De komedianten

Chapter 18

Chapter 183,929 wordsPublic domain

De laatste, zij waren het nooit gewoon geweest, Rome voor de zomerwarmte te ontvluchten. Zij genoten hun langere siësta, zij genoten van lui langen avond, als de dauwige koelte zelfs niet zeefde tusschen de nauwe straten en sloppen maar, hoewel loomer en langzamer, gleed hun zelfde leven voort.... De anderen, de Keizer en wie hem omringden, waren zekerlijk wel gewend Rome's warmte te ontvluchten, ook al lag het Palatium in tuinen en parken op wijden heuvel, omwaaid van koeleren bries. Maar Domitianus was somber en ziek en wilde niet van reize weten en sloot zich op in zijn kamers om den volgenden dag uit te varen als een waanzinnige en een moòrd te bevelen of de Senaat uit te noodigen bij hem te avondmalen in zwart behangen zaal, met lijkbaren als aanligbedden, met verbleekte schedels als schotels en drinkschalen, met zwart gekleede en gemaskerde, demon-achtig dansende slaven als dienaren. En rondom hem bleven, in het Palatium, Crispinus, Sigirinus, Earinus, zijn gunstelingen en zijn nar en Domitia, Domitilla, Fabulla, Crispina, terwijl het gras van de parken verschroeide, de kruinen der ilexen en tamarisken grijs op stonden, overstuiveld van de stof en de laatste rozen aan de struiken stierven en hare verschrompelde bloembladeren rondom strooiden....

Crispina, in hare woning, wachtte Lavinius Gabinius, tijdens het warme middaguur. Toen hij binnen gelaten was in het atrium, zat zij op de rustbank bij het kleine vasculum. Maar mat murmelde de waterstraal, terwijl de zon schuin neêr gleed door de vierkante dakopening en hel glansde over den gloeiend rood geschilderden wand, waarop in fresco het sierlijk "oogbedrog" zich beeldde van zuilen, portieken, bosch en beemd....

De dominus groette Crispina.

--Domina, zeide Lavinius. Ik heb gesproken met de jongens. Zij vermoeden nog altijd niet....

--En....

--Ik heb hen voor gesteld als ge mij zeidet. Om, zoo lang het de edele Crispina behaagt, in hare dienst te treden als histriones en haar verblijf op den Palatinus te veraangenamen met zang en dans en voordracht. Intusschen niet langer dan de zomermaanden duren, daar in het begin van het najaar wij over Sicilië naar Karthago vertrekken.

--Wat hebben zij geantwoord....

--Zij hebben wel tegen gestribbeld. Zij zijn gewend aan veel vrijheid, die zij begrijpen hier, op den Palatinus, te missen. Ik heb hen echter--daar ik gewoon ben niet te dwingen--over gehaald door hen onder het oog te brengen hoe moeilijk het is voor een dominus-gregis zijn caterva te blijven voeden in de maanden, dat er geen Spelen zijn, zelfs al heeft hij geld verdiend in April. Zij hebben toen toe gegeven: alleen....

--Alleen?

--Zij hebben mij onder het oog gebracht, dat de geldelijke vergoeding, die gij aanboodt om hen te huren, te weinig was.

--En....?

--Ik meen, dat zij gelijk hebben, domina. Laten wij dus vast stellen, dat gij Cecilius en Cecilianus van mij huurt, maar tegen honderd sestertiën per dag meer dan gij boodt.

--Dus tegen driehonderd sestertiën per dag? Je bent duur, dominus, met je slaven.

--Het zijn slaven, die mij veel hebben gekost, domina.

--Het zijn slaven, die ik je geschonken heb.

--Maar die ik heb opgevoed en aan wie geen kosten gespaard zijn. Zij zijn onvergelijkelijk.... Zij zijn éenig.

Crispina glimlachte, verteederd.

--Ik kan u ze niet verhuren voor minder dan driehonderd sestertiën per dag.

