De komedianten

Chapter 2

Chapter 23,729 wordsPublic domain

--Wij zijn zes-en-twintig, herhaalde de dominus en overzag zijn komedianten, naar mate zij nader kwamen, de bezette banken en stoeltjes tusschen door en langs de van Nomentaner rood vloeiende tafeltjes.

Nilus was hem te gemoet gegaan.

--En waar hebt gij huisvesting gevonden, Lavinius Gabinius? vroeg hij, vol interest.

--In vijf, zes kleine vertrekjes, heél boven op de vijfde verdieping in een heél hoog huis, achter de Suburra, in de nieuwe wijk, heer caupo, antwoordde de dominus; maar vergunt ge mij nu mijn slaven te tellen; je weet nooit of er niet eén weg slipt.... Zes-en-twintig moet ik er hebben....

--Heu, lieve gasten, kunt ge ook plaats maken? riep Nilus de zaal door. Want Lavinius Gabinius komt met zijn caterva komedianten en het zijn er niet minder dan zès-en-twintig!

--Zès-en-twintig! roezemoesden de stemmen door den walm en wasem heen. Zes-en-twintig!! Wat een groote troep!

Onderwijl telde de dominus zijn komedianten, die zijn slaven waren.

--Twee "grijsaards", somde Lavinius op, en tot Nilus:

--Maar die eéne is vrijgelaten.... Gaan jullie zitten; twee adulescentes; komt binnen, komt binnen.... Zijn Cecilius en Cecilianus weêr achter....? Waar blijven zij toch? Twee "parazieten".... Ja, heer caupo, ik heb een heel volledigen troep; twee matrona-jongens; toe, nu wat opschieten, hè? Zijn Cecilius en Cecilianus er weêr niet....?

En de dominus, met autoritairen vinger, telde of zijn zes-en-twintig hongerige en dorstige komedianten wel binnen kwamen. Zij kwamen, volgens een zekere hierarchie: de eerste-rollen eerst: na de "grijsaards" en "jongelingen", "parazieten" en matrona-jongens--waar toch Cecilius en Cecilianus bleven?--kwamen de twee groote "slave"-rollen en twee kleinere "slave"-rollen, twee leno-rollen, twee lena-rollen, vier kleinere rollen, zoowel mannen als jongens; dan de mimus-rollen; dansers, zangers, fluitspelers; dan de machinisten en knechten....

--Zij zijn er! riep Lavinius uit. Alleen Cecilius en Cecilianus, mijn tweelingen, die de eerste vrouwerollen spelen?! Bij Apollo en Bacchus, waar zijn die nu toch!

--Ze zijn zeker voor goed aan de haal, dominus, treiterde de eerste senex nijdig: hij was, al speelde hij "grijsaards", een jonge man maar zijn stem was alleen geschikt voor de senex-rollen en met die zelfde senex-stem kòn hij niet anders dan ook in zijn dagelijksche leven spreken; je mooie, onvergelijkelijke vrouwekereltjes zijn aan de haal.

--Neen, dominus, spotte de eerste "paraziet", die ook in het leven zich had aangewend geestig te zijn; wees maar niet bang: gestolen voor een tweede maal zullen de mooie tweelingetjes niet worden!

De geheele caterva lachte om de grap, den dominus plagende, dat hij zeker wel, jaren her, de "mooie tweelingetjes" kon gestolen hebben. Maar Lavinius haalde minachtend de schouders op: de tweelingen waren hem immers als kleine jochies door hun moeder in optima forma afgestaan....

Intusschen hadden vier-en-twintig komedianten de reeds volle zaal vervuld. Maar overal ruimden de gasten hun plaatsjes in, o zoo nauwe, kleine plaatsjes, op een bank, op een bed, op een stoel, aan de punt van een tafeltje en Nilus zelve hielp de binnenslaven en de binnenslaven hielpen de keukenslaven en, werkelijk, de nieuwe porties werden voor gezet, rijkelijk, dampende, juist van de versch gevoede vuren af, die op nieuw snorden, beneden in de keuken: Picenum-broodjes....

