Chapter 21
Hij legde zich te ruste, uitgeput. Op de bank voor het huis zat mistroostig de dominus, handen tusschen de knieën, hoofd op de borst. Martialis kwam naast hem zitten.
--Kom, dominus, troostte de dichter.
--Ach, edele Martialis, klaagde de dominus eindelijk uit. Wat moeilijke tijden, voor een dominus-gregis, die zomermaanden, die zich slepen en dan met mijn tweelingen....
--Joù tweelingen, dominus?
--Mijn tweelingen, Martialis, die misschien beiden dood gaan! Hoe lang is Cecilius nu al bij den Keizer? Hoe lang is Cecilianus al ziek! Ik weet het niet, de weken slepen zich voort. Mijn hart is vol van zorg en verdienen doe ik niets met mijn grex.... Jawel, ik kreeg van Crispina voor iederen dag driehonderd sestertiën, maar hoe het nu zit, dat Cecilianus niet meer bij haar is, terwijl Cecilius op het Palatium is, dat weet ik niet en dat is een ingewikkelde zaak, waarover ik eens met Labienus Posthumus, mijn rechtskundigen raadsman, moet spreken. Zie je, een proces heb ik liever nièt met de groote lui, maar toch, mòcht er iets bij den Keizer met Cecilius gebeuren, dan.... Ja, edele Martialis, en dan nog die lange zomermaanden, dat wij niet spelen.... Ik verhuur mijn komedianten wel zoo veel mogelijk, maar toch.... hoe kom ik dien tijd door tot Oktober, dat we naar Karthago moeten.... Dat ik misschien naar Karthago moet, en zònder mijn jongens, mijn tweelingen, die zijn, Martialis, mijn fortuin en mijn liefde, mijn alles.... De senex heeft me verlaten; die is Christen geworden; Clarus is weg geloopen en ik ben, om mijn verdriet, niet flink genoeg geweest hem te doen achtervolgen: ach, dat is allemaal verlies en zorg, verlies en zorg, edele Martialis, voor een armen dominus-gregis....
De avond zonk, starre-bezaaid, over de velden. De dominus vertrok op zijn muilezel, loomstaps, langs den bleeken weg verdwijnend naar Rome toe en Martialis, bij zijn lampje, zette zich aan het schrijven in zijn kamertje. Het deurtje open, zag hij Cecilianus, op zijn smal bedje, die sliep....
Dien volgenden morgen vroeg kwam er een ruiter te paard in een wolk van stof aan draven. Hij rees reuzig op zijn groot ros en Martialis, die naar zijn boonen zag in het moestuintje, herkende Carpoforus. De Jager wierp zich af en naderde, de teugels van het paard in de vuist.
--Zoo, beroemde Jager! groette de dichter; op wien ik zoo vele epigrammen schreef om je dapperheid en kracht te vereeuwigen, als op niemand anders, geloof ik! Ben je daar!
--De edele Plinius, heer....
--Juist, heeft je doen zeggen, dat Cecilianus naar zijn grooten vriend verlangt.... Daar ligt hij en slaapt....
Martialis wees het open kamertje.
De Jager bond zijn paard vast aan de heining. Hij naderde het kamertje. Juist opende de knaap de oogen.
--O lief kind! Zoete jongen! mompelde de Jager tusschen zijn bekroesde lippen. Mijn gelukaanbrenger, mijn tálisman! Hij maakte, dat ik den Numidischen Leeuw overwon en het beest den muil door midden scheurde! Ik léef nog door hem! Ik zal altijd overwinnen, zoo lang hij leeft en mij nabij blijft....
--Carpoforus! riep Cecilianus.
--Hier ben ik, zei de Jager en hij knielde neêr voor het bed. Hij was monsterlijk zwaar, rood belitteekend en gebruind de gespierbundelde armen, de vierkante knieën, die zijn leêren gladiatoren-tuniek bloot liet en in zijn kleinen, donkerruig omkroesden kop waren zijn oogen donker en goed als van een lief beest. Zijn geweldige handen, die een leeuw den muil konden open scheuren, gingen uit naar het blonde hoofd van den knaap, die hem zijn talisman was en hij omhelsde hem met den liefde-verteederden eerbied van zijn bijgeloof.