--Het is héel veel, dominus. Driehonderd sestertiën per dag om mijn eigen kinderen een tijdje bij mij te hebben! En als ik nu eens Cecilius huurde en dan weêr eens Cecilianus....?

--De jongens kunnen niet buiten elkaâr, domina. Ik kan ze niet scheiden. U moet ze beiden te zamen huren of af zien van uw plan.

--Het is goed, dominus: ik huur ze dan beiden te zamen. Ik heb ze ook liever beiden te zamen....

--Ik heb ons contract mede gebracht, domina.

--Ons contract....?

--Ja, domina, opgesteld door een man van vertrouwen. Geen processe-jager. Een eerlijk man: Labienus Posthumus; hij helpt mij in Rome met al mijn zaken. Hij heeft het contract opgesteld, waarmede ik mij verbind u Cecilius en Cecilianus te verhuren voor driehonderd sestertiën per dag, met de voorwaarde, dat ik desniettemin over ze beschikken kan zoo ik plotseling, onverwachts, door particulieren te geven Scenische Spelen heb te vertoonen. Terwijl ik tevens in het contract verzekerd ben voor alle schade, die aan Cecilius en Cecilianus tijdens hun verblijf ten uwent zoû kunnen geschieden en mij, hun eigenaar, nadeel berokkenen.

--Voor een som van....?

--Tweehonderd-vijftigduizend sestertiën....

Crispina rees op.

--Dat is te veel, dominus, zeide zij. Dat is onzinnig.

--Domina, ik kan de jongens dadelijk voor tweehonderd-vijftigduizend sestertiën verkoopen.

--Aan wie?

--Aan den edelen Sextilianus. Zij zijn dus tweehonderd-vijftigduizend sestertiën waard. U weet zelf, de minste, een beetje mooie en kundige, jonge slaaf is honderdduizend sestertiën waard. Zoo hoog schat ik niet dus Cecilius en Cecilianus.

--Wat zoû hun kunnen overkomen?

--Ik weet het niet, domina. Misschien niets. Misschien alles. Hier op den Palatinus is zelfs het ademen niet vrij. Overkwam den beiden jongens iets.... wat ook maar, dan zoû ik dat voelen als dominus-gregis en ook zoû ik dat voelen als pleegvader. Ik hoû van die jongens, domina, zoo als een vader van zijn jongens houdt.... Het zijn brutale broekjes, en als ze iets deden, dat strafwaardig is binnen de keizerlijke muren, dan zoû ik, zoo niet als pleegvader, toch als dominus schadevergoeding willen ontvangen.

--Het is goed, dominus. Toon mij je contract. En laat mij het eerst met mijn broeders cliënt Trebellius door lezen; die helpt ons, als rechtskundige, in vele zaken: dán zal ik het teekenen.

Crispina ontbood Trebellius. Een uur later verliet Lavinius Gabinius de Palatijnsche parken met het onderteekend contract op de borst. Hij liep vol zorg, langzaam, naar huis; de zonnige Mei-middag doorstoofde stof-overstuifeld Rome. Thuis gekomen, vond hij den vollerbaas in vollen arbeid: vele uitgehangene toga's weêrkaatsten den zonneglans op. De dominus groette de vollers en volsters, ging de houten trap reeds op....

--Dominus, riep op den drempel de vollersbaas hem na.

--Wat is er? vroeg de dominus.

--Is het nog in orde bij jullie boven?

--Hoe meen je?

--Is er niet een verzakking of scheuring in de muren zichtbaar?

--Ik heb niets gezien!

--Neen, ik geloof ook, dat alles in orde is. Gisteren scheen het me toe, dat er hier beneden een scheur was. Ik heb den architect laten komen; die zeide, dat het niets was en heeft het wat bij laten metselen. Weet je, die nieuwe huizen hier, dat is niet allemaal pluis. Die zijn dikwijls zoo maar opgeblazen, uit speculatie, sedert de Thermen van Titus en het Colosseum werden gebouwd. Maar ik geloof, dat dit huis, dat ik gekocht heb, een van de beste is. Niet een van die rommel, zoo als er wel eens ingestort is, hier in de buurt.