--Als spònzen! prezen in koor de hongerige komedianten. ....de vette saucijsjes van Lucanië en de lekkere kooltjes in laserpicium gestoofd....

--Ze hebben me niets te veel van je keuken verteld, heer caupo! waardeerde hoffelijk Lavinius.

Nilus, glimmende, glimlachte, in beide armen een puntige amfoor omhelzende, die hij boog over de aarden kroezen heen, zonder zich de moeite te geven de kruikjes te vullen: de wijn spilde over de tafelen.

--Ik kan zoo niet rekenen, zoon! riep de Alexandrijnsche, met dolle oogen, hijgenden boezem, over haar rekenbord heen, waar zich hare vingers verwarden aan de te verknikkeren balletjes.

Nilus wenkte haar, dat het er niet op aan kwam, kom, zóo nauwkeurig te rekenen, als de heele caterva kwam avondmalen en natuurlijk terug zoû komen alle de dagen, dat zij spelen zouden en de Megalezia duurden.

--Heer caupo! riep de "paraziet", fijntjes; schenk den wijn liever mijn mond in dan in mijn schoot!

Rondom schaterlachten de gasten:

--Hij blijft in zijn rol! Hij blijft in zijn rol! Hij zuipt liever dan hij verdrinkt!

--Eerst in regen, nu in wijn!

En de "paraziet" glimlachte, omdat hij gewaardeerd was geworden en nipte aan zijn kroes, want hij was heel matig.

De Gallen draaiden om de nieuwe gasten rond.

--Willen jullie geen naveltjes koopen, goudsteenen naveltjes van de Groote Godin? Dan heb je succes, als je die koopt? Moeten jullie de Groote Godin niet kussen, onder haar sluier, in haar kastje? Dàn vergeet je nooit een woord van je rol en wordt je dus nooit gegeeseld en dàn zeg je je diverbium altijd zuiver, lieve schatten, op de maat van de fluitmuziek! Fluitspeler, geef toch een kus aan de Godin, koòp toch een naveltje; dan speel je zoo zuiver als of de Muzen je hadden geleerd!

Maar de Gallen haalden met hun Groote Godin niets op bij de komedianten. Die waren te sceptiesch geworden door dat filozofiesch makende leven van, meestal allen, slaven-die-kunstenaars-waren, om te hechten aan amuletten, om te gelooven in de godin van een vuilen troep bedelpriesters, minstens even geminacht door de betere burgers als zijzelve, die histriones waren. Neen, zij waren te veel zich bewust van hun onwaarde als menschen, van hunne minderwaardigheid als levend schepsel en de onvermijdelijkheid van hun noodlot om een enkele as nog te wagen aan de betwijfelbare gunsten eener godin, die in een kastje, onder een vuilen sluier, neêr gezet werd op een plankje in een taveerne, vlak bij het stalluik, waar door telkens een balkende ezelskop drong. En zij schertsten tegen de Gallen, ironiesch, satyriesch, bijna een beetje rhetoriesch, met herinneringen aan zinnen uit hunne palliatæ, uit hunne in Grieksche kleedij vertoonde blijspelen van Plautus en Terentius, met een vreemde mengeling van slaafsche onderworpenheid aan hun dominus-gregis, aan maatschappij en noodlot èn een zekeren, stillen trots kunstenaar te zijn, litterair ontwikkeld, te weten de fijnere onderscheiding in hunne spelen, in dier verzen, in de metriek er van, in de geheimenissen van mimiek--saltatio--en voordracht, gesprongen, gezongen, in àl de nuancen hunner kunst, die zij geleerd hadden durende jaren, den stok steeds dreigende boven hun slavenruggen. Hadden sommigen hunner dan een sommetje verzameld om zich los te koopen van den dominus en "vrijgelaten" te zijn, hun belang bracht toch mede, dat zij den dominus nièt verlieten: als "vrijgelatenen" hadden zij een zekeren voorrang boven de slaven-artiesten, speelden zij, ook om hun betere kunst, die hen veroorloofd had zich vrij te koopen, de eerste rollen, verdienden zij iets meer geld, dan des dominus' fooitje bedroeg aan de anderen. Voor de maatschappij der burgers bleven zij, slaaf of vrijgelaten, de geminachte histriones, zonder burgerrechten, de bespotte vermakers der menigte, de verachte paljassen van het toch steeds om hen te zien en te hooren toestroomende publiek, op straat en forum uitgejouwd, gegooid met vuil, mizerabelen, die immers een "veracht bedrijf" uitoefenden, en meer nog "veracht" dan de winkelier hoewel niet zoo veracht als de beul. Nauwelijks dorsten zij zich vertoonen buiten hun ambt, af van de planken, waarop zij zich gaven en dulden moesten de grillen van hun publiek maar in zich gevoelden de besten hunner iets als een geheimzinnigen trots van toch kunstenaar te zijn, uitbeelder der eeuwen-oude komediën van Plautus en Terentius.

