Chapter 20
De zon scheen schuin in het atrium. De dominus wilde het bed met den zieken knaap naar de zon toe schuiven....
--Neen, kreunde Cecilius....
--Waarom niet? vroeg Crispina.
--Hier blijven.... kreunde de zieke knaap. Naast het andere bed....
En zij zagen nu beiden eerst, dat hij zijn broeders kussen stijf in de armen hield omvat....
XIV.
Toen Cecilius de oogen op sloeg, des morgens vroeg, bevond hij zich in een klein, sierlijk kamertje, dat met éen raam tusschen pilasters neêr zag op het Forum, in de diepte liggende als een van menigte krioelende vallei van marmer: de tempels, de eerebogen en -zuilen, de bazilieken, de beelden, alles drong dicht op elkaâr en tusschen alles door, als groote, bonte mieren, krioelde de menigte. De zon schuinde even het kamertje binnen en voor Cecilius, die lag op zijn laag bed, stond Earinus.
Earinus was de jonge gunsteling van den Keizer, nauwlijks enkele maanden ouder dan Cecilius. Hij was geboortig uit een patricische gens: hij was een zeer schoone knaap met kort bruin krulhaar en diep blauwe oogen; hij was gekleed in een licht blauwe, zijden, korte tuniek en er flonkerden saffieren in zijn haarband, aan zijn vingers, aan zijn gordel en schoengespen.
--Vergeef mij, edele Earinus! zei Cecilius en stond op.
--Sliep je nog? vroeg de jonge patriciër.
--Ja....
--Was je moê....?
--Een beetje.... Ik heb gisteren laát en lang voor den Keizer gedanst....
--Parthenius, de opperste der cubicularii, heeft mij gezegd je op te gaan zoeken, Cecilius. Ik heb je niet wakker willen maken.
--De zon heeft mij gewekt, heer....
--Voor van avond zal de Keizer je vermoedelijk niet ontbieden. Wij zullen van daag dan zamen zijn....
--Ja, heer....
--Zeg maar Earinus.... Je ziet bleek, Cecilius. Heb je niet goed geslapen....
--Ik heb gedroomd, zei Cecilius, zich de oogen wrijvende. Van mijn broêrtje. En dat hij ziek was. We kunnen niet zoo lang buiten elkaâr, heer....
--Zeg Earinus.
--Ik durf niet, heer. Gij zijt een voorname jongeling en ik ben maar een komediantje.
--De zoon van Crispina? glimlachte Earinus.
Cecilius keek verlegen....
--Ik weet niet....
--Het doet er niet toe, zei Earinus. Ik wil je vriend zijn, den tijd, dat je in het Palatium bent. Ik ben ook soms eenzaam. Wat heb je mooie, lange, blonde haren, Cecilius.
--Neen, lieve Earinus, gij zijt moòi, met dat korte bruine haar.
--Ik heb mijn haren juist af laten knippen: ik had juist den leeftijd bereikt, dat het voegzaam was....
--En wien hebt gij ze geofferd, Earinus?
--Den god Aesculapius, te Pergamos, in een gouden doos. En weet je, Cecilius, Martialis heeft er een epigram op gemaakt.
Cecilius lachte: hij waschte zich en kleedde zich en er kwam een slaaf, die hem hielp met zijn lange, goudglanzende histrio-tuniek, met de lange linten zijner vergulde schoenen, met den vergulden rozenkrans om zijn lange, blonde haar.
--Martialis maakt maar op iedereen en alles epigrammen, zei Cecilius.
--Op jou ook.
--En op mijn broêrtje.... Maar ik mòet mijn haar lang blijven dragen, Earinus, omdat ik een komediant ben: Gymnaziums tonstrix zoû me anders niet kunnen kappen.
--Wat was je mooi, Cecilius, in de "Bacchides!" Wat zag je er mooi uit en wat speelde je goed!!
--Maar mijn broêrtje oòk, Earinus....
--Ja, Cecilianus ook.... Hoor eens, Cecilius. Ik heb gehoord, dat hij ziek was.