--Ingestort, vriend voller?

--Nou ja, je hoeft niet bang te zijn, hier. Dit is maar vijf verdiepingen hoog. Die anderen waren zeven verdiepingen en heel slecht gebouwd: wat kalk, leem, en splinters en restjes marmer bij elkaâr getrapt. Je houdt dus de kamertjes, tot je naar Karthago gaat, hè? Zoo vroeg mogelijk opzeggen, niet waar?? Het ga je wel, dominus! Of ik het druk heb, noù! Iedereen, nà de feesten heeft vuile toga's te vollen: ik kan het werk niet àf met mijn knechts.

--Kan ik je een paar lui van mij verhuren?

--Dát neem ik gaarne aan....

--Dan zend ik je Silus en Afer en nog een paar anderen als je wilt.... En dat rekenen we op de huur dan wel af.... Komt in orde....

--Goed, dominus, goed, heel graag....

Boven vond de dominus velen van zijn grex in siësta, rug in rug in de broeiwarme kamertjes. Zij hadden niets te doen. De dominus had niet gaarne, dat ze doelloos rond zwierven in Rome. Hij was bang, dat ze dan, op een goeden dag, zouden verdwijnen. Hij sloot ze dus dikwijls op en als ze zich dan beklaagden, dat ze stikten, liet hij wel weêr eens een paar dagen de deuren open, ook omdat ze toch valsche sleutels hadden of de sloten open braken.... Ja, het was de tijd van rust maar ook van verveling en van armoê, met al die doodeters. Hij maakte wel een kapitaaltje, de dominus, belegd bij vele goede geldmannen en vertrouwbare wisselaars in Antiochië, in Alexandrië, en in Brundizium en in Syracuze, in Rome maar dat geld was toch maar los bezit. Zijn grex bleef zijn voornaamste inkomstenbron maar kostte veel, als ze niet speelden. En honger kon hij ze niet lijden laten. Ze aten dus bij Nilus wat ze wilden. Maar wel verhuurde hij ze wat hij ze verhuren kon. Den senex, zijn eenigen vrijgelatene, betaalde hij niets in dien donderschen vacantie-tijd maar huisvestte en voedde hij toch.... Den adulescens had hij--zonder fibula--verhuurd aan een patricische vrouw, die dol op hem was geworden. Den "paraziet" en Syrus, den "slave-rol", had hij verhuurd bij Tryfo, den boekhandelaar, voor een prikje, als kopiïsten: ze schreven beiden netjes en die brachten dus ook wat geld op, net genoeg, dat ze hun eigen levensonderhoud bedropen. Nu had hij Silus en Afer verhuurd aan den voller, om meê te vollen. En Cecilius en Cecilianus....

De dominus maakte, vol zorg en ook beducht, dat hij ze niet vinden zoû, het kamertje open waar hij sliep met de beide jongens. Waren ze er....? Waarachtig, ze wàren er. Zij zaten op den grond vijgen te eten, dicht tegen elkander aan. Zij hadden geslapen en dachten er eigenlijk juist aan een bad te nemen in de Thermen van Titus: het was nu, na de siësta, het uur, dat de voorname baders kwamen en de jongens, die zich verveelden, hadden gedacht, je kon nooit weten, wie je ontmoette.... Maar jawel, daar kwam juist de dominus thuis.

--Jongens, zei de dominus en zette zich, moê, op de eenige schabel bij het kleine tafeltje; ik heb je verhuurd.

--Heb je het waarachtig toch gedaan? vroeg verontwaardigd Cecilius.

--Ons verhuurd!? verontwaardigde Cecilianus.

--Ja, zei de dominus. Aan de edele Crispina.

--Aan onze moeder.... dachten de jongens te gelijker tijd, want ze wisten, sedert de eerste voorstelling, er alles van, maar ze zeiden niets.

--Aan de edele Crispina, herhaalde de dominus, verwonderd, dat ze niets zeiden. Weet je, jongens, het gaat me aan mijn hart. Ik hoû van jullie als van mijn eigen kinderen, al zijn jullie bengels....