--Heb je om me gevraagd? vroeg de Jager.
--Ja, Carpoforus, zeide Cecilianus. Plinius verzocht me te vragen wat ik wilde hebben en Cecilius kon hij me niet geven. En toen heb ik maar om jou gevraagd. Hij is een machtig heer, hè, Plinius; hij kan bijna zoo veel als de Keizer. Hij zeide, dat hij zoû verzoeken aan de Viermannen, dat je naar Nomentum mocht komen....
--Heb je koorts, kind?
--Neen, ik heb lang en goed geslapen: de lucht is zoo frisch en het is hier zoo mooi en zoo wijd en ik zal opstaan en we zullen de heuvels opgaan; ik wil de heuvels opgaan, daar, daar, ginds: kan je van daar Rome zien, Carpoforus en de parken van den Palatinus en het Palatium....?
--Niet van zoo ver, mijn zoete jongen.... Maar laat ons gaan, als je wilt.
Zij gingen. Zij gingen op het groote paard, Cecilianus vóor tegen Carpoforus aan, de heuvelen op. Cecilianus keek uit naar het Westen.
--Ik zie Rome niet, zeide hij mat.... Ik zie den Palatinus niet.
--Het is te ver weg, zei de Jager. Kom, laat ons hier rusten. Laat ons afstappen, kind....
Zij stapten af. De Jager bond het paard vast aan een struik. En zij legerden zich in het gras. Het was, in den vroegen morgen, nu de zon nog zoo laag stond, nog frisch van overvloedigen dauw. Het geurde omrond naar menth en mariolein. Er gleden en glipten zwaluwen om, tegen de nog teêr zilveren blauwe lucht. Cecilianus lag met zijn hoofd tegen Carpoforus' borst. De knaap weende.
--Wat is er, mijn jongen? vroeg de jager.
--Ik ben ziek....
--Neen, neen....
--Ik zal sterven.
--Neen....
--Ja, Carpoforus.... Ik voèl het nu.... Het is in me gescheurd.... Het doet hièr altijd pijn, in mijn hart.... Wij zijn éen, Cecilius en ik. Hij ook.... hij is ziek en hij sterft daar.... daar ver weg.... in het Palatium.... Ik zoû wel gezond willen worden maar ik voel, dat het niet kan.... Ik kan niet.... Ik ben zoo moê.... Ik ben zoo zwak.... Ik word hier duizelig, van al die lucht en dat licht....
--Neen, je bent een sterke, gezonde jongen, mijn zoete jongen, die genezen zal, die genezen moèt!
Cecilianus lag half flauw tegen den Jager aan, de oogleden als verwelkt over zijn brekende oogen. Het hijgde als benauwde een zwaar gewicht hem de borst.
--O, goddelijke Herkules! riep Carpoforus. Red hem mij!
Hij nam Cecilianus als een kind in zijn armen. Het paard, aan den struik, hinnikte zachtjes.... Van den weg, die, beneden de grazige heuvelen, zijn stoffigen slinger tusschen de helling verloor, klonk een gezang aan van naderende stemmen. Het was een zacht sereene hymne, die in den jeugdigen morgen als naderde uit het Oosten, waar de nog vochtig omfloerste zon rees. Het waren stemmen, stemmen, stemmen, die harmonieerden met den jeugdigen morgen in een vreemde belofte van nooit nog vermoede zaligheid. De Jager richtte zich hooger en keek uit, den knaap vast tegen zijn leêren tuniek, waaronder bonsde zijn hart. Hij zag over de heuvelen, aan de andere zijde des wegs, naderen een menigte. Het waren mannen en vrouwen en kinderen en dan waren het herders met hunne kudden schapen. Door het gezang der stemmen, der vele stemmen blaatten zacht de schapen der herders, die meê met de menigte waren geloopen. En het was als ééne groote kudde van menschen en dieren, die zacht zingende, zachter nog blatende, aan naderde over die heuvelen, naar den weg toe, die van de Sabijnsche bergen geleidde tot Rome toe.
