Chapter 19
En zij hielp ze zelve de tunieken aan te doen, die zij kozen. Het waren zacht malve-kleurige, half zijden, lange tunieken zoo als de histriones die in patricische huizen droegen, de armen, de beenen, de borst verzichtbarend. Zij zocht zelve de schoentjes, die er bij behoorden. Zij strikte zelve de linten om hunne kuiten vast. Deze jongens, zij waren hare kinderen en haar speeltuig, haar pleizier. Zij voelde voor hen wat een meisje voelt voor haar poppen. Haar groote poppen. Zij zette ze nu de vergulde rozekransen op. Zij bewonderde hen.
--Blijft nu een oogenblik hier, zeide zij; straks komt de Keizerin....
En zij liet ze alleen. Zij zagen elkander aan. En poèften het uit van het lachen....
--Stil toch! riep Cecilius, die zelve stil gierde als Cecilianus gierde.
--Niet zoo lachen! waarschuwde te gelijker tijd Cecilianus.
En zij gierden te zamen, hun vuisten voor den mond.
--Hoe vindt je die moèder van ons? en Cecilius hield zijn maag vast en kromp in een.
--Wat heeft ze ons gezoènd!.... En met onze schoentjes.... geholpen!!
--Hè, ik stik van het lachen!....
--Is dat làchen!....
--En het is hier zoo benauwd!!
--Met dat kleine stukje lucht, daar boven....
--Maar het is hier wèl mooi....
--Ja, mooi wel! Maar ademen, dat kan je hier niet....
--.... kan je hier nièt! Hoe vindt je toch....
--.... die moeder van ons!!
En ze poèften weêr, tegen elkander aan, in een dollach, dien zij onderdrukten. Plotseling stonden zij, recht, lachten niet meer.
Crispina opende de kamerdeur.
--De Keizerin is daar. Met Domitilla en Fabulla. Kom....
Zij wenkte ze.
Zij traden ernstig achter haar aan. Zij waren dadelijk weêr geworden de gehuurde komedianten, die moesten dansen en spelen. Crispina voerde hen in het triclinium....
--Hier zijn ze, Augusta, zei Crispina en toonde de jongens.
De vrouwen zaten op rustbank, schabellen. Zij waren de onverdraagbare somberheid van het Palatium ontvlucht. Zij wisten, dat Crispina hare zonen wachtte....
--Weten zij iets? vroeg Domitia, lacherig.
--Niets, Augusta, zei Crispina.
--Weten zij niets? fluistervroegen Domitilla, Fabulla.
--Niets, herhaalde Crispina.
Zij zette zich tusschen de anderen in de zoo bevallige beslotenheid van dit kleine vertrek, dat op het atrium uitkwam. En Crispina beval de jongens te dansen.
Zij dansten en floten, om beurt elkaâr begeleidend, op hunne dubbelfluiten. Het was een nacht van vaag licht, zonder maan, zonder sterren; een lucht van damp drukte over de tuinen. En in die grauwheid van atmosfeer, zevende het atrium binnen, dansten de jongens. Zij wisten hoe zij hier moesten dansen. Geheel anders dan zij gemimeerd hadden bij den voornamen Plinius.... O, zij doorzagen dadelijk hun volkje! Hier, voor de Keizerin, die den histrio Pâris bemind had, voor die uit hare oogen brandende, magere Domitilla, voor die Fabulla, die zij nooit vergeten konden, hossende op de eene knie van Colosseros en zij beiden op zijn andere knie, voor hun eigen moeder, die hen van de hand had gedaan, toen zij drie jaren waren geweest, dansten zij ànders.... In dit nauwe, sierlijke binnenhofje op den Palatinus, in deze grauwe nacht, die drukte en ontzenuwde--vooral om de nooit wijkende gedachte aan den Keizer in het Palatium....--dansten zij voor deze vrouwen anders dan zij in het zonnige landhuis aan de zee het klassieke spel van Hero en Leandros hadden gemimeerd. Zij floten nu met de lippen nauwelijks hoorbaar, zeér zacht, en zij dansten te zamen hun meest ontroerenden kordax, Attiesch van oorsprong, maar in Klein-Azië gedanst in de krotten en kroegen, door jongens of meisjes. Het was een langzaam wulpsch slepend beweeg en soepel gebreek van wringende ledematen tegen elkander aan, terwijl hunne vingers steeds in elkander bleven en hun lippengefluit meer kreunde van verlangen dan wel melodie ontblies. Uit hunne malve-kleurige, lange tunieken blankten telkens schokkend hunne knieën te voorschijn en hun dans was om hun wringen en buigen en breken en schuiven en schudden obscener en dubbelzinniger dan zoo zij, geheel naakt in de zon, hadden gedanst. Onder hun vergulde rozenkransen smachtten hun oogen. Tot zij wirrelden, als in een zelfde spiraal, die vertrilde en zij stil stonden in elkanders armen.