In de taveerne van Nilus waren zij nièt geminacht, werden zij broederlijk ontvangen, welkom geheeten. En waarom ook niet! Was Nilus zelve niet maar een vreemdeling èn een caupo, dus ook een "veracht" bedrijf-uitoefenaar; was onder deze zuipers wel éen "geachte" Romeinsche burger te vinden; waren dit niet allen "verachte" schepselen: deze gladiatoren, deze matrozen, dit naamlooze volk van Suburra-bezoekers, déze dieven, weggeloopen slaven, deze Christenen? Dat sinistere troepje daar ginds: een beul tusschen zijn twee geeselslaven en de lijkedragers, die zich bij hen hadden gevoegd--somber keken zij over hunne kroezen, meestal stilzwijgend, nu en dan met een enkel donker woord gefluisterd tusschen hunne barre, barsche, stoppelgebaarde smoelen van ruwe mannen, hun verweerde koppen ruig donker doemende uit den walm van vette keuken- of lampenolie en stoom uit druipnatte kleêren--hadden zij en hunne gelijken wel het rècht komedianten te minachten? Neen, zij gevoelden zich gemeenzaam met hen; zij schikten hun plaatsjes in; zij stonden hun hunne kroezen af, nu Nilus er te kort kwam en de komedianten, om hun alleen intellectueelen trots, verbroederden dadelijk, gevoelden zich dadelijk thuis met de gemakkelijkheid van overal door heen rollende zwervers, sloegen blijmoedig kwinkslagen, joligden, zèlfs met de Gallen, die de anderen meestal noóit anders dan met een snauw van zich af duwden. Want de Gallen, dàt waren lastige, opdrìngerige bedelpriesters, maar de komedianten, dàt was gezellig volkje en ze kwamen daarbij toch ook spelen geven om al dit volk, dat hen van af de hoogste theateromgangen zien zoû, te vermaken.

--Is het erg hoogdravend, adulescens, wat jullie geven zullen? vroeg een der matrozen uit Ostia aan den eersten "jonge-rol", die tegen Fabulla, over den blonden, kogelronden schouder van Colosseros heen, lonkte.

Want de adulescens, ijdel op zijn jonge-rolgezicht, dat hij maar zelden achter een masker verborg, ging prat op de gunst der vrouwen en maakte er bijverdienste uit, in de hoop zich los te koopen.

--Neen, zei de adulescens goedig, ijdel lonkende tot Fabulla, wie het lonken wel vermaakte, maar wier arm bleef om den kolom-nek van den jongen reus. Het zal vermoedelijk Plautus zijn: de Menæechmi of misschien wel de Bacchides en--voegde hij er neêrbuigend aan toe--dat begrijpen jullie wel; de Prologus vertelt je immers dadelijk alles....

