Chapter 22
--Neen, zei Frontinus; een brave kerel, de groote, sterke vriend van dien knaap daar. Maar de geliefkoosde gladiator, bestiarius en lanista van den Keizer. Zij haten hem niet, de gladiatoren....
--Hij wist hoe ze aan zich te hechten, zei Martialis; hij stond ze, in de arena, dikwijls beiden na een tweekamp het leven toe. En gaf ze de rudis daarna, hun afscheidsstaf en eerbewijs.... Ze houden allen van hem....
--De Prætorianen zijn verdeeld, fluisterde Frontinus.
--Dus? vroegen Tacitus en Juvenalis, begeerig.
Frontinus schetste een gebaar van niet weten. Marcella diende de geconfijte vruchten rond.
--De tijden, zeide Martialis, een weinig somber; zijn niet geschikt tot gezellig tafelen. Vergeeft mij, mijn vrienden. De prei was te bitter, de eieren te hard, de paling te zacht; het geitebokje een geitebok, vader van twintig bokjes en de kooltjes waren bij Nilus veel meer doorgeurd van laserpicium. Marcella, je hebt ze te lang gestoofd! En die Nomentaner wàs niet de amfoor, die ik klaar had gezet en dagteekent niet van Frontinus' tweede Consulaat. En dat kind daar, heb ik nog zièker gemaakt door hem te vragen juist Vergilius' tweede ecloga te willen zeggen.... Vrienden, vrienden, vergeeft mij en laat ons alleen hopen, dat deze dag gunstiger verloope dan hij verliep boven de allertreurigste oventjes van uw vriend Martialis. Dit is alleen éen goed ding: de ham is op en een nieuwe kan worden op het Velabrum aangekocht. En dan: hópen moet men altijd en misschien brengt de naaste minuut ons allergunstigste tijding....
Er klonk paardengedraaf over den weg. De gasten schrikten op. Alleen, bij de put, waar Carpoforus en Cecilianus zaten, bleef de knaap, oogen-geloken, liggen. Maar de Jager riep naar binnen:
--Edele Martialis! Een boodschapper van het Palatium!
Aan den disch stonden zij, allen, in éen ruk op. De vreeslijke verwachting was nóoit uit hun geest.
Bij Priapus, die waakte aan de tuindeur, was de wit bestofte boodschapper afgestegen. Martialis ging hem te gemoet.
--Wat wenscht de Keizer? vroeg de dichter, bleek.
--Dat Marcus Valerius Martialis onverwijld ten Hove verschijne.
--Hij gehoorzaamt, zei de dichter. Marcella, bied verfrissching den boodschapper.
Martialis kwam glimlachend bij zijn gasten terug.
--Het is weêr niet anders dan wat het reeds was! schertste hij en vol ontroering omhelsde hij Plinius. Maar.... zijn stem werd heel ernstig en hij fluisterde aan Plinius' oor.
--Vlùcht, vriend, eer het te laat is. Wij vreezen te veel voor u!
--Ja, drongen zij allen.
--Waarheen? lachte Plinius. Waarom? Zoo lang hij heerscht, zal hij mij in zijn rijk weten te vinden. En zoo het moèt, welnu, welnu vrienden, dan moèt het. Neen, Martialis, ik vlucht niet. En--vreemd is het--een gevoel heb ik, dat ik lànger zal leven dan hij.... Maar ga, beste Martialis en neem mijn draagstoel. Marcella, waarschuw mijn dragers....
Achter het huisje waren de draagstoelen opgesteld en had Marcella met spijs en drank de dragers verzorgd. Plinius' stoel kwam weldra voor. En Martialis sloeg zijn toga-tje om. Hij nam afscheid van zijne gasten. Hij ging weg naar de put, waar de Jager zat met den knaap.
--Hoe gaat het met hem? vroeg hij den Jager.
De Jager streelde Cecilianus steeds zacht over zijn krullen.