--Zoo als ik droomde.... Zoo als ik het iedere nacht droom.
--Hoeveel nachten al....
--De vijf nachten, dat ik hier ben....
--Ik heb bedacht, dat het goed zoû zijn hem te gaan zeggen, dat je het goed maakt. Je maakt het immers goed?
--Ja, Earinus.... Ik ben sterker dan mijn broêrtje.... Ik zàl niet ziek worden.... Al ben ik wat moê.... Want gisteren nacht heb ik zoo làng voor den Keizer moeten dansen....
--Het is toch wel een groote eer, zei Earinus; en het zal groot voordeel voor je zijn. En je hebt hier toch alles: dit mooie kamertje, die mooie kleêren; een slaaf, die je bedient.... Kijk eens, hoe vroolijk, dat uitzicht over het Forum....
--Ja, Earinus, maar ik ben zoo gewoon vrij te zijn en met mijn broêrtje samen.... Wij zijn wel komedianten en slaven maar wij zijn toch vrij. Ik ben hier gevangen....
--Je mag het Palatium niet uit?
--Neen, Earinus.
--Ik zal van daag je groeten aan Cecilianus over brengen. Ik mag wèl door de parken gaan. Kom nu meê.
Earinus strekte de hand uit. Hij glimlachte. Hij was schoon als een jonge Eros, maar er lag een onzegbare weemoed in zijn glimlach.
--Earinus, zei Cecilius. Je bent mooi als de Eros, die van Praxiteles, dien we gezien hebben in Hellas, en je glimlacht nèt zoo weemoedig als hij....
--Ik glimlach niet weemoedig, weerde Earinus af. Kom meê.
De knapen gingen samen het kamertje uit. Zij kwamen in een lange galerij, waarop de cellen der bevoorrechte slaven uit kwamen. De galerij eindigde in een portiek, die over het Huis van Vesta heen zag en die zuilde boven de paleiskazerne der Prætorianen: zij, die niet van dienst waren, dobbelden er, schrijlings gezeten over de banken.
--Wij, fluisterde Cecilius ondeugend; mijn broêrtje en ik, hebben oòk wel eens met ze gedobbeld en gedronken....
--Waar....?
--Bij de Septizonische poort....
--Ik nooit....
--Neen, maar gij, Earinus, zijt ook een patriciër....
Earinus had een minachtend lachje. De knapen wandelden voort langs een tweede galerij, van waar trappenvluchten, die geleidden naar de area palatina: het groote paleisplein....
--Ja, zei Cecilius en wees naar beneden; daár werden we gedrongen door het volk, dat schold ons uit--het was juist salutatio bij den Keizer geweest en ik was met mijn broêrtje en toen beschermde Martialis ons en we stegen in den draagstoel van den edelen Plinius....
En hij zei het als ware het eene herinnering, die lang, lang geleden was....
--Kom, zei Earinus; geef mij een arm; ik zal je het heele Paleis laten zien....
Cecilius, schuchter, nam Earinus' arm. Zij daalden de trappen af. Overal aan de trappen, boven, beneden, aan de poorten bij in- en uitgang, stonden de Prætorianen. Het was als eene verlatene wijdte van marmermozaïek, met het goud, flitsende aan de Corinthische kapiteelen en architraven, aan de Zegegodinnen op zuilen van porfier, aan de gele en roode en blanke paleismuren van verschillende edele steen en geheel dit wijde plein gloeide verlaten in de stralende zon, met alleen hier, daar, overal de Prætorianen, wier helmen en schilden en speren terug schoten de felle glansen. De Keizer was altijd ziek en zijn ziekte was als een vervolgingswaanzin; onzichtbaar in zijn paleis, ontving hij niemand meer, hadden de begroetingen en audiëntie's niet meer plaats. Niets scheen om te gaan in het paleis, niemand scheen te worden verwacht en alle de Prætorianen, van alle poorten en trappen af, zagen naar de beide knapen, die, arm in arm, het plein overliepen.