--Nou ja, riepen de matrozenmeiden door elkaâr; dan is het ook gemàkkelijker!

--.... Ik kan niet alles zoo volgen....

--.... Ik hoû het meest van wat ná komt: dan dansen ze en springen ze!

--Jawèl, zei de adulescens zelfgenoegzaam, hoogmoedig, zich in eens "intellectueel" gevoelende: zoo een mimus, zoo een exodium-spel is altijd wel àardig, om al de mooie vertooningen....

En hoewel hij begreep, dat zijn wijze woord te loor ging tegen die dellen, kon hij niet na laten er goedigjes hoog bij te voegen, te gelijker tijd lonkend naar Fabulla:

--Maar ònze kunst, onze kunst van zèggend, zingend reciteeren, spélen, onze tooneelspeelkunst, in éen woord, staat natuurlijk hóoger dan alleen maar wat dansen en buitelen en grapjes maken, zoo als ze doen in het exodium-spel....

--Leer jij zoo een heele rol van buiten? vroeg de matroos, met een angstig gezicht.

--Natuurlijk, zei de adulescens; en je krijgt slaag, als je je rol niet kent en hakkelen of steken blijft, terwijl zoo een mimus-speler--minachtend werd zijn stem--die dànst of springt zich er wel altijd door heen....

De voornaamste mimus-speler overluisterde hem terwijl de adulescens, Fabulla vergetende, hongerig zijn jeugdige-minnaars-kop verborg in een bruine kom vol warme linzensoep, die hij gretig uit slurpte. Maar de mimus-speler, zijn beide handen en mond aan een dikke saucijs, waaraan hij zoog en trok, heftigde terug, zijn baardelooze wangen vet van de saus:

--Net of wij niet springen en dansen op de maat van de muziek van de fluiten en niet met de riemen worden gestriemd als we er even uit zijn.... Terwijl het publiek òns dan meer uitjouwt dan jullie omdat ze beter ons dansen volgen kunnen dan al die duizende woorden, die jij uitbraakt en die onhoorbaar zijn, als je geen masker met een breeden muil voor doet, jou ijdeltuit van een adulescens!

--Ze verstaan mij altijd heel goed! schreeuwde nijdig de adulescens, zijn vingers nog om de nu leêge kom; het is een kwestie van articuleeren!

--Onzin! riep de mimus. Ze verstaan altijd beter als je een masker om hebt omdat de maskermond het geluid uitzendt!

--Als jij als adulescens een fatsoenlijk gezicht hebt, riep de "minnaar"; hoèf je geen masker voor!

--Wàt heb jij een "fatsoenlijk" gezicht! wreekte zich, grinnikend nog steeds, de mimus; jij hebt een zuigelingensnoet op de planken, van zoò ver, voor de verste toeschouwers!

--Dat is een kwestie van grime, bij Pollux, snerpte de adulescens terug.

--Ik heb dan maar liever mijn mimus-masker voor, ik ben dan maar liever personatus dan mijn eigen gezicht te besmeeren met zwart om mijn oogen en rood om mijn mond, zoo als jij doet....

--Hi-ha! bevestigde de ezel.

--.... tot je er tòch als een masker uit ziet!

--Zoo! Ik maak anders altijd een heel goeden kop; dàt zegt de dominus zelf!

--Masker is masker, hield de mimus vol; wij zijn ten minste onherkenbaar achter òns masker en niet prijs gegeven aan het publiek als jullie, die altijd herkenbaar blijven, wat je ook op je gezicht smeert!

--Wij blijven veel menschelijker als wij geen houten maskerkop op zetten!

--Jullie zijn mèiden met je blanketsel, bij Pollux!

--Ik heb, bij Herkles, nooit een meid gezien, die er uit ziet als een comoedus, want wij blankètten ons niet maar grimeeren ons: ik spaar niet de verf op mijn gezicht!