--Niet beter, heer, geloof ik. Hoewel dezen morgen, vooral toen de heilige Man van de Christenen hem gezegd had....
--.... hij beter scheen??
--Ja, heer....
Martialis bracht de hand aan zijn voorhoofd. Hij dacht na. En zeide toen, in zichzelven:
--Ja, ik zal het vragen.... Ik zal het vragen....
Hij boog zich tot Cecilianus.
--Cecilianus.... Cecilianus....
--Cecilianus, zei de Jager.
De als verwelkende oogleden openden zich....
--Cecilianus, zei Martialis. Ik ga den Keizer vragen....
--Wat, heer? vroeg de knaap mat.
--Of Cecilius terug mag komen.
De knaap gaf een snik van geluk. Hij greep Martialis de handen.
--O, Martialis!! riep hij, vergetende zijn eerbied.
De dichter steeg in. De vrienden, in den tuin, wuifden hem afscheid. De zonnig blauwe namiddag begon te verpurperen naar het Westen toe en over de Sabijnsche bergen schemerde het met een violette omfloersing van ommelijnen, waartegen de laatste kudden schapen, huiswaarts geleid, bewogen als een wittige nevel....
XVI.
De dominus was geheel ter neêr geslagen. Middagen bracht hij door, zittende op de bank voor de taveerne, wezenloos kijkende naar de obscene schilderingetjes op de muren van het huis van Taurus, waar, tegen den avond, de hooge gestoelten werden geplaatst en de meiden tronen kwamen. Hij had uit Alexandrië bericht, dat zijn wisselaar, bij wien hij een aanzienlijke som in bewaring gegeven had, zich vergiftigd had en geen as had nagelaten. Zijn tweede senex was er van door, net als Clarus gedaan had en hoewel hij dit maal veel geld had uitgegeven om hem te achtervolgen en na te zitten, was er geen spoor van hem ontdekt. Hij had in de "Bacchides" nog zoo mooi den Prologus gespeeld: Silenus op den ezel van Nilus! En nu had de dominus geen enkelen senex meer bij zijn troep! Er waren wel mindere komedianten, die konden invallen, mochten er particuliere Spelen plotseling plaats hebben, maar dat zoû toch geen goed werk zijn: een senex, dat was een hoofdrol! Intusschen, er wèrden geen particuliere Spelen uitgeschreven. De zomer sleepte zich voort met luttel gewin. Cecilius was nog steeds bij den Keizer, want Martialis' verzoek had niets uitgewerkt. Cecilianus was, ziek, bij Martialis. Hij kwam niet meer van zijn bed, vermagerd, lag bleek en lusteloos, at niet, klaagde niet meer, kwijnde zichtbaar weg.
Vol zorg zat de dominus neêr en iedereen, die voorbij ging, had een goed woordje voor hem: Taurus en de meiden, Alexa en Gymnazium; Nilus zelve hield veel hem gezelschap; de voller en Autronius, de slavenkoopman, kwamen ook wel eens een worstje gebruiken met een kroes Nomentaner. Er was sympathie heen om den dominus en de dominus werd er ontroerd door.
--Er is maar éen ding, dominus, zei Nilus heel ernstig op een middag; er is maar éen ding, dat je troosten kan voor de treurige wisselvalligheden van het leven.
--En dat is, Nilus.
--Dat je je laat opnemen in de Broederschap van de priesters van Isis.
--Ik? zei de dominus. Maar, Nilus, hoe kom je er aan. Jij bent een caupo: je geeft eten en drinken aan al dat volkje hier in de Suburra en daarbij ben je een vreemde ziel, ben je een mysticus, Nilus, ik kan het niet anders noemen en heb jij van de boorden van den Nijl iets geheimzinnigs meê gebracht, dat we geen van allen begrijpen en weten, maar dat ik toch in je voel. Ik ben een eenvoudiger vent dan jij: ik ben een komediant, een kunstenaar, ook wel een man-van-zaken--hoe zoû het anders kunnen voor een dominus-gregis!--maar ik heb niet dien geheimzinnigen aandrang in me, die mijn eersten senex deed gaan tot de Christenen en jou mystes deed worden van Isis. Maar als ik je er pleizier meê doe, nu goed, dan wil ik ten minste wel eens met je meê gaan....