--Waarom doe je het dan ook, dominus!

--.... lieve dominus! vleiden huilerig de jongens en kropen nader en hurkten bij des dominus' knieën.

--Maar jochies, hoor nu toch eens! verontschuldigde zich de dominus. Ik krijg driehonderd sestertiën voor jullie....

--Voor hoeveel tijd?

--Driehonderd sestertiën per dag!! riep de dominus; zoo als jullie het hebben geraden te vragen.

--Ecastor, giechelde Cecilius.

--Ecere, giechelde Cecilianus.

En zij barstten in lachen uit en buitelden over elkaâr op den grond.

--Driehonderd sestertiën! riepen de jongens. Per dag!!

En ze keken elkander veel beteekenend aan en riepen:

--Ze heeft wat over, om ons te zien!

--Die edele Crispina!

En ze knipoogden tegen elkaâr en lachten en buitelden en stompten elkaâr in de ribben.

Maar toen te gelijker tijd, werden ze ernstig en flikkeflooiden, ieder aan een knie van den dominus.

--En krijgen wij ook wat....?

--Van die driehonderd....?

--.... die driehonderd sestertiën....

--.... per dag?

--Natuurlijk, zeide de dominus. Jullie krijgen er ook wat van. Als zakgeld. Om vijgen te koopen.

--Meer....!

--Ja, wat meèr....!

--Nu goed, wat meer, gaf de dominus toe. Kom, jullie weten wel, dat ik het goed met je meen. Jullie zijn mijn jongens, hè, mijn lieve, eigen jongens. Wie weet of ik je nog niet eens vrij laat, later, en je na laat wat ik bezit: mijn grex, en de sommetjes, die ik heb gedeponeerd in Alexandrië en Antiochië ...

--En in Brundizium!

--En ook nog in Syracuze!

--Jawel, jullie zijn op de hoogte. Belooft me nu alleen een ding. Weest nu lieve, zoete jongens, op den Palatinus. Dat jullie geen last krijgen en ik geen last krijg. Want als er jullie iets gebeurt, bij Herkles, ik krijg geen as schadevergoeding voor jullie! loog de dominus.

De jongens beloofden op te zullen passen, bij de edele Crispina. Zij moesten dien avond gaan.

--De voller maakt onze gele jasjes schoon; nou, die zijn eigenlijk op, meende Cecilianus.

--Ik zal er eens om vragen, zei Cecilius en wipte op en weg.

--Ik ga meê! en ook Cecilianus wipte op.

--Ach wàt! riep de dominus en hield hem tegen. Kunnen jullie geen oogenblik buiten elkaâr?? Het is belachelijk!

--Ja, je weet, zei Cecilianus; dat we ook altijd het liefst tweeling-rollen spelen: dat vinden we het aardigst....

De dominus keek Cecilianus een beetje droef lachend, vol zorg, aan. Toen omhelsde hij hem, hield hem lang tegen zich aan, en zuchtte diep.

--Wat is er, dominus?

Maar de dominus zeide niets.

--Wat is er, dominus? vroeg Cecilius, die met de schoone gele jasjes terug kwam.

--Niets, jongens, zei de dominus. Zeg, je weet, ik heb jullie per dàg verhuurd.

--Ja, per dàg....

--.... per dag, natuurlijk.

--Ik weet niet hoe lang het duren kan, maar ik moet je nu en dan zien. Jullie zijn slimme rekels; je moet maken, dat ik je, iederen dag, al is het ook maar voor drie minuten, zie.... Want als ik geen vrijgeleide heb, kàn ik niet den Palatinus binnen.

--We zullen er voor zorgen, hoor....

--Wees maar niet bang, we zullen er voor zorgen....

