Chapter 25
Prætor: de hoogste magistraat na de Consuls.
Promiscua salutatio: algemeene audiëntie.
Proscænium: gedeelte van het tooneel vóór de scæna of tooneelmuur.
Quadriga: vierspan.
Retiarius: zwaardvechter met net en drietand, die tegen den mirmillo streed.
Rhetor: leermeester in de welsprekendheid.
Rudis: schermroede, door den Keizer vereerd als afscheid aan den gladiator.
Saltatio: dans.
Salutatio: audiëntie.
Senarius: zesvoetig jambiesch.
Senex: grijsaard, père-noble.
Septenarius: zevenvoetig jambiesch.
Servus currens: dravende slaaf.
Sestertius: twee-en-een-halve as.
Siparium: tweede (achter-) tooneelgordijn, dat weg schoof.
Sistrum: muziekinstrument uit Egypte.
Soccus: tooneelschoen voor de komedie.
Soleæ: sandalen voor thuis.
Soloecismus: taalfout tegen de woordvoeging.
Stadium: renbaan.
Stola: gewaad der matrona.
Stupidus-græcus: Grieksche clown.
Subsellium: zetel in den schouwburg voor senatoren.
Suffibulum: sluier, huif der Vestaalsche Maagden.
Synthesis: licht huis- of tafelgewaad.
Tepidarium: lauwe-badzaal.
Tessera: toegangsbiljet.
Titulus, didascalia: programma.
Tonstrix: kapster, barbierster.
Triclinium: eetzaal.
Vale, Valete: gegroet.
Velarium: gordijn, doek, zeil.
Vasculum: bassin.
N.B. Voor de verklaringen zijn geraadpleegd:
Latijnsch Woordenboek van Dr. K. E. Georges, op nieuw bewerkt door Prof. Dr. Engelbregt
en I. J. G. Schelleri, Lexicon Latino-Belgicum Autorum-Classicorum curante Davide Ruhnkenio.