Zij gingen, een nacht, samen naar den tempel van Isis, in het Campus Martius, op een grazige vlakte, dicht bij den Tiber. Nilus zeide den dominus te wachten, tot de heilige processie uit zoû treden, als de volle maan zoû rijzen. Zelve trad hij een zijdeur in van den tempel. En de dominus wachtte, wandelde mistroostig den Tiber langs. Diep zuchtte hij nu, denkende aan zijn geldverlies, aan de jongens, aan zijn velerlei zorg. Langzamerhand begon de vlakte te starrelen van lichten: het waren tal van naderende geloovigen, mannen en vrouwen, en zij droegen allen lantarens, lampen, fakkels, toortsen, kaarsen, brandende lonten; wat maar licht gaf, hadden zij meê genomen. Dat bewoog spookachtig over de vlakte, want de maan was, nog slechts met een bleeken schijn zich aankondigend, te raden achter den Janiculus, die somber golfde tegen bleeke zomernachtlucht. Maar de vlakte, weldra, wemelde van de duizende lichtjes. De lantarens flikkerden van roode, opwaartsche tongetjes in hun doorschijnende spiegelsteentjes; de lampjes flakkerden met gele, zijlings rekkende, lekkende vlammen; de toortsen vlammelden op in harstig geurenden walm: de fakkels wierpen den smook af, waarin de gensteren uitspatten als sterretjes en duizende, duizende dwaallichtjes dwarrelden over de vlakte. Daar ginds, tusschen de zuilen des tempels, op zijne treden, werden ook de lampen ontstoken en hoewel de starren in den hemel bijna onzichtbaar waren, rees de maan hooger en hooger achter de kam van den Janiculus op. En er weêrklonk zacht schalmei-geschal en dwarsfluiten trillerden: sistra werden aangetokkeld en jonge stemmen zongen. Een menigte vrouwen en meisjes, in witte cataclista, die sleepte, en gesluierd, traden uit en haar volgden de opperpriesters; zij waren geheel geschoren de kruinen, die glinsterden; zij stelden de starrebeelden voor van de Groote Dienst en zij droegen de heilige symbolen: de Gondellamp, het Altaar van Toeverlaat, den Arm der Rechtvaardigheid met opene Hand; de gouden vazen, die zijn als vrouweborsten, en waarmede de melkplengingen worden volbracht.
De beelden der goden werden gedragen. Het was de Bemiddelaar tusschen Hemel en Hel: somber donkerde soms zijn gelaat en schitterde dan weêr strálende op: dan ging onder de menigte een murmelende huivering heen. Anubis met den hondekop werd gevolgd door de Koe, die stond overeind op de achterpooten en stak de zwellende uiers vooruit; op het breede deksel van een gouden urn lag de uræus-slang: was zij van juweel, was zij levend? Toen volgden de mysten van de Broederschap en de dominus herkende niet dadelijk Nilus. Maar werkelijk, ja, hij wàs het! Hij liep en tokkelde zijn sistrum aan met een staafje en zijn oogen staarden hoog voor zich uit, terwijl de processie het grazige Campus Martius omtrok en omtrok. Op afstand liep de dominus meê, nieuwsgierig naar Nilus. Was dit de zelfde man, die joviaal in zijn kroeg noodde Nomentaner te drinken en worstjes te eten en Picenumbroodjes?! Het was of hij was verheerlijkt. Of hij niets meer wist van kroeg, wijn, eten en drinken; of de geheele Suburra uit zijn blik was gewischt. Hij liep zoo bleek, zoo klaar, frisch geschoren, zelfs zijn kruin. Zijn oogen staarden, groot, de rijzende maan in extaze toe. Vol en blank, als de witte Io, als de heilige, zilveren Koe vertoonde zij zich in de bleek azuren weide