En zij streelden hem om zijn baard, ieder aan een knie. Zij waren het nu, die het hem voor hielden; bedènk toch eens: driehonderd sestertiën per dag! Hij kon den heelen grex daar voor gedurende een week, twee weken voeden en huisvesten, hùn nog een aardig zakduitje geven en zelfs nog een spaarpenning beleggen bij zijn wisselaar. Het geld spiegelde hun goùd in de oogen. Zij hadden nu in éens lust te gaan.... Zij zouden hun tuniekjes in hun bundeltjes mee nemen naar de Thermen. En hun dubbelfluiten.... Zij gingen nu baden en ze zouden aan Nilus zijn ezel vragen: zij zouden op den ezel naar de Thermen gaan, en van de Thermen op den ezel naar den Palatinus.

--Ach, jullie zijn gek! riep de dominus, ontstemd over hun zorgeloosheid en onbekookte uitvallen. En wie moet den ezel terug brengen van den Palatinus? Jullie vallen immers veel te veel op, als je samen op een ezel zit, met je gele jasjes! Dan scheldt het volk je maar na of gooit je met vuil. Jullie moeten te voet, begrijp je en je rustig gedragen op straat. Niet altijd links en rechts kijken, als of jullie wat zoeken.

Ze beloofden het. Zij kusten hem: hij bedwong zijn aandoening, duwde ze zelve de deur uit. En alleen in het broeiwarme kamertje bleef hij zitten, op het schabelletje bij het tafeltje. Toen stond hij op; zorg donkerde over zijn voorhoofd. En hij rolde hun beide matrasjes op en zette die in een hoek. En hij zag uit het eene opene, glaslooze raampje; dat zag uit over de Suburra, de Carinæ en het Forum heen, in de richting van den Palatinus en den Capitolinus.... Achter den tempel van Jupiter Capitolinus daalde de zon in een wijde stofpoeïering van gouden atomen, in een stralenkrans van wemelend goudstof. En doelloos, verdrietig, en de zorg zwaar op zijn borst, stond hij te staren, hij wist niet waarheen, hij wist niet waarom, stond hij te staren, tot de schemering viel.

XII.

Het was donker, toen de beide jongens zich aanmeldden aan de poort bij het Septizonium. Er was een wacht van Prætorianen, die zaten te dobbelen, te drinken. Het waren andere soldaten en een andere decanus, dan die zij gezien hadden dien keer toen zij met Martialis in den draagstoel waren meê gekomen, maar de decanus en zijn soldaten herkenden hen, van het Theater.

--We waren toch geschilderd en met pruiken op? zei Cecilius.

--Met van die hooge pruiken op? zei Cecilianus.

Het deed er niet toe: de decanus had hen toch herkend.

--Hier zijn onze tesseræ, toonden de jongens twee bronzen penningen, die hun de dominus had gegeven.

--Waar moeten jullie heen? vroeg de decanus, die de tesseræ aannam.

--Naar de edele Crispina.

--Blijven jullie niet hier een uurtje saltatio geven? schertste de decanus.

Neen, neen, ze moesten naar de edele Crispina.

--Decius, zei de decanus tot een Prætoriaan. Leid jij eens die heerschapjes naar de edele Crispina.

De soldaat wees den jongens den weg, ging met hen meê, door de donkere parken.

--Wat is het hier somber.... zei Cecilius.

--Nou, het wordt nacht, zei Decius.

--Ja, maar het is hier wèl somber, vond Cecilianus. Met die donkere boomen. Het is hier akelig stil....

--Je hoort niets, zei Cecilianus; dan je eigen passen....

--De Keizer is ziek, zei Decius; het moet hier stil en rustig zijn.

--Hoort de Keizer uit het paleis wat hier gebeurt??

--Wat hièr gebeurt??

--Muziek zoû die hooren....?

--Mag er geen muziek gemaakt worden?

--Nou, heel zacht...., zei Decius.

--Fluitspel....?

--Ja, fluitspel toch wel??

--Ja, dat misschien wel.

--Is die niet aardig, de Keizer? vroeg Cecilius.

--Stt, zei Decius. Wie vraagt nou zoo iets....

--Mag Cecilius dat niet vragen? vroeg Cecilianus. Ik had het net ook willen vragen....