Want zij kenden allen Earinus en nu ook Cecilius, lieten hen overal door gaan en groetten met den speer Earinus of knipoogden tegen Cecilius. De drie monumentale poorten van het paleis waren gesloten onder de immens hooge portiek, maar Earinus voerde Cecilius naar een zijpoortje links en ging met hem tusschen de Prætorianen door....
--Overal staan de wachten?
--Ja, zei Earinus; overal. Maar je ziet, ik mag door. En jij ook, met mij.
En toch mag ik al die trappen, naar het Forum, niet af.
--Neen.
--En de parken niet in....
--Neen....
De knapen waren nu binnen het Flavische Paleis. En Cecilius, aan Earinus' zijde, zag de nooit elders geziene Bazilieken der Keizerlijke Rechtspleging. Hij dempte zijn stem. Het waren als onmetelijkheden van marmer van Numidië en Caristos: wouden van zuilen, en overal, als het scheen in de verte, bij alle poorten, stonden de Prætorianen.
--Wat is het pràchtig, fluisterde Cecilius. En leêg. En zoo drukkend. Je kan niet ademen, zoû Cecilianus zeggen. Maar het is jammer, dat hij het niet ziet. Want het is mooier dan wat ook in Alexandrië.
--Kijk, wees Earinus, toen zij de Bazilieken waren door gegaan; dit is het Triclinium, de groote Eetzaal, die Martialis genoemd heeft Coenatio Iovis: de Eetzaal van Jupiter....
--Oh! bewonderde Cecilius en stond stil, op den drempel, tusschen de vier Prætorianen, die er hielden de wacht.
Leêg breidde de onafzienbare zaal zich onder zijn reuzigen dom. Bij iederen pas van de langzaam voort tredende knapen verwisselde het verschiet tusschen de tallooze, tallooze zuilen.... Ter zijde van den nisvormigen troon, waarop bij feestmaal de Keizer aan lag met zijne gunstelingen, bloeiden twee ronde nymfæa van lotus, myrt, oleander om de waterstralen heen, die de marmeren dolfijnen bliezen.
--Oh! herhaalde Cecilius. Het is nèt zoo groot als het Theater van Pompeïus!
--Ik geloof nièt, meende Earinus, glimlachend.
--Ik geloof het ook niet, herhaalde Cecilius, blij te kunnen herhalen: hij was zoo gewènd, dat hij of Cecilianus elkanders woorden herhaalden.
--Maar Martialis heeft wel gezegd.... zei Earinus.
--Ja, in een van zijn Epigrammen....
--Dat hij aan een uitnoodiging van den Keizer....
--Ja, van den Keizer, den voorkeur geven zoû....
--Boven een uitnoodiging van Jupiter....
--In den Olympus!
O, wat vond Cecilius Earinus een lieven vriend! Want het was bijna net of hij met zijn broêrtje het paleis zag! Maar Earinus was toch zijn broêrtje niet.... En zijn broêrtje was ziek. Hij, hij wìlde niet ziek worden....
--Laat ons hier zitten, zei Earinus.
Zij zetten zich in een der nymfæa, tusschen de rozen, op den rand van het vasculum.
--Ja, droomde Earinus luid-op. Ik heb hier de prachtigste feesten gezien. Nog een jaar geleden.... Dan sprenkelde er geur van boven en vielen de rozen uit de zoldering, die open draaide.... Nu is dat alles voorbij....
--Ontbiedt de Keizer je dikwijls, Earinus?
--Neen. Nooit meer. Hij weet niet meer, geloof ik, dat ik besta. Ik ga wel meê in zijn gevolg, maar hij ziet niet meer naar mij om. En ik kan toch ook niet weg uit het Palatium. Ik mag niet weg. En het is beter, dat ik blijf, want mijn ouders zijn arm....
En Earinus werd heel weemoedig, maar hij wilde het niet laten blijken. Toen het heet in het nymfæum werd van de hooger rijzende zon, bracht Earinus Cecilius naar zijn eigen vertrek, waar hij met hem zoû middagmalen.