De Jager keek steeds uit, terwijl hij, angstig, meende, dat Cecilianus aan zijn borst bezwijmd was. En hij zag, dat in het midden der menschenmenigte, waarom heen de blatende schapen der herders drongen, een Grijsaard liep.... Hij was lang en rank en scheen een Ziener. Hij was heel oud en zijn lange haar hing zilvergrijs om zijn bleekzachte gelaat. Hij droeg een lange, witte pij, grijs bestoven, die sleepte met den zoom door het stof. Hij had als een vrouwelijke teederheid in zijn langzaam bewegen tusschen de menigte, die hem omringde. Hij scheen de Herder dier herders.... Zijn oogen waren heel groot maar heel zacht en jeugdig vrouwelijk in zijn nauwelijks gerimpeld gelaat gebleven. En zij schitterden soms vreemd, vreemd heilig, als blauwe vlammen, terwijl rondom hem de stemmen zongen, de schapen blaatten, de lammeren dringend tegen de moederen aan....
Zij naderden. Van waar kwamen zij, waar heen gingen zij? De Jager wist het niet. Hij zag ze nu af dalen den heuvel, daar over, om den weg te bereiken. Zeker gingen zij naar Rome; zeker begeleidden de herders een eind die menigte om dien ouden, witten, heiligen Man naar Rome terug. Menschen en schapen daalden den heuvel af, den weg in tusschen de heuvelen. En gingen voorbij den Jager, die daar in het gras zat, met een bezwijmden knaap aan het hart.
Ook de heilige Man daalde. Hij stond nu op den weg en de Jager zag hem zijn blauwen, vreemd heiligen vlamblik wenden naar hem. De blauwe blik van den Ziener ontmoette den bezorgden blik, dien van een lief, sterk beest, des Jagers. En hij talmde een oogenblik. Rondom hem zongen zij, blaatten zij....
--Wenscht ge, dat ik kom....? vroeg de heilige Man, zijn stem even verheffend en die stem was bijna vrouwelijk teêr en zoo klaar als van een jongeling.
--Ja, heilige Man! zei de Jager.
Toen klom Johannes den heuvel op, waarop de Jager zat. De menigte toefde op den weg en zong....
--Wat wenscht ge? vroeg Johannes.
--Misschien zijt ge wel een dokter, heilige Man, zei de Jager Carpoforus. Deze knaap is al lang heel ziek en ik woû u vragen; kunt ge hem niet genezen?
Johannes stond nu voor den Jager en keek op Cecilianus neêr.
--Wat scheelt hem? vroeg de Apostel.
--Hij kwijnt weg, omdat zijn tweelingbroêrtje bij den Keizer moet blijven en hij hem mist....
De blauwe oogen werden onuitsprekelijk zacht van blik. En de oude, geaderde hand ging uit naar het voorhoofd van Cecilianus. De knaap sloeg de oogleden op en staarde als verblind in twee blauwe glanzen.
--Wie zijt ge, heer? vroeg hij, als vervoerd.
--Ik ben, zei de Apostel; een, die aan je gelijk was, mijn kind. Ik verloor mijn grooten Broêr, wiens boezemvriend ik was, al was Hij grooter dan ik. En ik kwijnde weg, tot ik niet meer kwijnde, omdat ik genas....
--Genaast ge, heer, terwijl ge tòch uw broêr, wiens boezemvriend ge waart, verloort? vroeg Cecilianus.
--Ja....
--Stierf hij, heer?
--Ja, Hij stierf....
--Is Cecilius ook dood? kreunde de knaap.
De heilige Man hield steeds zijn hand op het hoofd van den knaap.
--Vrees je daar voor, lief kind?
--Ja, heer....
De glimlach van den Apostel werd onuitsprekelijk zacht.
--Hij leeft, zeide hij.
--Léeft hij? riep Cecilianus.