der hemelen. Was dat Nilus? vroeg zich de dominus af, meê loopende, steeds starend naar Nilus. Hoe vreemd waren toch de menschen in hun eigen ziel! Hoe kenden zij elkander weinig! Nilus wist eigenlijk niets van Plautus en Terentius; hij was een ongeletterde kroeghouder, maar.... wist hij wèl, wat al die vreemde symbolen beteekenden; die Gondellamp, dat Altaar, die Arm, die vreemde Beelden....? Indruk, zeker, maakte die dienst en meer dan die der Romeinsche goden, maar het scheen wèl moeilijk en ingewikkeld Isis te dienen. Je moest dat alles begrijpen.... En dat zoû voor een dominus-gregis even moeilijk zijn als voor een Isispriester Scenische Spelen te leiden.... En troostte die Gondel en die Arm en die Koe nu heùsch voor de treurige wisselvalligheden van het leven? Zoû dat alles hem kunnen troosten omdat in Alexandrië zijn schurk van een wisselaar zich vergiftigd had, omdat twee komedianten er van door waren, omdat de tweelingen.... ach!!
De dominus zuchtte diep op. Plotseling voelde hij op zich rusten twee oogen, als twee heldere, blauwe vlammen. En hij zag, even afgedwaald van Nilus en de processie, dat hij zich aan den rand van den Tiber bevond, tusschen vele toeschouwers, die geen lantarens, lampen of fakkels droegen. Zij waren niet wit, maar somber gekleed en een Grijsaard stond tusschen hen, een somberen mantel om. Zij stonden heel stil, zwijgend, rustig naar de processie te kijken. En de dominus herkende hen: het waren de Christenen en zij stonden rondom hun heiligen Man. En plotseling herkende hij, vlak bij zich, den senex....!
--Senex....? schrikte de dominus.
--Dominus, antwoordde de senex.
--Ben je tevreden, senex, nu je Christen bent?
--Ja, dominus, ja, jawel!
--Ik niet! Senex-twée is er van door gegaan.... Ik hèb geen senex meer in mijn troep!
--Je moest je heelen troep opgeven, dominus, en het ware geloof deelachtig worden.
--In Isis??
--In Isis? Neen.... in Christus!
--Wie weet de waarheid? vroeg de dominus. Jij of Nilus?
--Ik, zeide de senex. Hij, voegde hij er aan toe en wees naar den grijsaard. Hem volg ik, zelfs naar Patmos.
--Naar Patmos??
--Daarheen is hij verbannen. Morgen gaat hij.
--Is dat Fabulla? vroeg de dominus, haar meenende te herkennen tusschen de vrouwen.
--Dat kàn wel.... Zij gaat meè.... Wij gaan naar Efezos, waar een vrouwenklooster is....
--Wat is een klooster?
--Een bedehuis, waar vrouwen of mannen zich samen terug van de wereld trekken.... Vaarwel, dominus....
--Vaarwel, senex.... O wat speelde je toch de "grijsaard" goèd! Had ik je maar nooit je vrij laten koopen! Stommerik, die ik was!
En de dominus, schuddend zijn hoofd, verwijderde zich langs den Tiber.... Isis? Of Christus?
--Neen, dacht hij bijna hard op. Ik heb die vreemde goden niet lief. Ik begrijp ze niet.... Isis, dat is alles symbool.... Christus is een godszoon, als een slaaf gekruisigd! Neen, neen, ik heb onze òude goden lief, onze goden vooral van Hellas! Die zijn de Schoonheid, de Kunst, de Poëzie, de Mythe.... die begrijp ik, die begrijp ik alleèn. Ik, in de Broederschap van Isis! Nilus is een dweper als de senex is. En ik, ik ben een komediant, een dominus-gregis, een man-van-zaken: ik eeredien Dionyzos-Bacchus en Hermes-Mercurius en ik ben zelfs in staat aan hen een heel kostbare offerande te brengen, als ze me mijn jòngens maar gezond en wel weêr thuis brachten....