--Hi-ha! meende de ezel.

--Een masker is noodzakelijk! viel nijdig de jonge senex in: hij moèst altijd met een masker spelen.

--Jullie zijn cinædi! schold de mimus, dwars door het lawaai.

--Neen, jullie juist zijn cinædi, schold razend de adulescens terug. Jullie wringen je heupen en doen als obscene jongentjes, als die Gallen daar doen, maar wij blijven altijd kunstenaars, kunstenaars-van-het-woord; wij blijven altijd hoog-komiek! Wij loopen niet met Priapus te koop, als jullie doen! Wij werken niet op de lage lusten van het publiek als jullie met je bokkensprongen! En ik ten minste ben alleen voor mooie vrouwen bereid, terwijl jij voor iedereen klaar staat!

En hij lachte verleidelijk naar Fabulla.

--Niet twisten, jongens, kwam Nilus aan; eten jullie liever je buiken vol!

En hij zette zoo wel mimus als adulescens een schotel voor met petaso: varkenshaas met prei en eiersaus er om heen.

--Bij den grooten Jupiter, juichte de adulescens uit; heer caupo, jij bent waard, dat we den heelen Plautus voor je spelen! En Terentius na!

De mimus zeide niets: hij kreunde van gulzigheidswellust en sloeg voor over met zijn mond in den schotel en lebberde de saus.

--Wat is Terentius? vroeg een der matrozenmeiden.

--Wie Terentius is?? vroeg de adulescens met open mond en bléef opensmonds, omdat iemand--zelfs een deerne uit Ostia, die een dagje uit was met matrozen uit een daar binnengeloopen schip, vol koren, dat van Egypte kwam om Rome te voeden--zóo onwetend kon zijn. Wie Terentius is?? Maar hoe is het mogelijk!

--Nou, ze is maar een eenvoudige meid, zei de matroos, die zoo bang was voor van-buiten-leeren; wat weet onze Sila nou van al die geleerdheid. Zeg nou maar eens, jij knappe adulescens, wat.... ik bedoel, wiè is Terentius.

--Terentius is een beroemde blijspeldichter, lichtte de adulescens in; die drie-en-een halve eeuw geleden geleefd heeft en hij komt even na Plautus en is niet zoo een groot genie....

--Zóo? draaide zich langzaam, minachtend, de fijne "eerste paraziet" om, lange, blauwe asperge nog in zijne vingers. Vindt jij Terentius minder geniaal dan Plautus! Bij Herkles, dat is de eerste keer, dat ik dàt hoor!! Terentius, die zoo zijn Grieksch kende, die zóo fijn geestig was....

--Bij Pollux, Plautus heeft ook de Grieksche voorbeelden nagevolgd, bitste de adulescens terug.

--Terentius, die zoo elegant van taal en rhythme is!

--Plautus is veel frisscher èn van taal èn van rhythme en veel minder systematiesch van opbouw in zijn spelen. Terentius is al decadent!

--Terentius, verbeeldt je, wiens titels alleen al poëemen zijn, effectvol om uit te spreken! Wanneer vond Plautus titels als: Andria....! Hecyra....! En vooral....

De "paraziet" spitste de lippen en gebaarde met duim en wijsvinger tegen elkaâr:

--Heautontimorùmenos!! Is zoo een titel alleen al niet Aeoliesch geluid?!

En de "paraziet" zong, declameerde, mimeerde het lange, Grieksche woord sylbe na sylbe: de rijk klinkende titel van het spel des "Straffers van Zichzelven"....

En bedankte toen, matig in het leven, al was hij veelvraat op de planken, voor de tweede portie vleesch en boonen, die Nilus hem bood.

--Wat worden ze nou geleerd, zei Sila tot haar Egyptischen korenschipmatroos. Het lijken wel filozofen!