--Hij leeft, herhaalde de Apostel. Hij leeft nog. Hij zal leven zoo lang je leeft. Wees niet bang en bezorgd. Mijn Broêr leeft óok al is Hij menschelijken dood gestorven in dit leven maar jou broêrtje, mijn kind, leeft zelfs nog met het sterfelijke leven, dat je lief is.... Begrijp je me, kind?
--Ja, heer.... Ik begrijp u wel. Ge spreekt héel mooie woorden, maar ik begrijp u wel, omdat ik een komediantje ben en geleerd heb woorden van dichters te begrijpen.... Ge moet wel heel mooie dingen zeggen, dat er zoo veel menschen u volgen. Ze willen zeker hooren wat ge zegt en ze zullen u ook wel moeten begrijpen, al zullen ze niet allen geleerd hebben, want ge zegt de dingen zoo heerlijk mooi: het klinkt heel zacht als met gouden klokjes al wat ge zegt. O, als ge naar Rome gaat, zoû ik u gaarne willen volgen! Ik ben nu bij Martialis en die is heel lief en goed voor mij maar ik zoû u gaarne willen volgen! Naar Rome weêr toe, naar mijn broêrtje!! O, heer, o heilige heer, zeg, mag ik u volgen?
De hand bleef steeds op het voorhoofd van den knaap.
--Kind, zeide Johannes. Volg mij niet, noch naar Rome, noch naar welk oord, waarheen de Keizer mij bant. Blijf samen, hier, met den sterken vriend. En genees eerst. En hoop op de dingen van het leven, die aan je jeugd nog dierbaar zijn. Wie nog ziek is om een verloren broeder, moet eerst--hoe het ook zij--dien broeder weder vinden en wiens jeugd de dingen van het aardsche leven nog hoopt, heeft nog den tijd te rijpen tot het hemelsche leven hem heerlijker blijkt. Wiens hart nog slaat voor Rome, diens ziel is niet gereed, o mijn zoet kind, te verlangen naar het Hemelsch Jeruzalem, waarheen wij allen opgaan. Wie nog lief heeft de Schoonheid om haar eigen wil, kan de Waarheid met mij niet te moet gaan.... Blijf. En genees. Ik zeg het je, knaap: je broêrtje.... leeft. Je zal hem terug zien.
Cecilianus, half opgerezen, was op zijn knieën neêr gevallen.
--Dank u, heilige heer, zeide hij; om de verzekering, die ge mij geeft. Ik geloof u wel! Ik geloof wel, dat Cecilius leeft....
De Apostel had een gebaar met de hand of hij den knaap en den man, het komediantje en den gladiator, zegende.
Toen ging hij, den heuvel af, den weg naar Rome op en hem volgden de menschen, zingende, en de dieren blatende.
En Cecilianus, staande naast Carpoforus, zag Fabulla: zij liep met de vrouwen mede en zij droegen takken groen.
--Fabulla! kreet Cecilianus. Fabulla! Heb je Cecilius gezien??
--Ja! riep Fabulla den knaap toe. Hij had voor den Keizer gedanst.... Hij was bezwijmd.... En werd naar zijn kamer vervoerd....
--Maar niet dood? Niet dóod?? De heilige Man verzekerde....
--Neen, niet dood! zei Fabulla. Want ik zàg hem, levend....
--Dan geloof ik het zéker, dat Cecilius leeft....!!
--.... Je moest, zei de senex nijdig--hij kwam met de mannen zingende na--liever den heiligen Johannes gelooven, die het je verzekerde omdat hij het in den geest gezien had dan Fabulla, die het maar met haar oogen zag.
--Ik zag het zèlf, in den geest! riep Cecilianus boos tot den senex. En ik gelóofde ook wel den Apostel. Hij is een lieve man, een lieve, heilige man, veel liever dan jij ooit worden zal! Jij zult niet eens begrijpen wat hij zegt: hij praat met véel te mooie, dichterlijke woorden dan dat jij hem begrijpen kunt! Maar ik begrijp hem wèl!
De senex wilde nijdig antwoorden. Maar het scheen, dat hij zich bedacht. En hij liep den heuvel op, en zeide:
--Cecilianus, ik ga met Johannes meê, op het schip, dat hem van Ostia naar Patmos zal brengen. Ik zal je nooit meer terug zien. Vaarwel, en groet Cecilius voor me....