--We mogen zoo niet over den Keizer praten, zei fluisterend Decius. Maar als die niet boos wordt of driftig, is die niet kwaad.

--Houden jullie van den Keizer? vroeg Cecilius.

--De gladiatoren houden wel van hem.... verzekerde Cecilianus. Ik ben niet bang van den Keizer, want Carpoforus zegt, dat hij heél goed is.

--Ik ben ook niet bang, zei Cecilius.

--Hier woont de edele Crispina, zei Decius en toonde het huis. Hij klopte op de poort van het atrium.... Een slaaf opende.

--De twee komediantjes, zei Decius. Cecilius en Cecilianus....

--Komt binnen, noodde de slaaf.

--Decius, zei Cecilius. Ben je morgen van dienst aan de poort?

--Dat weet ik niet, zei Decius. Waarom?

--Ik woû je vragen of je een middel wist om onzen dominus....

Maar Crispina, uit het huis, was getreden. Decius verdween; de slaaf sloot de deur, met grendels.

--Welkom, jongens, zeide Crispina vriendelijk.

Zij was hunne moeder, maar de jongens verrieden niet, dat zij wisten, na eerst slechts vermoed te hebben.

--Edele domina.... groetten zij, buigend.

Zij hijgde lichtelijk, van aandoening. Zij had hun vader, Manlius, den histrio, lief gehad. Zij geleken op hem, maar hunne oogen waren de hare. Zij waren beiden heel mooi, heel blond, heel fijn en toch zoo gezond, frisch en jong. Zij waren als groote kinderen, deze comoedi, die al zoo veel hadden gezien, gezworven, gedaan, ondervonden. Zij voelde in zich een behoefte hen tegen zich aan te drukken. Zij bedwong zich. Zij zette zich neêr op de rustbank. Achter haar brandden enkele pitten aan de verschillende tuiten van de hooge, bronzen lamp.... De duisternis weifelde in het atrium. Boven, vierkant, nachteblauw, scheen de hemel vèr....

--Kom eens hier, zeide Crispina.

De jongens naderden, stonden, opzettelijk wat kinderlijker dan zij zich voelden.

--Zullen jullie mooi dansen, spelen en zingen? vroeg zij.

--Mogen wij zingen, domina?

--En spelen....?

--Ja.... De Keizer hoort dat niet.... Er mag alleen geen rumoer worden gemaakt....

--Het is alles zoo gedrukt, zei Cecilianus.

--Ja, zei Cecilius; of je niet adem kan halen....

Crispina zag hen aan. Heel haar hart ging naar hen toe. En plotseling bedwong zij zich niet, greep zij hun ieder een hand.

--Mijn lieve jongens....! zeide zij, ontroerd.

Zij knielden bij haar neêr. Zij deed hen zitten aan hare voeten en zij gedroegen zich als heel zoete jongentjes. Lieten niet merken, dat zij wisten. Zij voelden niets voor deze moeder en vonden haar eigenlijk vermakelijk. En dan, ze gaf driehonderd sestertiën per dag, om ze een tijdje bij zich te hebben.

Zij streelde hen over de blonde hoofden, zag hun in de oogen, die schuin, guitig, flonkerden in den lampeschijn. Zij vroeg hun allerlei dingen, waar en wanneer zij het laatst hadden gespeeld, of zij het Theater van Pompeïus niet mooi vonden.... Zij zeide hun, dat zij zoo prachtig waren geweest als de Bacchides.... En zij kuste hen hartstochtelijk. Moederliefde gloeide in haar op, voor deze mooie kinderen, die haar het geluk van haar leven herinnerden en wier vreemde jeugd, half kinderlijk, half pervers, den geur had van het komediante-leven.

--Kom meê, zeide zij.

Zij ging met hen het huis binnen. Het was een dier bevallige pavillioenen, zoo als er in de keizerlijke parken stonden ten gerieve van hooge hofbeambten. Zij woonde hier met haar broeder Crispinus, hoewel hij meestal op het Palatium zelve toefde. Zij trad eerst een klein, elegant triclinium binnen, dikke rozenslingers op den wand geschilderd. Enkele sierlijke schabellen en tafels van citroenhout. Een bronzen Faun, die danste.... Een tapijt van Sidon, Babylonische kussens.... Zij ging met hen een smalle gang door, wees de deuren.