En hoofdschuddend en zijn hart vol zorg, sleepte hij zich door Rome, waarover de volle maan gerezen was, en dat blank zuilde rondom hem heen, naar huis, naar zijn heel ver huis, naar het huis van den voller, heelemaal achter de Suburra, ach, ach, en zonder avondeten omdat Nilus' taveerne op dezen avond gesloten was....
XVII.
Op een morgen, heel eenvoudig-weg, had Carpoforus zich aangemeld op het salutatio-uur van den Keizer. Het was niet eens de promiscua salutatio, de algemeene ontvangdag, dat wie eenigszins maar recht had, Domitianus, tot aan een open getrokken velum, naderen en kon zien, somber ineen gedoken in zijn kussens, omringd door tal van Prætorianen. Spreken deed de Keizer dan tot niemand: hij vergunde alleen de toegelatenen hem te begroeten, en dan weêr door te gaan.... Het was de admissio der Consuls, Præfekten, Senatoren en Consulaire personen en hoogst verwonderd waren de beide dignitarissen, Parthenius en Sigerius, toen zij, te midden der rood-omzoomde, wijd plooiende laticlaviæ der strak en bleek kijkende, aanzienlijkste Romeinen in de veelzuilige wachtzaal, de monsterlijk zwaar gespierde gestalte van den lanista zagen verschijnen, die eenvoudig verzocht tot den goddelijken Augustus toe gelaten te worden.
Plinius, Frontinus en Quintilianus, rondom den ouden Verginius Rufus, waren wachtende in de volgende, kleinere wachtzaal, die toegang gaf tot de galerij, waar men aan het einde, door het opengetrokken velum, den Keizer meer zag liggen dan tronen. En als alle anderen waren zij hoogst verwonderd, toen zij Parthenius en Sigerius den lanista langs hen zagen geleiden, de galerij af, tot in de tegenwoordigheid van Domitianus. Nieuwsgierig keken zij uit van ter zijde. En zij zagen, hoe de gladiator knielde en hoe de Keizer hem even de hand legde op zijn ruigkroezen kruin. De Keizer bewoog even de lippen, Carpoforus scheen iets te vragen. De Keizer vroeg weêr.... De knielende reus antwoordde. Toen knikte de Keizer, wenkte mat Parthenius, zei drie woorden.... Carpoforus stond op, werd terug geleid.... In de kleine wachtzaal zag hij nu de vier heeren en groette ze....
De geheele admissio van den Jager had geene drie minuten geduurd en hijzelve was niet verwonderd over wat hij bereikt had, wel verwonderd, dat hij niet eerder dit in zijn nauwe brein had bedacht. Hij wachtte nu buiten op het paleisplein, de area-palatina en allen, die beneden aan de trappen stonden te gapen naar de draagstoelen, die aankwamen en vertrokken, naar de Aanzienlijken, die instegen en uitstegen, wezen den Jager, Carpoforus, die in het Colosseum worstelde met leeuwen en beren. In het morgenlicht, tusschen al het blanke marmer der trappen, muren, zuilen, beelden, donkerde met een barbaarsch schoone ruwheid en ruigheid zijn in leêren tuniek omspannen en spierende reuzigheid uit.... En geduldig wachtte hij, tegen de kruislingsche lijnen van het marmeren hek, zijn geweldige hand op het voetstuk van de Zegegodin, die hare vleugels spreidde boven hem, zwevende zij op de gouden bal van een zuil.
De heeren kwamen uit. Zij hadden niet meer dan zwijgende den Keizer begroet; de Keizer had hun geen woord gezegd. Toch zouden zij den doodstraf waardig geweest zijn, zoo zij de admissio niet hadden bijgewoond. Plinius naderde den lanista.