En hij naderde den verbaasden knaap en kuste hem op het voorhoofd. Toen verwijderde hij zich.... Allen verwijderden zich, den weg langs, en het zingen, met het blaten, verstierf.
Cecilianus keek Carpoforus aan.
--Wat deed die senex in eens raar!? zei Cecilianus.
--Die Christenen doen zoo, zei de Jager.
Maar de knaap was heel opgewonden.
--Laat ons op stijgen! vroeg hij.
Zij stegen op. De morgen zonnigde goudener in het diepere azuur. En op het paard draafden zij de heuvelen over....
--Het is zoo heerlijk! juichte Cecilianus. Zoo tegen je aan, samen op éen paard, over de heuvels, op en neêr, op en neêr!! Het is net of we den hemel in gaan!!
De Jager spoorde het paard met de hielen. Hun vlucht teekende zich af tegen de lucht als die van een ruigen Centaur, die een blonden knaap schaakte, voor zich aan zijn borst....
--Ben je nu moê, mijn jongen? vroeg de Jager, toen hij zag, dat de knaap de oogen sloot.
Hij keerde langzaam om, terug. Over de heuvelen reed hij langzaam terug. Het ging naar het midden des dags.... Zij spraken niet meer en Cecilianus had een vreemden blik, telkens als hij de oogen opende.... Dan sloot hij ze weêr.
Toen zij terug waren, vonden zij den dichter tusschen zijne vrienden. In twee draagstoelen waren zij gekomen: Verginius Rufus met Frontinus en Juvenalis; Plinius met Quintilianus, Tacitus en Suetonius. Hij ontving ze juist bij den ingang van het tuintje, waar de Priapus de wacht hield, met zijn grijnslach en het naïef strevende gebaar van zijn fallus.
De Jager en de knaap stegen af. En Plinius ging Cecilianus te gemoet.
--Hoe gaat het, mijn jongen?
--Goed, edele heer, met uw verlof! zei Cecilianus en kuste zijn beschermer den zoom van zijn toga. Ik heb met Carpoforus door de heuvels gereden en wij hebben den heiligen Man van de Christenen ontmoet....
--Aanliggen, vrienden, aanliggen! noodde joviaal Martialis en klapte in de handen.
Zij lagen aan. In het triclinium was plaats voor zeven, ja, ook wel voor acht. Er diende het slaafje en uit de keuken bracht Marcella de spijzen op.
--Het gaat maar zoo als het gaat! verontschuldigde zich Martialis. Dit tafellaken is gebleekt op de velden. Deze Nomentaner is van mijn eigen wingerd maar jaren ligt hij reeds in den kelder. En hier, mijne gasten, is de voorspijs.... Verginius Rufus, gij, die tweemaal het keizerpurper weigerdet maar niet weigerdet aan te liggen bij een armen dichter, vergun mij u te zeggen mijn dankbaren trots en bedien u, gij het eerst, van deze gerechten.
En Marcella, de jonge vrouw--zij gedroeg zich zeer voegzaam, Martialis' vriendin, tusschen deze voorname gasten--diende malve, latuwe en prei en menth op. Paling volgde met sneedjes harde eieren.... Tusschen de festoenen groen, die hingen langs de vier gepleisterde pilaren en door welke velden en verre bergen een landelijk vergezicht verzichtbaarden, zagen de gasten den gladiator en het komediantje: zij zaten op de trede van de put en praatten als goede vrienden glimlachend met elkaâr.
--Het is vreemd, zeide Plinius; en het heeft me getroffen wat dat ventje me zoo even zeide.... Dat hij den "heiligen man van de Christenen" had ontmoet.... Hoe zich dat bijgeloof al meer en meer uitbreidt, naar het schijnt. Wie is die "heilige man van de Christenen"?
--Dat is vermoedelijk, zeide Verginius Rufus; die zekere Johannes; de Keizer heeft in der tijd bevolen, dat hij in de kokende olie gedompeld werd.