--Wat die jongens dànsen! zei de Keizerin. Ik zoû de heele nacht naar ze kunnen zien!!
Domitia, Domitilla, Crispina fluisterden onder elkaâr.... Of zij zouden durven zich vermommen om zich te vermaken in de achterbuurten.
--Licht is het er vermakelijker dan op den Palatinus, meende Domitilla. Fabulla, wat meen je?
Maar Fabulla was als veranderd. Zij zat meestal stil, naast de anderen.
--Jij kènt die buurten, lieve nicht, zei de Keizerin hoog. Jij bent er dikwijls genoeg geweest met Nigrina. Jij moest er ons brengen. Begrijp je.
--Ik kom er niet meer, zei Fabulla, bijna weemoedig.
--Waarom? vroeg Crispina.
--Omdat me dat niet voldoet.... Ik ben treurig den laatsten tijd.... Om Nigrina.... Om allerlei.
Zij was treurig ook om haar verdwenen illuzie: die van geen tooneelspeelster te zullen worden. Tevens was zij bang, dat Domitianus, wien zij er eéns over gesproken had, haar nu zoû dwingen de planken te betreden!
--Waar ga je dan heen, 's avonds? vroeg de Keizerin.
--Ik ga wel eens naar de Catacomben.... om den heiligen man van de Christenen te hooren....
--Er is er een gekomen, zei Domitilla; die in kokende olie is gedompeld geworden.
--Die is het, zeide Fabulla.
--Dan moet je ons brengen naar dien heiligen man, beval Domitia.
--Goed, zeide Fabulla.
--Wij hebben donkere mantels, zei Domitilla.
Zij stonden reeds op, grepen hare mantels. Om te vergéten wat haar drukte, beangstigde in het Palatium, zochten zij, zochten zij naar telkens andere ontroering.
--Ik blijf liever thuis, verontschuldigde zich Crispina.
--Moedervreugd! spotte Domitilla.
--Stt! smeekte Crispina.
Maar de vrouwen lachten en de tweelingen hadden gehoord. Zij lieten dat echter niet merken: zaten, hun giechel bedwingend, nu zoet op den rand van het kleine nymfæum.
Domitia, Domitilla, Fabulla gingen, in donkere mantels gehuld. Crispina bleef alleen met de jongens.
--Kom hier, zeide zij, gezeten.
Zij kwamen, hurkten bij haar neêr.
--Ik ben blij, dat jullie hier zijn, zeide zij. Vertel mij van jullie omzwervingen....
Zij begonnen te vertellen.... Crispinus, door de poort, door het atrium kwam binnen. Zij rezen op.
--Ik dacht de Keizerin hier te vinden....
--Zij is naar de Christenen, met Domitilla en Fabulla.
--Fabulla, ja, dat weet ik: diè wordt nog Christin.... Heb je dus je jongens bij je....?
--In der Goden naam, Crispinus, smeekte Crispina, in het Grieksch. Wees voorzichtig....
Maar de jongens, bescheiden, wendden zich af.
--Denk je, dat die jongens geen Grieksch verstaan? lachte Crispinus. Nu, wees niet bang; ik zal niets meer zeggen....
En, nu fluisterend, sprak hij over den Keizer. Hij, Crispinus, was in ongenade. De Keizer ontving hem wel, maar....