--Welken gunst heb je gevraagd, Jager? vroeg Plinius, die reeds ried.
--Cecilius meê te mogen nemen, antwoordde Carpoforus.
--En....?
--De Keizer stond toe.
--Stond toe?? verbaasden zij allen zich.
--Ja, edele heeren. Gunst, dien ik vraag, staat de Keizer mij altijd toe. Maar ik vraag bijna nooit, om geen misbruik te maken.
--Dus mag Cecilius meê?
--Met mij, ja edele Plinius. Ik wacht hem.
--Waar breng je hem!
--Naar Nomentum.
--Breng hem liever naar Laurentum. Nog beter: laat de knaap met mij naar Laurentum gaan. En haal Cecilianus en zeg den dominus, dat ik de beide knapen eenigen tijd wensch te huren, ten mijnent.
--Ik zal het doen, edele heer, zei de Jager en ging de trappen af, verdween in de menigte.
--Wij wachten even met u, zeiden de vrienden.
Zij wachtten, terwijl de Aanzienlijken, met begroeting en plichtpleging langs hen neêr daalden, de trappen af, het Paleis uit, de draagstoelen toe. Er was drukke commentaar, dat de Jager op de Consulaire admissio van den Keizer dadelijk in zijn tegenwoordigheid was toe gelaten. Toen, van af de zijde waar het Tiberische Paleis zich verhief met de Prætorianen-kazerne en het slavengebouw, zagen de vrienden Cecilius komen. Earinus liep aan zijn zijde. De jonge komediant zag bleek, vermagerd, in zijn lange, zijden tuniek; dof stonden zijn donkere oogen. Plinius ging Earinus te gemoet.
--Earinus....
--Edele Plinius....
--Cecilius is vrij.... Carpoforus heeft het gevraagd en de Keizer heeft hem toe gestaan, wat hij zelfs Martialis niet toe stond.... Cecilius, je gaat met mij meê. Naar Laurentum. En gauw zal je Cecilianus terug zien.
--Zoo als ge beveelt, edele heer, zei Cecilius.
Hij nam afscheid van Earinus, die hem omhelsde, terwijl Cecilius den jongen patriciër de handen kuste.
Begeleid door zijne cliënten, steeg, na afscheid van de vrienden, Plinius in en Cecilius, bescheiden, zette zich over hem, zoo als een komediantje zich zet tegen over een heel voornamen heer, die hem meê neemt naar huis, voor zang, spel, dans en saltatio.
--Het is de weg, dien ik al ken, edele heer, zei Cecilius. Maar toen was ik gezond; nu ben ik wel een beetje ziek, als ik straks voor u moet zingen en spelen.
--Je hoeft niet te zingen, noch te spelen, zei Plinius.
Toen zij aankwamen te Laurentum, in de villa, riep Plinius Hermes, den vrijgelatene.
--Hermes, beval hij; breng Cecilius in een cel, die op de zee uit ziet. En zeg Zozimus hem gezelschap te houden.
Hermes bracht Cecilius in een der cellen, waar de slaven woonden, in zicht van de zee. Zozimus kwam.
--Ben je ziek geweest? vroeg Zozimus.
--Ja, zei Cecilius. De edele Plinius denkt, dat zeelucht me genezen zal. Hij heeft me gehuurd, met mijn broêrtje, die komt straks. Dan zullen we wel alle drie samen moeten spelen, Zozimus.
Cecilius keek het celletje rond....
--Je broêrtje krijgt er een naast je, zei Hermes.
--Dat hoeft niet, zei Cecilius. Eén celletje is voldoende. We slapen toch meestal op éen matrasje. Het is een mooi celletje, en we hebben hier alles wat we noodig hebben. Het is een geriefelijk celletje, met die nissen, waar je je boel kan bergen. En dat aardige lampje....
--Je mag 's morgens baden in de zee, zei Hermes. Vóor dat de meester op is....