--Gebeurde dat? vroeg Suetonius.
--Ik weet het niet, antwoordde de grijsaard.
--Ik herinner het mij, zei Juvenalis; men sprak toen van een wonder; die Johannes kwam ongedeerd uit de olie en vele volgelingen vloeiden hem toe.
--Zeer zeker zijn die Christenen, zeide Tacitus; een verwerpelijke sekte; zij moesten gestraft worden, zoo als ook dikwijls gebeurd is, maar toch, wat Nero bevolen heeft: ze met pik te bestrijken en ze vast te binden aan palen om ze als brandende fakkels in zijn tuinen te laten omkomen, wekt wel mijn medelijden op.
--Waarom ze niet te zenden als legionariï in de auxilia-troepen naar Moezië of Pannonië, meende Frontinus.
--Ik beken, zei Plinius; dat ik niet weten zoû hoe met ze te handelen als ik over ze te oordeelen had. Wat ik van hen weet, is, dat zij zich verzamelen en hun Christus aanbidden met goddelijke eer....
--Hij werd onder Tiberius gekruisigd, meende Tacitus. Hij had zich opgeworpen als koning van Nazareth. Een oproermaker....
--Een dweper daarbij, zei Plinius. Vooral een dweper, geloof ik, een dweper vooral. Maar onschadelijk, geloof ik wel, dat die dweperij is. Dat zal uitsterven, daar ben ik van overtuigd. Wat kan een sekte, wier grootste ceremonie is een eenvoudig avondmaal te gebruiken met enkel brood en water.
--Dan hoop ik, ten minste, zei Martialis; dat aan dit eenvoudige middagmaal u dit geitebokje beter smaken moge, en de kooltjes er om heen, geëerde vrienden, zijn heel lang gestoofd in laserpicium, naar het recept van den Egyptischen waard uit.... de Suburra! Verontschuldigt ge mij dat? Ik at ze er eens, bij dien Nilus--de komedianten weten er van meê te praten en ik vond ze, ten minste dáar, heerlijk en Marcella bereidde ze als Nilus' moeder het haar leerde. Suetonius, ge zijt te jong om zoo matig te zijn. Weet wel, dat ge niets meer krijgt hierna dan de beroemde ham, dien ge reeds tweemaal zaagt voor gezet! Maar zoû onze Cecilianus--hij ziet er reeds werkelijk beter uit!--ons niet iets kunnen zingen of dansen? Cecilianus!!
De dichter riep naar den jongen. Hij naderde:
--Wat wenscht ge, Martialis?
--Je wangen blozen al, jongen, van de buitenlucht....
--Men zegt, fluisterde Quintilianus tot Plinius; dat mijn twee vorstelijke leerlingen, de achterneven van Domitianus, Christelijke neigingen hebben....
--Dat hoorde ik reeds, zei Plinius.
--En Fabulla dan? zei Juvenalis.
--Cecilianus, ging Martialis door; kom, je moest ons wat zingen en dansen. Wat zal het zijn?
De jongen glimlachte, verlegen en moê.
--Kom, kom, anders genoeg stoutmoedige comoedus van de hoogere palliata! schertste Martialis. Waarom zoo beschroomd? Je bent meestal voor geen kleintje vervaard. Zeg ons eens, met een enkel gebaar van saltatio er bij, een ecloga van Vergilius: zijn tweede Herderskout op den schoonen Alexis, bij voorbeeld.
De andere gasten moedigen het komediantje aan.
Hij kènde, ja zeker, zijn Vergilius; hij kende het beroemde gedicht. En hij begon te zeggen de smachting van Korydon, die zoo vurig naar zijn Alexis verlangt....
Maar plotseling barstte hij in snikken uit....
--Wat is er, mijn jongen! riep Martialis en stond op, terwijl de gasten meêlijdende mede riepen. Deed ik geen goede keuze! Dom, dom ben ik, Cecilianus, juist te kiezen die tweede ecloga!
--Ik kàn niet, heer.... snikte Cecilianus.
--Je hoeft niet, je hoèft niet, jongen! riepen Verginius Rufus en Plinius, de anderen.