--Oh! riep hij uit. Als ik nog maar eens een Tàrbot of wat ook wist te verzinnen! Ik weet niets meer, ik weet nièts meer....
Zij fluisterden te zamen. De ongenade kon ieder oogenblik treffen. En dan, zelfs al liet Domitianus hun het leven, hadden zij niets, stonden zij op straat....
De jongens zaten op den rand van het vasculum.
--Cecilius....
--Wat, Cecilianus.
--Ik verveel me gruwelijk.... Ik woû, dat ik bij Nilus zat, met de gladiatoren.
--Driehonderd sestertiën per dag....
--Nou ja.... Ik verveel me tòch gruwelijk. Bij jou moeder.
--Ik ook.... Gruwelijk.... Ik kan hier niet adem halen. Bij jou moeder.
--.... Het is hier ook zoo benauwd.
--Vreeselijk benauwd.
--Ik ben moê.... van verveling....
--Ik ook.... Van verveling....
--We zullen aan die moeder van jou maar vragen naar bed te gaan.
--Ja, we zullen aan die moeder van jou maar vragen naar bed te gaan.
Zij stonden, bescheiden, op, naderden.
--Domina....
--Domina....
--Wat is er, jongens?
--Vergunt de domina, dat wij ons....
--Ja, dat wij ons terug trekken, domina....
Zij mochten zich terug trekken.
--Twee mooie Tarbotjes misschien, hoorden zij Crispinus nog zeggen.
Het maakte geen indruk op hen. Omdat zij zich zoo gruwelijk verveelden, moê waren van de verveling.
--Hoe lang moeten we blijven? vroeg Cecilianus.
--Zoo lang mogelijk.... Driehonderd sestertiën per dag....
--Driehonderd sestertiën per dag, herhaalde kwijnend Cecilianus, de armen al mat langs zijn lijf.
Zij waren nu in hun mooie kamertje en keken rond en keken naar elkaâr.
--Het is wel mooi....
--Ja, dat wel....
--Als je er maar eens ùit kon....
--Wat is er achter het muurtje van het atrium?
--Eens kijken....?
Zij liepen langs het marmeren dolfijntje, dat in zijn staart een Amor omkrinkeld hield, die de voetjes stak in de lucht. En zij heschen zich op, aan het muurtje.
--Pas op je mooie tuniek, zei Cecilius.
--Kan mij wat schelen! meende Cecilianus.
Ze heschen zich en tuurden uit.
--Een gangetje.... zei Cecilius.
--Ja, een gangetje.
--Een smàl gangetje....
--Een heel smal gangetje....
--En àchter het gangetje....
--Ik denk het park....
--Ik denk ook, het park....
Zij dachten het zelfde. Wip, zaten zij op het muurtje. Met de malve tunieken aan en de vergulde rozekransen op de blonde bollen. Wip, waren zij in het gangetje. Krr....
--Je tuniek scheurt, zei Cecilianus.
--Kan mij wat schelen! meende Cecilius.
Het gangetje was zeker voor de keukenslaven.... Wip, waren zij op het andere muurtje.... Wip, waren zij er af.
In het donker. In het dichte gras....
--Het park, geloof ik, zei Cecilius.
--Geloof ik ook, zei Cecilianus.
Beiden, poogden zij te ademen.
--Je kan hier nòg niet ademen, zei Cecilianus. Wat is het toch....?
--Ik zal het je zeggen, fluisterde Cecilianus. Het is de Keizer....
--Geloof je?
--Ja....
--Ik geloof het ook: het is de Keizer....
--Die is daàr: in het Palatium.
--Het is altijd toe....
--En donker....
Zij liepen den muur van de kleine villa om. Herkenden toen den weg, tusschen de ilexen en tamarisken. Vonden het nu wel een avontuur. Zoo beiden, alleen, in de parken van den Palatinus!
--Verbeeldt je, als we in eens den Keizer....
--Tegen kwamen??
Zij rilden tegen elkaâr, blij om hun vrees, die de verveling verjoeg.
--Laten wij eens gaan....?
