone meid, hoor, wat ze je ook van me hebben verteld. Ik word wel eens ontboden op het paleis, ik ben cliënte van een der vrouwen der Keizerin. Dat is alles. De rest zijn praatjes, begrijp je.

--O....! zeide de dominus, begrijpende, dat de nicht van de Keizerin Domitia hier het aldùs wenschte te verstaan en niet anders. Natuurlijk, natuurlijk, ik begrijp wel....

--Zeg me dus eens: is het volstrekt noodig, dat altijd jòngens de vrouwerollen spelen?

--Wàt vraagt ze? vroeg Cecilianus, die, na gedanst met de Gallen te hebben, achter Cecilius' rug drong, tegen Colosseros' knie.

--Jij ook hossen? vroeg Colosseros en duwde broêrtje op broêrtjes schoot en de drie belanghebbenden in de kwestie hosten over elkaâr op en neêr. Maar zij waren te veel belanghebbend om het gehos anders dan werktuiglijk te dulden.

--Het is een héel gewichtige vraag, Fabulla, zeide de dominus, nu gemeenzaam; die je me doet. Een héel gewichtige vraag.... Er is om die vraag al sedert honderd jaren in het tooneelleven veel te doen geweest.

--Maar natúurlijk!! riepen Cecilius en Cecilianus, als addertjes hun fijne koppen op stekende, snel radende van mededinging. Natuurlijk is dat volstrekt noodig! Natúurlijk is dat volstrekt noodig!

--En waarom kunnen vrouwen de vrouwerollen niet spelen?

De dominus, bezadigd, wilde spreken, maar Cecilius en Cecilianus riepen door elkaâr:

--Jullie meiden hebben geen stèmmen, die doorklinken in ònze theaterruimten! Neen, jullie meiden hebben geen stemmen! jullie zijn veel te klein ook, voor de klassieke komedie! In éen woord, jullie meiden kùnnen niet! Op de planken kunnen jullie alléen fluit-spelen of dansen, zoo als Thymele doet!

Zij waren beiden heel boos en hosten, als onbewust, op de onvermoeibare knieën van neuriënden Colosseros. Ze merkten niet, dat zij hosten, alle drie, als kleine kindertjes, in de armen van dien "Eros", die een kolos was. Alle drie, twee tegen een, de twee jongens tegen de vrouw, vervijandigden in eens, Cecilianus echter lekkerbekkig genoeg, om broertjes honigkoek uit diens hand af te breken en die zelve op te knabbelen. En, hartstochtelijk, als wilden zij de "gewichtige kwestie" daar, al hossende, op dat moment uitvechten, sloeg hun verwarde twist op. Fabulla beweerde, dat zij in zich voelde talent om vrouwerollen te spelen, dat zij stèm had, genoeg om de verste en hoogste toehoorders senarische en zelfs septenarische verzen te doen hooren; de jongens beweerden, dat het ongehoord zoû zijn, ongezien, in Griekenland nóoit geweest, tegen alle traditie, zonder welke het tooneel een onding zoû worden.... Traditie was toch àlles, in de klassieke komedie! Openmonds bogen de matrozenmeiden zich dichter, niet begrijpende waar over zij het hadden. Die patricische meid sprak ook al als een filozoof!

--In alle geval, schreeuwde schril Fabulla, dwars door de bewijsredenen der al jaloersche, beduchte, overtuigen willende, gekrenkte, minachtende tweelingen door; zoû jij, dominus, het niet eens met mij willen probeeren? Ik zoû je er geld voor geven.... want ik bèn de cliënte van een der paleisvrouwen der Keizerin....

Er was geen houden meer aan. Alle drie, de twee jongens, de jonge vrouw, waren opgestaan en stonden over elkaâr, in een razernij van elkaâr toegeworpen woorden, niet meer verstaanbaar. Alle de andere komedianten zagen belangstellend toe. Het was immers, als de kwestie der maskers, oók een kwestie, of vrouwerollen wel door vrouwen gespeeld konden worden. Er waren er, die voór, er waren er die tegen waren. De adulescens, bij voorbeeld, en de "paraziet" waren vóor jongens, omdat echte vrouwen te veel af leidden van de kunst. De senex was bepaald tégen jongens en gaf de voorkeur aan echt vrouwespel; trouwens, hij was het in alles tegen diè jongens vooral, tegen die bluffertjes, die, slaven, het in alles eigenlijk veel beter hadden, dan hij, die nog wel vrijgelatene was. Hij had reeds, de senex, van heél jongen slaaf af, die senex-rollen moeten vervullen: hij had nooit vrouwerollen en nooit rollen van adulescens mogen spelen en dat alleen om zijn diepe, brommerige stem, die altijd brommerig en diep was geweest. Omdat hij een goede senex was, had zijn dominus hem altijd beloond, had hij zich eindelijk vrij kunnen koopen, maar hij behield in zich een bitterheid, hem ingegeven door het van jongs af aan moeten vervullen van "grijsaards". Het grijnzend masker, dat onding, meer een saterkop dan een oude-mannegezicht, waar achter hij zweette en treurig werd, had niet zijn hoofd alleen maar zijn heele leven gedrukt, had hem jaloersch, nijdig, bitter gemaakt; hij haatte zijn masker en wist, dat hij er zich nooit van bevrijden zoû. In de maskerkwestie was hij daarom, uit nijdigheid, voór maskers, zijn eigenlijke meening verbergend en innig hopende, dat eenmaal iedere tooneelspeler zoo een zwaren, ellendigen maskerkop zoû moeten dragen, ook adulescens, en "vrouwerol". En wat de mimus inderdaad meende uit zijn artistiek oogpunt, zei de bittere, melancholische, nijdige senex te meenen uit bitterheid, melancholie, nijdigheid.