--Ze praten Grieksch, zei de matroos, die, uit Alexandrië, veeltalig geworden was en den titel van "Heautontimorùmenos" bijna verstaan had, hoewel niet begrepen; maar je hebt gelijk: het zijn, bij Herkles, wel knappe kerels!

Intusschen kijfden zelfbewuste adulescens en fijne "paraziet" voort over de voortreffelijkheden van Plautus en Terentius en de Christenen murmelden tegen elkaâr:

--O, die zònde van het tooneel, mijn broeders!

--Ja, die onzedelijke vertooningen, steeds van echtbreuk....

--En hun meesters bedriegende slaven! En van lichtekooien!

--Bij Plautus èn bij Terentius!

--Nooit zielverheffend, altijd terugtrekkend, in de modder der laagheid!

--Broeders, moeten wij niet gaan? Is het uur niet geslagen....?

--Dat onze Bisschop, de heilige Clemens....?

--Ja, ja, ons verschijnen zal in de Catacomben, ter prediking?

--Gaan wij, gaan wij....

Zij stonden op. Allen zagen nu, dat zij Christenen waren. Zij hadden toch niets bizonders. Het was om hunne gezichten, om hunne strakke oogen, hun toegeknepen mond. Nauwlijks iets donkerder waren hunne grove tunieken dan van wie hen omringden en heidenen waren.

Zij gingen, na gekeken; toen, bij de deur, na gejouwd.

--Kleine-kindertjes-slachters! lastergilden de Gallen.

De laatste Christen keerde zich om, stond even stil. Om zijn genepen mond ontbloeide plots een glimlach van stralend medelijden.

--Nigrina! riep Fabulla, steeds op de bloote knieën van Colosseros; wat werd die Christen móoi, toen hij zoo lachte!

....--Ik ben erg ongerust, heer caupo; tobde de dominus. Ik begin èrg ongerust te worden, om Cecilius en Cecilianus, mijn twee "eerste-vrouwerollen." Het zijn heel kostbare ventjes en ik ben altijd bang ze te verliezen. Het zijn tweelingen, heer caupo; zestien jaar, denk ik: ik heb ze.... ja, ik heb ze gekòcht in Syracuze, toen ze nauwelijks drie jaar waren. Ja, ik heb ze zeker al sedert dertien jaar.... Ze zijn op de pædagogia geweest; o, ik heb zoo veel geld voor ze uitgegeven.... Ze hebben les in àlles gehad, in rhetorica, in alle vrije kunsten, in muziek, in dans.... Ze zeggen dan ook hun rollen als niemand! Ze hebben veel talent: dat heeft zich in hen ontwikkeld. Ik heb ze nooit laten geeselen; ik was bang hun mooie lichamen te bederven.... Ik, ik heb ze bedorven en ze weten zoo, dat ze een potje breken kunnen. Dan loopen ze maar weg, uren blijven ze dan weg.... Zoo als van avond.... Verbeeldt je nu toch, vriend caupo, als ze voor goed wèg geloopen waren! Of geschaakt.... Jongens van dien leeftijd, die zóo mooi zijn, worden wel eens geschaakt, hier in Rome.... Het is hier zoo groot; wat verdwijnt, vindt je hier niet meer terug.... Ik word er koùd van te denken, dat ze misschien.... Het zoû een verlies zijn....!!

--Wanneer zag je ze dan het laatst, vriend dominus? vroeg Nilus.

De dominus, op een schabel, was door Nilus geïnstalleerd geworden vlak bij de schenkbank. Op zijn knieën hield hij zijn diepe bord, eerst rijkelijk gevuld met soep, toen met vleesch, groente, brood en nu at hij den eenen honigkoek na den anderen. Zijn telkens volle kroes stond op de schenkbank zelve.