--Ja, juist....
Zij wisten waarheen, zonder het elkaâr te zeggen. Naar de poort van het Septizonium.
Zij gingen. Als ze nu maar niemand tegen kwamen....? Waarachtig, stappen! Wie kwam daar....! Ze wilden zich verstoppen.
--Wie verstoppen zich daar? riep een stem bekend.
--Martialis!! riepen zij beiden.
--Bèngels, die jullie zijn! Wat doe je hier??
Zij zeiden het hem. En dat ze stikten. Zich zoo gruwelijk verveelden....
--Pas op, waarschuwde Martialis. Als je hier doet, wat je niet màg.... Wip maar weêr gauw de muurtjes over.... Kwâjongens, die jullie toch zijn....
--We moèten de Prætorianen spreken, zei Cecilius.
--Om te zeggen van den dominus.... Dat hij ons morgen avond daàr vindt. Bij hun wacht.
--Weest maar voorzichtig, bengels.... Valete.
--Vale, Martialis.
Martialis haastte zich, ontboden. De jongens daalden het park af.
Zij kwamen aan de poort, nog niet gesloten. Buiten zaten de Prætorianen, op hun bank. Er waren er bij, die zij kenden: er was de decanus van den eersten keer....
--Nacht, decanus....
--Zoo, komen jullie toch eens een kroes wijn meê drinken?
Heu, wat zien ze er mooi uit!
--Mag ik een stuk brood? vroeg Cecilianus, die op een tafel een soldatenbrood zag.
--Prætorianenbrood? vroeg een der soldaten.
--Hè ja!
--Hè ja!
En zij zetten zich schrijlings, in hun malve tunieken, over de bank. Het roode lampje-licht speelde in hun gouden rozen, aan de slapen. Zij knabbelden hartelijk in een homp soldatenbrood en dronken den wat zuren wijn. Zij vonden dien heerlijk. Zij dobbelden meê, hadden wel een paar denariï op zak....
--Je hoeft als je verliest niet te betalen, zei de decanus.
En ze vroegen of ze iederen avond even mochten komen....
En of de decanus den dominus woû waarschuwen....
.... Bij Nilus of in het huis van den voller.... Dat hij ze hier iederen avond zoû kunnen zien.... De wacht was niet altijd de zelfde? Nou ja.... ze kenden nu bijna àl de Prætorianen van de lijfwacht.... Het mocht wel, hè?
Zoû de decanus het doen....??
De decanus zoû het doen.
--Maar, ventjes, zoodra we stappen hooren.... door het park, of buiten op straat.... als de bliksem in het wachthuis, begrijp je.... En morgen niet met gouden rozen op jullie koppetjes.... Oppassen.... want van nacht wachten we niet minder dan de Keizerin af, die is er met Fabulla en Domitilla van door....
--Naar de Christenen maar, zei Cecilianus.
XIII.
De dominus hoorde er van door den decanus, die boodschap zond. En hij kwam meestal 's avonds laat even aan de Prætorianenwacht bij de Septizonische poort, en hij zag dan even de tweelingen. Hij hoorde hunne klachten. Noù, het was me een leven daar in het huis van.... van die edele Crispina! Nu ja, ze sliepen onder dekens van bombyx en hun kamer was bijna even zoo mooi als hun exostra-kamer in de Bacchides! Zij baadden zich in een bad van porfier en zij aten allerlei fijne dingen. Goden nog toe, hoe zij smachtten naar de kooltjes van Nilus! Ze liepen den geheelen dag in lange, kleurige tunieken en zij hadden niets te doen dan eens wat te zingen, te fluitspelen, te dansen. De Keizerin kwam bijna iederen avond naar hen kijken met Domitilla. Fabulla hadden zij eens weten te vragen of zij nog dacht over het tooneel en verbeeldt je, Fabulla had gezegd, dat het tooneel zòndig was, ja, zòndig, en dat ze Christin was geworden! De beide achterneven van den Keizer, die de edele Quintilianus had opgevoed, waren ook Christen geworden: dat scheen in de lucht te hangen, sedert die heilige man van de Christenen uit de kokende olie ongedeerd was gestapt. Ook de Keizerin ging naar de Christenen hooren. Omdat ze zich zoo verveelde op het Palatium. Noù, zullie verveelden zich ook. Er was niet te àdemen op den Palatinus. Er hing zoo iets angstigs, zoo iets dreigends: dat gaf ze een rilling. 