--Earinus, zei Cecilius; wat ben je lief voor een armen komediant als ik, die zijn broêrtje niet bij zich heeft....
Earinus glimlachte maar en hij noodde Cecilius te liggen. Het was een klein, rond pavillioen met geheel zwart marmeren zuiltjes en fijne fresco op rooden wand. Er was een sigma, een aanligbed in den vorm van een S, voor twee genoten. Slaven brachten twee tafeltjes, die zij zetten in de kronkels van de S....
Er waren bloemen en vruchten en lichte, topaaskleurige wijn.
--Als Cecilianus er maar bij was, zei Cecilius.
En zij aten, de jonge patriciër en het komediantje. Zij bleven toen alleen en Cecilius, moê, viel in slaap. Hij lag, als getroost, maar toch kwijnend, in de kussens en sliep door.
Earinus, over hem, had uit een bronzen koker een boekrol genomen en las....
Het was of Cecilius niet wakker werd. Earinus zag, nu en dan, naar hem op. Hij sliep voort. De middag sleepte voorbij.... Eindelijk werd Cecilius wakker....
--Ik heb gedroomd, zei hij dadelijk.
Zijn slaap scheen hem niet uit te doen rusten. Hij zag moê, bleek, hing in Earinus' arm, gleed aan zijn voeten, legde zijn hoofd op Earinus' knie en schreide, stil en geluideloos....
Het duisterde. Een slaaf kondde zich buiten met een bronzen klop op de deur aan.
Hij verscheen.
--Edele Earinus, zeide hij. Parthenius zendt mij.... De Keizer ontbiedt Cecilius.
--Hij gehoorzaamt, zei Earinus.
De slaaf vertrok.
--Cecilius, zei Earinus. Heb je gehoord? De Keizer ontbiedt je....
--Ja, zei Cecilius flauw.
Hij stond op.
--Ik breng je, zei Earinus.
En hij ging met het komediantje het paleis door. Overal, door de eindelooze gangen, hallen, zalen, portieken duisterde het in schaduw gestapeld verschiet met slechts de glimglansen over de helmen en speren der wacht hebbende Prætorianen. Het was als een verlaten spookpaleis, reusachtig wijd, voor een vorst, die er niet was en toch overal bewaakt werd. Plotseling, in een vestibulum, zagen de knapen vrouwen, die fluisterden. Het was de Keizerin en het waren Domitilla, Crispina, Fabulla.
--Wat is er? vroeg de Keizerin, angstig.
--Niets, Augusta, zei Earinus; de Keizer heeft Cecilius ontboden....
--Om te dansen?
--Om te dansen, Augusta.
Crispina naderde haar zoon.
--Cecilius, zeide zij; Cecilianus laat je zeggen, dat hij droomt van je....
Zij schikte zijn vergulde rozenkrans recht.
--En hij ziet je dansen, tusschen heel veel geschitter....
--Zeg, edele Crispina, antwoordde Cecilius; aan Cecilianus, dat ik droom van hem en dat ik hem ziek in mijn droom zag, maar dat ik niet ziek ben. En het ook niet word.
Parthenius trad nader uit de wachtzaal voor 's Keizers vertrekken.
--Kom, zeide hij.
Cecilius groette de Keizerin, de vrouwen. Jawel, dacht hij: de Keizerin, die met Pâris.... En die magere Domitilla, van wier moeder Priscus en Verus, de gladiatoren, hadden verteld, en Fabulla, die eerst zijn rollen had willen.... en nu Christin woû.... En dan die moeder van Cecilianus en van hem: Crispina.... en Earinus....
Hij naderde Earinus, knielde, kuste Earinus de handen.
--Kom, beval weder Parthenius.
Hij rees, ging met Parthenius meê. Trappen af. Vele trappen af, die hij al kende. Droom, die zich herhaalde. Prætorianen onder aan de trappen. En bij de lage poorten der onderaardsche gewelven.... Eén poort opende Parthenius....