--Wel, zoo even nog.... Ik meen, toen we onze kamertjes gehuurd hadden in het hooge huis, daar achter.... Toen moest ik toe zien op de berging van onze kisten en koffers, die zijn vol requizieten en maskers en manuscripten en die staan opgesloten beneden in huis, bij den slavenkoopman. Ach, vriend caupo, je weet niet half wat er te doen is om zoo een grooten grex van Neapolis naar Rome te krijgen. Op mij komt alles neêr: de correspondentie met den prætor en de ædilen, op te letten, dat àlles in de contracten vermeld wordt wat er vermeld moet worden--de contracten zijn nù geteekend--; gèld heb ik uitgegeven om onze maskers en tooneelschoenen weêr op te frisschen vóor ik zeker was van de zaak; de ædilen dingen dan en het is zóo ver van Rome naar Neapolis en voor je weêr antwoord hebt, verloopen er dagen, weken, al is de Keizerlijke Post nog zoo geregeld onder onzen genadigen Keizer Domitianus....

--Hm....m! bromde Nilus, veelbeteekenend, met een grijns--als van een tooneelmasker, meende de dominus.

--Stt! fluisterde verschrikt Lavinius Gabinius; niet brommen en grijnzen, vriend caupo! en uit angst dronk hij zijn pas ingeschonken Nomentaner in eenen uit. Bedenk, ik, die met de officieele autoriteiten te doen heb, zeg altijd: onze genádige Keizer Domitianus en alles wat "keizerlijk" is, ook de Post, is pràchtig geregeld, hoor, pràchtig! Bedenk toch, als ik wat anders zei, zouden de verklikkers....

--Hièr zijn er geen! pochte Nilus.

--Niet te hard op dat zeggen, vriend caupo!

--Van dit volkje hier valt niets bij den Keizer te klikken....

--Misschien zijn zelfs die voorname dames, die zich vermommen als een gladiator en een meid, wel verklikkers....

--Ze komen hier al weken lang: het zijn niet meer dan emotie-zoeksters, weet je.

--O, emotie-zoeksters, vriend caupo? Is dat modern Romeinsch?

--Wie weet! Ze zijn niet moderner dan Messalina was, ze zijn moê van voornaamheid en stellen zich aan. Ze zoeken minnaars en.... minnaressen onder het volk als ze moê zijn van hare gelijken.... Ze moesten eens aan de kaak worden gesteld door een modernen tooneelspelschrijver, ja, dàt moesten ze, vriend dominus. En dan moest jij die satyre doen spelen!

--Ach modèrn, vriend caupo, modern is er nièts, dat van echte kunst getuigt. Neen, wij moeten niets van moderne schrijvers hebben. Die hèbben niet zoo veel talent, genie meen ik, als Plautus en Terentius hadden, al leefden zij drie eeuwen en langer geleden En zelfs voor onze mimus-stukken zoek ik liefst de antiekste, die van Livius Andronicus, uit.... Maar waar blijven nu toch Cecilius en Cecilianus! Vriend caupo, ik word zóo ongerust! Sedert ik toe zag op de berging van onze koffers en kisten, heb ik ze niet meer gezien.... Zijn ze weg geslipt.... Zijn ze er van door gegaan.... Wat doen ze nu, in die groote, onbekende stad.... We hebben wel eens meer gespeeld in Rome, drie jaar geleden....

--O, drie jaar geleden, vriend dominus? Toen was ik nog in Alexandrië....

--Maar toen speelden zullie nog niet de "eerste-vrouwe"-rollen. Toen traden ze alleen nog maar nu en dan in een mimus op: ze dànsen ook fijn. Maar ik meen: ze kennen Rome toch niet en nu dwalen ze rond in die groote, donkere stad.... Waar zouden ze zijn op dit oogenblik?

--Naar huis misschien, vriend dominus?

--Naar huis? Ja, het zijn lieve jongens om zoo vroeg en rustigjes naar huis te gaan! En zonder avondeten, tenzij dat een uitnoodiging hun in het oor is gefluisterd! Vriend caupo, als ze niet terugkomen, ben ik verloren.... Over driè dagen moet ik spelen en als ik ze niet hèb.... Gelùkkig!!