's Nachts werden ze wakker en luisterden uit.... Dat kwam omdat het stil moest zijn in de parken, zeiden dan de Prætorianen, en omdat de Keizer ziek was. Maar de Keizer was wel goed voor de Prætorianen, zeiden ook de soldaten, en zij hielden van hem. En de jongens zeiden, dat de gladiatoren ook geen kwaad van den Keizer hooren konden, maar dat het toch niet vroolijk was.... Zij verlangden weg te komen; nou ja, driehonderd sestertiën per dag.... Daar deden ze het ook om. Iederen dag, die er voorbij was, was driehonderd sestertiën waard. Maar ze verveelden zich gruwelijk, net als de Keizerin, en de Christenen, die hadden ze al gezien in de taveerne van Nilus. Zulke trieste smoelen, zoo nooit eens vroolijk. Hè, hoe ze verlangden er eens van door te gaan. Maar ze dorsten niet: ze dorsten alleen dit uurtje, wip over het eene, wip over het andere muurtje en dan zich wat uit rekken, hè-è! bij de Prætorianen, die hen allen kenden. Nou ja, anders was alles in orde en de dominus vertrok en de twee bengels bleven nog wat dobbelen en drinken met de soldaten en slopen dan naar huis, wip over het eene, wip over het andere muurtje....
Maar op een avond, einde van Mei, vond de dominus bij de Prætorianenwacht Cecilianus alleen. De jongen zat zacht snikkende op de bank, met druipende oogen en de Prætorianen poogden hem te troosten: de decanus drukte hem tegen zich aan en zei, dat het niet zoû erg zou zijn....
--Wat is er? vroeg de dominus, ontsteld.
Cecilianus snikte en kon bijna niet spreken. En toen zei de decanus het.
--Het schijnt, dominus, zei de decanus; dat Cecilius van daag bij den Keizer ontboden is. Nou, dat is toch zoo erg niet.... De Keizer is niet altijd kwaad. Hij zal Cecilius hebben willen zien dansen of hooren fluit spelen....
--Hij is nog niet terug gekomen, snikte Cecilianus. Hij is al den heelen dag op het Palatium.... Nu is het er al lang donker en alles is toe. Hij komt van avond niet terug.... De edele Crispina was ook ongerust....
--Cecilius! stamelde doodsbleek de dominus. Cecilius bij den Keizer! Hoe is dat gebeurd?!
--Het is die edele Crispinus, zei snikkend Cecilianus, terwijl de soldaten meêlijdend den jongen omringden. We waren samen 's morgens in ons kamertje--het was zoò vervelend en je weet nooit wat te doen--en toen kwam Crispinus, en die zei, dat Cecilius meê met hem moest. Waarheen, vroeg ik. Naar den Keizer, zei Crispinus. Crispina kwam ook en die was heel boos.... Maar Crispinus beval Cecilius meê te komen. Ik vroeg, of ik dan met mijn broêrtje meê mocht.... Maar Crispinus zei van neen, en dat ik misschien een anderen keer mocht komen. Hij noemde ons de Tarbotjes.
--Nou, dat deed die maar voor de grap, troostten de Prætorianen.
--Neen, zei Cecilianus, schuddend het hoofd. Dat deed die niet voor de grap. Ik heb hem wel in de gaten. Het is een gemeene schurk, die edele Crispinus.
--Sttt! zeiden de Prætorianen. Dat mag je hier zoo niet zeggen....
--En ik zeg het toch, zei Cecilianus, steeds snikkend. Het is een gemeene schurk. Die edele Crispinus is een gemeene schurk. Wat hoefde die mijn broêrtje meê te nemen.... Had die mij dan ook maar meê genomen.... Maar hij zei: eén Tarbotje was genoeg....