Maar de vrouwenkwestie: zeker, hij was vóor vrouwen, voor gemàskerde vrouwelijke tooneelspeelsters; en niet voor die bedorven, mooie, blonde jongentjes, die nooit slaag hadden gekregen, die precies deden waar in zij pleizier hadden, die weg liepen en avontuurtjes zochten, en die zich nooit behoefden te maskeren.

En tusschen de meeningen, die op klonken, smeet hij ook de zijne, meêdoogenloos, neêr.

--Zéker, Fabulla! riep hij. Jij, hoor, jij zoû, maar mèt een masker, veel beter mijn dochter spelen of de meid, die, ik, altijd oude kerel, mijn zoon ontsteel in een stuk van Plautus, dan die jongens met hun geverfde bakkessen doen!

De tweelingen schreeuwden heftig terug. Het was vreemd, maar deze vermoedelijk zoo half en half patriciër geboren jongens, die echter reeds van hun kinderleven in het komediantenvak waren opgegroeid, vóelden voor hunne kunst. Zij voelden er zoo voor, dat zij, eigenlijk nog niet anders dan instinctmatig, vreesden, dat er eenmaal zoû komen een tijd, dat ventjes als zij de vrouwerollen niet meer spelen zouden.... Zij verdedigden hun terrein. Zij balden zelfs hun kleine vuisten, hun fijne meisjesgezichten rood van boosheid. Rondom hen bewonderden glimlachend de gladiatoren hen om hun moed, en in de verwarring wist Nigrina Fabulla van Colosseros weg te trekken.

Plotseling, buiten, op straat, was een rumoer, een gegil, een geschreeuw. De taveerne-deur dadelijk door de matrozen van Ostia nieuwsgierig geopend, galmde het schreeuwen, gillen, rumoeren naar binnen. Het was voor het huis van den leno. Het was Taurus, met den stierennek. Hij stond, breed, kort, stevig in het midden van zijn tierende vrouwen, zijn slaven-uitsmijters en drie bezoekers, die dronken waren. De drie bezoekers schenen geen geld meer bij zich te hebben na hun vooruit betaald herdersuurtje met Flacca, Matta en Prisca.... De drie meiden raasden, omdat zij geen drinkpenning hadden ontvangen na moeizaam werk, beweerden zij, met die dronken kerels.... De slaven-uitsmijters trokken de kerels op straat, smeten ze de goot in, over Nilus' drempel, omdat de straat zoo nauw was. De meiden schreeuwden om recht en dreigden, dat zij naar de ædilen zouden gaan voor haar fooi! De gasten van Nilus, nieuwsgierig, keken naar buiten, wipten over de kerels, die in de goot, over den drempel lagen, sloegen kwinkslagen, lachten van pleizier om het standje. De meiden krijschten, honden liepen toe en blaften; andere honden, uit de verte, antwoordden nijdig. In den stal balkten de beide ezels, de altijd hongerige der Gallen en die zich tot nog toe had onbetuigd gelaten, die van den Egyptischen waard....

Nilus schopte een der kerels, die over zijn drempel lag, verder de goot in. Bij haar rekenbord zat de Alexandrijnsche haastig te tellen. De gasten verliepen, de een na den ander, om te kijken.

--Ik sluit, Lavinius Gabinius, zei Nilus; de stedewacht is wel niet te zien, als er in de Suburra een oploop is, maar het uur is toch al lang voorbij en ik sluit: boete is ondankbaar geld.

--Daar weet ik van meê te praten, Nilus, zei de dominus; eens heb ik boete moeten betalen omdat ik met mijn grex te laat in Antiochië kwam: groote goden, hoèveel boete moest ik niet betalen! En het wàs niet mijn schuld, maar ik kòn geen postbuffels krijgen!

--Gij gaat zeker rusten, Lavinius.

--Zekerlijk, zekerlijk, Nilus, ik ga rusten en rusten moet de grex. Morgen moet ik naar de ædilen. En over drie dagen, de eerste dag der Megalezia....

--De eerste opvoering....! En er is nog zóo veel te doen!!