Cecilius trad binnen. Hij wist het al, deze nachtmerrie en dit spooksel. Hij bevond zich in een lange, lange galerij. De wanden langs, waren hooge, breede fengiet-steenen geplaatst, plakkaten van Cappadocischen spiegelsteen, als tooneelschermen. Net als de choragi ze plaatsten op een proscænium. Maar dan in een zigzag. Langs heel de lange galerij zigzagden de hooge, breede fengiet-spiegels. En Cecilius, dadelijk, zag zich links, rechts, voor, achter, weêrspiegeld, duizende malen weêrspiegeld.
En heél achter in de galerij, zat, in een zetel, een man. Het was de Keizer, Domitianus.
Hij zat, in een gezonken, ziekelijk en staarde recht voor zich uit naar Cecilius. Achter hem waren Prætorianen en Crispinus stond achter zijn zetel en in de fengiet-steenen, daar aan het einde van de spiegelgang, zag Cecilius hun aller ruggen spiegelen....
Toen begon de knaap te dansen. Het was of hij reeds dadelijk zich doodmoê gevoelde, geslagen in zijne anders zoo lenige en jong sterke ledematen. Maar hij bedacht: wàt zal ik dansen....? Het moest iederen keer iets nieuws zijn, om den Keizer te behagen.... En toen hij zich in de schuin gestelde steenen plakkaten hier zag weêrkaatst, daàr zag weêrkaatst, schenen deze hem, in een vreemd vizioen van overspanning, water toe en meende hij "Narcissus" wel te kunnen dansen, die zich in het water had weêrspiegeld gezien en verliefd op zichzelven geweest was.... En daarom danste hij de verliefdheid op zichzelven en verbeeldde zich tevens, dat het Cecilianus was, die hij daar in de spiegelsteenen naar zich toe zag komen en wijken en àltijd met zijne eigene broedergebaren.... Maar het was Cecilianus niet, hij was het zèlf en een hevig verlangen naar zijn broêrtje werd hij zich bewust.... Onderwijl danste hij, mimeerde hij, dat hij Echo verliefd hoorde roepen, maar versmaadde haar en glimlachte zich toe in de spiegelsteenen, die om heen stonden als vreemde, loodrechte wateren, als zigzaggende mere-oppervlakten, waarin Narcissus zich zag weêrkaatst....
En hij danste. Hij wist nooit wanneer hij mocht uit scheiden, want de Keizer maakte nooit een gebaar, zat roerloos, sprak niet. In het verschiet van de galerij, die met de schuine spiegels weg verschoot naar het einde toe, waar de Keizer zat, waren Crispinus en de Prætorianen verijld voor Cecilius' blik, waren zij niet meer dan vreemd geschim en geschaduw, werkelijkheidslooze afspiegelingen achter die éene werkelijkheid: den Keizer. Die zàt daar, duidelijk, en roerde niet.... En staarde slechts....
En de knaap danste. De zweetparels ontsprongen aan zijn voorhoofd en druppelden af. Hij herhaalde in steeds wisselende arabesken van melodieus beweeg, op het rhythme, dat slechts hij in deze muzieklooze stilte hoorde, zijne zelfde motieven, van Echo-versmading en zelfverliefdheid. En dacht onderwijl aan Cecilianus en zag hem liggen, met groote, holle oogen en ziek. Koorts van moêheid doortrilde zijn lichaam, dat zich maar bewoog, maar bewoog. Tot het hem eindelijk duizelde. En hij voelde, dat hij zweefde, in zijn eigen dans. Het was louter lichte schoonheid, zooals hij zweefde en de Keizer, daar ginds, staarde. Toen bedacht Cecilius, dat hij sterven kon, als Narcissus en dat dit het einde zoû zijn. En dat hij als een narcis dan herbloeide.... En hij mimeerde zijn sterven en zijne moêheid kwam hem te hulp. Hij zonk in éen tegen een der spiegels en voelde, terwijl zijn laatste gebaren verkwijnden, de koude spiegelsteenen gloeien tegen zijn zelf rillende, natte lichaam. En brak toen tusschen zijne weêrspiegeling, die zijn breken verveelvoudigde achter zich, voor zich, over zich. En look zijne oogen.... En bleef liggen, als een witte bloem....