De Prætorianen poogden te lachen.
--Jullie moeten niet lachen, zei Cecilianus, boos, de vuisten gebald. Mijn broêrtje is zeker nu dood....!
En hij snikte het uit, terwijl de decanus hem troostte.
--Neen, neen, zeiden de soldaten.
--Decanus, zeide de dominus bleek; ik moet oogenblikkelijk de edele Crispina spreken.
--Dominus, zei de decanus. Dat gaat niet. Het is veel te laat. Kom morgen vroeg; dan kan mijn plaatsvervanger je aankondigen. We weten allemaal wie je bent. En hier, Decius, zal Cecilianus terug brengen naar Crispina's huis, bij het muurtje, waarover de jongens gewoon zijn te wippen....
Den volgenden morgen, vroeg, kwam de dominus terug. De verwisselde wacht wist van het geval. Een Prætoriaan ging met den dominus meê, om hem aan te kondigen.
Crispina ontving hem in het atrium.
--Domina, zeide de dominus. Ik heb gehoord....
--Hoe weet je? vroeg Crispina bleek.
--Dat doet er niet toe, zei de dominus. Ik weet. Ik weet, dat Cecilius bij den Keizer is. En ik herinner u aan ons contract.
Crispinus verscheen uit zijn kamer, ongekleed, de haren verward.
--Welk contract? vroeg hij.
--Dat kan de edele Crispina u zeggen, edele Crispinus. Het contract, tusschen haar en mij gesloten, waarbij zij zich verbindt mij tweehonderd-vijftigduizend sestertiën schadeloosstelling te geven, zoo er eenig nadeel mij wordt berokkend in de persoon van eèn der beide jongens.
--Wàt!? riep Crispinus razend uit. Is dat waàr? Toon dat contract!
--De edele Crispina kan u het hare toonen; het mijne berust op veilige plaats.
--Toon dat contract! raasde Crispinus tot zijn zuster. Ben jij gek geweest?! Heb jij om die bastaards van je bij je te hebben, zoo een contract geteekend?!
--Ja! bekende zij, rillend van angst.
--Ben jij krankzinnig geslagen!! raasde hij en greep haar ruw de polsen. Toon dat contract! Toòn dat contract!
--Het is, als Lavinius het zegt.... Als Cecilius iets overkomt, moet ik honderd-vijf-en-twintig-duizend sestertiën aan den dominus betalen.
--Tweehonderd-vijftigduizend, domina, zei de dominus koel.
--Schadevergoeding voor beiden, vroeg Crispina: zoû toch tweehonderd-vijftigduizend sestertiën zijn?
--Lees uw contract nog eens over, zei de dominus. Er staat duidelijk in: in geval er eenig nadeel berokkend wordt in de persoon van éen der aan de edele Crispina verhuurde komedianten, Cecilius en Cecilianus, wordt hun dominus toe gezegd een schadevergoeding van tweehonderd....
--Toòn dat contract! raasde Crispinus.
--Trebellius heeft het gelezen! riep Crispina.
--En Labienus Posthumus, zei de dominus.
--Toòn dat contract! raasde Crispinus.
Crispina liep het huis binnen: zij kwam terug met het contract: Crispinus rukte het haar uit de handen, las het....
--Het staàt er! raasde hij. Jij, jij bent gèk, jij komediantemeid.... Hoe heb je dat dùrven teekenen! Dominus, ik verscheur dat contract! Ik blijf de voogd over mijn zuster: zij kan niets doen zonder mij....
--Verscheur het, edele Crispinus, zei de dominus. Verscheur het. Ik heb het mijne. Ik heb aanzienlijke patronen: de prætor, de ædilen, de edele Verginius Rufus, de edele Plinius, de edele Frontinus: ik heb hun allen gevraagd hun cliënt te zijn: zij hebben toe gestemd. Ik ben een vrij man, edele Crispinus: verscheur het contract en Rome zal van een proces hooren, dat onder zijn belangrijkste tellen zal. Ik deins voor niets terug. Ik ben misschien onvoorzichtig geweest de tweelingen hier op den Palatinus te verhuren; het geld heeft mij verleid, maar zoo werkelijk iets aan Cecilius geschiedt, dat mij nadeel berokkent, offer ik àl mijn geld, dat ik op verschillende plaatsen in het Romeinsche Rijk heb geborgen, òp om tot mijn doel te geraken.