--Het zal heerlijk zijn, zei Cecilius. We worden héél vroeg wakker, Cecilianus en ik. Mogen we dan samen baden, voor dat de meester op is?
--Ja, dan baden we allen, zei Zozimus.
--Het zal heerlijk zijn, herhaalde Cecilius. Dan doen we net als de voorname burgers, die gaan baden in de zee bij Antium of Baïæ. Mag ik uitkijken of mijn broêrtje komt?
--Kom dan meê, zei Zozimus, terwijl Hermes in huis terug ging.
Zozimus en Cecilius liepen de lange gebouwen om, den tuin in. Ter zijde van den porticus, die met een D toegang tot de villa verleende, zagen zij uit.
--Daar heb je ze, zei Zozimus.
--Ja, daar heb je ze, zei Cecilius, heel kalm.
Het was Carpoforus, op zijn groote ros en vóor hield hij Cecilianus tegen zich aan. En het was, op een muil, de dominus. Hermes had Plinius gewaarschuwd en hij kwam in den porticus kijken. De ruiters stegen af, begroetten Plinius.
--Dominus, zeide hij; ik wilde je beide knapen huren, voor eenigen tijd.
--Het is groot voorrecht voor mij, alleredelste patroon, zei de dominus; u de jongens te verhuren en alles wat gij mij voorstelt, acht ik onwaardeerbaar voordeel voor mij en voor hen.
--Kom dan binnen om te praten....
De dominus ging met Plinius naar binnen. Cecilius en Cecilianus omhelsden elkaâr, heel gewoon. Toen glimlachten zij en keken elkaâr aan.
--Jij ziet wat bleek, zei Cecilius.
--Jij ziet wat bleek, zei Cecilianus, met nadruk.
Zij gingen met Carpoforus en Zozimus terug, door den tuin, naar het celletje.
--Dit is ons celletje, zei Cecilius.
--Jij mag, zei Zozimus tot Cecilianus; ook zoo een celletje hebben, hier naast....
--Dat hoeft niet, zei Cecilianus. Eén celletje is voldoende. We slapen altijd op éen matrasje. Het is een mooi celletje en we hebben.... ja, we hebben hier alles wat we noodig hebben. Het is een.... ja, héel geriefelijk celletje. Met die nissen, waar je je boel kan bergen. En wat een aardig lampje!
--En 's morgens, zei Cecilius; mogen we baden in zee, voor dat de meester op is.
--Heerlijk! riep Cecilianus uit. Dan zijn we net héel voorname burgers, die gaan baden in zee bij Baiæ of Antium....
--Of je den een hoort of den ander....! zei Zozimus.
Zij hurkten allen neêr voor het celletje.
--Ben je niet moê, mijn jongen? vroeg de Jager, toen Cecilianus leunde tegen Cecilius aan. Wil je niet leunen tegen mij?
--Nou, zei Cecilianus. Ik leun nu maar tegen Cecilius.... Heb hem zoo lang niet gezien.
--Ja.... zei Cecilius; zoo lang elkaâr niet gezien....
Ze lagen stil tegen elkaâr. Zij sloten samen de oogen.
--Ik zal wat spelen, zei Zozimus.
Hij nam een dwarsfluit uit zijn borst. Hij floot zacht. De jongens lagen over den grond, tegen den muur, als sliepen zij. De Jager zat op den drempel, titaniesch en somber.
Een slavin kwam aan.
--Plautilla zendt mij, zeide zij. Dit zijn de jasjes, voor de komediantjes. Omdat het aardiger is, als zij gelijk gekleed zijn.
--Leg maar neêr, zei de Jager somber.
De slavin legde de kleêren op het smalle bedje, waar de jongens zamen zouden slapen. Zozimus speelde heel zacht. En de Jager, somber, staarde steeds naar de jongens, die vast sliepen, hand in hand en blonde hoofd tegen blonde hoofd, op den grond, tegen den muur....
XVIII.