Van ver was Crispinus genaderd, de lange spiegelgalerij af. Hij naderde langzaam, beducht, dat de knaap dood zoû zijn. Hij dacht aan den dominus, het contract, de tweehonderd-vijftigduizend sestertiën.... Hij roerde het dansertje aan met zijn voet: het bewoog niet. Het lag daar, flauw, tegen den spiegel, als een narcis, die kwijnde aan een waterboord.
Crispinus boog zich. Zijn hand voelde den zoon van zijn zuster met angstigen zelfzorg aan. De knaap lag, flauw, in kilkoud zweet....
Daar ginds was de Keizer opgestaan; hij naderde op zijn beurt de lange galerij af. Hij zag links en rechts in de spiegels, terwijl hij naderde, langzaam zich slepende, in durende achterdocht, in zwijgende vervolgingswaanzin. Toen hij Cecilius genaderd was, zeide Crispinus:
--Goddelijke Augustus, de knaap is bezwijmd....
De Keizer antwoordde niet. Hij, op zijn beurt, roerde met den voet het dansertje aan; het bewoog niet. Toen, zwijgend, maar met een grijns van minachting tegen Crispinus, ging de Keizer voorbij.... In de spiegels vóor zich loerde, loenschte hij naar zijn gunsteling, die eenmaal den Tarbot.... Toen verdween Domitianus, tusschen twee der spiegels, waar een geheime deur was. Hij verdween als ware hij in het spiegelsteen zelve verdwenen.
Crispinus wenkte de Prætorianen, die waren blijven staan bij den zetel.
--Neemt den jongen op, zeide hij. Voert hem naar zijn kamer....
Hij dekte met zijn eigen mantel Cecilius toe. De Prætorianen lichtten den bezwijmden knaap op en droegen hem de spiegelsteenen langs. Het was of er in hunne weêrspiegeling een ijl beweeg was blijven hangen van melodieuze dansing en bloemeteêre kwijning....
Ongeveer ten zelfden tijd verscheen Earinus, door Crispina geleid, aan Cecilianus' ziekbed. En hij zeide:
--Cecilianus, Cecilius laat je groeten en zeggen, dat hij het goed maakt.
Cecilianus, bleek, de groote oogen omkringd, lag als steeds op zijn bedde of een niet wijkende koorts hem verteerde. Hij sliep nauwelijks, hij at nauwelijks, hij bewoog niet. Hij zeide nu alleen, met zijn matte stem:
--Cecilius is, als hij niet dood is, ziek. Ja, Cecilius is ziek.... Hij heeft gedanst tusschen te veel geschitter....
--Cecilius laat je zeggen, Cecilianus, ging Earinus voort; dat je sterk moet zijn en gezond moet pogen te worden. En opstaan. En eten....
--Ja, zeide mat de knaap.
--En dat je niet ziek meer bent, als hij terug komt.
--Neen, kreunde Cecilianus en weende.
Earinus vertrok. Crispina verzorgde haar zoon. Zij verzorgde hem met hare slaven, slavinnen, als ware hij een zieken prins geweest. Hij lag in zijn kamertje, dat uit zag op het sierlijke atrium, waar de dolfijn den Amor in zijn staart hield gekronkeld en de fonteinstralen blies, in de water-doormurmelde, geurige, zongetemperde weelde van een verfijnden patriciër. Als Crispina hem daar liggen zag, meestal zwijgende, roerloos, bleek en starend, terwijl een fluitspeelster op den drempel heel zacht floot, terwijl ooft en gebak en sneeuw-gekoelde sorbet op een drievoet naast hem stond, terwijl zij zelve zijn blonde haren borstelde, borstelde en geurde, had zij haar zoon wel lief, zoo als een meisje haar pop had lief gehad, maar dacht zij tevens, altijd, aan de tweehonderd-vijftigduizend sestertiën, in het contract vermeld....
XV.