--En als die gelden verbeùrd worden verklaard??
De dominus slaakte een minachtenden grinnik.
--Zoò gemakkelijk gaat dat niet door een gunsteling in ongenade. Er is nog recht in Rome, edele Crispinus. Bedenk, ik heb de màchtigste bescherming en zoò de Keizer zich vergrepen heeft aan Cecilius en het kind heeft vermoord, zal hij, al ware het alleen om de zaak te sussen, dit contract handhaven. Weét wel: er waait een nieuwe wind door Rome heen. Pas òp!!
En de dominus, den vinger gestrekt, bliksemende oogen, dreigde met autoritairen vinger, zoo als hij dreigde een van zijn grex, den Egyptischen gunsteling-in-ongenade.
Crispinus hoorde bevende toe. Zijn oogen loenschten, hij sidderde. Hij geloofde aan zijn noodlot: voorbij was elke goedgunstigheid van het Lot. Wat hij deed, gewerd niet in zijn voordeel. Hij vouwde het contract langzaam op.
--De Keizer heeft den knaap niet vermoord, zei hij alleen. De Keizer is ziek en de jongen verstrooit hem. Hij moet voor hem dansen; dat is alles....
--Wanneer komt Cecilius terug? smeekte Crispina.
--Dat weet ik niet, zei Crispinus somber. Ik dacht, dat hij gisteren avond al terug zoû komen. De Keizer heeft zijn plotse grillen. Toen ik hem sprak van de jongens, herinnerde hij zich die gezien te hebben, in het Theater van Pompeïus. Ik vroeg of hij de jongens wilde zien dansen. "Ja", zeide hij: "de eene. De oudste. Later de andere...." Keizerlijke gunst, dominus, is niet te verwerpen, ook niet voor een komediant....
Zij zagen elkander met woedende oogen aan.
--Domina, zeide de dominus; ik wensch Cecilianus te zien.
Zijn toon was hoog, als van een meester.
--Kom meê, zeide Crispina.
Zij geleidde hem de smalle gang door langs den rooden fresco-wand. Zij opende hem de deur van het sierlijke kamertje.
--Cecilianus, zeide zij zacht; hier is de dominus.
De jongen lag op bed. Hij was niet opgestaan. Hij was bleek, met blauwe kringen de oogen omcirkeld. Hij lag in de weeke weelde van zijn sierlijk bed en kreunde heel zacht.
--Wat is er, kind? vroeg de dominus.
De jongen bewoog niet....
--Ben je ziek?
--Ben je ziek, mijn jongen? vroeg Crispina.
Cecilianus kreunde.
--Wat is er, mijn ventje? vroeg teeder de dominus.
--Ik ben ziek.... kreunde de knaap.
--Sta je niet op?
--Ik kan niet....
--Wat heb je?
--Ik weet niet.
--Sta dan op....
--Neen....
--Je broêrtje komt gauw terug....
De knaap zweég. Crispina bracht hem ooft en gebak. Hij weerde af en weende....
--Wat zoû je dan willen? vroeg zij.
--Mijn broêrtje.... kreunde hij.
--Hij komt gauw terug, verzekerde de dominus. Maar je moet niet ziek worden. Als je niet ziek wordt en Cecilius is terug, dan kom je weêr bij ons, achter de Suburra....
--Cecilianus, zei Crispina. Cecilius komt gauw terug. Maar je moet niet ziek worden. Zeg mij, wat wil je, wat kàn ik je geven....
--Mijn broêrtje.... kreunde de knaap.
En hij lag bewegingloos. Hij sloot de oogen. Het was als stierf hij Hij lag als een witte bloem, die verwelkte. Een lichte rilling, als een koorts, liep hem telkens en telkens over.
--Het is hier kil, zei de dominus. Laten wij hem meer naar de zon toe leggen.