--Tot ziens dan, Lavinius, en goede nacht.... Neen, neen, niet meer binnen! Gallen, naar binnen jullie, als je slapen wilt in je hoek. We zullen eerst nog dien onverzadigbaren ezel van jullie wat hooi geven, opdat hij de Suburra in den vroegen morgen niet wakker balkt. Andere vrienden, allemaal de deur uit! Tot morgenavond, tot morgenavond en dànk allemaal....

Op den drempel duwde hij de drinkers weg. De Suburra, tusschen bordeel en taveerne, was vol, vol van gedrang, geschreeuw, geblaf, gekrijsch, gebulder, gegil. Maar Nilus' deur, plots, kwakte toe. Twee Gallen, buiten gesloten, smeekten, bonsden op de deur, werden nog even binnen gelaten. Toen, meêdoogenloos, schoven de grendels voor. De slaven ruimden het vaatwerk af van de tafels. De Alexandrijnsche verdween, met haar geldkistje tegen den boezem....

Nilus vermaande, streng, de Gallen. Of zij nu eindelijk hun bek zouden houden, of iedereen nu slapen zoû gaan.

Met een laatste, verre kèf-kèf-kèf-kèf, buiten, van een hond, die niet uit wilde scheiden, verstierf het lawaai. Binnen, in de taveerne, was blijven hangen de damp, de walm, de wadem en verijlde, in den vagen schijn van een enkele oliepit, die de slaven hadden laten branden. De verwarring der smalle bedden langs den muur, der lange banken, der tafels en schabellen in die gelige weifeling van licht door grauwigen dwalm heen, die op trok, schemerde vet, oversausd en met roode plassen als overbloed.... Over den steenen vloer slingerde de afval der worstevellen en weg geworpen groente tusschen de scherven van kruiken en kroezen in groote plassen wijn. De lage zaal doezelde weg naar den donkersten hoek: daar lagen, op de bedden, de banken, den vloer de Gallen en snorkten, doodmoê, dronken, dadelijk in diepsten slaap.

Onder den sluier in haar kastje bleef de Groote Godin der bedelpriesters, eene bedelende als zij, eene onwaardig gediende, een arme vervallene, onzichtbaar. Maar boven de schenkbank, over den abacus, vol leêge, ronde gaten, waaruit Nilus' slaven de amforen hadden genomen en naar den kelder gebracht, blikte de godin Isis neêr. Zij had haar zelfden welwillenden, goedmoedigen, moederlijken godinneglimlach, neêr glanzende in den geel doorlichten, verijlenden walm over de, nu alleen door die vuile bedelpriesters doorsnorkte, bezoedelde en verder verlatene taveerne-zaal van haar priester, Nilus, die de boorden van den Nijl had moeten verlaten om in de Suburra geld te verdienen....

II.

Laat was men des morgens in de Suburra. Was men in het keizerlijke Rome van Domitianus vroeg op het Forum en in de Bazilieken, waar de zaken begonnen, waar de processen voorbereid werden, vroeg ook in het Velabrum, waar de drukke markten waren, laat was men in de Suburra. De huizen en winkeltjes openden niet dan na het vijfde uur van den morgen de luiken en puien en deuren en geen voorbijganger deed er de zolen kraken over het gebarsten plaveisel van groote, vlakke steen.

Schoon was dit dezen morgen geregend en de goten, links en rechts, liepen murmelend als beekjes af of watervielen met kleine valletjes langs de hindernissen van afval, die waren blijven steken. Nu en dan blafte reeds een hond, uit een deur, zag dan den afval en snuffelde. Verder op antwoordde een tweede hond, een derde.... De straatkinderen doken te voorschijn, ongewasschen, klein geboefte, speelden morra, met de vingers of om geld, éen of twee as, op de, midden over de nauwe straat, in de steenen, gegrifte vakken, vierkantjes van snijdende lijnen, damspel of bikkelden.

Over het groezelige, grauwe verschiet der hoogere en lagere huizen--de straat daalde nauw en steeg, zich verwijdende--langs de verweerde muren, de ontverfde luiken en deuren, over de goten en afval en om de slordige kinderkopjes, dreef, na de nacht van regen, het reine, glanzige, dunne, fijne morgenlicht van de lente. De reep hemel, gezigzagd tusschen de elkaâr toe neigende dakenlijnen, telkens gebroken, blauwde in klare diepte. Een kristallijnen teêrheid van licht gleed de Aprillucht uit, de straat in. Zonneschijn overgloorde als met dun gouden glansen het grauwe steen en rossigde het. Door ontslotene deurtjes schenen binnenverschietjes van vale, wazige kleur, plotseling doorschoten van zongestraal, doorpoeïerd van zongepoeïer. Er teekende soms zich in af de vierkante lijn van een bank, een tafel, een bruine kruik, die glom als met goudsteen doortinteld. Een zich openend groentenwinkeltje ontlook plotseling met een fèlte van kleur, om de gestapelde scharlaken tomaten en broodvruchten, donker paars....