De dominus kwam iederen dag. Er was nu een gelaten moêheid in den knaap en hij scheen niet ongewillig. Als de dominus of Crispina hem aan spoorde op te staan, poogde hij het te doen, slaagde er in, maar in de verstikkende zomerwarmte viel hij dadelijk moê neêr op een panthervel bij den drempel en lag daar. Of zij droegen hem in het park en legden hem in het bloembespikkelde gras, tusschen de laurieren.... Uren lang lag hij daar. Hij kwijnde zichtbaar weg....
Plinius en Martialis kwamen hem dikwijls zien en Crispina toonde haar zoon en er was geen poging te verbergen, dat de tweelingen hare zonen waren, hoewel noch Plinius, noch Martialis toespeling maakte.
--Hij kan hier niet blijven, edele Crispina, zei Plinius. De knaap zal hier sterven. Vergun mij hem naar mijn villa bij Laurentum te voeren....
Maar Cecilianus hoorde hem. Hij begon hevig te kreunen, te snikken, te smeeken, dat hij niet weg woû. Dat hij dicht bij zijn broêrtje woû blijven....
--Hij is niet zoo ver weg bij mij, zeide Martialis; in mijn landhuisje bij Nomentum. Maar ik ben het met mijn vriend eens. Het kind sterft hier.... Wat dunkt je, dominus? vroeg de dichter aan Lavinius Gabinius, die binnen kwam.
Er werd toe besloten. Martialis, alleen, aan het ziekbed van den knaap, bepraatte hem.... Dat hij hier geen lucht had, in die benauwde tuinen van het Palatium. Dat hij hier niet genezen zoû, dat hij hier sterven zoû vóor Cecilius terug kwam....
De dichter praatte overredend, gemoedelijk, maakte er grapjes door. En Plinius, die toen naderde, zeide:
--Cecilius, als je met Martialis meê gaat naar Nomentum om te genezen in de frissche buitenlucht, zal ik je geven wàt je me vraagt, als ik aan je verzoek kan voldoen....
Als een kind antwoordde de knaap:
--Mijn broêrtje.
--Dat is me onmogelijk, zei Plinius; vraag mij iets anders.... Verzin iets, dat je gaarne zoû hebben.
--Ik weet niet....
--Verzin iets, drong Plinius aan.
De knaap bedacht zich. En zeide toen:
--Carpoforus....
--Wil je Carpoforus nu en dan eens bij je hebben?
--Ja, zeide de knaap.
--Hij zal bij je komen, Cecilianus, beloofde Plinius.
En Cecilianus liet zich vervoeren naar het landhuisje van Martialis, de Via Nomentana langs.... Hij lag in een kleinen draagstoel, die Plinius ter beschikking gesteld had. Ginds blauwden de Sabijnsche bergen.... De diepe zomerlucht was warm maar wijd. De bergen over, voerde de bries aan.
Het huisje was klein maar geriefelijk, wingerd-omgroeid. Het waren twee cubicula om een klein, laag triclinium, een atrium er voor. Het lag in een wijngaard, die beloofde weelderig te worden in herfstmaand. Er graasde een geit op een heuvelig grasveld. Het was alles omheind door een muurtje. Er stond een grijnzend Pansbeeldje, bewaker van het klein domein. Er was een moestuintje, en het slaafje van den dichter was bezig het te besproeien toen zij aan kwamen: Martialis, de dominus, beiden op muilezels en de draagstoel--door twee slaven gedragen--waarin de zieke knaap. Over de vlakte rondom weidden de herders de schapen....
--Cecilianus--Martialis voerde den knaap naar binnen; kijk, het is hier niet zoo weelderig als bij je.... ik meen als bij de edele Crispina....
--Het is hier niet zoo benauwd, glimlachte de zieke knaap, die wel merkte, dat Martialis zich bijna versproken had.
--En het is hier héel dicht bij Rome....
--Niet zoo ver als Laurentum.... zei de dominus.
Cecilianus keek om zich rond.
--Niet zóo ver, zeide hij twijfelend.