--Ik kan niet, snikte Cecilianus; zonder mijn broêrtje!
--Naar wien je, wenkte hem Martialis tot zich; verlangt bijna als Korydon naar Alexis! Kom kind, zit hier neêr, als de hooge gasten vergunnen....
--Dank u, heer, weigerde Cecilianus weenende; ik mag niet met u mede aan zitten....
--Neem dan van deze pastei, neem van dit geconfijte ooft en hier, neem dezen grooten beker vol Nomentaner, die uit mijn druiven geperst werd tijdens het tweede Consulaat van den edelen Frontinus! Jàren her, hoor, niet waar, Frontinus?
Marcella hielp den knaap met de lekkernijen en bracht ze bij den put, waar Carpoforus wachtte.
--De arme jongen, zei Marcella.
Cecilianus was weenende weder op de put-treê gaan zitten en de Jager koesterde hem tegen zich aan.
--Je hebt niet "Alexis", plaagde Marcella, wel als dichter-vriendin op de hoogte van Vergilius; maar je hebt toch Carpoforus!
--Ik tèl niet, niet waar? vroeg de Jager schertsend en deed den knaap drinken.
Cecilianus dronk even, weerde toen af. En lag, plotseling uitgeput, geloken-oogen, tegen zijn vriend aan. Het was of hij een oogenblik door de zilveren morgenlucht, den rit op het ros tegen Carpoforus' borst, het woord van den heiligen Ziener der Christenen, was òpgeleefd; de herinnering aan zijn kunst had hem nu zijn gemis weêr heftiger verlevendigd en hij lag als ziek, terwijl de breede, dierentemmende hand van den Jager over zijn krullen streek met een gebaar zoo teeder, dat daar ginds de gasten er om ontroerden.
--Wat heb ik gedáan! verweet Martialis zich. Wie kon ook denken, dat die jongen werkelijk zoo ziek is!
--Hij stèrft, zei Verginius Rufus; als het langer duurt....
--Hij is jòng, meende Juvenalis.
--Hij is jòng en een gezond, sterk ventje, als zijn broêrtje is, zei Frontinus; maar die knapen zijn éen omdat ze tweelingen zijn en altijd samen geweest zijn. Verginius Rufus, of gij Plinius, moest aan Crispinus vragen....
--Ik? zei Plinius. Het zoû een reden zijn voor den Keizer Cecilius nog langer te houden.
--Hij danst zelfs niet meer voor den Keizer, hoorde ik, zei Martialis. Hij is óok ziek. En Crispinus....
Hij vertelde van het contract, dat Crispina geteekend had. Hij vertelde van de tweehonderd-vijftigduizend sestertiën, die Crispina zoû te betalen hebben aan den dominus, als....
--Een moederlijke gril, zei Tacitus.
--Wat een afschuwelijk Hof! zei Juvenalis.
--Onze tijden kòmen misschien, fluisterde Tacitus.
--Vooral als we bedenken.... zei Frontinus.
Zij bogen voorover, fluisterden.... Die terechtstellingen, telkens plotseling, onverwachts, van Consulaire persoonlijkheden, die niets dan eere verdienden.... Die tyrannieke dòmheden, als die verbanning van de wijsgeeren geweest was.... Die krankzinnige decreten, ingegeven door vervolgingswaanzin....
--Ben ik veilig? vroeg ironiesch Verginius Rufus; al ben ik meer dan tachtig jaren oud? Al heb ik twee malen geweigerd Keizer te zijn!
--Ben ik het? vroeg Plinius.
En zij dachten allen het zelfde: dat hun vriend te rijk was om veilig te zijn.
--Een gril van hem kan mij ook treffen, zei Quintilianus.
--Ons allen! fluisterden zij.
--Aan het Hof schijnt te broeien.... fluisterde Frontinus.
--Een samenzwering?? vroegen zij, zich buigende.
Frontinus knikte.
--De Keizerin, fluisterde hij, met de lippen, nauwelijks hoorbaar. Past op....--en hij keek even schuin naar den Jager.
--Een spion? vroeg Suetonius.