--Hier slaap ik, zeide zij. Hier slaapt de edele Crispinus. En hier is jullie kamer....

De bronzen lampen waren overal ontstoken: het waren slangen om boomtwijgen of opgerichte, slanke chimera's, uit wier opene bekken de brandende pitten vlamden als tongen van vuur. En de jongens dachten dadelijk:

--.... Zij laat ons niet met de slaven slapen....

Neen, zij sliepen niet met de slaven, die achter het bevallige huisje hun ris van vertrekjes hadden, door een smallen, langen tuin gescheiden van het huis zelve. En Crispina voerde hen hunne kamer binnen. Die was de kamer der gasten. Die zag uit, rameloos, op een kleiner atrium, maar allersierlijkst den wand geschilderd met "oogbedrog" van zee, lucht, zuilen, dat vaag tusschen de wit bloeiende klimrozen in het avondgeschemer maar even verduidelijkte. Een marmeren dolfijn, in het waterbekken, blies een waterstraal, terwijl hij in zijn opgeheven staart omkrinkeld een Amor hield, die zijn teedere voeten omhoog stak. In de kamer zelve stonden twee lage bedden, met fijn lijnwaad bedekt, met geborduurde kussens, met dekens van kleurige bombyx. Er lag een panthervel. Er brandden de pitten in de bronzen lamp. Er schemerde een metalen spiegel op een rood marmeren tafel, door gebeeldhouwde griffioenen getorst. Aan bronzen haken hingen kleurige kleederen....

--Kiest hier uit, zei Crispina; en verkleedt je.... Over een uur komt de Keizerin, en moeten jullie dansen en spelen....

De jongens keken om zich rond. Het was in den nachtschemer en lampeschijn een nauwe, beslotene, elegante en geurige weelde. De lampe-olie geurde. De bombyx-dekens voelden aan als een schapenvacht, maar van zij.... Op rood marmeren tafel lagen, tusschen vergulde toiletvoorwerpen, twee vergulde rozenkransen.

--Moeten wij die op zetten? vroeg Cecilianus.

--Ja, zeide Crispina.

Zij zat op een der bedden en zag glimlachend de jongens kijken en vragen. Zij deden het met een zekere bescheidenheid, gewend aan alles. Zij vonden dit alles heel mooi en het was voor hèn.... Een slaaf bracht ooft en gebak op een schaal van verguld en zij aten.

--Zullen wij ons nu verkleeden? vroeg Cecilius.

--Ja, zeide Crispina. Wil ik een van mijn slavinnen roepen?

--Wij kunnen het zelf wel, domina, zei Cecilius.

--Ja, domina, wij kunnen het zelf wel, zei Cecilianus.

En zij kleedden zich uit, rustig-weg, voor de edele Crispina, die hunne moeder was. Zij stonden naakt en borgen hun eigen plunje, netjes gevouwen, weg. Zij kon haar oogen niet van hen af houden. Zij wieschen zich in een bronzen kom. De lampepitten flikkerden in lichtspelingen over hun blonde naakt. Zij kamden elkaâr voor den spiegel. Zonder er bij te denken, omdat zij histriones waren, verfden zij zich de oogen, de lippen, natuurlijk-weg. Zij wilden kiezen uit de kleederen, die daar hingen.

--Blijf liever zoo, zei Crispina.

--Het is zoo koud, zoo, domina, zei Cecilianus, even rillende, van de avondkoelte.

Zij naderde hen en plots omarmde zij hen beiden, in hare armen. Zij was verliefd op hare kinderen, omdat ze zoo mooi waren. Zij wilde ze een pooze bij zich hebben, omdat ze zoo mooi waren....

--Je moet niet koû vatten, zeide zij moederlijk zorgzaam; kleedt je dan maar....